HOOFDSTUK 5
Anno Diekman had het dorp al een flink stuk achter zich gelaten toen Renske een hand op de zijne legde die het stuur vast omklemde. ‘Denk, om je snelheid, jongen,’ vermaande ze zacht, ‘een beetje minder hard zou geen kwaad kunnen. Op het moment moeten we vóór alles brokken zien te voorkomen.’
Anno minderde onmiddellijk vaart. ‘Je hebt gelijk, sorry, wijfje.’ Hij zuchtte diep en zwaar.
Renske sprak haar bezorgdheid uit. ‘Wat kan er nou toch aan de hand zijn? Er moet iets afschuwelijks gebeurd zijn, want Riekje is normaal vrij nuchter; zij raakt door een kleinigheid niet zo overstuur. Zou er iets met Friggo zijn gebeurd…? Een ongeluk of erger?’
Anno schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat kan het niet zijn, want toen ik haar vroeg of Friggo bij haar was, antwoordde ze: Nee, gelukkig niet. Dat vond ik vreemd, dat ze blij was dat Friggo er niet was.’
‘Misschien heeft ze brand gehad en durft ze Friggo niet onder ogen te komen,’ opperde Renske.
Anno keek haar van opzij vertederd aan. ‘Het helpt je allemaal niks, lieverd. Het blijft vragen naar de onbekende weg. Over een halfuurtje weten we meer.’
‘Jij bent net zo goed bang!’
‘Ja zeker. Het zou niet best zijn als ik het niet was. Het gaat om mijn dochter, Renske.’
Na een tijdje zwijgend voort te hebben gereden, vroeg Renske zacht: ‘Anno…?’
‘Zeg het eens?’
‘Het is heel raar, maar ik moet opeens terugdenken aan de tijd toen Sacco overleed. Om de een of andere duistere reden trek ik deze beide gevallen samen. Toen was ze ook zo vreselijk overstuur, weet je nog…?’
Anno keek met een strak vertrokken gezicht voor zich uit. ‘Dat vergeet ik mijn hele leven niet. Dat we Sacco dood vonden was afgrijselijk en ik moest het Riekje vertellen. Ik zie de uitdrukking op haar gezichtje nog voor me. In plaats van te huilen begon ze onbedaarlijk te lachen. Als ik eraan terugdenk hoor ik dat afschuwelijke lachen weer. Het waren louter de zenuwen die haar een moment de baas waren, gelukkig kwamen daarna de verlossende tranen. Arme meid.’
‘Ze was nog zo jong, toen dat allemaal gebeurde,’ zei Renske. ‘Ze is nog steeds jong. Zevenentwintig jaar, wat is dat nou? Daarom juist heeft zij recht op het geluk, ze heeft het verdiend.’
‘Het is niet aan ons om dat te beoordelen, maar ik ben het wel met je eens. Om de lieve vrede heb ik het niet altijd toe willen geven, maar ik ben het in mijn hart ook met Dineke eens als zij beweert dat Friggo voor Riekje niet de ware is. Had ze na Sacco maar iemand bij ons uit het dorp ontmoet. Dat zou mij tenminste eigener en vertrouwder zijn dan zo’n stadjer.’
‘En dan zeker het liefst iemand met een paar flinke handen aan zijn lijf en een hart dat uitging naar het boerenbedrijf?’ vroeg Renske naar de haar bekende weg.
Als dat zou kunnen!’ lachte Anno. Hij was ernstig toen hij verder praatte. ‘Ik vermoed dat veel ouders met deze problemen te kampen hebben, Renske. We zouden het liefst zelf iemand voor haar uitzoeken en de allerbeste zou niet goed genoeg zijn. Een boer naast Riekje, dat zou ideaal zijn, zeg! Een opvolger voor de stee is immers onze allerliefste wens. Maar ik zie die nog niet zo gauw in vervulling gaan, jij wel soms?’
Renske schudde het hoofd. ‘Nee, want Riekje heeft haar hart al verloren en Friggo schuwt de hoeve. Dineke beweert dat het voornamelijk om haar is dat hij niet naar ons toe wil komen.’
‘Als dat zo is zal Friggo daarvoor zijn redenen hebben, maar die zal ik nooit willen of kunnen delen. Hij moet oppassen dat hij tegen mij geen kwaad woord over mijn moeke zegt. Een liever mensje dan zij moet nog geboren worden!’
Nu ze het over Dineke hadden herinnerde Renske zich plotseling een voorval van de vorige dag. ‘Gistermiddag hebben we vreselijk moeten lachen, Dineke en ik, maar desondanks maakte ik me toch een beetje zorgen om haar. Ze stond op om thee in te schenken en toen verloor ze plots haar evenwicht. Het was een oerkomisch gezicht; ze stond op en meteen daarop viel ze zowat voorover over de tafel. Ze zwaaide met haar armen of ze wilde gaan vliegen. Zij hield zich nog net op de been en we schoten allebei in de lach. Later dacht ik: Ze zal toch geen last krijgen van evenwichtsstoornissen?’
Anno schudde zijn hoofd. ‘Welnee, ze is zo gezond als een vis. Ze vergeet alleen wel eens dat ze de jongste niet meer is en dat ze het eigenlijk wat kalmer aan zou moeten doen. Maar ja, dat is de aard van ’t beestje.’ Anno zweeg, ze waren inmiddels in de stad aangekomen. Op een gegeven moment vroeg hij: ‘Hoe was het nou alweer, moet ik bij de volgende stoplichten nu rechtsaf? In het donker ziet zo’n stad er heel anders uit, vind je niet?’
‘Ik zou er voor geen goud willen wonen,’ zei Renske, maar ze keek wel mee en lette scherp op. Toen Anno bij de bewuste lichten afsloeg zei Renske, die een herkenningspunt zag: ‘Ja, je zit goed, hoor! Kijk maar, bij die vishandel daar op de hoek, moet je weer links en dan zijn we er. Ik ben blij toe, Anno…’
‘Ik ook, mijn meidje. Ik ook.’
In het huis van Friggo Vriezema brandden de schemerlampen, het flauwe licht scheen door de nieuwe, dichtgetrokken overgordijnen waar Riekje al lang geen oog meer voor had.
Ze keek om de haverklap op de klok en wist dat pap er nu elk moment kon zijn. Ze had zich ondertussen weer hersteld en vond nu dat ze zich niet zo had mogen laten gaan. Als ze gewoon had gewacht tot ze, net als nu, weer wat gekalmeerd was, had ze naar huis kunnen gaan en dan had pap bij avond de reis niet hoeven te maken. Maar ja, dat was nu niet meer terug te draaien. Pap was onderweg en zij verlangde naar hem. Toen Renske belde met haar lieve stem vol zorg en later ook nog pap, had ze zich niet flink kunnen houden. Maar lieve hemel, er was ook zo ontzettend veel gebeurd. Haar hele toekomst lag ineens in gruzelementen. Ze voelde zich weer net als toen Sacco zo van het ene op het andere moment bij haar werd weggerukt. Om haar heen was een leegte, een diepe put waar ze nooit weer uit zou kunnen klauteren. Sacco was verongelukt, hij liet haar niet expres in de steek. Ze wist zeker dat hij de dood niet had gezocht. Het was zijn tijd geweest, anders had God dat vreselijke niet laten gebeuren. Zij was toen hoogzwanger van Didy en waarom er van Boven toen niet naar haar omgekeken werd, wist ze nog altijd niet.
Met Friggo was het allemaal heel anders. Hij leefde en was bij het volle verstand. Hij wist waar hij mee bezig was. Willens en wetens had hij haar alles afgepakt. Diep in haar hart stak haar liefde voor hem telkens weer de kop op, maar die werd meteen ondergedekt door intens verdriet, door verontwaardiging, boosheid en ongeloof. Hoe had Friggo in godsnaam zover kunnen gaan? Waarom had hij erop aangedrongen dat ze haar baan eraan gaf? Dat speet haar nu wel zó verschrikkelijk! Met die prachtige baan waar ze zo intens van hield zou ze ten minste nog perspectieven voor de toekomst hebben; nu leek alles zo leeg en doelloos. Voor de liefde van een man had zij een enorme veer gelaten. Ze had het met een hart vol onzelfzuchtige liefde gedaan, maar nu balde ze haar kleine handen tot vuisten en beloofde ze zichzelf vol overtuiging: Nooit, nooit, overkomt me dit weer. Hoe ik mijn leven en mijn toekomst zal moeten inrichten weet ik nog niet, maar voor een man zal er geen plaats in zijn. Ze keek andermaal op de klok en op hetzelfde ogenblik hoorde ze buiten voor het huis een auto stoppen. Ze rende naar de voordeur.
In de deuropening, in het licht van de ganglamp, verwelkomde ze Anno en Renske. Ze schreide niet en om haar mond schemerde iets dat op een glimlach moest lijken maar daar bij lange na niet aan voldeed. ‘Ik ben zo blij dat jullie er zijn, kom gauw binnen. Wat lief, Renske, om mee te komen…’
‘Wat dacht je dan; ik had rust noch duur,’ zei Renske, terwijl ze de gang inliep en zodoende ruimte maakte voor Anno die nu met een onderzoekende blik naar Riekje keek.
Toen hij dat nerveus trekkende bekje van zijn dochter zag, trok hij haar tegen zijn borst. Hij streelde het donkere haar en praatte zacht: Wat nou, kleine poes, zijn er onoverkomelijke moeilijkheden of valt het nog wat mee…?’
Riekje kon er niks aan doen dat de waterlanders weer te voorschijn sprongen nu ze de armen van Anno zo vast en veilig om zich heen voelde. Tegen de ruige stof van zijn jas snikte ze: ‘Friggo heeft me alles afgepakt, pap… Mijn baan, mijn toekomst, mijn vertrouwen. Ik zal hem dit nooit kunnen vergeven.’
‘Kom maar,’ zei Anno, ‘we gaan naar binnen en dan moet je het ons maar eens allemaal vertellen.’ Hij liet Riekje los en sloot de voordeur. In het buurhuis werden nu ook de gordijnen dichtgetrokken en Simone verzuchtte opgelucht: Gelukkig, haar familie is er. Nu komt het met Riekje wel goed, ze is in elk geval veilig en beschermd. Ze zou straks even naar Rotterdam bellen. Over een klein uurtje zou Eveline wel weer thuis zijn. Die zou, net als zij, blij zijn dat Riekje niet meer alleen was. Foei, wat een dag, dacht Simone, die net als Riekje nog maar liever niet aan de toekomst wilde denken.
‘Ik heb koffie gezet, willen jullie een kopje?’ vroeg Riekje.
Renske knikte en keek Riekje bezorgd aan. Anno zei: ‘Als je er een plak koek of iets anders bij hebt hou ik me aanbevolen. We hebben nog niet gegeten, ik voel me wat flauw op de maag.’
‘Ik bezorg jullie ook alleen maar overlast,’ zei Riekje. Ze vertrok naar de keuken en keerde even later terug met een schaal dik belegde boterhammen waaraan ook Renske zich te goed deed.
‘Hè, ja, dat valt er zéker lekker in,’ zei ze met een volle mond.
‘Neem jij niks, meidje?’
Riekje schudde het hoofd en keek met weerzin naar de boterhammen. ‘Mijn maag zit boordevol. Ik heb het gevoel dat ik nooit meer wat hoef te eten.’
Anno hapte in zijn derde boterham toen hij informeerde: ‘Zit Friggo nog hoog en droog op Terschelling?’
Het was een aanloopje waar Riekje op inhaakte. ‘Ja. Hij komt morgen terug, dat was zo afgesproken. Ik ben zo vreselijk bang dat hij vanavond nog zal bellen. Dan weet ik niet wat ik moet zeggen, want hij weet niet dat ik het allemaal weet…’
Dit gehaspel was voor Anno en Renske allesbehalve klare taal, maar Anno deed alsof zijn neus bloedde. ‘Nu wij bij je zijn heb jij niks meer te vrezen. Mocht de telefoon gaan dan neem je domweg niet op. Afgesproken?’
Riekje knikte opgelucht. ‘Ja, ja, dat is een idee…’ Ze zweeg en dacht zo te zien koortsachtig na. Dan zei ze zacht: ‘Ik weet niet waar ik moet beginnen te vertellen. Het is zoveel, en het is zo erg…’
Anno trok zijn zakdoek uit zijn zak en veegde zijn mond ermee af. ‘Je hebt al verteld dat Friggo je alles afgepakt heeft, hij is dus de boosdoener. Vertel maar eens hoe je vandaag, terwijl hij niet aanwezig was, achter bepaalde dingen bent gekomen.’
Riekje keek wat verdwaasd voor zich uit, maar na een aarzeling stak ze van wal. Anno en Renske onderbraken haar niet tijdens het relaas. Dat ving aan met horten en stoten, maar het kwam er allengs vlotter uit. Terwijl ze naar Riekje luisterden veranderde hun stijgende verbazing in ontzetting. Dit was iets wat zij, als eerlijke, rechtschapen mensen, nauwelijks konden geloven. Riekjes stem was van opgewonden langzaam monotoon geworden toen ze besloot: ‘Het steekt allemaal zo onwerkelijk in elkaar. Het is net alsof ik Friggo niet meer ken, alsof het een vreemde betreft. En wat heb ik Simone verkeerd beoordeeld. Zij is echt een aardige vrouw, die het beste met me voorhad. Ze heeft het er heel moeilijk mee gehad, ze had het me veel eerder willen zeggen, maar ze durfde niet. Al die vervelende telefoontjes kwamen van haar. Dat zei ze eerlijk. Ze belde steeds met het plan om het te zeggen, en als het dan zover was durfde ze niet en zweeg ze in alle talen. Wat gemeen ook van Friggo om tegen mij te doen voorkomen dat Simone van hem hield en achter hem aanzat. Het was zijn zoveelste leugen, maar het aller-, allerergste, vind ik dat hij Eveline in de steek liet omdat hij het niet kon verdragen dat hun kind niet gezond was.’ Ze sloeg een paar trouwhartige ogen naar Anno op, en als wilde ze zich verontschuldigen, zo zei ze zuchtend: ‘Van zo’n man kán ik niet houden, pap…’
Anno dankte in stilte de hemel voor die uitspraak van haar en zei: ‘Dat is je geraden, dat is het enige goede in deze onverkwikkelijke zaak, kleine poes!’
‘Hai, kind toch,’ zei Renske, nog helemaal van de kook, ‘wat heb jij vandaag een boel meegemaakt. Ik noem het knap van die vrouw, Eveline, om persoonlijk naar hier te komen en je alles uit de doeken te doen. Dat getuigt van moed, van karakter.’
Er drupten een paar tranen uit Riekjes ogen die verloren op haar wangen bleven liggen. Zachtjes zei ze: ‘Zij is een prachtvrouw, Friggo beseft volgens mij niet wat hij weggesmeten heeft. Eveline was eerlijk en openhartig, maar niet éénmaal heeft zij Friggo zwart gemaakt. Na alles wat er gebeurd is haat ze hem niet eens. Ze zegt dat ze met hem te doen heeft. Ik wou dat ik dat kon, maar in mij is nog geen medelijden voor hem.’
‘Daar hoef jij je ook allerminst voor te schamen,’ vond Renske. ‘Die man verdient geen hand boven zijn hoofd. Hij ging veel en veel te ver. Hoe durft zo’n volwassen kerel het in zijn hoofd te halen om het leven van een jonge vrouw zo te ruïneren!’ viel ze opstandig en nijdig uit.
Anno verwees naar Eveline toen hij zei: ‘Hij heeft het leven van twee vrouwen in de vernieling geholpen. Na jouw uiteenzetting ben ik dankbaar en blij dat dat mensje ginder in Rotterdam familie heeft die haar zal steunen. Zoals wij dat jou zullen doen, mijn poesje. Je staat niet alleen, we zullen er allemaal voor je zijn.’
Maar Riekje was met heel andere dingen bezig. Schreiend fluisterde ze: ‘Hoe moet het nu verder, pap… Ik wil niet met hem trouwen. Voor geen prijs wil ik dat nog!’
Anno glimlachte vertederd. ‘Wees maar niet bang, dat gebeurt niet!
Hoe je een dergelijke zaak fatsoenlijk oplost weet ik echt niet. Zoiets onwaarschijnlijks komt in je leven maar eenmaal voor, hoop ik. Ik heb op het moment geen idee wat ik ermee aan moet, maar dat zullen ze me morgen op het gemeentehuis en anders bij de politie wel weten te vertellen. Jou treft in elk geval geen schuld, zoveel weet ik nu al wel. Wat er Friggo Vriezema boven het hoofd hangt, zal mij een zorg zijn,’ besloot hij hard en regelrecht tegen zijn ware aard in. Renskes gedachten dwaalden naar de hoeve. ‘Wat zullen ze thuis ophoren…! Dineke zal wel zeggen: Zie je nu wel, ik wist dat er iets niet pluis was met die man.’
‘Oma had gelijk,’ zei Riekje, ‘en achteraf bezien, had ik zelf ook wel eens – heel vaag – het gevoel dat Friggo iets voor mij verborg. Maar wie denkt er dan aan zoiets vreselijks, aan zoveel leugens en bedrog…?’
Anno keek op de klok. ‘Wat denken jullie ervan om de deur van dit huis voorgoed achter ons te sluiten?’
Riekje was de eerste die zei: ‘Ja, o ja, laten we alsjeblieft weggaan…’ Ze keek de kamer rond met ogen vol tranen en fluisterde: ‘Dat ik toch niet voorvoelde dat ik hier niet gelukkig kon worden, dat begrijp ik nu niet. Ik heb met liefde geholpen dit huis op te knappen, ik was zo blij met alles, met de nieuwe gordijnen en zo…’
Even liet Renske haar praktische kant zien. ‘Het is ook zonde om die hier te laten hangen, ik vind dat Friggo er geen recht op heeft. Jij hebt ze betaald, je hebt veel te veel voor die man betaald!’
Voordat Anno ook maar iets kon zeggen zei Riekje gejaagd en heel zeker van zichzelf: ‘Ik ga hier niet lopen plunderen, hoor! Dat is me te min, daar schaam ik me voor. Er zijn ergere dingen dan een paar dooie centen die je in een verkeerd project stopt.’
Anno keek zijn dochter aan en zei bewogen: ‘Ik ben trots op je. Je bent een vrouw naar mijn hart.’
‘Zij is je dochter, daar komt het van,’ zei Renske, jullie tweetjes zijn één pot nat. Ik hou van jullie allebei.’
Kort hierna trokken ze de voordeur achter zich dicht. Voordat Riekje besefte wat er gebeurde nam Anno haar de huissleutel af en het die door de brievenbus glijden. ‘Zo, die heb jij niet meer nodig, meidje!’ Bij de auto’s bedacht Renske dat zij maar beter met Riekje mee kon rijden, maar die wilde daar niks van horen. ‘Jij hoort bij pap, ik rijd keurig achter jullie aan. Er is met mij niets meer aan de hand.’
‘Wat houdt ze zich flink, hè,’ zei Renske toen ze de stad uitreden. Anno hield in het achteruitkijkspiegeltje nauwlettend in de gaten of Riekje volgde en ze elkaar niet kwijtraakten. Hij knikte en zei schor: ‘Ze houdt zich dapper, maar geloof van mij dat het in haar hartje een puinhoop is.’ Hij schudde vertwijfeld zijn hoofd. ‘Waarom mag mijn dochter niet gelukkig worden, waarom moet juist haar dit overkomen? Eerst dat vreselijke met Sacco, en nu weer dit. Het is maar goed dat ik op het ogenblik niet oog in oog sta met Friggo Vriezema…’ Renske zei troostend: ‘In het verleden hebben wij met elkaar al voor heel wat hete vuren gestaan, jongen. We hebben het altijd geklaard en we zullen het nu ook weer redden. Met elkaar en met Gods hulp, Anno!’
‘Ik ben blij dat ik jou naast me heb,’ zei Anno Diekman en hij schaamde zich niet voor de tranen in zijn stem.
Toen ze thuiskwamen vertelde Klaas-Jan dat Dineke net naar boven was gegaan om Didy naar bed te brengen. ‘Wij hebben inmiddels al gegeten, het duurde te lang. Dineke kon de boel niet warm houden.’ Terwijl Renske vertelde dat zij en Anno bij Riekje brood hadden gegeten en het daar voor een keertje wel mee konden doen, beklom Riekje de trap naar boven om Didy een nachtkusje te gaan brengen. In de kinderkamer zond ze Dineke een veelzeggende blik die door haar meteen begrepen werd. Ze stelde in het bijzijn van Didy geen vragen, maar die lagen wel duimendik op haar gezicht. Didy schoot weer onder de dekens vandaan en Riekje ging op de rand van haar bed zitten. ‘Ik ben blij dat je nog niet slaapt, dat ik je even lekker kan knuffelen!’
Ze kuste haar kleine meid, maar Didy had daar amper aandacht voor. Ze wrong zich los en moest weten: ‘Waarom huilde jij in de telefoon tegen opa Anno?’
Riekje was hier niet op voorbereid en bloosde licht. ‘Ik huilde maar een klein beetje, het was zo weer over.’
Waarom dan?’
Riekjes blik dwaalde als om hulp vragend naar Dineke, maar die was bezig Didy’s kleertjes op te vouwen. Riekje besloot toen maar om voorzichtig het een en ander uit te leggen. ‘Ik huilde omdat ik verdrietig was om oom Friggo. We zijn erachter gekomen dat we niet genoeg van elkaar houden om te kunnen trouwen. Ik wilde opeens liever bij jullie op de hoeve blijven… Ik vind de stad toch niet zo prettig. Zo kwam het…’
Didy keek haar een moment stomverbaasd aan om dan uit te roepen: ‘Wat ben jij een malle, malle mama! Want daar moet je niet om huilen, dat is juist fijn! Ik vind de stad ook heel akelig.’ Ze zocht Riekjes gezicht af en vroeg twijfelachtig: ‘Is het echt waar, mam, gaan we niet in de stad bij oom Friggo wonen…?’
‘Echt waar, we blijven hier.’
‘Is alles dan weer gewoon, ga jij dan ook weer in het ziekenhuis werken?’
‘Nee, dat kan jammer genoeg niet. In het ziekenhuis werkt nu een meneer, er is voor mama geen plekje meer vrij. Ik ga oma Renske en grootje helpen met de huishouding en in het vervolg breng ik jou naar school. Ga nu maar lekker slapen. Dag, schattekind!’
Didy liet zich voor de tweede keer die avond onderstoppen en zei uit de grond van haar kinderhartje: ‘Ik ben zo blij, mam, zó blij dat we op de hoeve blijven!’
Op de overloop fluisterde Dineke tegen Riekje: ‘Dat jullie beidjes bij ons op de hoeve blijven, is voor mij goed nieuws. Maar hoe sta je er zelf tegenover?’
Riekje haalde haar schouders op en zei zacht: ‘Ik kan het goede er nog niet van inzien. Ik voel me ellendig, oma…’
Dineke sloeg een arm om Riekjes middel. ‘Kom, we gaan een poosje naar mijn kamer. Anno en Renske zullen beneden hun verhaal wel doen, ik heb er behoefte aan om met je alleen te zijn. Ik wil alles uit jouw mond horen.’
Aan het eind van de overloop, die je beter een lange, brede gang kon noemen, had Dineke een gezellig ingerichte zitkamer tot haar beschikking, vanwaaruit ze via een verbindingsdeur in een eigen slaapkamer kwam. Als ze er behoefte aan had kon ze zich terugtrekken, wat in de praktijk bijna nooit voorkwam. In de kamer ging Dineke in een hoekje van de tweezitsbank zitten. Ze klapte met een vlakke hand op de plaats naast zich en zei: ‘Kom dicht naast me zitten, kindje. Terwijl Anno en Renske naar jou waren hebben wij hier stikvol zorg gezeten. Wil je me vertellen wat er gaande is?’
Riekje knikte. ‘Hier, alleen met u, zal het me minder moeite kosten om het hele verhaal nog eens af te steken…’
‘Dat meende ik al te begrijpen en daarom loodste ik je hier ook naar toe. Is het waar wat je tegen Didy zei, ga je niet met Friggo trouwen?’ Met die vraag hoopte Dineke dat ze Riekje op gang hielp en haar hoop bleek niet ijdel. Riekje stak weer van wal en Dineke luisterde toe. Ze nam Riekjes hand in die van haar en streelde hem zachtjes. Af en toe fluisterde ze gesmoord: ‘Hai, kindje toch… dit is ja vreselijk. Dat er een steekje aan die man los was voorvoelde ik al de hele tijd, maar dat het zo’n onterik is… Foei, foei.’
‘Ik heb foto’s gezien van Esther, Friggo’s dochter,’ fluisterde Riekje zacht. ‘Ze is een grote stakker, oma, maar op de een of andere manier is ze een heel mooi kind. Echt heel wonderlijk mooi, ze ontroert je. Je wordt stil als je lang naar haar foto kijkt. Ze heeft iets heel teers, ze liet mij denken aan een elfje of zo. Aan iets dat regelrecht van God komt. Ik vind het zó laf van Friggo dat hij Eveline alleen liet met de zorg om Esther. Een man met een beetje ruggegraat zou zoiets volgens mij niet doen.’
Dineke zei: ‘Je hoort het vaker, dat een huwelijk strandt als er een ongelukkig kind geboren wordt. Zo’n kind kan dan blijkbaar niet voor een hechte band zorgen, maar schept een onoverbrugbare verwijdering. Het is intriest en net als jij kan ik het me nauwelijks voorstellen, maar het gebeurt dus wel degelijk. Friggo bewijst het.’ Dineke zocht zacht en meelevend Riekjes gezicht af. ‘Jij hebt dus weer heel wat te verstouwen gehad, kindje. Ik wou dat ik je dergelijk verdriet kon besparen.’
Riekjes ogen werden verdacht vochtig toen ze fluisterde: Waarom mag ik niet gelukkig worden in de liefde, oma…? Waarom moest Sacco zo jong sterven en waarom moest ik daarna tegen de verkeerde man aanlopen? Ik hield anders van hem dan van Sacco, maar niet minder. Mijn liefde voor hem was eerlijk en hij… speelde ermee.’ Ze zweeg even, hapte naar adem en viel dan uit: ‘Ik zal nooit weer langer dan nodig is een man durven aankijken. Er zitten zoveel risico’s aan dat ik er doodsbang van word. Sacco ging zomaar dood en liet mij alleen terwijl ik zowat op punt van bevallen stond. Friggo hing van leugens en bedrog aan elkaar. Mannen zijn niet te vertrouwen, ik wil nooit weer liefhebben. Nooit, nóóit weer, oma!’
Dineke glimlachte vertederd om de felheid waarmee ze haar woorden zowat uitspuugde. ‘Ja, en toch ben ik van mening dat je nooit iemand de schuld mag geven van jouw ongelukkig zijn. Als je pech hebt en het geluk wil niet naar je toekomen ligt dat, volgens mij, voor een groot deel aan jezelf.’
Riekje riep verbolgen uit: ‘O, mooi is dat! Dan is het dus mijn schuld dat Sacco vroegtijdig stierf en dat Friggo me van alle kanten bedroog. Allemaal mijn schuld.’
‘Nee, zo zwart-wit is het natuurlijk niet,’ zei Dineke. ‘Jij somt nu feiten op die jij niet voortijdig kende en dus ook niet kon voorkomen. Ik wil het niet over Sacco hebben, ik doel op Friggo als ik zeg dat jij bij hem een boel dingen wél had kunnen voorkomen.’
‘Hoe dan, in vredesnaam!?’
‘Jij had veel meer van jezelf moeten houden,’ zei Dineke. ‘Want zonder egoïstisch te zijn mag je in het leven gerust voor jezelf opkomen. Dat deed jij niet. Ik ben absoluut niet feministisch ingesteld, maar ik vraag me af – en nog aldoor in verbazing! – waarom jij je prachtige baan op moest geven ter wille van een man. Waarom deed jij zoveel water bij de wijn en Friggo niets? Jij cijferde jezelf te veel weg, Riekje, en dat houdt automatisch in dat je niet genoeg van jezelf houdt. En daarmee sta je je eigen geluk in de weg.’
‘Ik ben zoals ik ben, hoor…’
‘Jawel, en zo moet je ook blijven, want je bent een regelrechte lieverd. Je moet alleen proberen je wat beter te wapenen, want het leven is nou eenmaal hard.’
‘Nu spreekt u uit ervaring, niet, oma?’
Dineke knikte. ‘Ja kindje, ik ben ook door schade en schande wat wijzer geworden. Ik heb maar eenmaal in mijn lange leven een man waarachtig liefgehad. Ik was toen nog haast een kind, maar leeftijd doet er niets toe, geloof dat maar van mij.’ Dineke kreeg een dromerige blik in baar ogen toen ze verder praatte. ‘Anno Zeef was mijn eerste en mijn laatste grote liefde. Toen hij overleed droeg ik zijn kind bij me, maar we waren nog niet getrouwd. In die tijd was dat een enorme schande, een dergelijk meisje werd met de vinger nagewezen. Ik was net zeventien toen ik een dood kindje – een klein meisje – ter wereld bracht. En ook in die tijd, Riekje, waren er mensen als Friggo, die het met de eerlijkheid niet zo nauw namen. De mensen bij wie ik diende, en die maatschappelijk gezien hoog boven me stonden, toonden geen medelijden maar maakten misbruik van mijn toenmalige kwetsbaarheid. Tilly Heeres, een rijke boerendochter, en ik bevielen in dezelfde nacht. Haar kind was een jongetje, dat kerngezond ter wereld kwam, maar zij wilde hem niet. Omdat het niet uit liefde verwekt was, maar uit louter avontuur, was de schande voor haar en haar rijke familie niet te dragen. Ach, je kent het verhaal: mijn dode kindje werd begraven door een rijke hereboer als zijnde het kind van zijn dochter. Ik kreeg het gezonde jongetje van Tilly Heeres in mijn armen gelegd. Op de koop toe kreeg ik een gammel huisje, een fooi én het dreigement naar mijn hoofd gesmeten: denk erom, dat je zwijgt! Een heel leven lang! Ik noemde het kindje, dat later jouw vader werd, Anno. Naar mijn grote liefde Anno Zeef. Ik zou van mijn eigen kindje niet meer hebben kunnen houden dan ik van jouw vader houd. Daar gaat het dus niet om en achteraf heb ik geen spijt meer dat het allemaal zo is gelopen, want ik heb er enorm van geleerd. Ik ben er weerbaarder door geworden. Ik liet me niet meer kwetsen. Ik cijferde mezelf niet weer zo volkomen weg. Ik vertikte het om me, door wie ook, te laten vernederen of te misbruiken. En daardoor ben ik uiteindelijk geworden die ik nu ben: oud, maar heel gelukkig!’
Toen Dineke zweeg knikte Riekje. ‘Ja oma, ik begrijp nu wel wat u bedoelt met me dit te vertellen. Ik heb inderdaad dom gedaan. Ik heb ook zo’n spijt, oma, dat ik mijn baan eraan gegeven heb! Ik heb hem ook veel geld toegestopt, maar dat kan me niks meer schelen. Maar die mooie baan…’
Dineke troostte haar. ‘Je bent nog zo heerlijk jong, je komt wel weer aan de slag. Daar ben ik niks bang voor.’
Riekje hoorde niet wat Dineke zei, ze was met iets anders bezig. ‘Wij hebben geen echte bloedband en toch lijken wij heel veel op elkaar, oma. Wat karakter betreft, maar ook onze levens. U heeft het geluk in de liefde nooit gevonden en ik zal het niet vinden. Daar pas ik voortaan wel voor op! Ik heb Didy, zoals u Anno had, en dat moet dus voor mij ook genoeg zijn. Ik hoef immers slechts naar u te kijken om te beseffen dat je ook zonder de liefde van een man gelukkig kan worden!’
Dineke schudde ontkennend het hoofd. ‘Dat ik alleen bleef met mijn kleine jongen kwam niet omdat ik de mannen haatte, doodsbang voor ze was geworden of geen risico’s aan durfde te gaan. Na Anno Zeef heb ik nooit weer een man mogen ontmoeten die mijn hart in vuur en vlam zette.’
Maar Riekje hield koppig vast aan haar voorgenomen besluit. ‘Dat is dan uw geluk geweest, oma! Een man kan een vrouw niet gelukkig maken. Ik laat tenminste nooit weer een man toe in mijn leven. Dat weet ik héél zeker, hoor, oma!’
‘Ik begrijp jouw gevoel van het moment,’ zei Dineke, ‘maar je zou de fout van je leven maken, kindje, als je halsstarrig vasthield aan dit besluit. Want dan zou je weer je eigen geluk in de weg staan, je zou je hart moedwillig sluiten voor het goede in het leven. En dat is toch de liefde, werkelijk waar! Kijk maar naar je vader en Renske, zij zijn het voorbeeld van louter geluk!’
‘Ja, nou noemt u ook iemand! Zo’n man als pap Diekman, zo loopt er geen tweede.’ Ze zuchtte diep en hoorbaar en voegde eraan toe: ‘Voorlopig zit ik met Friggo in mijn maag. Ik wou dat ik hem nooit gezien had, ik wou dat alles voorbij was. Maar de grootste moeilijkheden komen nu pas, hè, oma…?’
Dineke knikte. ‘Ja, kindje, je zal nog door een zure appel heen moeten bijten, maar bedenk alsjeblieft dat je niet alleen staat. We zijn er allemaal voor je, je vader op de eerste plaats!’
‘Zullen we naar beneden gaan, oma?’
Dineke knikte, ze stond rap op en wat Renske al eerder was opgevallen gebeurde nu weer: Dineke struikelde alsof ze een moment haar evenwicht verloor. ‘Och, wat doe ik nou,’ riep ze lachend en toen was het weer voorbij en alles aan haar was gewoon. Het was een gebeuren dat zich in een fractie van een seconde voltrok, het riep Riekjes bezorgdheid niet op. Daarvoor was het te kort. Te onbeduidend…?
In de huiskamer keek Riekje een beetje verlegen van Klaas-Jan naar Jan-Willem. ‘Zijn jullie inmiddels op de hoogte…?’
Klaas-Jan knikte. ‘Ja, meidje, en we hebben vreselijk met je te doen.’ Jan-Willem beaamde dat. We hebben heel verschrikkelijk met je te doen.’
Riekje ging zitten en boog het hoofd. ‘Ik haat medelijden, willen jullie daar alsjeblieft allemaal aan denken…?’
Renske zette Riekje een kop soep voor. ‘Hier, dit moet je opeten, jij hebt nog helemaal niks gehad. En dat heeft met medelijden niks te maken, ik wil gewoon niet dat jij van je stokje gaat.’
‘Je bent een lieverd,’ zei Riekje, en om Renske te plezieren begon ze aan de soep, die haar van geen kanten smaakte. Renskes kookkunst was perfect, maar nu had ze het gevoel alsof er dikke klonten in de soep zaten die niet naar beneden wilden glijden. Haar keel werd geblokkeerd door hoogzittende tranen. Vervelend ook dat zij zich te midden van haar eigen volkje opeens weer zo week voelde. Zou Friggo ooit beseffen, vroeg ze zich af, wat hij bij haar aangericht had? Vast niet, hij liet Eveline ook doodgemoedereerd alleen aanmodderen met Esther. Hoe kón het toch bestaan dat zij van Friggo was gaan houden. Ze hapte een half lepeltje soep op en wist toen het antwoord: omdat hij ook van mij hield. Er drupte een traan vol verdriet en wanhoop in de soep die ze van zich afschoof.
‘Het spijt me, Renske, ik krijg het niet weg…’ Ze sloeg een paar natte ogen naar Anno op en vroeg: ‘Wat gaat er morgen nou gebeuren, pap…?’
Anno schoof naar het puntje van zijn stoel. ‘Toen jij met oma boven was hebben wij het daar uitvoerig met elkaar over gehad. Ik ga morgenvroeg naar het gemeentehuis, en hoe vervelend dat voor je zal zijn, je kan toch beter maar meegaan. Ik zal proberen of ik Van der Heide te pakken kan krijgen.’
Waarom? Lijkt hij je de aangewezen persoon?’
‘Klaas-Jan bracht me zoëven op dit idee,’ vertelde Anno. ‘Barteld van der Heide is dik bevriend met onze boekhouder. Ik hou niet van omkoperij, maar als ik Barteld vraag om de zaak zoveel mogelijk achter dichte deuren uit te werken en er zo weinig mogelijk ruchtbaarheid aan te geven, wil een bevriende zakenrelatie nog weleens van pas komen.’
‘Moet Friggo er dan niet ook bij zijn…?’
‘Dat horen we morgen allemaal, mijn meidje.’ Anno wierp een blik op de klok. ‘Misschien zou het heel niet zo onverstandig zijn als ik Barteld nog even opbelde om een afspraak voor morgen te maken. Ik zou hem alvast een beetje in kunnen lichten.’
Klaas-Jan adviseerde hem om de telefoon in de herenkamer te nemen. ‘Daar kun je rustig bellen. Van je afpraten.’
Anno knikte, stond op en verliet de huiskamer. Toen de deur achter hem dichtviel zei Riekje zacht: ‘Het spijt me dat ik jullie zoveel overlast bezorg…’
Om Riekje wat op te monteren én omdat ze volkomen achter haar woorden stond zei Renske op een luchtige toon: ‘Breek jij je hoofdje nu maar niet over ons, we zijn er om elkaar te helpen. Dit is de laatste storm die de hoeve en haar bewoners moeten trotseren, hierna wordt alles goed en mooi. Dat voorvoel ik, want mijn vertrouwen in God heeft gelukkig géén deuk opgelopen. Ik heb de laatste uren zoveel gevraagd, nu breekt er een tijd aan waarin ik alleen nog mag bedanken. Ik verheug me daarop.’
Renske keek vol hoop in de toekomst, zonder te beseffen dat dat voor een gewone stervelinge gans onmogelijk is. Maar hoop doet leven, en het was maar goed dat geen van hen nog wist dat er opnieuw wolken kwamen aandrijven die zich boven de hoeve zouden samenpakken.