HOOFDSTUK 4
In een tijdsbestek van een halfjaar kan er heel wat gebeuren, dacht Renske Bronsema, terwijl ze de afwas van de familie De Winter wegwerkte, maar vergeten doe je niks. Ze dacht nog haast dagelijks aan Anno, aan de manier waarop hij het had uitgemaakt met haar, daartoe gedwongen omdat hij bij een ander een kind had verwekt. Die schok, daar kwam zij vermoedelijk nooit overheen, bepeinsde ze stil in zichzelf. Ze had niet eens geweten dat Anno haar bedroog met een ander. Wat gek achteraf, dat je dat als vrouw niet aanvoelde. Ze had maar heel moeilijk kunnen geloven dat Anno zoiets mins kon doen. Ook zijn moeke had het er nog steeds knap moeilijk mee. Ach, dat lieve mensje, daar had ze toch zo’n medelijden mee. Het was maar goed dat Anno het dorp had verlaten en ginder met die ander, wier naam ze amper over haar lippen kon krijgen, verder leefde als man en vrouw. Op deze manier kon ze tenminste gewoon naar Anno’s moeke blijven gaan. Velen in het dorp vonden het gek dat zij Dineke Diekman bleef opzoeken, maar daar trok ze zich niets van aan. Ze mocht de vrouw die bijna haar schoonmoeder was geweest, nu eenmaal bijzonder graag. Op een bepaalde manier hielden ze van elkaar. Ze voelden elkaar aan en hadden elkaar nodig. Ze kon het eenvoudigweg niet over haar hart verkrijgen Dineke alleen te laten zitten met haar verdriet en zorg om Anno. Hoe kon een man als Anno toch zo radicaal veranderen? Dat vroeg zij zich honderden keren af, maar een oplossing voor die vraag was er niet. Anno had na zijn trouwen het dorp verlaten en het leek wel alsof hij er niets had achtergelaten. Hij verwaarloosde zijn eigen moeke op een schandalige manier, vond Renske. In het begin kwam hij in de weekeinden nog wel eens naar het dorp om zijn moeke op te zoeken. Een enkele keer met zijn vrouw, meestal alleen. Tegenwoordig was de afstand tussen de dorpen zeker te groot, want je zag hem zelden of nooit meer. Het verdriet hierover lag zichtbaar op het gezicht van zijn moeke, maar ze beklaagde zich nooit over Anno. Als dat zo tussen hen beidjes ter sprake kwam, zei ze zacht en vergoelijkend: ‘Hij heeft nu een heel eigen leven, daar mag je als moeder niet tussen komen. Bovendien heeft hij het op die kwekerij schrikbarend druk. Zijn dagen vliegen om, moet je rekenen.’
Om de ander nog meer verdriet te besparen, knikte Renske dan maar terwijl ze wel uitschreeuwen kon: maar er zijn toch ook weekeinden. Anno zal daar heus niet dag en nacht werken, hoor!
Van zijn moeke bleef ze houden, maar in Anno was ze verschrikkelijk teleurgesteld. Ze wist niet eens of ze nog van hem hield. In het begin wel. Toen had ze zich avonden achtereen in slaap gehuild om hem en hoe vaak had ze niet gedacht: Was ík maar zwanger van hem geweest in plaats van die ander…
Tegenwoordig wist ze het allemaal niet meer zo zeker, de dingen verzwakten. Haar vertrouwen in Anno had zo’n geweldige klap gekregen dat ze zelf meende dat ze onmogelijk nog van hem kon houden. Waarom ze ondanks dat nog veel te vaak aan hem denken moest, wist ze niet.
Het was een geluk voor haar, vond ze zelf, dat ze zo’n fijne baan had hier bij de familie De Winter. Haar dagen vlogen om. In de ochtenduren verzorgde ze het huishouden, ’s middags stond ze in de winkel. Zodoende had zij volop afleiding. ’s Avonds bleef ze thuis met een handwerkje of een goed boek, of ze ging een paar straten verderop naar Anno’s moeke. Goed beschouwd had zij heel veel overgehouden waarvoor ze blij en dankbaar was. Haar eigen ouders waren schatten, die haar vooral in het begin bijzonder goed hadden opgevangen, op een fijne, gezonde manier, zonder Anno met woorden en verwijten zwart te maken.
Het was gewoon zoals haar pa het eens formuleerde: ‘Je hebt gewoon pech gehad, mijn meidje. Je hebt je liefde gegeven aan een man die dat niet verdiende, want hij hield meer van een ander.’
Moeke had toen ook haar mening gegeven. ‘Een verbroken verloving is erg, maar wie weet wat je bespaard is gebleven. Ik ben zo vreselijk dankbaar dat jij niet met een kind achterbleef. Dat soort dingen gebeurde vroeger en vandaag de dag en die zullen blijven gebeuren. Dat is de natuur nou eenmaal. Kijk maar naar Anno’s moeke, Dineke Diekman. Die is het vroeger overkomen en hoeveel vrouwen zijn er, alleen op dit dorp al, die na haar hetzelfde overkwam? Wat dat betreft is een vrouw heel kwetsbaar en ik ben blij dat jij, wat dat betreft, ongeschonden uit de strijd bent gekomen.’
Daar was ze zelf natuurlijk ook blij om. Ze had dat gezegd, maar ook: ‘Dat geval van Anno’s moeke lag heel anders. Jullie weten best dat zij ordentelijk zou zijn getrouwd als die man niet ziek was geworden en was overleden. In haar geval zie ik het niet als een schande, ik vind het alleen intriest. Ze hield zoveel van die man dat ze haar zoon naar hem vernoemde en dat ze er bovendien nooit aan dacht om met een ander verder te gaan!’
Zo, de afwas was aan kant, vrouw De Winter deed een middagslaapje en de baas zelf was in het magazijn bezig. De winkeldeur bleef tot halftwee op de knip, wat betekende dat zij zich nog wel drie keer verkleden kon voordat ze, in een nette jurk en met een wit schort voor, achter de toonbank moest plaatsnemen. Ze zou eigenlijk best nog een kwartiertje kunnen gaan strijken. Weg was weg, het strijkgoed hoopte zich hier, met al die witte schorten, zo gauw op. Kwiek en ijverig als ze was, stond Renske even later achter de strijkplank en onwillekeurig dwaalden haar gedachten weer naar Anno. Naar die avond, een halfjaar geleden nog maar toen hij veel eerder dan ze verwacht hadden, terugkwam uit de stad. Die avond zou ze nooit vergeten, die stond in haar geheugen gegrift. Ze wist nog elk detail, alles wat er gezegd was en verzwegen.
Ze had net tegen vrouw Diekman gezegd dat ze maar weer eens op huis aan moest, toen de deur openging en Anno binnenkwam. Aan zijn gezicht zagen ze allebei tegelijk dat hij door iets geschokt was. Zijn groet bestond uit een kort: ‘Daar ben ik weer.’
Ze zagen dat hij niet uit zijn humeur was, maar dat er iets anders achter stak. Ze hadden elkaar vragend aangezien, maar geen van beiden durfden ze hem te vragen wat eraan schortte. Hij kwam er zelf mee voor den dag. Zij, Renske, zou nooit vergeten hoe hij, met zijn rug naar hen toe, schorrig zei: ‘Wat kijken jullie me nou aan… help me liever.’
Zijn moeke zei: ‘Tja, mijn jongen, we willen niks liever, maar dan zal jij toch eerst moeten zeggen wat er is. Dat jou iets dwarszit zien we zo wel, maar dat is niet genoeg om je te kunnen helpen.’
Wat ze ook verwacht hadden, in ieder geval niet dat Anno zou zeggen: ‘Ik heb jullie bedrogen… ja, jullie allebei. Ik weet niet wat me bezielde, wat me ertoe dwong, maar nu is er voor mij geen weg terug meer. Ik… moet trouwen.’
Zij had het gevoel gehad dat haar hart door een paar grote kerelshanden fijn geknepen werd en kon geen woord uitbrengen. Zijn moeke fluisterde verschrikt en met een stem die niet van haar was: ‘Zeg dat dit niet waar is, Anno… alsjeblieft, jongen, zorg dat we weer kunnen lachen.’
Anno schudde het hoofd en nog steeds met zijn rug naar hen toegekeerd vertelde hij in korte zinnen over ene Marieke Veldman die hij tijdens zijn bezoek aan Appie had ontmoet. Ze luisterde naar zijn verwrongen stem, alles drong haarscherp tot haar door. Ze voelde zich gekwetst, vernederd en diep ongelukkig en toch, hoe merkwaardig achteraf, kon ze geen traan laten.
Ze hoorde Anno’s moeke fluisteren: ‘Houd je van dat meisje?’ en Anno antwoordde: ‘Ik weet het niet. Het zal wel, anders was ik zo ver immers nooit gegaan… Ik houd anders van haar dan van Renske. Het spijt me zo voor jou…’ Bij die laatste woorden draaide hij zich om en keek haar aan. Ze zag zijn totale ontreddering, maar kreeg geen medelijden met hem. Het was net alsof ze innerlijk verdoofd was, volkomen gevoelloos.
Toen Anno smekend vroeg: ‘Begrijp je dat ik haar in deze toestand niet aan haar lot kan overlaten, Renske?’ knikte ze.
Op matte toon zei ze: ‘Wat doet mijn begrip ertoe… niks toch zeker? Ik zou niet eens meer verder met je kunnen. Na dit niet meer, Anno.’ Ze schoof zijn ring van haar vinger en legde die op de tafel. Ze wist nog dat ze Anno’s moeke aankeek toen ze zacht zei: ‘Ik ga maar naar huis.’
Waardig en rechtop – waar haalde je in dergelijke momenten die kracht vandaan? – liep ze op de deur toe. Ze had die net geopend toen ze Anno’s stem hoorde. Er lagen tranen in toen hij haar naam noemde: ‘Renske?’
Ze had zich omgedraaid, hem recht in de ogen gekeken en gezegd: ‘We hebben elkaar niets meer te zeggen, Anno. We gaan nu elk een eigen weg, jij en ik… Je had het me alleen wel wat eerder mogen vertellen.’ Dat was het enige verwijt dat over haar lippen kwam en ze was daar nog alle dagen blij mee.
Toen ze in het achterhuis stond, hoorde ze voetstappen achter zich. Eén moment dacht ze dat het Anno was, maar het was zijn moeke. Dineke Diekman, die schreide: ‘Ach Renske, wacht even, ik kan je zo niet laten gaan. Ik zal je zo missen, mijn meisje.’
Verloren en verdrietig hadden ze elkaar een ogenblik aangekeken, toen lagen ze opeens in elkaars armen en huilden ze allebei. Omdat ze bang was dat Anno hen kon horen en ze absoluut niet wilde dat hij haar tranen zag, had zij zich snel hersteld en tegen vrouw Diekman gefluisterd: ‘Morgen, als Anno naar zijn boer is, kom ik even bij u langs. Ik kan u net zo min missen.’
Morgen, had ze beloofd, maar het duurde een volle week eer ze de moed had om dat kleine huisje weer binnen te gaan. Bovendien had ze die week nodig gehad om tot zichzelf, tot klaarheid te komen. Dankzij de steun van haar ouders, kon ze toen denken: Het is niet anders, ik moet zonder Anno verder. Hij heeft niet echt, niet overtuigend van mij gehouden. Tussen ons zou het uiteindelijk toch nooit iets zijn geworden. Tot dat soort gedachten kwam ze die eerste week, maar geen mens wist hoeveel gedwongen dapperheid daarachter stak en hoe ze de ring van Anno aan haar vinger miste. Om van zijn liefde nog maar niet te spreken…
Toen ze die eerste keer weer bij Anno’s moeke was en zag hoezeer die gebukt ging onder verdriet om het voorgevallene, troostte ze haar door te zeggen: ‘Ik red me wel, u moet Anno maar geen verwijten maken, vrouw Diekman. Tussen hem en u moet het goed blijven.’ Naar haar gevoel sprak Anno’s moeke wat in raadsels toen ze zacht zei: ‘Ik kan hem niets verwijten… dat mag ik niet eens. Ik denk dat ik hem wel begrijp… Maar of hij gelukkig zal worden met die ander? Hij weet niet waar zijn geluk verborgen ligt, die zoon van mij…’
Vrouw Diekman sprak vaker in raadsels, vond Renske, maar dat kwam natuurlijk van de schok die zij te verwerken had gekregen. Want zo kon ze in een gesprek tussen hen beiden ook zomaar voor zich uit zeggen: ‘Ik denk tegenwoordig vaak dat het allemaal zo heeft moeten zijn. Ik mocht Anno niet bij me houden, Marieke palmt hem helemaal in. En dat ik jou door al die miserabele toestanden niet ben kwijtgeraakt, maar dat je als een dochter voor me blijft… dat is voor mij heel wonderlijk. Dit gepraat van mij begrijp jij niet en dat is ook niet nodig. Ik ben blij met jou, met het feit dat ik… toch een dochter in mijn leven heb.’
Die middag, tussen het helpen van de klanten door, bedacht Renske dat je zo’n regelrechte lieverd als vrouw Diekman niet teleurstellen mocht. En met die gedachte besloot ze haar vanavond een bezoekje te brengen. Dineke Diekman schudkopte om zichzelf toen ze al om halfzeven die avond op de klok ging kijken. Ze verwachtte Renske, maar besefte tegelijkertijd dat dat wichtje hier zo vroeg niet kon zijn. Ze stond tot vijf uur in de winkel van De Winter, dan moest er thuis nog gegeten en afgewassen worden en Renske – keurig als ze was – zou zich toch ook nog willen verkleden. Wonderlijk toch ook, dacht Dineke, terwijl ze haar naaiwerk wegborg en de koffieboel vast klaarzette, dat ik me zo tot dat wichtje aangetrokken voel. Het was zo verschrikkelijk spijtig dat Anno voor Marieke had gekozen. Ach, schudde ze in gedachten andermaal het hoofd, gekozen was het juiste woord immers niet. Anno had het niet met zoveel woorden tegen haar gezegd, maar zij wist, voelde aan dat het materiële dat Marieke hem bood, hem naar haar toe getrokken had. Mocht zij, Dineke Diekman, aan wie hij in nood toevertrouwd was, hem daarom veroordelen of hem verwijten gaan maken? Nee, duizendmaal neen, hamerde het in haar hoofd. Ze moest tegenwoordig zo vaak denken aan Tilly Heeres die destijds alleen duidelijk te kennen had gegeven dat haar kind verwekt was door een man die haar gelijke was in rang en stand. Dat betekende dat Anno het boerenbloed in zich had. Van vader en moeder. Van kleins af aan had hij haar dat, volslagen onbewust, duidelijk gemaakt. Door kleine dingen, speldeprikjes.
‘Waarom eten wij niet met mes en vork, moeke?’
‘Omdat we maar gewone mensjes zijn, lieverd.’
‘Ons huis is zo scheef en het lekt overal. Waarom wonen wij niet in een mooi huis?’
Jaren later, toen Anno een jaar of achttien was, repareerde hij eigenhandig het lekkende dak en verbeterde hij met stukjes en beetjes meer aan het huis, dat evengoed klein bleef, scheef en bouwvallig. Dat deed haar niks. Als het binnen maar warm was, vond zij, gezellig en goed, dan deerde de rest haar niet. Anno stak anders in elkaar en door de jaren heen bleef hij dingen opmerken die haar een steekje gaven. Die pijn deden. Toen hij nog verloofd was met Renske, kon hij ook haar soms plotseling bezeren met opmerkingen over haar uiterlijk of haar manier van doen. Dat was pijnlijk en zij begreep als enige vanwaaruit Anno zulke dingen zei. Toen hij met dat onheilsbericht thuiskwam en hij haar later het een en ander over Marieke vertelde, had ze stil, maar zorgvuldig naar hem geluisterd. Toen hij uitverteld was, wist zij voldoende. Het was niet zijn hart, maar zijn boerenbloed dat hem die weg op had getrokken.
Op zijn trouwdag had Anno haar gezicht tussen zijn beide handen genomen. Hij had haar gekust en schor gefluisterd: ‘Ik houd van je, vergeet je dat nooit, moeke. Je hebt me nooit iets verweten terwijl ik weet hoe graag jij had gezien dat Renske op een dag als vandaag naast me zou staan. Hoe komt het, moeke, dat je zo mild voor me bent, terwijl ik mij niet altijd even netjes heb gedragen?’
Ze had tranen over haar wangen voelen biggelen toen ze hem antwoordde: ‘Vanaf het moment dat je in mijn armen werd gelegd, heb ik mezelf beloofd dat ik er voor jou zou zijn, Anno. Jouw geluk was mijn geluk, zo eenvoudig ligt dat bij mij, jongen. Maar wórd dan ook gelukkig, Anno… Ik wou dat je me dat garanderen kon.’
‘Wees daar maar niet al te bezorgd over. Ik houd van Marieke… anders dan van Renske, maar toch houd ik van haar. Liefde heeft vele vormen, moeke, en één ervan brengt mij het geluk. Mij en Marieke.’
Anno had dat heel overtuigend gezegd, maar zij twijfelde. Omdat Marieke zo heel ver van haar af stond? Die was ook zo heel anders dan Renske. Marieke was ten opzichte van haar schoonmoeder afstandelijk, net alsof ze op haar neerkeek. Zij, op haar beurt, voelde zich bij Marieke niet op haar gemak en dan kreeg je verkrampte situaties. Het was absurd, maar ze kon er niks aan doen dat ze in gezelschap van Marieke altijd aan vroeger moest denken. Aan mevrouw van de dokter bij wie ze toen diende, aan mensen die destijds ‘hoog’ boven haar stonden. Marieke had een zelfde soort houding over zich en sloeg hetzelfde toontje aan. Vervelend, maar het was zo duidelijk als wat: Marieke zou nooit echt haar schoondochter worden.
Ze noemde haar ook niet gewoon moeke, maar moeder en hemeltjelief, wat klonk haar dat raar in de oren. In het begin nam Anno dat van Marieke over en zei hij ook moeder tegen haar. Dat had ze hem snel afgeleerd door te zeggen: ‘Je moet je niet aanstellen, Anno, je mag gerust blijven die je bent.’
Ach, bepeinsde Dineke, kon het maar weer worden zoals het was geweest tussen hen tweetjes. Daar leek het niet meer op. Ze had er volstrekt vrede mee dat Anno een eigen leven leidde, maar dat hij zo van haar vervreemdde, deed behoorlijk zeer. Wanneer zag ze hem nou goedbeschouwd nog? Ja, als ze jarig was en met feestdagen kwamen ze haar opzoeken, een bosje bloemen ontbrak nooit. Maar het was niet leuk meer, het waren verplichte nummertjes.
De laatste tijd kwam Marieke zelden dit huisje binnenwandelen, Anno een enkele keer. Maar ook dan was het niet meer zoals vroeger. Anno deed niks als zich verontschuldigen: ‘Je begrijpt toch wel moeke, dat ik het razend druk heb? Zo’n kwekerij, daar komt heel wat bij kijken, hoor!’
Zij knikte dan maar en zei vergoelijkend dat hij zich niet verontschuldigen hoefde. Ze wist wel dat hij zich diep in zijn hart heel schuldig voelde. Zij kon hem de dingen vergeven omdat zij wist dat Anno het allemaal niet helpen kon. De schuld lag bij het verleden, bij mensen die haar als zeventienjarige hadden bevolen: ‘Je moet zwijgen! Een heel leven lang, hoor je dat goed!’ O ja, ze zou die belofte van toen kunnen verbreken, maar wat schoot ze ermee op? Tilly Heeres had niet de minste belangstelling voor Anno. Dat had ze zesentwintig jaar lang bewezen door nooit iets van zich te laten horen. Als zij haar belofte verbrak, had ze alleen Anno ermee. En zichzelf… Ze moest er niet aan denken dat ze hem echt helemaal kwijt zou raken en dat zou vast en zeker gebeuren als Anno alles wist. O, nee hoor, hij moest bij haar blijven komen, al waren het soms maar korte bezoekjes waarbij ze onwennig tegenover elkaar zaten. Ze moest dat lieve gezicht van hem af en toe even kunnen zien en stilletjes bedenken: Het is toch immers hetzelfde gezicht van het kleintje dat zesentwintig jaar geleden in mijn armen werd gelegd en zijn oogjes verwachtingsvol naar me opsloeg. Ze was ontzaglijk veel van hem gaan houden en hield nog onverminderd van hem. Ondanks alles of juist dankzij alles?
Naarmate ze ouder werd, dacht ze steeds vaker aan het kindje dat zij had gebaard. Dat kleine meisje dat niet leven mocht. Het was te gek om los te lopen – dat wist ze met haar nuchtere verstand heus wel – maar ondanks dat bracht ze Renske Bronsema altijd in verband met dat doodgeboren, naamloze meisje. En dat kwam eenvoudigweg door de liefde die Renske haar zo gul schonk. Liefde, je kon er als mens niet zonder, prakkizeerde Dineke, maar wat kon die evengoed diepe wonden slaan bij een mens. Ze hoefde daarbij maar aan Renske te denken. Die zei dan wel steeds dat ze eroverheen was, maar dat geloofde zij mooi niet. Ach, hoe was het haar zelf vergaan? Ze had werkelijk door dik en dun van Anno gehouden en hij van haar. Als liefde dan honingzoet was, zoals je soms in boeken las, waarom hadden zij dan niet gelukkig mogen worden? Zou Tilly Heeres gelukkig zijn? Zou Anno gelukkig worden met Marieke? Het bleven open vragen, maar de liefde speelde in dat alles wel een rol.
Dineke onderbrak haar gemijmer en keek op de klok. Kwart over zeven. Renske had zeker andere plannen voor deze avond. En juist toen ze dat dacht en zich erbij neerlegde, ging de deur van het achterhuis open en weer dicht en even hierna stapte Renske monter binnen.
‘Hallo!’ groette ze vrolijk, ‘wat dacht u, die komt niet meer?’
Voordat ze zich een stoel zocht, gaf ze Dineke een kus die lachend zei: ‘Ja, dat dacht ik inderdaad! Maar ik ben blij dat je er bent, hoor!
‘Bent u niet aan het naaien,’ vroeg Renske, terwijl Dineke de koffiekopjes volschonk.
Dineke schudde het hoofd en vertelde: ‘Ik heb de hele dag achter de machine gezeten, mijn ogen gloeiden in mijn hoofd. Ik dacht dat ik er vanavond maar een punt achter moest zetten.’
‘Gelijk hebt u,’ vond Renske en vroeg dan, wat zorgelijk: ‘Kunt u rondkomen, vrouw Diekman?’
Over Dinekes gezicht schoof een milde lach. Ze zei: ‘Ach kindje, wat heb ik nou nodig, zo in mijn eentje? Ja hoor, ik red het best!’ Ze lachte wat geamuseerd en geheimzinnig, toen ze verderging: ‘Dankzij Anno, dat moet ik er eerlijkheidshalve bij zeggen.’
Op Renskes vragende blik vertelde Dineke: ‘Hij komt dan wel niet zo vaak, maar als hij me opzoekt, stopt hij me altijd wat toe. Soms geeft hij me het geld, een andere keer vind ik een paar in elkaar gevouwen bankbiljetten nadat hij al vertrokken is. Ik neem het maar aan,’ vervolgde ze schouderophalend. ‘Anno zegt steeds dat hij nergens op bezuinigen hoeft, dat hij om het geld niet verlegen zit. En ik kan het zo goed gebruiken. Wat doe je dan?’
‘Aannemen vanzelf,’ zei Renske kordaat. Ze haatte haar eigen nieuwsgierigheid en toch kon ze niet nalaten te vragen: ‘U vertelde laatst dat Anno en zijn… vrouw, zal ik maar zeggen, binnen afzienbare tijd de kwekerij in handen zouden krijgen. Dat haar ouders zich wilden terugtrekken en ergens anders zouden gaan wonen. Is het al zover of weet u dat niet?’
‘Dat staat inderdaad te gebeuren,’ zei Dineke. ‘De laatste keer dat Anno hier was, vertelde hij dat haar ouders een huis gevonden hadden en dat de verhuizing eerdaags zou plaatsvinden. Het is alweer een week of drie geleden dat hij me dat vertelde, dus ik neem aan dat Marieke en hij onderhand wel eigen baas zijn. En dat is maar beter ook. Oud hoort niet bij jong.’
Renske knikte maar wat en vroeg dan zacht: ‘Verlangt u naar het kindje dat bij hen op komst is?’
‘Ik weet niet wat ik me ervan moet voorstellen,’ zei Dineke en ze keek opeens wat verloren en verdrietig. ‘Als ik Anno en Marieke al nauwelijks zie, hoe moet het dan gaan met het kindje als het er eenmaal is? Ik ben bang dat dat hummeltje amper zal weten dat ze, slechts een paar dorpen verderop, een oma heeft die met een hart vol liefde op haar wacht.’
‘Ach, wat vind ik dit toch allemaal triest voor u,’ zei Renske gemeend. ‘Hoe kan Anno toch zo veranderd zijn?’
‘Dat komt louter en alleen door haar,’ zei Dineke en het kon haar niks schelen dat ze vierkant zat te roddelen over haar eigen schoondochter. ‘Er is daar, volgens mij, hoor, maar eentje de baas en dat is Marieke. Zij deelt de lakens uit en zo is het!’
‘U mag haar niet, is het wel?’
Dineke schudde haar hoofd. Langzaam, maar beslist en ze formuleerde haar mening kort en bondig: ‘Nee, ik mag haar niet. Omdat zij mij niet mag, omdat ze op me neerkijkt. Dat moest ik me vroeger laten welgevallen, dat doe ik niet meer!’
‘Gelijk heeft u,’ zei Renske, zo beteuterd, zo sip en zichtbaar vol medelijden dat Dineke in de lach schoot en zei: ‘Lieve schat, je hoeft met mij geen medelijden te hebben, hoor! Dineke Diekman redt zich wel. Vroeger móest ze dat, tegenwoordig kán ze dat. Ondanks alles!’
‘Omdat het leven verdergaat,’ meende Renske, ‘en omdat u van nature een boel verdragen kan.’
Dineke glimlachte en zei: ‘Omdat er altijd wel iets overblijft waarvoor je dankbaar kunt wezen. Met Marieke zit ik niet zo heel erg in de maag, Anno ben ik echt nog niet helemaal kwijt en ik heb jou!’
‘Ach, lieverd toch,’ zei Renske ontroerd.
Dineke ging er nog even op door en zei wat ze al zo lang van plan was: ‘Nu we toch een klein beetje de gevoelige snaar raken, wil ik je een voorstel doen. Je zou me een groot genoegen doen als je me niet langer vrouw Diekman noemde, maar gewoon Dineke.’
‘O, maar ik weet niet of ik dat wel kan,’ zei Renske. ‘U bent zoveel ouder dan ik en… u was bijna mijn schoonmoeder.’
‘Daarom juist. Ik mocht je moeder niet worden, helaas, maar niet alles liep spaak. Er bleef veel over. We werden – zo voel ik het sterk de laatste tijd – vriendinnen. Nou, en die noemen elkaar bij de naam. Wil je het proberen?’
‘Ja… proberen wil ik het wel, maar ik ben bang dat ik me nog vaak zal vergissen. Dineke… wat klinkt dat lief en vertrouwd.’ Ze lachte Dineke warm en liefdevol toe.
Dineke gniffelde, hoewel ze inwendig niet minder ontroerd was dan Renske, en zei, ondeugend kijkend nu: ‘Zullen we er een likeurtje op drinken of is dat te opmakerig? De fles die jij me eens cadeau gaf, staat er nog steeds, onaangebroken!’
‘Dat is zonde!’ lachte Renske, ‘daar heb ik hem niet voor gegeven. Ja hoor, laten we die fles maar gauw openmaken en er een wilde avond van maken.’
‘Een wilde avond, kind toch, dat past heel niet bij ons degelijk soort vrouwen,’ lachte Dineke en ze schudde quasi afkeurend het hoofd. Die avond dronken ze elk dan ook maar één glaasje, waar ze zuinig, maar in-genoeglijk van nipten.
Bewust of niet, in het volgende gesprek werden de namen van Anno en Marieke door geen van beiden nog genoemd. Dineke vertelde over haar vak als naaister, over prettige en lastige klanten. ‘De boerin van Dijkzicht is vanmorgen bij me geweest met een schitterende lap stof waar ze een mantelpak uit wilde. Ze is een vaste klant, ik heb haar maten dus, maar omdat ik weet hoe precies ze is, heb ik haar maar weer de maat genomen. Daar prees ze me om: ‘Wat ben je toch precies, vrouw Diekman, daar houd ik van, hoor!’ Dat doet je dan wel goed, maar ik kon mooi niet zeggen waar ik van houd, namelijk dat ze bij aflevering van een japon of wat dan ook hoort af te rekenen.’
‘Doet ze dat dan niet?’ vroeg Renske verbaasd.
Dineke schudde het hoofd en vertelde: ‘Ik krijg mijn geld op den duur wel, maar ik moet er eerst om vragen. Och kind, nergens heb ik meer hekel aan dan te moeten vragen om geld waarop je gewoon recht hebt. Maar ik ken haar, ze doet het expres! Op deze manier wil ze laten zien dat zij de meerdere is en dat ik maar bij het volk hoor waar zij ver boven staat. Ze is een rijke polderboerin en dat wil ze weten. Ze vindt het kennelijk leuk als ik aan de deur kom en er haar voorzichtig op attendeer dat ze nog bij me in het krijt staat. Mensenkinderen, wat heb ik daar een gruwelijke hekel aan. Eerst dat hele eind naar de polder fietsen en dan als een schooier aan de zijdeur van die hoeve staan. En dan is het nog maar afwachten of ze niet zegt: ‘Ik kom het eerdaags wel even langs brengen.’ Dat duurt dan weer een week of wat. De voorlaatste keer zei ze neerbuigend: ‘Zit je zo om geld verlegen, vrouw Diekman, dat je ervoor naar de polder toekomt?’ Ik heb toen maar in haar gezicht gezegd zoals het was: ‘Ja mevrouw, en ik heb verlet als ik het moet komen halen.”
‘Boeren,’ vond Renske, ‘ze zijn een soort apart!’
‘Niet allemaal,’ weerlegde Dineke die uitspraak, ‘want als je nou boer Van Delden neemt, bij wie Anno diende, diens vrouw is net andersom. Ook voor haar naai ik geregeld iets en als het klaar is, staat zij onmiddellijk met haar beurs klaar. En hoe vaak die me wat extra’s toestopt! Dan tien eieren of een mandje met appels en laatst gaf ze me een tientje extra! Mensen zijn verschillend van aard, dat geldt ook voor boeren. Maar ik ben het met je eens als je bedoelt dat de boeren, bij ons op het hogeland, nou eenmaal niet erg hoog aangeschreven staan. Daar hebben sommigen het zelf naar gemaakt, maar anderen die niet zo zijn, worden met hen vaak over één kam geschoren. Heb jij vandaag nog wat leuks beleefd?’ Al pratende ging Dineke over op een ander onderwerp.
Renske dacht even na en zei dan: ‘Ach, in de winkel is het eigenlijk iedere dag hetzelfde. De mensen komen om hun boodschappen, maken een praatje en gaan weer. Tussendoor is het vakken bijvullen en bestellingen klaarmaken en rondbrengen. Ja, dat laatste doet de baas zelf natuurlijk. Die moppert trouwens ook vaak genoeg op de polderboerinnen die hem zonder een spier te vertrekken, terug laten komen voor een pond suiker of een pakje boter. En inderdaad, het zijn steeds dezelfden die dat durven doen. Je moet ermee leren leven of het hogeland verlaten.’ Bij die laatste woorden lachte ze.
‘Zou je dat willen, hier weggaan?’
‘Och, als je het ergens anders beter kan krijgen? Ik geloof niet dat ik hier nu echt vastgebakken zit. Voor mij zal dat punt trouwens wel nooit aan de orde komen, maar weet je wat ik vandaag in de winkel hoorde? Dat Hilbrand Haan plannen heeft om te emigreren.’
‘Zal wel!’ zei Dineke verrast.
‘Ik weet niet of het waar is, hoor, maar het wordt gezegd. Dan zal Hilbrand het hogeland dus wel achter zich laten. Weet je eigenlijk wel dat ik een poosje verkering met hem heb gehad?’ vroeg Renske lachend. Toen Dineke haar vragend aankeek, vertelde ze: ‘Het stelde niks voor, hoor! Ik was een jaar of veertien, Hilbrand al achttien. Mijn ouders waren er dan ook fel op tegen dat ik er zo vroeg bij was. Maar daarom heb ik het niet uitgemaakt. lk vond er gewoon nog niks aan om met een jongen te lopen. Ik was ook nog zo’n snotaap, moet je rekenen. Zoals ik al zei, het stelde niks voor. Hilbrand heeft me, welgeteld, drie keer thuisgebracht.’
‘Dat was toen jullie allebei nog groentjes waren, maar nu zijn jullie lotgenoten,’ zei Dineke nadenkend.
Renske die wist waarop de ander doelde, zei: ‘Wil je wel geloven dat ik me een ongeluk schrok toen het in het dorp bekend werd dat het uit was tussen Hilbrand Haan en Wopkje Tuitman? Ik had met hem te doen, want ik weet wat zoiets zeggen wil…’
‘Ik snap Wopkje niet,’ zei Dineke. ‘Ze waren dan wel niet verloofd, maar ze liepen toch al zo’n anderhalf jaar met elkaar. Dan weet je onderhand toch wat je aan mekaar hebt? En Hilbrand is een serieuze, hardwerkende vent, niks op aan te merken toch?’
‘Naar wat ik in de winkel heb gehoord,’ zei Renske, ‘moet Wopkje tegenwoordig in de stad wonen bij een weduwnaar met drie kinderen. Dat ze dat zo vlug allemaal al aandurft, hè, want hoe lang is het nu uit tussen Hilbrand en haar? Iets langer dan een maand?’
‘Intussen weet Hilbrand dus ook al wat hij wil,’ zei Dineke. ‘Het dorp verlaten en ginder ergens helemaal opnieuw beginnen. Misschien is dat ook maar het beste voor hem. Ik denk dat hij naar Canada gaat.’ Renske schoot in de lach. ‘Hoe kan jij dat nou weten?’
‘Dat weet ik niet, dat denk ik. Omdat Hilbrands oom Wiebe, de oudste broer van zijn vader, jaren geleden als een jongen van goed twintig daarheen is vertrokken. Hij is er getrouwd en heeft inmiddels al volwassen kinderen. Het lijkt me voor de hand liggend dat Hilbrand niet op de bonnefooi ergens heen trekt, maar naar familie gaat.’
‘Dat zou mogelijk zijn,’ vond Renske. ‘Bij gelegenheid zal ik het hem eens vragen.’
‘Heb je dan contact met hem?’
‘Wat heet contact? Op een klein dorp als het onze kom je mekaar gewoon weleens tegen. Dan groet je in het voorbijgaan of, als dat zo uitkomt, maak je een praatje. Nou moet ik zeggen dat ik Hilbrand de laatste tijd minder vaak zie. Ach, hoe gaat dat, je hebt overdag allemaal je werk en ’s avonds zit je binnen. Zeker zoals nu, in de herfst.’
‘Zie jij niks in Hilbrand?’ vroeg Dineke plompverloren.
Renske schrok niet alleen, ze viel uit: ‘Vrouw Diekman… ik bedoel, Dineke, hoe kóm je erbij!’
‘Nou, gewoon, ik vind dat jullie eigenlijk wel bij elkaar passen. Ik denk niet dat een jongen als Hilbrand Haan een meisje zou bedriegen…’
‘Daar lijkt hij mij ook de man niet naar, maar toch… je weet het maar nooit,’ zei Renske en ze dacht aan Anno van wie ze iets dergelijks ook nooit had verwacht. Ze zuchtte onhoorbaar diep voordat ze Dineke aankeek en zei: ‘Zou jij het kunnen verdragen, kunnen aanzien dat ik het met een ander weer probeerde?’
Over die vraag hoefde Dineke geen seconde na te denken. Ze zei even rap als overtuigend en uit de volheid van haar hart: ‘Ik zou niets liever willen! Ik gun Anno het geluk, maar jou niet minder. Na alles wat er is voorgevallen misschien wel meer! Ik zou het vreselijk vinden als jij alleen bleef doordat je je vastklampte aan een verloren gegane liefde. Je bent nog zo jong, doe dat alsjeblieft niet. Dat verdient Anno niet aan je.’
‘Dat ben ik heel niet bewust van plan,’ zei Renske zacht, ‘maar toch, hij? Het zal zo anders zijn bij een ander. Ik kende Anno, de goede kanten aan hem en zijn tekortkomingen. Het was allemaal zo eigen, zo vertrouwd. Helemaal opnieuw beginnen als je, zoals ik, al vierentwintig bent, lijkt me bar moeilijk,’ besloot ze met weer een zucht. Dineke lachte en zei: ‘Ach, ga toch weg, jij! Met vierentwintig jaar kom je pas goed en wel kijken.’
‘Dat zeg je nu wel,’ zei Renske ernstig, ‘maar het is wel zo dat de meesten van mijn leeftijd verkering hebben of al getrouwd zijn. Door die jaren met Anno samen ben ik vrienden en vriendinnen kwijtgeraakt. Dat ís gewoon zo. Na zo’n lange periode kom je min of meer alleen te staan.’
‘Ik heb daar nooit zo’n weet van gehad, maar ja, ik had Anno altijd om me heen en dicht bij me,’ zei Dineke in gedachten hardop. Ze keek Renske aan toen ze vervolgde: ‘Ik was zeventien toen ik hem kreeg en achteraf denk ik weleens dat ik hem als een soort speelpop beschouwde. Toch heb ik hem nooit verwend, ik was enkel heel zuinig op hem. Ik gaf hem mijn liefde en zorg en ik kreeg hetzelfde van hem terug. Dat is nu een stuk minder geworden…!’
‘Dat vind ik toch zo triest voor je,’ zei Renske warm gemeend. ‘Ik geloof dat ik dat nog erger vind dan dat het tussen hem en mij niets is geworden.’
Dinekes ogen werden verdacht vochtig. Toch zei ze dapper: ‘Praten over de dingen die voorbij zijn gegaan, doet wel goed, maar lost niets op. We kunnen beter verwachtingsvol uitkijken naar de dingen die ongetwijfeld nog zullen komen.’ Ze hief haar blik veelzeggend omhoog toen ze besloot: ‘We worden immers allemaal gestuurd en geleid door Iemand die dwars door alles heen altijd het allerbeste met ons, mensenkinderen, voorheeft.’
Renske knikte, ernstig en een beetje ontroerd, voordat ze zacht zei: ‘Ik weet niet hoe mijn leven er ooit nog eens zal uitzien. Misschien blijf ik wel, net als jij, altijd alleen. Mocht dat zo zijn, dan hoop ik te worden zoals jij, zo moedig, zo vol vertrouwen.’
‘Dat is anders helemaal geen eigen verdienste,’ vond Dineke Diekman. ‘Zo word je vanzelf als je die nooit aflatende hulp van Boven voelt.’
Zo te kunnen leven, dacht Renske met bewondering en onder de indruk, dat is inderdaad een gave die je mee moet krijgen. Ze gunde Dineke dit mooie, zonder te weten hoe snel haar eigen kansen zouden keren.