HOOFDSTUK 5
Het was inmiddels half november en zo te zien hoorden ze erbij, die zware stormen van de laatste dagen. Gisteren, zaterdag, was het werkelijk bar en boos geweest. De wind joeg zo brullend om het huis dat je je buiten nauwelijks staande kon houden. Ook omdat het veiliger was, moest je wel binnen blijven. Voor een kweker was dat een moeilijke opgaaf, vond Anno Diekman, vooral als je in de verte het glasgerinkel hoorde. Het was een afgrijselijke geluid dat pijn deed aan je oren. Maar tegenover natuurgeweld stond een mens nu eenmaal machteloos. Toen ze gisteravond naar bed gingen, loeide de wind nog onvermoeibaar door met stormkracht tien, maar vanmorgen vroeg werd hij wakker van de stilte die opeens weer over het huis en de kwekerij lag. Het was een weldadig aandoende stilte, die ervoor zorgde dat hij het in bed niet langer harden kon. Naast hem sliep Marieke ongestoord verder. Ze merkte er niks van dat hij zich uit bed liet glijden en een oude broek en trui aanschoot. Even later trok hij de huisdeur achter zich dicht en toen, in het schemerdonker van de vroege ochtend, zag hij met welk een ongekende vernielzucht de wind tekeer was gegaan. Twee broeikassen waren vrijwel met de grond gelijkgemaakt, een derde stond nog overeind, maar er was geen vierkante meter glas meer van heel. Voor zover hij het op dit uur van de dag kon zien, lag het glas in heel de omtrek verspreid. Wat een werk om al de akkers weer schoon te krijgen, wat een onkosten, wat een ongemak meteen. Nou ja, het was alweer niet anders, het hele zootje moest maar blijven liggen tot maandag, want vanmiddag gingen ze naar moeke. Eindelijk had hij Marieke zover gekregen dat ze toestemde en mee zou gaan. Het ging niet van harte, maar ze hád ja gezegd. ‘Nou goed dan, jij houdt toch niet op te zeuren. Maar we blijven daar niet lang, hoor. Een uurtje of zo vind ik ruim voldoende. Je moeder en ik liggen elkaar niet. Waarom wil je ons dan toch samenbrengen? Het is zo nutteloos.’
Het was nutteloos tegen Marieke te zeggen hoe hij erover dacht: Moeke is alleen en ik weet dat ze, ook al zal ze dat nooit zeggen, naar ons uitkijkt. Elke zondag opnieuw. Iedere zondag opnieuw heeft moeke een teleurstelling te verwerken.
Met dit soort dingen hoefde hij niet aan te komen. Bij ondervinding wist hij dat Marieke nonchalant haar schouders zou ophalen en zeggen: Ga jij dan naar haar toe als je geweten je plaagt. Dat doe je toch ook niet!
En daar had ze volkomen gelijk in. Het was ook zo deksels moeilijk allemaal, dacht Anno, terwijl hij, vol gramschap opeens, een stuk glas onder zijn schoen vermorzelde. De enkele keren dat hij tegenover moeke zat, voelde hij zich verschrikkelijk schuldig en daardoor allerbelabberdst. Er was nog nooit een klacht over haar lippen gekomen – dat dappere wijfje slikte alles in – maar hij kende haar en wist of voelde aan wat er allemaal in haar omging. In haar eigen stilte beschuldigde moeke hem ervan dat hij voor Marieke had gekozen omwille van alles wat zij hem te bieden had. Het nog ongeboren kind werd bijna een bijkomstigheid die de boel wat had overhaast. Hij had zich die ene vraag zelf al zo vaak gesteld: stel dat Marieke níet zwanger was geworden, had je haar dan ook getrouwd? Hij had het die avond immers willen uitmaken? Maar als hij diep in zijn eigen hart groef, wist hij dat hij uiteindelijk toch voor materiële welstand, dus voor Marieke zou hebben gekozen. Vroeg of laat zou hij Renske hebben moeten kwetsen. Hij haatte er zichzelf om, maar zo zat hij nu eenmaal in elkaar. Anno keek niet meer naar de ravage die de storm had aangericht. Hij banjerde over de akkers en hoorde niet hoe glasscherven onder zijn schoenen leken te kreunen. Hij had medelijden met Renske, met moeke vooral, maar hij was tevreden met zijn leven van tegenwoordig. Wat zei moeke ook alweer, peinsde hij en er schoof een grimas van een lach over zijn knappe gezicht toen hij het weer wist: een tevreden mens is een gelukkig mens.
Anno schudde in gedachten het hoofd. Moeke was een bovenste beste, een regelrechte schat. Ze had al veel meegemaakt in haar leventje, maar dat wilde niet zeggen dat ze alles wist. Dat tevredenheid en geluk samengingen, daar geloofde hij niet in. Hij was tevreden met dit leven naast Marieke, dat hem veel meer kansen bood dan vroeger. In dit dorp wás hij nu iemand en dat was wel even wat anders dan een boerenarbeider! Maar als hij zichzelf de vraag stelde: Ben je nu gelukkig, Anno Diekman, dan dacht hij aan Renske. Niet aan Marieke.
Die twee vrouwen verschilden hemelsbreed. In al haar eenvoud was Renske zacht, teder, gevoelig en verbazend lief. Als het om dát geluk ging, had Renske alles in zich om een man gelukkig te maken. Maar daar had hij niet genoeg aan, en daarom had hij maar tevreden te zijn met Marieke. Maar haar tekortkomingen zag hij drommels goed. Ze waren amper getrouwd toen hij zich erover verwonderde hoe hard Marieke soms kon zijn. Dat had hij daarvoor bij haar nooit opgemerkt. Ze was ook zo ontzettend nuchter, op het gevoelloze af, vond hij soms, en nog altijd vroeg hij zich af hoe een vrouw zo kon wezen of worden. In het begin, toen ze nog bij haar ouders inwoonden, had hij zich vaak genoeg niet op zijn plaats gevoeld. Mariekes vader was zo op en top de baas dat hij zich tóch weer slechts arbeider kon voelen. Maar gelukkig, die tijd was voorbij. Zijn schoonouders woonden nu in het dorp, de kwekerij stond net even buiten het dorp en Marieke en hij woonden er nu met zijn tweetjes. Jawel, zijn schoonvader kwam haast dagelijks wel even aanwippen, maar dat kon en mocht je die man niet kwalijk nemen. Hij had het bedrijf per slot op poten gezet, het groot gemaakt. Om dan een-twee-drie afstand te moeten nemen, was wat te veel gevraagd.
Vader Veldman kwam, deelde vaak toch nog wat lakens uit; maar hij vertrok ook weer naar het dorp. Mijn hemel, wat had hij zich verheugd op de avonden die hij voortaan samen met Marieke kon doorbrengen. Hij had het gevoel dat ze toen pas echt getrouwd waren en, romantisch als hij zijn kon, had hij die eerste avond een fles wijn opengetrokken, kaarsen aangestoken en verliefd tegen Marieke gefluisterd: ‘Kom dicht bij me zitten. Deze avond is voor ons. Alleen jij en ik zijn nu eventjes belangrijk. Kom dan…’
Ze had hem wat spottend aangezien toen ze de huiskamer binnenkwam waar slechts één schemerlamp brandde en verder volop kaarsen. Ze was niet naar hem gekomen, maar ging naar de kaarsen, die ze een voor een uitblies, waarna ze zei: ‘Je denkt toch zeker niet dat ik in het donker ga zitten, mallerd? Dat moesten we in de oorlog lang genoeg, dat hoeft nu niet meer en ik wil het niet. Ik heb zin in breien, maar dan moet ik de steken wel kunnen zien.’
Dat was Marieke. Ze hield niet van ‘flauwekul’, ze was die ze was. Dat was voor hem even slikken geweest, maar als hij bedacht wat er allemaal tegenover stond, viel hem dat niet zo heel moeilijk. Zijn bestaan was radicaal veranderd in het leven waarnaar hij altijd gehunkerd had. Om een klein voorbeeld te noemen: hij hoefde geen sigaretten meer te rollen, maar rookte ze klaar uit een pakje. Toch een vorm van luxe, vond hij zelf. En zo was het met alles. Als hij de deur van zijn kleerkast opentrok, glom hij van voldoening bij het zien van al dat mooie goed. Vroeger had hij één net pak gehad, nu bezat hij vier keurige kostuums van prima kwaliteit plus aparte broeken en truien en noem maar op. Wat een weelde. Hij was geen arbeider meer, maar eigen baas en kon nu op zijn beurt knechten bevelen wat ze doen moesten. Dit goede leven had hij gewild. Het was alleen wel eens lastig dat hij in gedachten nog zo veelvuldig in het andere dorp was. Bij Renske – hij kon haar zo voor zijn geest halen – en bij moeke, naar wie hij soms verschrikkelijk verlangde. Maar hij ging niet naar haar toe… Hij dacht ook vaak aan de boerderij waar hij jaren gewerkt had en dan kon hij er niet onderuit, maar moest hij toegeven dat dat werk hem in feite toch beter lag. Er zat wel degelijk verschil tussen het werk van een boer of dat van een kweker. Anno Diekman zuchtte diep en zwaar, zonder het zelf te weten, en besloot dan: Kom, ik zal eens kijken of Marieke wakker is. Wat zal ze schrikken als ze hoort hoe het er hier bij staat!
Marieke Veldman was wakker, maar lag nog wat na te dommelen toen Anno de slaapkamer binnenkwam en aan haar kant op de rand van het brede bed ging zitten. Diep onder de dekens weggedoken opende ze haar ogen half toen ze Anno gewaar werd. Toen ze zijn gezicht zag, zei ze: ‘Wat kijk je nou donker en dat zo vroeg in de ochtend. Waarom maak je me eigenlijk wakker? Ik wilde uitslapen!’
‘Ik ben buiten wezen kijken. De storm is gaan liggen, maar je weet niet wat je ziet! De twee koude kassen liggen aan gruzelementen, de warme kas staat nog half overeind, maar er is geen ruit meer van heel. Zover je om je heen kijkt, is het een en al glas. Wat een puinhoop, dat houd je niet voor mogelijk!’
Marieke schrok niet, maar zei laconiek: ‘Jammer dan, maar we zijn goed verzekerd. Het zal wel weer goed komen, hoor!’
‘Ga straks maar eens kijken, dan praat je wel anders! De kassen worden wel weer opgetrokken, maar wat een werk ligt er te wachten voor maandag! Je vader mag wel komen om mee te helpen, anders betwijfel ik of we het in één dag kunnen klaren!’
‘Dan doe je er toch twee dagen over,’ geeuwde Marieke ongegeneerd. Het bedrijf had haar liefde nu eenmaal niet, ze kon zich er niet druk om maken. Het was vaders werk en liefde geweest, nu was het van en voor Anno. Het manvolk moest zich er maar mooi mee redden, zij had andere dingen aan haar hoofd. Haar dracht werd steeds ongemakkelijker, het huis was groot en bewerkelijk. Al met al was het huisvrouw spelen haar niet meegevallen. Ze had geen nachtdiensten meer, maar miste haar werk en had het zeker zo druk als toen. En straks met een kind erbij… Brrr, ze moest er nog niet aan denken. Ach, dat kwam ook doordat Anno haar op zondagmorgen zo vroeg wakker maakte. Ze lag net zo lekker wat te dommelen en te mijmeren, dat kon ze nu wel vergeten. Ze kon net zo goed opstaan.
‘Heb je al thee gezet?’ vroeg ze, terwijl ze in haar muiltjes schoot en vervolgens haar duster aantrok.
Anno schudde het hoofd. ‘Nee, ik kom net binnen.’
‘Doe het dan even,’ zei Marieke, terwijl ze naar de badkamer liep. Voordat ze daarin verdween, zei ze op bitse toon: ‘En Anno, vergeet nu eens niet dat ik in mijn toestand niet meer tegen sigaretterook kan. Ik vind het afschuwelijk om beneden te komen en dan meteen die smerige lucht te moeten ruiken.’
‘Ik zal eraan denken,’ beloofde Anno, maar hij dacht: Ik wou dat je ook eens met een goed humeur uit bed stapte.
Het sigaretje waar hij niet zonder kon, stak hij een uurtje later buiten op toen ze samen over de kwekerij liepen om de schade in ogenschouw te nemen. Marieke schrok toch wel toen zij de enorme ravage zag.
‘Wat heb ik je voorspeld?’ zei Anno. ‘Dat wordt maandag hard aanpakken!’
Marieke, inmiddels klaarwakker, keek hem verbaasd aan. ‘Maandag? Wou je die troep laten liggen tot maandag? Ben jij nou gek! De storm is ook niet aan vaders oren voorbijgegaan. Ik weet welke zorgen hij zich heeft gemaakt en nog zekerder weet ik dat hij hier straks zo zal wezen om te kijken hoe het afgelopen is. Nou, als jij hem dan vertelt dat je pas maandag aan de slag wilt gaan, kun je echt wel inpakken, hoor. Vader liet zoiets geen dag liggen, die kan dat niet aanzien. Let maar op mijn woorden, hij pakt straks onmiddellijk aan. Wou jij dan blijven toekijken?’
‘We hadden afgesproken dat we naar moeke zouden gaan…’ Anno hoorde zelf hoe zwak zijn verweer was.
‘Wat gaat er nou eigenlijk voor: je moeder of het bedrijf? Je bent niet met haar getrouwd, wel met dit hier allemaal,’ zei Marieke met een weids armgebaar.
‘Het is al goed, jij krijgt je zin. Maar wat wij doen, Marieke, is niet goed. We verwaarlozen jouw ouders toch ook niet?’
‘Dat ligt heel anders. Jouw moeder zit echt niet naar mij uit te kijken en ik heb niet de minste behoefte aan haar. Binnen vijf minuten ben ik het meer dan zat in dat kleine, bedompte huisje, waar je moeder rondloopt met eeuwig en altijd een schort voor. Het staat me allemaal zo tegen. Begrijp toch dat ik me daar onmogelijk kan thuisvoelen!’
‘Ik zei toch al dat het goed was? Haal er dan niet allerlei dingen bij die er niks mee te maken hebben,’ zei Anno korzelig. Toen hij voor Marieke uit weer op het huis toebeende, mompelde hij in zichzelf:
‘Het spijt me moeke, het spijt me allemaal verschrikkelijk.’
Anno Diekman wist zelf niet goed wat hem dan wel zo verschrikkelijk speet. Maar dat kwam waarschijnlijk omdat hij de ware betekenissen van tevredenheid en geluk niet kon samenbrengen.
De storm had ook het dorp waar mensen als Dineke Diekman en Renske Bronsema woonden, niet ongemoeid gelaten. Het dak van het gemeentehuis was er half afgewaaid, bomen waren als lucifershoutjes geknakt. Op deze zondagmorgen – het kon niet anders – waren veel dorpsmannen drukdoende om de dakpannen weer op hun plaats te leggen.
Dineke Diekman ging deze zondagmorgen even buiten kijken bij haar buurman, die op het dak zat en foeterde: ‘Het is maar goed dat ik nog een partijtje dakpannen in voorraad had, anders kostte dit grapje toch maar weer een boel onnodig geld.’
Dineke zei, toch wat vergenoegd: ‘Hoe is het mogelijk, hè, mijn huisje is het oudste van heel de straat, het staat scheef en krom van ouderdom, maar er is geen pan afgewaaid!’
‘Op jouw huis rust vast en zeker een zegen!’ riep de man naar beneden. Dineke schonk hem een volle lach, waarachter ze haar geheimen verborg. Toen ze haar huisje weer binnenging, dacht ze: Het is inderdaad een zegen dat mijn huis ongeschonden uit de storm te voorschijn is gekomen. Nu hoef ik Anno tenminste niet lastig te vallen. Hij zei wel steeds dat ze hem onmiddellijk moest waarschuwen als er iets was, maar ze deed dat veel liever niet. Het leek zo gauw op aandacht vragen, vond ze, op een manier om hem hier te krijgen. Ze zou godsgelukkig zijn als ze zijn lief gezicht eens weer zag, maar hij moest wel uit eigen beweging naar haar toekomen. Stilletjes en hoopvol dacht ze: Heel misschien komen ze vanmidddag toch onverwacht even aan. Samen, of Anno alleen. Dat laatste had ze het liefst.
In het woonkeukentje, waar ze gemakshalve en omdat het stookkosten uitspaarde, ook ’s zondags leefde, keek ze werktuiglijk op de kalender. Half november. Dat betekende dat Marieke nu zo’n zeven maanden heen was. De tijd ging snel, nog even en het kind zou geboren worden. Haar eerste kleinkind… Geen mens wist of mocht weten dat het prugeltje dat in werkelijkheid niet was. Dit vormde voor haar weer een bewijs dat het verleden nooit uitgewist kon worden. Het bleef als een rode draad door haar leven lopen. Leugens en bedrog, valsheid in geschrifte, had zij eraan meegewerkt? Die vraag stelde ze zich tegenwoordig herhaaldelijk. Ze kwam er niet uit, kon alleen maar bedenken: Mijn hemel, ik was zeventien! Groen als gras, onmondig in die tijd, ik had geen stem. Later, toen ze ouder en wijzer was, durfde ze die stem niet gebruiken, omdat ze niet zou kunnen verdragen dat ze het enige dat ze had overgehouden, misschien kwijtraakte.
Ze had daar al die lange jaren min of meer vrede mee gehad, maar sinds Anno haar en het dorp verlaten had, knaagde haar geweten en vroeg ze zich vertwijfeld af of het niet beter zou zijn om Anno zijn hele voorgeschiedenis alsnog te vertellen. Dan kon hij doen en laten wat hij ermee wilde, dan waren er geen slapende geheimen meer. Dineke schudde in gedachten het hoofd. Misschien zou het zo moeten, maar ik kán het niet zeggen. Nog niet…
Op deze zondagmorgen nam ze zich voor: Als ik Anno ooit helemaal heb moeten afstaan aan Marieke, dan zeg ik het. Niet eerder. Die enkele keren dat hij komt, heb ik nodig om overeind te blijven. Ik ben ook maar een mens.
Ze schonk zich een kopje koffie in en onderwijl vroeg ze zich af: Het zal me toch benieuwen of ze me komen halen als het kindje er eenmaal is. Anno had zijn belofte, dat hij haar regelmatig zou komen ophalen, nooit waargemaakt. Ze kende de naam van het dorp waar hij woonde en leefde, maar was er tot nu toe nooit geweest. Ze kon ook niet zeggen dat ze ernaar snakte om het huis van Marieke Veldman te zien. Anno had er genoeg over verteld. Uit zijn verhalen begreep ze dat het een groot, voornaam huis was. Volgens Anno was de inrichting even duur als luxueus, en ach, daar paste zij met haar eenvoudje toch niet. De laatste keer dat Anno en Marieke samen bij haar waren, had Anno verteld: ‘Ik heb een bestelwagen voor de zaak aangeschaft. Ik kom je gauw eens halen, hoor moeke.’ Voordat ze kon zeggen dat dat goed was, zei Marieke: ‘Moeder is nog jong en gezond, ze kan net zo goed met de bus komen. Benzine kost ook geld.’
Dat was allemaal waar, maar toch gaf zo’n snibbige opmerking haar wel een steek. Het ontnam haar de lust om te gaan. Maar ach, wie weet, misschien trok ze de stoute schoenen nog eens aan, kocht ze een buskaartje om dan opeens voor hun neus te staan. Hoe ze dan ontvangen zou worden, bleef een vraag. Toch was het jammer dat het zo moest gaan, vond ze stil en verdrietig. Het kon allemaal zo heel anders, zoveel mooier. Met een beetje goede wil kon je elkaar het geluk brengen, elkaars leven verrijken. Jammer, maar wie weet keerde het tij nog eens.
Dat was Dineke Diekman ten voeten uit. Ze bleef hoopvol en in vol vertrouwen naar de toekomst uitkijken. Maar ze boog het hoofd niet meer zo snel als ze dat vroeger had móeten doen, nederig het hoofd buigen en dankbaar op alles ja en amen knikken. Voor een bouwvallig huisje, vijfhonderd gulden en een kind dat in haar armen werd gelegd. Breng hem maar groot, neem onze schande op je schouders en zwijg!
Dineke Diekman wist nog niet hoe duur zwijgplicht soms betaald moet worden en Renske Bronsema, onkundig van Dinekes duistere verleden, prakkizeerde er niet over, haar deze zondag op te zoeken. Doordeweeks maakte ze zoveel mogelijk tijd voor Dineke vrij, ’s zondags meed ze het kleine huisje. Omdat zij, net als Dineke, elke zondag opnieuw, bedacht: Misschien komen vandaag Anno en zijn vrouw naar het dorp. In tegenstelling tot Dineke wilde Renske hem niet weer zien. Ze klampte zich vast aan de zegswijze: uit het oog, uit het hart. Want zo moest het, vond ze zelf, wilde zij zonder omkijken verder kunnen.
Die zondagmorgen ging ze samen met haar ouders naar de kerk, maar toen haar pa tijdens het middagmaal zei: ‘We kunnen vanmiddag wel even naar de polder fietsen, naar Jo en Katrien,’ haastte Renske zich te zeggen: ‘Ik ga niet mee, hoor!’ Op haar moekes vragende blik zei ze: ‘Ik heb geen zin om naar oom Jo en tante Katrien te gaan. Ik zit de hele week al binnen. Toen we vanmorgen naar huis liepen, kreeg ik opeens zin om een heel eind te gaan lopen. Dat doe ik na de afwas.’
‘Nou ja, je moet het zelf weten, kindje,’ zei haar moeke, Jantje Bronsema. ‘Maar je weet hoe graag tante Katrien vooral jou ziet komen.’
Renske knikte. ‘Ik weet het wel. Doe hun de groeten maar en zeg dat ik van de week op een avond wel even aankom.’ Tijdens de afwas, terwijl haar ouders een tukje deden, voelde Renske zich wat bezwaard. Het was zo, ze kwam te weinig op de polder. Oom Jo, een oudere broer van pa, werkte daar als vastarbeider bij een boer, tante Katrien woonde er niet zo bar graag. Ze vond het er te stil, vooral bij de winterdag. Tante Katrien was blij met elke vorm van afleiding, maar zij, Renske, kon toch warempel niet overal tegelijk zijn. Bij haar ging Dineke nu eenmaal voor.
Nog voordat haar ouders op hun fiets stapten, trok Renske de deur van het ouderlijk huis achter zich dicht. In gedachten had ze al een route uitgestippeld. Halverwege de weg die naar een volgend dorp leidde, wist ze een verharde landweg die met een wijde boog weer naar het eigen dorp voerde. Het was een beste tippel, dik anderhalfuur zou er mee gemoeid zijn, maar ze had zin in zo’n lange wandeling. Het weer was heerlijk, leek niet op dat van gisteren. Het was droog en zacht en lokte haar naar buiten.
Nog in het dorp groette ze voorbijgangers. Soms bij naam, een andere keer met een vriendelijk lachend: ‘Moi!’ Het laatste rijtje huizen kwam in zicht en daarmee ook de lange stille weg die ze gaan wilde. Ze had de pas er flink in, Renske Bronsema. Ze tuurde de weg voor haar af en schrok toen ze een stem hoorde, die lachend zei: ‘Het lijkt wel of ze jou op de hielen zitten. Wàt een vaart!’
Renske keek half achterom opzij en zag toen pas dat Hilbrand Haan in de voortuin van zijn ouderlijk huis stond en haar met een geamuseerde lach bekeek. Ze bleef staan en bekende: ‘Ik was in gedachten, ik zag je niet eens. Mal, hè?’
Hilbrand schudde goedig het hoofd en lachte: ‘Och, dat ben ik wel gewend, hoor. Kleintjes worden wel vaker over het hoofd gezien.’
Ja, dacht Renske in een flits, je bent inderdaad niet groot. Hij was klein en mager, zijn adamsappel stak ver naar voren. Maar hij had een mooie bos bruin golvend haar en zijn groene ogen lachten haar zo vriendelijk toe dat ze dacht: Je bent een aardige vent. Jammer dat Wopkje Tuitman daar anders over ging denken.
‘Waar moet jij zo haastig op af?’ informeerde Hilbrand.
Renske lachte voluit voordat ze zei: ‘Ik heb juist helemaal geen haast. Het is de aard van het beestje, moet je maar denken. Ik doe alles gehaast en driftig. Ik ben gewoon aan de kuier en schaam me een beetje dat het daar niet op leek.’
‘Het is er net weer voor,’ vond Hilbrand Haan. ‘Zo wild en woest als het gisteren nog was, zo stil en rustig is het nu. Het lijkt wel lente in plaatst van half november. Heb je er wat op tegen als ik een eindje met je meeloop?’
‘Nee hoor, helemaal niet.’
‘Wacht even, dan schiet ik een jas aan.’
Kort hierna gingen ze samen over de weg die Renske voor zichzelf gekozen had. Ze vond het wel gezellig, zo samen, en Hilbrand was een vlotte prater. Hij vertelde over zijn werk als schildersknecht, waardoor hij bij veel mensen over de vloer kwam. ‘Je krijgt er mensenkennis door en weet op den duur precies wanneer je praten en zwijgen moet. Het is heus niet overal rozegeur en maneschijn achter al die ramen van de dorpshuizen, hoor Renske!’
‘Dat geloof ik graag. De zegswijze, elk huisje heeft een eigen kruisje, is er niet voor niets,’ zei Renske. En voordat Hilbrand het woord weer nemen kon, vroeg ze zacht en van opzij naar hem kijkend: ‘Hoe is het met je, Hilbrand?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Het leven gaat door, zeg ik maar.’ Om hem op te beuren zei Renske, en ze meende elk woord: ‘Je komt er overheen, dat kan ik je garanderen. Ik spreek uit ervaring!’
‘Tja, wij zijn min of meer lotgenoten. Ons is praktisch hetzelfde overkomen. Ben jij Anno Diekman werkelijk vergeten? Is het zo gemakkelijk?’ Hij keek haar vorsend aan.
Renske zei naar waarheid: ‘Natuurlijk ben ik Anno niet vergeten, ik denk nog vaak genoeg aan hem. Maar niet meer met zoveel pijn, dat slijt op den duur toch wel. Liefdesverdriet is niet eeuwigdurend en dat is maar goed ook.’
‘Houd je nog van Anno?’
‘Ik geloof van niet. Iemand die je zoveel pijn doet, dooft dat hele tere in je. En jij, houd jij nog van Wopkje?’
‘Ze is in gedachten nog dicht bij me, maar het vergaat mij eigenlijk al net als jou. Je voelt je gekrenkt, je bent gekwetst, bezeerd en die gevoelens overlappen dat andere. Ik kan maar niet begrijpen dat Wopkje voor een veel oudere man met drie kinderen heeft gekozen. Zowat van de ene op de andere dag zei ze dat ze meer van hém hield. Dat snap ik niet, daar heb ik het moeilijk mee.’
‘Zo is het met Anno en mij toch ook gegaan? Ik had niet in de gaten dat Anno er al een tijdlang twee vrouwen op nahield. Dat was evengoed best moeilijk te verteren.’
‘Anno Diekman is altijd al een wat eigenwijs mannetje geweest,’ vond Hilbrand. ‘Hij is twee jaar jonger dan ik – ik word eerdaags al achtentwintig! – maar ik herinner me onze schooltijd nog wel. Toen al was Anno anders dan de anderen. Hij speelde graag met boerenzoontjes die hij smeekte of hij bij hen op de boerderij mocht komen spelen. Ja, dat herinner ik me nog. Toen ik hoorde dat het uit was tussen jullie en met wie Anno trouwen moest, wist ik genoeg. Hij zocht het wat hogerop, Renske!’
‘Denk je?’ En dan, met een zuchtje: ‘Ach, wat doet het er ook allemaal nog toe. Zullen we het over iets anders hebben, Hilbrand?’
Hij schonk haar een begrijpende lach en gaf het gesprek een heel andere wending. ‘Weet jij nog wel, Renske Bronsema, dat wij ooit nog eens met elkaar hebben gelopen?’
Renske proestte. ‘Ja zeg, toen hadden we zogenaamd verkering! Je hebt me drie keer thuisgebracht. Of ik dat nog weet!’
Hilbrand was ernstig toen hij zei: ‘Ja, dat kon niks worden. Jij was echt nog te jong voor verkering. Was je niet een jaar of veertien? Maar ik was al achttien en best wel verliefd op je!’
‘Nou, daar heb je weer zo’n voorbeeld,’ haakte Renske daarop in, ‘die verliefdheid is ook weer vanzelf overgegaan? Zo gaat het nu weer, dat hoop ik tenminste voor je.’ Toen Hilbrand niets zei, maar de weg voor hen aftuurde, zei Renske: ‘Je wilt me toch hopelijk niet wijsmaken dat je altijd een beetje van mij bent blijven houden? Pas óp, Hilbrand Haan, ik doorzie liegbeesten onmiddellijk, hoor!’
Hilbrand schaterde om haar donkere blik en haar opgestoken vinger, maar was ernstig toen hij vertelde: ‘Nee, dat zou te ver gaan. Er liggen zoveel jaren tussen die dat onmogelijk hebben gemaakt. Maar het is wel zo dat ik je stilletjes wat volgde. Nauwlettender dan andere dorpswichters, laat ik het zo zeggen. Toen jij verkering kreeg met Anno Diekman en je je vervolgens met hem verloofde, was ik daar voor jou echt blij om. Ik gunde je het geluk heel erg. Toen je verloving werd verbroken, leed ik in stilte toch wat met je mee.’
Renske gaf hem een warme lach, waarna ze gemeend zei: ‘Je bent nog net zo aardig als vroeger.’ Opeens dacht ze aan de geruchten die al een tijdlang over Hilbrand de ronde deden. Ze keek hem van opzij aan en zei: ‘Er wordt al een hele tijd in het dorp gefluisterd dat jij met plannen rondloopt om te emigreren. Is dat zo, Hilbrand?’
Hij kleurde een beetje toen hij bekende: ‘Ja, daar denk ik over. Ik ben er al geruime tijd mee bezig.’
‘Waarom? Heb je het hier niet naar je zin?’
‘Ik weet het niet. Ik kan mijn draai zo moeilijk weer vinden.’
‘Denk je dat dat in een ver, volslagen vreemd land gemakkelijker zal gaan?’
‘Ergens moet je geluk toch liggen…’
‘Ben jij zo ongelukkig, Hilbrand?’ vroeg Renske even zacht als vol medelijden.
Na een lange aarzeling bekende Hilbrand Haan: ‘Ja, ik ben verre van gelukkig. Ik weet me met mezelf soms geen raad. Ik weet niet of jij dat kent, dat gevoel helemaal opgesloten te zitten in jezelf?’
‘Ik voel je wel aan. Ik herinner me dat jij vroeger al klaagde over te weinig liefde thuis. Nu heb je er nog een ander soort gebrek aan liefde bij gekregen… Is het bij jullie thuis nog net zoals toen? Je hoeft me vanzelfsprekend geen antwoord te geven, maar het lijkt me dat erover praten opluchting kan geven. Ik vind dit gesprek tenminste heel fijn.’
‘Ik ook, meidje, ik ook. Nadat Wopkje en ik elk een eigen weg zijn gegaan, heb ik er met geen sterveling over kunnen praten. Dit is de eerste keer en het doet me inderdaad goed. Wat vroeg je net ook alweer?’
‘Of het bij je thuis nog net zo was.’ Renske dacht aan haar vroegere ‘verkeringstijd’ met Hilbrand. Terwijl ze die paar keer zo samen een eind kuierden, had Hilbrand wel eens over thuis verteld. Hij was de oudste uit een gezin van acht kinderen en had het gevoel liefde te kort te komen. Dat vond zij destijds al zo triest, nu luisterde ze, net als toen, weer stil naar hem.
Hilbrand zei op haar vraag: ‘Och, dat verandert niet. Mijn ouders zijn goede, brave mensen, maar wat ik nodig heb, kunnen ze me niet geven.’
‘Liefde en aandacht?’ vroeg Renske.
‘Precies. Van heel kleins af aan heb ik dat gemist. We liepen voor arbeiderskinderen in nette kleren, we kregen goed eten en drinken en daar was de kous zo’n beetje mee af. Nu ik zelf volwassen ben, is dat allang geen verwijt meer aan het adres van mijn ouders. Ik snap wel dat ze het gewoonweg niet in zich hadden en dat het hun vaak ook aan tijd ontbrak. Maar ik was nou eenmaal een gevoelig ventje. Ik hunkerde naar de schoot en een kusje van mijn moeke. Naar de kameraadschap van mijn pa. Ik heb die dingen nooit gekend. Dat blijft een gemis.’
‘En mede daarom ben je nu van plan alles maar achter je te laten? Lijkt dat niet op vluchten, Hilbrand?’
‘Mogelijk, maar ik ben nog niet weg.’ Toen vertelde hij wat Dineke Renske al had voorspeld. ‘Pa heeft een broer in Canada, oom Wiebe, die is daar getrouwd. Ze hebben volwassen kinderen en een boerderij. Een farm, zoals dat daar wordt genoemd. Ik heb oom Wiebe geschreven dat ik wel zin had om naar hem toe te komen. Op die eerste brief is een intensieve briefwisseling gevolgd. Oom Wiebe raadt me aan om eerst tijdelijk te komen. Een soort proefperiode van pakweg een halfjaar. Daarna kan ik beslissen of ik inderdaad van land wisselen wil. Ik zie nog wel, ik ben er nog niet helemaal klaar voor. Maar het is bijzonder prettig te weten dat ik daar zo welkom ben. Iedereen is welkom in het huis van mijn oom en tante, als je tenminste je handen wilt gebruiken. Het is een voorwaarde dat je bereid bent hard mee aan te pakken, want werk is daar kennelijk volop. Wat dat betreft zou je gerust met me mee kunnen gaan.’
‘Doe niet zo gek, wil je!’ schrok Renske.
Hilbrand lachte: ‘Dat schoot er zomaar uit. Lieve Renske, daar hoef je niet zo van te schrikken, mal meidje. Maar nu ik het gezegd heb, vind ik het goed beschouwd helemaal niet zo’n gek idee! Jij zou tante kunnen helpen in de huishouding. Ze zou er vast blij mee zijn, want ze heeft enkel drie jongens en die werken naast oom op het bedrijf.’ Hilbrand bleef staan, Renske volgde automatisch zijn voorbeeld. Maar toen hij haar recht aankeek en op ernstige toon vroeg: ‘Waarom zou je het eigenlijk níet doen?’ deinsde ze terug en zei: ‘Ik ken de taal daarginds niet eens, ik zou me er doodverloren voelen.’
‘Ik spreek toch ook geen Engels? Die kans kregen wij als arbeiderskinderen niet. Doorleren was er niet bij, maar je kan je scha van toen toch altijd nog inhalen? Oom Wiebe spreekt nog goed Nederlands en ik ben toch bij je!’
‘Wat denk jij dat mijn ouders ervan zullen zeggen en Dineke Diekman?’
‘Die leiden toch allemaal hun leven? Heb jij dan niet het recht om ook een eigen leven te leiden? Wat laat jij hier nu eigenlijk achter? Wat héb je hier? Overdag hard werken, ’s avonds bij je ouders zitten en in het weekeind een eindje omlopen in je eentje. Verzetjes zijn er niet bij, want daar kom je in je eentje niet aan toe. Uitgaan, daar hebben wij allebei de leeftijd niet meer voor. Jongelui van onze leeftijd zijn verloofd of getrouwd. Als je ergens komt, zie je enkel jong grut waar je niet meer bijhoort.’ Hilbrand sloeg in zijn enthousiasme een arm om haar middel en zo vervolgden ze weer hun weg. Niet stilzwijgend, Hilbrand ratelde maar door: ‘O, Renske, ik zie het opeens helemaal zitten! Als jij meegaat, hoef ik nergens langer over te denken, dan zou ik morgen op een boot willen stappen!’
‘Ik wou dat we er een andere praat op hadden…’
‘Waarom, Renske?’ zei Hilbrand zacht en heel ernstig. ‘Als ik al besloot om alleen te gaan, weet ik niet of ik het daarginds vol zou houden, samen met jou wel.’
‘Dat begrijp ik niet.’
‘Ik zal het je proberen uit te leggen, ik hoop alleen dat ik niet te voortvarend bij je overkom.’
‘Maak van je hart maar geen moordkuil.’
‘Nou, kijk,’ vervolgde Hilbrand, nog altijd enthousiast, ‘de plannen die ik heb, lopen allang. Ik kan niet beslissen, omdat ik niet weet of mijn geluk ginder op me ligt te wachten. Het lijkt inderdaad op vluchten als ik nu zou gaan. Samen met jou is dat anders. Heel anders! We kennen elkaar van kleins af aan, we mogen elkaar en we zijn allebei op zoek naar het geluk in het leven. Ja toch?’
‘Ja.’
Voor de tweede keer hield Hilbrand haar staande en dat niet alleen, hij keerde haar naar zich toe, hief haar gezicht naar hem op en zei fluisterend: ‘Waarom zouden wij het niet samen proberen, Renske? Stel je toch eens voor dat we van elkaar gaan houden, wat zou dat mooi wezen! Net alsof het zo heeft moeten zijn, of de jaren tussen toen en nu en alles wat daarin gebeurde, een toetsing waren, waarna we mogen zeggen: Toen waren we te jong, nu kan het, in liefde…’
‘Ik ben bang dat jij de dingen forceert, Hilbrand, dat jij je in romantiek laat meeslepen,’ fluisterde Renske een beetje ontdaan.
‘Ik heb zo’n behoefte aan liefde. Aan geluk.’
‘Ach, Hilbrand toch!’ zei ze, zonder er weet van te hebben dat er tranen in haar ogen blonken.
Hilbrand zag die tranen en hij deed wat zijn hart hem ingaf. Hij stal wat hij nodig had: liefde, warmte en aandacht, toen hij haar onverwacht tegen zich aantrok en haar hartstochtelijk kuste.
‘Wat… doe je nou…’ fluisterde Renske toen hij haar losliet.
Hilbrand glimlachte haar toe en zei rustig: ‘Ik kuste je omdat je moet voelen wat ik bedoel. Ik durf het wel aan, samen met jou. Als jij nu ook ja durft te zeggen wordt het goed. Het is een kwestie van durven, Renske, van zelf op zoek gaan, want het geluk komt nooit uit eigen beweging naar je toe!’ Toen hij haar verloren blik zag, sloeg hij andermaal zijn arm weer om haar middel en zei: ‘Kom maar, we gaan verder.’
We gaan verder… Hilbrand vergat – bewust of onbewust – het woordje samen, maar het was net alsof de dingen voor hem al vaststonden. Hij was drukdoende het geluk te grijpen, naar zich toe te trekken. Renske had meer moeite met de dingen. Ze was blij dat het eind van de wandeling in zicht kwam. Eenmaal thuis – Hilbrand had haar tot de deur gebracht en haar nog een keer gekust – verheugde het haar dat haar ouders nog op de polder waren. Ze trok in de smalle gang haar jas uit en keek in het ovale spiegeltje van de kapstok. Ze keek in een jong gezicht met gezonde, rode wangen van de buitenlucht. In het spiegelbeeld zag ze haar mond waaromheen een vage glimlach schemerde, een paar ogen die groter en glanzender leken dan normaal het geval was. Even keek ze nog als gefascineerd naar haar eigen gezicht in het piepkleine spiegeltje, dan stak ze haar tong uit en mompelde ze: ‘Malle Hilbrand Haan, wat heb je met me gedaan? Je had me niet mogen zoenen en zoveel in me wakker schudden. Ik dacht dat ik het gered had, dat ik wel zonder de liefde kon, maar dat is dus niet zo…’
In de woonkamer liet ze zich in de lage, luie rookstoel van haar pa zakken en overdacht ze het gesprek tussen Hilbrand en haar. Die gekke Hilbrand, zo dacht ze vol verwondering, die ziet het al helemaal zitten. Samen naar Canada, voorlopig voor een halfjaar. Toen Hilbrand bij de deur afscheid van haar nam, had hij zacht, maar serieus gezegd: ‘Wimpel mijn voorstel nu niet meteen af, maar overdenk het eens rustig. Weeg de voors en tegens af. Je hoeft je niet te haasten, ik heb nog wel wat geduld. Zullen we intussen contact houden, Renske? Om elkaar weer beter te leren kennen?’
Ze had geknikt. ‘Ja. Je komt maar wanneer je zin hebt.’
Hij had haar weer gekust en ze had dat prettig gevonden. Nu pas realiseerde ze zich dat ze tijdens die kus van Hilbrand niet aan Anno had gedacht. Zou dat betekenen dat Anno Diekman in haar hart ruimte had geschapen voor iets nieuws?
Wat had Hilbrand overigens een boel dingen gezegd die niets dan de waarheid waren! Hij had gelijk: haar leven was saai aan het worden. Ze had niets anders dan haar werk, pa en moeke en Dineke. Canada… wat een opwindend avontuur om daar tijdelijk heen te gaan, vond ze opeens. Ze zou een behoorlijk stukje van de wereld gaan zien, andere mensen ontmoeten, hun cultuur. In dat halfjaar zou ze Hilbrand Haan terdege leren kennen. Hij hoopte er nu al op dat ze op den duur van elkaar gingen houden. Dat zou misschien voor hen allebei een uitkomst zijn, maar stel dat het niet lukte? Zij was er de vrouw niet naar om te denken: nou ja, beter iets dan niets. Als er geen waarachtige liefde in het spel was, zou zij er nooit aan beginnen en dat betekende simpelweg dat ze in dat geval Hilbrand teleur zou moeten stellen. Ach, dat gunde ze hem niet. Hij was zo aardig, zo door en door goed. Wat had ze een medelijden met hem gekregen toen hij zo eerlijk en tegelijk zo droefgeestig zei: ‘Ik heb zo’n behoefte aan liefde. Aan geluk.’
Ze zou Hilbrand best wel gelukkig willen maken, maar dan mocht ze zichzelf niet vergeten en moest ze vóór alles bedenken dat de liefde van twee kanten dient te komen.
Renske Bronsema had er geen idee van hoelang ze zo had zitten mijmeren over een toekomst die nog vaag was. Die haar deels lokte en deels afschrikte. Als ze eraan dacht dat ze dit dorp zou moeten verlaten, dreef er een schaduw over haar gezicht. Als ze in gedachten Hilbrands zoen weer proefde, glimlachte ze stilletjes. En in die stille lach lagen onmiskenbaar hoop en verlangen.
Renske schrok uit haar diep gemijmer op toen haar ouders, Jantje en Arend Bronsema, weer naar huis kwamen. Jantje keek haar dochter wat onderzoekend aan – Renske zat daar zo vreemd te niksen, vond ze – voordat ze zei: ‘Je moet de groeten hebben en tante Katrien houdt je aan je belofte. Ze verwacht je dinsdagavond!’
Renske lachte. ‘Welja, dat maakt maar gelijk afspraakjes voor me. Maar het is goed hoor, dinsdagavond zal ik die twee weer eens opzoeken. Hebben jullie het gezellig gehad?’
Arend Bronsema pakte de krant, Jantje vertelde: ‘Het is daar altijd gezellig, oom en tante zijn allebei vlotte praters en dan vliegt de tijd. We hebben gezellig gebabbeld en gelachen, maar ik zou voor geen geld op de polder willen wonen. Wat heb jij gedaan? Ben je al lang thuis?’
Renske bloosde licht toen ze zei: ‘Ik heb een beste wandeling gemaakt, maar niet alleen…’
‘Is Dineke mee geweest?’ Jantje Bronsema vond dit nogal voor de hand liggend. Ze keek dan ook verrast op toen Renske vertelde: ‘Je weet best waarom ik ’s zondags niet naar Dineke ga. Ik kwam Hilbrand Haan tegen en hij is met me meegelopen.’
Jantjes blik werd vorsend toen ze vroeg: ‘En? Vertel verder.’
Renske haalde haar schouders op. ‘Nou, gewoon. We hebben het hier en daar over gehad. Je weet toch wel hoe dat gaat?’
‘Jawel, maar je doet zo vreemd, net of er meer achter steekt. Heeft Hilbrand je soms gevraagd?’
‘Ja.’ En na een korte aarzeling: ‘Ja, hij heeft me gevraagd om verkering. We gaan het samen proberen. En als het klikt tussen ons, dan… dan ga ik vermoedelijk met hem mee naar Canada.’
‘Wát zeg je me daar?’ schrok Jantje en ook Arend, die een hap en een snap had opgevangen, legde de krant weg en keek Renske ontsteld aan.
Zij haastte zich te zeggen: ‘Jullie moeten niet meteen zo vreselijk schrikken, dat is nog nergens voor nodig. We blijven in elk geval hier tot we weten wat we aan elkaar hebben. Dat kan nog maanden duren en dan is het nog niet voor altijd, maar tijdelijk. We denken aan een halfjaar of zo.’
Jantjes mond viel open van verbazing, maar ze zweeg. Het was Arend die zei: ‘Ik hoop dat het tussen Hilbrand Haan en jou wat wordt. Jullie zijn allebei veel te jong om het leven aan je voorbij te laten gaan, maar ik vraag me wel af waarom jullie met alle geweld naar Canada moeten. Blijf maar mooi hier, dat heb ik veel liever!’
‘Hilbrand wil er graag heen. Hij heeft al zulke vaste plannen. Maar ik zei toch al dat het nog heel niet zover is!’
‘Nee, maar je kijkt alsof het avontuur je al danig lokt,’ zei Jantje en ze schudde misprijzend het hoofd.
Renske glimlachte vaag. Ze wist zelf niet hoe het kwam, maar opeens leek het haar inderdaad als een lokroep, dat hele avontuur van Canada. Ze zei zacht: ‘Wat heb ik hier dan, moeke? Ginder kan ik misschien alles vergeten en opnieuw beginnen.’
Het was haar pa die zei: ‘Als het om Anno Diekman gaat, kun je net zo goed hier blijven, want die laat zich hier niet zien. Wat dat betreft, kun je hem hier ook vergeten en opnieuw beginnen.’
Jantje vertelde: ‘We kwamen zo pas voorbij het huisje van Dineke. Ze stond wat verloren voor het raam en stak haar hand op. Ze heeft dus weer een zondag alleen gezeten.’
‘Dan loop ik na het eten nog even naar haar toe,’ zei Renske. Nu ze wist dat Anno er niet was, wilde ze graag even naar Dineke. Om haar het nieuws te vertellen en haar reactie te peilen.
Toen er een wat onbehaaglijke stilte viel, zei Renske, zacht en smekend: ‘Ik weet wel dat dit jullie overvalt en dat je er niet dadelijk blij mee kunt zijn. Maar ik ben geen kind meer. Ik heb toch het recht om mijn eigen geluk te zoeken? Trouwens, een half jaartje, wat is dat nou nóg!’
Haar ouders deden er hoofdknikkend het zwijgen toe. Ze beseften dat Renske de leeftijd ontgroeid was om zich door een ouderpaar bij het handje vast te laten houden. Ze liet zich niet meer leiden of sturen. Ze was vierentwintig en wilde het leven op haar manier leren kennen.
Toen Renske die avond naar Dineke Diekman ging, zei Arend Bronsema tegen zijn vrouw: ‘Het komt dat we er maar eentje hebben. Die laat je zo moeilijk los, hè? Maar al hadden we er tien, Jantje, dan zou ook elk van hen een eigen weg gaan.’
Jantje knikte. ‘Je krijgt geen kinderen om ze aan je te binden, op een gegeven moment moet je ze loslaten. Ik weet het allemaal wel, maar daarom blijft het wel bar moeilijk. We mogen haar geluk, haar kansen, niet in de weg staan, maar geen mens kan het mij beletten om voor haar te bidden. En reken maar dat ik dát doen zal: vragen of ons kind het ware geluk mag vinden.’
‘Misschien komt ze er nog op terug,’ hoopte Arend hardop, ‘het is nog niet zover.’ Jantje deed er het zwijgen toe. Allebei voorvoelden ze dat Renskes plannen, al waren ze op dit ogenblik nog wat vaag en heel nieuw, vast omlijnd zouden gaan worden.
Dineke keek verrast op toen Renske onverwacht bij haar binnenkwam. Er schoof een lach van blijdschap over haar gezicht toen ze zei: ‘Nu had ik je níet verwacht, maar je bent welkom, meidje!’
‘Dat weet ik,’ zei Renske, terwijl ze zich een stoel zocht. ‘Pa en moeke zagen vanmiddag dat je alleen was. Toen besloot ik nog even naar je toe te gaan. Ik blijf niet zo heel lang, hoor, want morgen is het weer vroeg dag. Voor ons allebei!’
‘De maandag is mijn minste dag,’ zei Dineke en ze trok een bedenkelijk gezicht. ‘Naar mijn idee is mijn eigen huis dan aan bepaalde beurten toe, maar ik moet eruit om het huis van een ander schoon te maken. Nou ja, denk ik dan maar weer monter, geld verzoet de arbeid.’
‘Krijg je nooit eens genoeg van dat geploeter bij anderen?’
‘Och, ik werk nog maar twee morgens per week buiten de deur, dat moet kunnen. Ik heb het geld gewoon nodig en als ik blijf zoals nu, mag ik niet mopperen. Ik ben drieënveertig, maar zo voel ik me lang niet, hoor!’
‘En zo zie je er ook bepaald niet uit,’ prees Renske, oprecht gemeend. Ze meende het ook toen ze vond: ‘Jij zou aan elke vinger van je hand nog wel een man kunnen krijgen.’
Dineke schaterde. ‘Toe maar, aan elke vinger nog wel! Kind, bespaar het me alsjeblieft. Zorg jij eerst maar eens dat je een knappe, flinke man krijgt, dat lijkt mij wel zo goed!’
Daar moest Renske op inhaken. ‘Nou, dat gaat erop lijken! Hij is dan wel niet zo knap, maar wel flink. En aardig…’ Bij het zien van Dinekes gezicht, dat één groot vraagteken was, vertelde ze wat ze eerder deze avond aan haar ouders had verteld. Ze gebruikte praktisch dezelfde bewoordingen en besloot met: ‘Maar het moet allemaal nog groeien. Er is nog niks geen vastigheid afgesproken.’
‘Wat niet is kan komen,’ vond Dineke. Net als Renskes ouders voorvoelde ze dat deze plannen vaste vorm zouden aannemen. Ze schudde het hoofd toen ze verzuchtte: ‘Naar Canada, hai kind, wat laat je me schrikken!’
Renske boog het hoofd toen ze fluisterend zei: ‘Als het hele geval niet doorgaat, zal ik blij zijn om mijn ouders, maar nog het meest om jou. Pa en moeke hebben elkaar nog, maar jij blijft zo akelig alleen over… Dat weerhoudt me…’
Dineke Diekman verdreef krachtig haar eigen gevoelens, toen ze tegen Renske zei: ‘Daaruit blijkt dat je net zoveel van mij bent gaan houden als van je eigen ouders. Dat doet mij goed, maar het zou wat moois zijn, mal meidje, als jij om míj je kansen en je geluk op het spel zette of zelfs verspeelde. Wat denk je nou, daar zou je mij pas echt verdriet mee doen!’
‘Je bent een regelrechte schat,’ zei Renske zacht en dan, haastig, liet ze er toch weer op volgen: ‘Maar het is nog niet zover, hoor! Voorlopig blijf ik in de buurt. Hilbrand en ik willen eerst weten wat we aan elkaar hebben.’
Dineke voorspelde: ‘Misschien stappen jullie over een tijdje als vrienden op de boot en kom je na een halfjaar terug als een paar dat er voor elkaar wil zijn. Dat hoop ik van ganser harte. Ik gun jou het geluk zo.’ Maar die avond, nadat Renske weer naar huis was gegaan, schreide Dineke Diekman. Het waren tranen die zich lange tijd in haar hart hadden opgehoopt en die nu de vrijheid zochten en vonden. Dineke huilde om Anno, die eens als baby in haar armen werd gelegd en die ze naar haar gevoel grotendeels had verloren. Dat haar tranen vooral Renske golden, bewees ze toen ze in zichzelf prevelde: Waarom mocht mijn kleine meisje niet blijven leven? Dan was alles heel anders verlopen. En als Renske mijn schoondochter was geworden, zou alles goed zijn gekomen. Waarom mocht ook dat niet? In Renske herken ik dat kleine wezentje van vroeger… Het is altijd net of ik mijn dochter in haar terugvind. Nu raak ik ze alle twee kwijt… waarom zijn kinderen soms zo wreed?
Later die avond, toen ze al in bed lag, kwam ze op dat laatste terug en toen schudde ze haar hoofd in het kussen en vermaande ze zichzelf: Zo mag je niet denken, Dineke Diekman! Een kind op zoek naar het eigen geluk ís niet wreed. Anno niet en Renske al evenmin. Ze worden immers gestuurd én ze volgen zo graag de roep van hun hart. Omdat ze jong zijn en het leven hen, ondanks alles, toch altijd weer toelacht. Is dat dan niet fijn?
Dineke knikte in gedachten en werktuiglijk vouwde ze haar handen. Ze bad echter met volle overgave en vroeg om vergeving voor haar slechte gedachten. Anno en Renske, dacht ze even later, ze zijn allebei mijn kinderen gewórden. Uit de volheid van heel mijn hart gun ik ze het geluk. Alleen is het zo jammer dat hun geluk niet mijn geluk betekent. Het was wel wat wrang, vond ze stil, dat zij in haar leven steeds alles moest afstaan. Eerst haar beide ouders, toen haar kindje dat niet leven kon. Toen Anno en nu zou Renske haar weer gaan verlaten. Wat bleef er dan over om voor te leven? Waar lag háár geluk verborgen? Was dat soms bij haar geboorte al niet voor haar weggelegd?
Dineke Diekman kreeg geen antwoord op al die vragen die diep in haar verborgen lagen. Was het daar nog te vroeg voor of was het geluk voor haar inderdaad niet weggelegd?