HOOFDSTUK 3
Misschien voorvoelde Renske Bronsema iets van wat er te gebeuren stond, want toen zij tegen zeven uur die avond het wat bouwvallige huisje van Dineke Diekman binnenstapte, zei ze, nadat ze Dineke met een kus had begroet: ‘Anno is zeker weer naar de stad?’
Dineke knikte en vertelde: ‘Hij had Appie beloofd te zullen komen en dan valt het vanzelf niet mee om een zieke teleur te stellen.’
Met plotselinge heftigheid viel Renske uit: ‘Ach, ik vind dat allemaal zo’n onzin! Appie krijgt volop bezoek! Met zo’n grote familie is er altijd wel een die aan hem denkt. Anno hoeft echt niet driemaal in de week die reis naar Groningen te maken. En waarom moet het dan altijd zo laat worden? Ik begrijp hier niks van.’
Dineke, die zag hoe het jonge meisje zich opwond, haastte zich te zeggen: ‘Stil nou maar, ik heb het er vanavond met Anno over gehad en hij heeft min of meer beloofd dat hij voortaan vaker thuis zal blijven. Bij jou!’
‘Dat zal dan tijd worden,’ mokte Renske verongelijkt. Ze zuchtte hoorbaar toen ze verderging: ‘Ik maak me tegenwoordig zorgen over Anno. Over ons beidjes. Het is niet meer zoals het is geweest. Anno was altijd zo lief en attent, maar daar merk ik niks meer van. Hij is of afwezig, of korzelig en in een niet te best humeur. Als ik vraag wat er is, valt hij nog boos uit ook. Soms denk ik weleens dat hij niet meer van me houdt. Dat kan toch?’
‘Nee, lieve schat, dat kan niet,’ zei Dineke zeer beslist. ‘Anno is juist stapel op je, geloof dat maar van mij, hoor!’
Renske, die niets liever dan deze woorden horen wilde, schonk Dineke een warme lach en zei: ‘U zult het wel kunnen weten. U bent zijn moeder en daarom kent u hem misschien nog beter dan ik.’
Meer hardop denkend dan doelbewust sprekend, zei Dineke zacht: ‘Als je zesentwintig jaar samen bent en lief en leed deelt, dan ken je elkaar op den duur wel. Maar net als jij merk ik ook wel dat er iets is dat hem dwarszit. Het diepste van zijn eigen ik laat een mens vaak niet zien. Ik weet niet of Anno willens en wetens iets voor jou en mij verbergt. In elk geval is het vervelend. Dat ben ik met je eens.’
Terwijl Dineke zo sprak, dacht Renske: Anno’s moeke is best nog een mooie vrouw om te zien. Haar haar is nog echt blond, ze heeft een goed figuur en een lief gezicht. Anno lijkt in niets op zijn moeke. Alles aan hem is tegenovergesteld: hij is lang, groot, krachtig gebouwd en heel donker van haar en ogen. Anno is een heel knappe man te noemen. Renske was dan ook heel erg trots op hem. Hij moest op zijn vader lijken. Wat jammer evengoed, dacht Renske, dat die man destijds zo jong gestorven was.
Toen Dineke zweeg, vroeg Renske zacht: ‘Waarom bent u al die lange jaren alleen gebleven met Anno? Ik bedoel, u was nog zo verschrikkelijk jong toen hij geboren werd. Heeft u nooit aan hertrouwen gedacht?’
Om Dinekes mond schemerde een lachje toen ze zei: ‘Je weet dat ik nooit getrouwd ben geweest, dus het woord hertrouwen is niet op zijn plaats. Ja, ik was nog heel jong toen… net zeventien. Wat is dat nou nog, hè? Maar om jouw vraag te beantwoorden, nee, aan trouwen met een ander heb ik nooit gedacht. Op de eerste plaats had een meisje met een kind vijfentwintig jaar geleden vrijwel geen kansen meer en bovendien had ik er nooit behoefte aan. Ik denk dat ik een vrouw ben die haar hart maar eenmaal kan weggeven,’ besloot ze met weer die stille, vage lach om haar mond. Renske stond op om koffie in te schenken en had er geen idee van dat Dineke dacht: Wat had ik trouwens met een ander moeten beginnen? Ik had vanaf het allereerste begin tegen hem moeten liegen, omdat ik als jong meisje, groen als gras, nu eenmaal de belofte had gegeven dat ik altijd over Anno’s afkomst zou zwijgen. Ik besefte toen niet de draagwijdte van die belofte, maar de anderen wisten deksels goed wat ze deden, wat ze mij vroegen. In wezen was dat veel te veel, maar wat wist ik? En vooral, wie was ik? In de ogen van mijn meerderen, van de mensen die toen boven me stonden, stelde ik niks voor. Ze hadden me nodig als een trekpaardje voor hun smerige karretje. Ik werd ervoor gespannen en ik was er nog tevreden mee ook. Omdat er een kind in mijn armen werd gelegd dat ik Anno mocht noemen. Er werd mij een eigen huisje in het vooruitzicht gesteld en een paar honderd gulden. In die tijd voor mij een kapitaal. En tegelijkertijd werd er op me ingehamerd dat ik zwijgen moest. Een heel leven lang. Mijn eigen kindje, een klein meisje dat niet levensvatbaar bleek, werd begraven en gelijk met haar, veel duistere dingen die het daglicht niet konden verdragen. Wat durfden de dokter en boer Heeres en zijn vrouw toen vreselijk ver gaan… En dat alles alleen maar omdat een onecht kind voor Tilly een blok aan het been zou zijn. Zou Tilly nog weleens denken aan het jongetje dat ze had gebaard? O, vast niet, ze was maar al te blij dat ze hem kon weggeven, ruilen voor een dood kindje. Foei, wat erg allemaal. Zij, Dineke Diekman, had het uiteindelijk allemaal aangekund, dat moeilijke leven dat volgde, doordat ze zo zielsveel van Anno ging houden. En nu, zesentwintig jaar later, was hij haar zoon. Ze kon het zich niet anders voorstellen, niet anders voelen. En nu moest ze zwijgen om hem. Om de doodeenvoudige reden dat ze bang was hem alsnog te zullen verliezen als hij achter al die duistere zaken uit het verleden kwam. Hij zou diep geschokt zijn, misschien dingen zeggen die zij niet wilde horen. Wie weet zou Anno haar gaan minachten, dat zou ze niet kunnen verdragen. Daarom…
Dinekes gedachtengang werd een halt toegeroepen door Renske, die voor elk van hen een kopje koffie neerzette en vroeg: ‘Waar zat u met uw gedachten? U leek zo ver weg.’
Dineke verdraaide de boel een beetje, maar ze was wel eerlijk toen ze zei: ‘Ik dacht eraan dat ik zo blij met jou ben.’
Renske lachte stralend en zei: ‘Dat is wederkerig, hoor! Ik ben ook blij dat u mijn schoonmoeder wordt. Gek hè, dat we beidjes ons zo tot elkaar aangetrokken voelen. Mijn ouders mopperen weleens als ze vinden dat ik te veel hier ben, bij u en Anno. Ach, ze menen dat niet echt hoor, ze begrijpen wel dat Anno en ik u hier niet graag alleen laten. Bij mij thuis is dat anders. Moeke heeft pa naast zich en is dus nooit alleen. Ik ben hier gewoon graag. U bent nog zo lekker jong en u… begrijpt de dingen zo goed.’
‘Je bedoelt dat ik geen partij voor Anno kies als jij problemen met hem hebt, maar hem veel liever ongezouten de waarheid zeg?’ Renske knikte en zei ernstig: ‘Omdat u me echt als een dochter beschouwt. Dat waardeer ik enorm.’
Dineke kon moeilijk zeggen zoals het was. Dat ze nog vaak aan haar dode kindje moest denken, dat de herinnering daaraan als een rode draad door haar leven liep. Ze bleef op neutraal gebied toen ze zei: ‘Zou het niet zo zijn dat elke moeder diep in haar hart naar een dochter verlangt? Ik ben dankbaar voor de zoon die me… werd toevertrouwd, maar niet minder blij met jou. En vind je het nu goed dat ik mijn handen weer een poosje laat wapperen?’ vroeg ze lachend om het gesprek een andere wending te geven. ‘Ik ben met een japon bezig voor mevrouw Van Zuiden en die moet morgen af zijn.’
‘Zal ik helpen,’ bood Renske gedienstig aan, maar Dineke schudde het hoofd. ‘Ik moet er alleen de zoom nog inleggen, een fluitje van een cent dus.’
Even hierna, terwijl Dineke handig en bekwaam de zoom in de jurk legde, zei Renske: ‘Als Anno en ik trouwen, heb ik maar één wens: dat u mijn trouwjurk maakt!’
‘Toe maar,’ lachte Dineke, ‘je vertrouwt me nogal niet wat toe!’
‘Dat lijkt me zo leuk,’ zei Renske dromerig, ‘dat wij samen naar de stad gaan om stof en zo uit te zoeken, dan een patroon en dan kom ik elke avond kijken hoe de jurk vordert. Was het maar zover!’
‘Je bent eraan toe,’ zei Dineke. ‘Waar wachten jullie dan nog op, kind!’
‘We moeten nog zoveel hebben,’ zei Renske met een zorgelijke uitdrukking op haar gezicht. ‘Steeds als we onze spaarcentjes tellen, Anno en ik, zien we dat we nog te kort komen. We willen graag met een nette huishouding van start gaan. Het hoeft heus niet luxe te zijn, als het maar mooi en degelijk spul is. Ten eerste is dat haast niet te krijgen en ten tweede kost het een boel geld. Daarom sparen we nog even door.’ Ze hief haar gezichtje schuins vragend naar Dineke op toen ze weten moest: ‘Ziet u er erg tegen op dat Anno – laten we zeggen over afzienbare tijd – het huis uitgaat en u alleen achterlaat?’
‘Laat dat jullie zorg alsjeblieft niet zijn,’ zei Dineke even rap als smekend. ‘Ik houd van jullie, maar mijn moederliefde is niet ziekelijk ten opzichte van die ene zoon, veel eerder oergezond, hoor! Als alles goed is en jullie mij op gezette tijden maar weten te vinden, dan ben ik tevreden. En dus gelukkig!’
‘We blijven in hetzelfde dorp, dus in wezen verandert er niet eens zo heel veel,’ vond Renske. ‘Anno blijft bij zijn boer, we huren hier in het dorp een leuk huisje en zolang ik niet zwanger raak, ben ik van plan door te blijven werken. En als er een kindje komt bij ons, dan bent u oma! Hoe klinkt dat?’
‘Dat klinkt als een belofte,’ zei Dineke zacht en ze keek Renske warm aan toen ze eraan toevoegde: ‘Het lijkt me fantastisch. Dingen waar je vroeger niet over durfde te dromen en die toch werkelijkheid beloven te worden, zijn altijd fantastisch…’
Deze avond was het kleine huisje van Dineke Diekman vervuld van de trouwplannen van Renske, waarin Dineke zich graag liet meeslepen. Het leken vastomlijnde plannen die Renske ontvouwde en die haar hoopvol en vol vertrouwen naar de toekomst deden uitzien. Arm meiske, er zou niets van terechtkomen. Al haar plannen, haar grenzeloze liefde voor Anno, zouden worden gedwarsboomd. Omdat het leven niet te voorspellen is en omdat de natuur zo haar eigen wetten heeft.
Dat laatste had Marieke Veldman kort geleden ervaren. Ze was er ondersteboven van. Dat zij zwanger was kon ze aanvankelijk nauwelijks geloven. Dat had ze heel niet gewild! Ze had volkomen andere plannen met haar leven. Natuurlijk wist ze dat dit veel vrouwen overkwam, vroeger en nu, maar dat het háár gebeurde… uitgerekend haar! Terwijl Anno Diekman die avond in de bus zat op weg naar haar toe, overdacht Marieke hoe ze het hem straks zou vertellen. O, hij zou zich vast te pletter schrikken, maar dat was zo erg niet, dat had zij ook gedaan. Als je de boel op een rijtje zette, overleefde je die geweldige schrikreactie heus wel. Zo was het haar toch ook vergaan? Ze keek allesbehalve verlangend uit naar een kind – naar ‘moeten trouwen’, stel je voor! – maar nu die feiten op tafel lagen, had het geen zin te blijven klagen en jammeren. Ze vond dat je de schouders eronder moest zetten. Je moest er mee verder, zo simpel lag dat. Voor Anno betekende het, al even simpel, dat hij zijn verlovingsring aan Renske Bronsema kon teruggeven. Dat had hij al veel eerder moeten doen. Dat geaarzel van Anno ook!
Zij was veel doortastender dan hij, vond Marieke, terwijl ze op haar gemak haar nagels zat te lakken. Ze was harder, nuchterder dan Anno. Misschien kwam dat wel door haar beroep. Dat kon je volgens haar niet uitoefenen als je een weekhartig type was. Mensen die je lange tijd had verpleegd en die ondanks de goede zorgen van artsen en verpleegkundigen toch doodgingen, daar kon je geen dagen mee rondlopen. Dat soort gevallen moest je van je af kunnen zetten, want morgen waren er weer anderen en overmorgen weer. Dat ging maar door. Simpelweg omdat leven en dood bij elkaar hoorden. Zij had er geen moeite mee. In het verleden had ze laten zien dat ze net zo goed en zonder emoties een zuigeling aan de borst van de moeder kon leggen als een dode afleggen. Dat laatste vond ze zelfs wel mooi werk. Collega’s hadden dat vaak niet van haar begrepen, die noemden haar hard en zonder gevoel. Daar zat ze ook niet mee, elk mens stak nu eenmaal anders in elkaar. Haar werk hier zou ze straks wel missen, haar collega’s niet. Met hen had zij nooit goed overweg gekund. Zij was nu eenmaal een vrouw die haar eigen gang wenste te gaan en dat ook deed. Terwijl ze haar nagels liet drogen, vroeg Marieke zich af wat ze er hier in het ziekenhuis van zouden zeggen als ze hoorden dat Marieke Veldman ging trouwen. Moest trouwen…
Toen zij Anno had weten te veroveren en ze langs haar neus weg, maar inwendig trots op zichzelf, vertelde dat ze verkering had, hadden de anderen het nauwelijks willen geloven. Een enkeling had haar gelukgewenst. Anderen hadden haar schaapachtig aangekeken en weer anderen durfden te zeggen hoe ze erover dachten: ‘Gunst, wie had dat nou gedacht? Je bent al dertig en dan toch nog?’
Ja, dan toch nog! Geen mens hoefde te weten dat zijzelf op de eerste plaats zich nog altijd daarover verwonderde. Ze had zich er al ten dele bij neergelegd dat zij vrijgezel zou blijven. Daarvoor had ze periodes gekend waarin ze hopeloos overhoop lag met zichzelf. Ze had in die tijd vaak genoeg voor de spiegel gestaan en zich vertwijfeld afgevraagd wat er dan toch aan haar mankeerde. Ze zag er best wel aardig uit, ze had een prima beroep, en nog afgezien van de kwekerij van vader bezat ze een aardig centje van zichzelf. Toch werd zij niet gevraagd. Toen ze jong was niet en later evenmin. Dat was best wel moeilijk verteerbaar. Als je om je heen zag dat de een na de ander verkering kreeg en trouwde, ging je aan jezelf twijfelen. Toen was ze in het stadium gekomen waarin ze kon denken: Wat kan het mij ook allemaal schelen, aan mij mankeert niks. Wie mij niet hebben wil, laat het maar, ik red me toch wel. En hoe wonderlijk konden de dingen in het leven lopen, want juist toen ontmoette zij Anno Diekman. Ze zou nooit die allereerste keer vergeten dat hij aan het bed van Appie zat. Uit nieuwsgierigheid ging ze kijken wie Appie op bezoek had en toen Anno naar haar opkeek, stokte haar de adem in de keel. Zo’n zeldzaam mooie man had ze nog nooit eerder gezien. Toen hij ging staan, haar een hand gaf en zich voorstelde, voelde ze zich hevig tot hem aangetrokken. Het viel haar meteen op dat hij een beschaafd iemand moest zijn. De meeste boeren uit de provincie die op bezoek kwamen, gaven geen hand. Of ze dat niet durfden of niet nodig vonden? Het deed er niet toe, Anno had het wel gedaan en dat kwam bij haar prettig over. In een flits had ze alles tegelijk aan hem gezien: zijn donkere ogen waarin sterren leken te dansen, zijn mond die vol was en gevoelig, zijn spierwitte tanden die hij ontblootte in een gemakkelijke lach. Op hetzelfde moment had ze geweten: dit is degene op wie ik kennelijk zo lang moest wachten.
Tot dan toe had zij niet geloofd in liefde op het eerste gezicht. Wie het daarover tegen haar durfde hebben, had ze vierkant in het gezicht uitgelachen. Ze noemde hen onnozele halzen. En toen het haar zelf overkwam, ervoer ze het als bijzonder plezierig.
Ze kwam er toen algauw achter dat Anno verloofd was met ene Renske Bronsema en dat gaf haar even een venijnig steekje. Ze begreep dat ze zou moeten vechten om deze man te krijgen. Het geluk hielp toen een handje mee, want Anno Diekman, spontaan en open van karakter, legde al snel zijn hart voor haar bloot. Zij bracht hem daar ook toe door vragen te stellen over zijn huidige leven. Ze kon gelukkig goed luisteren en zo besefte ze al heel snel dat Anno in wezen niet tevreden was. Hij wilde hogerop, maar de middelen daartoe ontbraken. Daar kon zij op inhaken door over haar leven te vertellen. Ook de kwekerij van vader, die ooit een opvolger zou moeten hebben, bracht ze ter sprake. Ze hoorde zichzelf praten toen ze Anno dat plekje voorspiegelde. Toen ze zijn verlangende, gretige blik zag voelde ze dat ze al voor meer dan de helft had gewonnen. Bang voor Renske Bronsema was ze toen eigenlijk al niet meer. Het was alleen zo vervelend dat Anno het niet uitmaakte, net of hij niet kiezen kon. Nu zou hij moeten kiezen en dat was niet alleen haar schuld, vond ze zelf.
Ze was wel eerlijk, Marieke Veldman, toen ze zichzelf bekende dat ze de boel een beetje overhaast had door zich al zo gauw aan Anno te geven. Ach, hoe kwam zoiets… Ze hadden een borreltje gedronken, Anno kon daar niet zo best tegen en van het een kwam toen het ander. Anno had zich achteraf verschrikkelijk schuldig gevoeld. Hij dacht natuurlijk aan die Renske. Zij, Marieke, kende geen schuldgevoelens. Toen niet en nu niet. Zij realiseerde zich dat Anno de enige kans in haar leven was en die liet ze niet schieten. Ze hield van hem en was er ontzettend trots op dat zij op haar leeftijd nog zo’n knappe man had kunnen veroveren. Van toen af aan wilde ze nog maar één ding: trouwen met Anno Diekman. Ze had een fijn beroep, daar ging het niet om, maar als ze bedacht dat ze dat werk tot haar pensionering zou moeten volhouden, griezelde ze daar toch van. Een man, met elkaar wonen op de kwekerij en later, véél later, was haar oorspronkelijke gedachte, een paar kinderen. Dat doodgewone beeld van man en vrouw, wie lokte dat niet? En nou was er opeens een kink in de kabel gekomen… Dat ‘veel later’ kon ze wel vergeten. Eerst had ze erom gejankt, want dit was de bedoeling niet geweest. Later, toen ze het feit kon aanvaarden, had ze bedacht dat dit vroegtijdige kind juist een uitkomst betekende. Anno zou nu móeten kiezen!
Ze zou het hem straks vertellen. Hij kon nu elk moment hier zijn… Marieke veerde uit haar stoel op en liep naar de hal waar ze een spiegel wist. Zat haar haar goed? Zag ze er leuk uit? Even later knikte ze tevreden naar haar eigen spiegelbeeld. Je ziet er goed uit. Je bént goed, Marieke Veldman. Je moet Anno straks voorzichtig aanpakken. Elke man heeft zo een heel eigen gebruiksaanwijzing. Ze knikte tegen het gezicht in de spiegel als was het een ander die haar dit vertelde. Toen ze terugliep naar de huiskamer, haalde ze in gedachten haar schouders luchtig op. Ik wéét toch hoe ik hem moet aanpakken? Dat héb ik toch al bewezen?
Marieke glimlachte om deze gedachte. Als er eerst maar een man was die naar je omkeek, was het niet eens zo heel moeilijk om hem vast te houden. Je hoefde als vrouw alleen maar heel lief voor hem te zijn, wat speels en verleidelijk en op zijn tijd moest je tonen dat je om de drommel geen domme gans was. En als je dan, zoals zij, ook nog van hem hield, was er geen enkele reden tot zorg. De naam Renske Bronsema had allang voor haar afgedaan. Overigens kon het raar lopen in het leven. Ze had altijd wat laatdunkend neergezien op vrouwen of meisjes die moesten trouwen. Ze vond dat domme schepsels, en verdraaid, nu overkwam het haar zelf…
Aan de ene kant vond ze het bar vervelend. Ze had gewoon nog helemaal geen behoefte aan een kind, maar aan de andere kant was het net of het zo had moeten zijn. Op haar leeftijd toch nog trouwen en een gezin stichten en opeens weten: Zie je wel, ik ben wél de moeite waard, dat deed haar geweldig goed. Dat gaf zoveel blijdschap dat die vervelende bijkomstigheid zwanger te zijn min of meer op de achtergrond raakte. De glimlach om Mariekes mond verdween toen ze zich afvroeg hoe haar ouders zouden reageren. Anno was dan wel uitermate knap om te zien, hij bleef van arbeiderskomaf en hoe vader vooral daarop zou reageren? Ze haalde in gedachten haar schouders op en besloot te denken dat dat van later zorg was. Anno kon elk ogenblik binnenkomen en die zorg woog momenteel het zwaarst. Het leek haar het beste om maar eerst heel gewoon te doen. Vrolijk, lief en zorgzaam en dan ongemerkt het gesprek te leiden naar dat ene punt… Best moeilijk, want ze kende Anno nog niet zo heel lang. Ze kon bij geen benadering zeggen of voorvoelen hoe hij erop zou reageren. Zijn schrik, vermoedde ze, zou vast niet gering zijn en dan lag het bij haar om die op te vangen. Ach, dat was haar toch wel toevertrouwd! Ze was gewend om met mensen om te gaan en ze, als dat zo uitkwam, een beetje te manipuleren. Ze moest er straks alleen wel aan denken dat ze niet tegenover een lastige patiënt stond, maar tegenover de man die ze, koste wat het kost, wilde hebben. Omdat ze van hem hield én hij de enige kans was in haar leven.
Over Mariekes gezicht schoof iets koels, iets ongenaakbaars, dat hoorde bij deze wat harde vrouw, die niet snel iets uit de weg ging. Toen Anno Diekman binnenkwam, leek ze een gedaanteverandering te ondergaan. Ze begroette hem lief en teder, haar ogen kregen plots een zachte glans en haar mond lachte naar hem. Marieke had een passend masker opgezet…
Ze was meteen zo druk in de weer, Marieke Veldman, dat ze niet eens merkte dat Anno anders dan anders was. Stiller en vol zorg. Marieke had ook niet in de gaten dat zij hém als begroeting weliswaar vurig kuste, maar dat die kus eigenlijk niet echt werd beantwoord. Toen ze hem losliet, zei ze drukdoend: ‘Hè, wat heerlijk dat je er bent! Toe, ga gezellig zitten, dan haal ik koffie. Ik heb er slagroom op en wat lekkers erbij. Zou je je jas niet uitdoen? Dat zit wel zo gemakkelijk,’ lachte ze smakelijk toen ze zag dat Anno zich met zijn jas aan in de hem gewezen stoel liet vallen. Ze bekommerde zich daar verder niet om, maar liep naar de keuken om de koffie te halen.
En zodoende kreeg Anno geen tijd om te zeggen wat hem op het puntje van zijn tong lag: Ik houd mijn jas liever aan, ik blijf maar even.
Terug met de koffie vertelde Marieke geestdriftig: ‘Ik hoef volgende week niet in de nachtdienst, sterker nog, ik heb de hele week vrij genomen. Ik had nog voldoende snipperdagen en met wat verschuivingen van diensten van collega’s heb ik het mooi voor mekaar gekregen. Weet je wat dat betekent, Anno?’
‘Nou?’
‘Dat we die hele week voor ons tweetjes hebben!’
Anno lachte wat zuurzoet om haar geestdrift en zei: ‘Wil je er even aan denken dat ik geen vrij kan nemen?’ Hij zuchtte onhoorbaar voordat hij verder ging: ‘Hoe denk jij dat ik het kan klaarspelen om steeds bij jou te zijn? Dit stiekeme gedoe staat me toch al zo tegen!’
‘Je vergeet Appie! Je zou je goede hart wat extra kunnen laten spreken en zogenaamd nog wat vaker naar hem toegaan. Ben je vanavond nog bij hem geweest?’
‘Ja, eventjes. Hij had vier man dik om zijn bed zitten, dus ik kon wel weer gaan. Maar het feit dat ik bij hem geweest ben, betekent dat ik daaromtrent niet hoef te liegen.’ Hij keek Marieke recht aan toen hij zei: ‘Dit houd ik niet lang meer vol, Marieke. Ik wil dit niet langer.’
‘Nou, dan moet je kiezen, dat heb ik al zo vaak gezegd. Denk je dat het voor mij leuk is om jou met Renske Bronsema te moeten delen? Ik heb je meer te bieden dan zij, Anno!’
‘Dat weet ik, maar ik heb liever dat je dat niet noemt. Het hindert me opeens, want dat uitgangspunt zou niet goed zijn. Dat zie ik de laatste tijd heel duidelijk.’
‘Je houdt toch van me! We zijn toch niet zomaar uit een avontuurtje zo dicht bij elkaar gekomen dat…’ Dat ik zwanger ben geraakt, had ze willen zeggen, maar om de een of andere reden slikte ze dat nog even in en luisterde ze naar Anno die zei: ‘Ik houd ook van Renske. Ik draag haar ring als een belofte voor ons beider toekomst. Begrijp je hoe moeilijk ik het met de dingen heb?’
Voordat Marieke iets kon zeggen, schudde hij het hoofd en vervolgde: ‘Nee, dat begrijp je niet. Dat begrijpt geen mens, ik snap soms zelf niet hoe ik in mekaar zit. Diep in me zit de boel in kronkels. Als ik die glad kon strijken…’ Hij sloeg zijn ogen naar haar op en zei schorrig: ‘Ik ben naar je toegekomen om je te zeggen dat… dat het tussen ons niet langer kan. Dit te zeggen valt me heel moeilijk, want voor alles wil ik je geen pijn of verdriet doen. Maar het is niet anders. Ik moet kiezen en ik heb gekozen. Voor Renske. Het spijt me allemaal meer dan ik zeggen kan.’
Marieke werd beurtelings lijkbleek en vuurrood. Het duurde even voordat ze zich inwendig had hersteld en ze de vernedering had verwerkt die Anno haar bezorgde door voor Renske te kiezen. Ze realiseerde zich dat ze nu voor hem moest vechten. Niet eerder was ze zo blij geweest met het kind van hem dat in haar groeide. Ze gebruikte het als wapen toen ze, toch emotioneel, fluisterde: ‘Je hebt mij zwanger gemaakt, Anno… Ik ben bang dat er voor jou niks meer te kiezen valt.’ Nooit eerder had Marieke Veldman in een paar mannenogen zoveel ongeloof, wanhoop en radeloosheid gelezen.
Toen Anno, nauwelijks verstaanbaar, fluisterde: ‘Zeg alsjeblieft dat dit een onsmakelijke grap is,’ schudde zij het hoofd en zei zacht: ‘Het is de werkelijkheid, puur realiteit, jongen.’
‘O, mijn God, wat erg.’ Hij keek haar haast smekend aan: ‘En nu?’ Marieke haalde haar schouders op. Ze bedacht dat ze niet al te hard uit de hoek moest komen, maar evengoed wel duidelijk. Ze koos haar woorden zorgvuldig toen ze zei: ‘We zullen moeten trouwen, er zit niks anders op. Ik neem tenminste aan dat je mij en het kind niet zult kunnen onderhouden als je toch voor Renske kiest.’
‘Hoe bedoel je dat?’
‘Net zoals ik het zeg. Ik ben niet van plan om deze last alleen te dragen. Bij het verwekken van een kind zijn twee mensen betrokken die allebei voor de lusten en de lasten zullen moeten opdraaien. Als jij voor Renske kiest, zul je mij en het kind maandelijks een ondersteuning moeten geven. Dat kost je jarenlang veel geld en dat heb jij niet.’ Anno zei schor: ‘Praat in vredesnaam niet zo, Marieke. Dit ruikt naar chantage en dat wil ik niet. Ik vind het vreselijk, daar kan ik niet om liegen, maar ik loop er niet voor weg. Zo’n schoft, zo’n zwakkeling ben ik nog net niet…’
Er golfde medelijden in Marieke op toen ze hem daar zo zielsverloren zag zitten. Ze liep naar hem toe en nestelde zich net als anders op zijn schoot. Ze kuste zijn ontdaan gezicht en fluisterde dan zacht: ‘Stil maar, lieve schat van me… Het komt allemaal wel weer goed met ons. Ik begrijp dat je er erg van schrikt, dat heb ik ook gedaan, hoor. Maar we houden van elkaar, anders was dit er nooit van gekomen. We zullen het goed krijgen en gelukkig worden. Jij zal Renske vergeten, heus waar, Anno. Daar help ik je bij!’
Anno knikte dof, maar zweeg. Toen Marieke van zijn schoot wipte en vroeg of hij nog koffie wilde, schudde hij het hoofd en zei, nog hoorbaar aangedaan: ‘Ik moet naar huis. Als ik me haast, kan ik de eerstvolgende bus nog halen. Mijn hemel, Marieke, wat zie ik ertegen op om met dit nieuws thuis te moeten komen.’
‘Dat is begrijpelijk,’ vond Marieke, veel minder aangedaan dan hij. ‘Maar als je eenmaal door die zure appel heen gebeten hebt, zul je ervaren dat het ertegen opzien vaak het zwaarst weegt.’
‘Jij kent Renske niet en mijn moeke evenmin. Ze zullen me verachten en dat is natuurlijk terecht. Ik veracht, nee, ik walg van mezelf.’
‘Omdat je mij trouwen moet?’
‘Dat niet op de eerste plaats. Ik voel me opeens zo’n lummel dat ik Renske heb bedrogen, niet kiezen kon tussen…’ Anno maakte zijn zin niet af. Hij kon tegen Marieke niet zeggen hoe hij het opeens heel duidelijk zag: Ik kon niet kiezen tussen de waarachtige liefde van de een en het materiële bezit van de ander. Door een kind bleef hem nu geen keuzemogelijkheid over. Hij zou krijgen wat hij had nagejaagd: de macht van het geld en een ander, beter leven. Hij dacht aan Renske, aan zijn moeke en aan duizend dingen tegelijk. Hij dacht aan het geluk dat Renske hem altijd zonder woorden had beloofd en zuchtte diep en hoorbaar.
Marieke omhelsde hem en zei zacht: ‘Toe lieverd, kijk niet zo somber, zo droefgeestig. Het komt allemaal echt wel weer goed. Ik houd van je, Anno! Zielsveel, en mocht jij op het ogenblik verscheurd worden door je liefde voor Renske en je liefde voor mij, dan kan ik je garanderen dat mijn liefde voor jou het uiteindelijk zal winnen. Omdat ik je kind draag en om tal van andere dingen. Ik weet niet hoe ik erbij kom, maar in je hart ben jij geen boerenarbeider. Dat is je gewoon aan te zien. Je bent een heer, Anno! Naast mij zul je kunnen zijn wie je in je diepste wezen bent. Dat is toch ook heel wat waard?’
Het was geen lach die om Anno’s mond verscheen, veel meer een grijns of een zenuwtrek, en zijn stem leek die van een ander toen hij zei: ‘Ik ben geen heer. Jij put dat soort onzinnigheden uit de verhalen die ik je vertelde!’
‘Waren dat dan verzinsels?’
‘Nee. Ik voel me geen arbeider en ik wil inderdaad graag hogerop, maar dat zijn gevoelens, wensen, die voort kunnen komen uit een te grote eigendunk, uit grootheidswaanzin.’
‘Jij bent niet trots of eigenwijs, veel eerder bescheiden!’
Anno mompelde binnensmonds: ‘In mij spelen vele factoren een rol. Daarom is het ook zo verdraaid moeilijk allemaal. Ik ken mezelf niet en dat is knap hinderlijk.’
‘Ik ken je,’ zei Marieke zacht, teder voor haar doen. ‘Dat is voor mij voldoende om te durven zeggen dat ik je het volmaakte geluk beloof!’ Marieke Veldman dacht bij deze woorden niet alleen aan zichzelf. Ze wilde werkelijk een harmonieus leven met Anno. Ze was van plan zich daarvoor in te zetten, maar kende de vele waaroms in Anno niet, evenmin de oorzaken. Wel kende ze de zegswijze: Alles in het leven heeft een oorzaak. Ze dacht in de gauwigheid niet aan de gevolgen. Met een man als Anno Diekman, die ‘raar’ in elkaar zat, zoals hijzelf zei, konden die niet uitblijven.