·64·
De Boeing 767 beschikte over opgevoerde motoren en andere aanpassingen die vereist waren voor lange oceaanvluchten. Het grote straalvliegtuig maakte een schuine bocht naar links en bereikte het vasteland van de Verenigde Staten, vloog over Norfolk, Virginia en bleef gestaag dalen terwijl het zijn bestemming steeds dichter naderde. De 767 maakte geen deel uit van de vloot van welke Amerikaanse of buitenlandse commerciële luchtvaartmaatschappij dan ook, was niet het eigendom van een bedrijf of individu en werd al evenmin in bedrijf gehouden door de Amerikaanse strijdkrachten. Als een dergelijk toestel recht boven een van de belangrijkste militaire installaties van de Verenigde Staten het Amerikaanse luchtruim binnendrong, zouden er vanaf Norfolk onder normale omstandigheden onmiddellijk straaljagers zijn opgestegen om het te onderscheppen. Nu gingen er echter geen sirenes, en waren er geen piloten die snel naar hun toestel renden, want dit vliegtuig had op het hoogste niveau toestemming gekregen om koers te zetten naar welke bestemming in de Verenigde Staten dan ook. De 767 vervolgde zijn vlucht, net zoals het toestel dat de afgelopen twee jaar elke zaterdag om deze tijd had gedaan. Binnen dertig minuten zouden de piloten het landingsgestel laten zakken en de vleugelkleppen instellen voor een landing op een lange strook beton die voor honderd procent was betaald door de Amerikaanse belastingbetaler, maar die vrijwel geen enkele Amerikaanse staatsburger ooit zou mogen betreden.
Sean had het einde van de tunnel bereikt en luisterde aandachtig of hij aan de andere kant van het nog geen vijftien centimeter van hun hoofd verwijderde tunneldak ook maar enig geluid hoorde. Ze waren er zojuist in geslaagd om onder een van de strengst beveiligde stukken grond in heel Amerika door te kruipen, want hoe geavanceerd al die beveiligingsmaatregelen ook mochten zijn, omdat niemand de moeite had genomen om een werkelijk grondig onderzoek in te stellen naar de geschiedenis van deze plek, hadden ze geen enkel effect gehad. Het vormde een lesje voor hen allemaal, dacht Sean. Als deze tunnel uit de Tweede Wereldoorlog er niet was geweest, zouden ze er niet in geslaagd zijn om zo ver op het terrein door te dringen. Dan waren ze hoogstwaarschijnlijk al dood geweest.
Ze zetten hun handen tegen het plafond en zetten kracht, terwijl ze tegelijkertijd al hun spieren spanden om ervandoor te gaan zodra ook maar enig geluid de aanwezigheid van andere mensen zou verraden. Het bleef echter stil. Ze duwden het luik in het tunneldak opzij en nadat ze een kelder binnen waren geklommen, schenen ze met hun zaklantaarn om zich heen. De wanden hier waren van baksteen, en er hing een kille en klamme kelderlucht.
‘Het is net of we terug zijn gegaan in de tijd,’ zei Michelle met gedempte stem terwijl ze om zich heen keek naar de oude baksteen, de half verrotte stutbalken en de gedeeltelijk onverharde vloer.
‘Welkom in Porto Bello,’ zei Sean. ‘Het jachthuis van die akelige gouverneur des konings, lord Dunmore.’ In een hoek van de ruimte waren bakstenen losgekomen uit de muur, zodat ze nu op de vloer lagen.
‘Dat is niet erg geruststellend,’ zei Michelle terwijl ze naar het slordige stapeltje bakstenen keek. ‘Het dak kan elk ogenblik instorten.’
Sean raapte een van de bakstenen op en keek er eens naar. ‘Ik denk niet dat onderhoud van historische monumenten hoog op het prioriteitenlijstje van de mensen hier staat. Maar dit huis heeft het inmiddels al tweehonderd jaar uitgehouden, dus waarschijnlijk blijft het nu ook nog wel een uurtje staan.’
Sean legde de baksteen neer en liet zijn zaklantaarn over de vloer schijnen. In het onverharde gedeelte daarvan was een enkele reeks voetafdrukken zichtbaar. ‘Die zijn van Monk Turing,’ zei hij. ‘Dat hoop ik tenminste.’
‘Maar wat had hij hier in vredesnaam te zoeken?’
‘Misschien niets. Misschien was dit gewoon zijn manier om ons te laten weten waar de tunnel ophield.’
‘Dat verklaart nog steeds niet waarom hij hier nu eigenlijk naartoe is gekomen. Meneer Freeman zei dat het verhaal ging dat Dunmore hier een hoop goud en juwelen had achtergelaten.’
‘Dat is een verhaal dat hij zelf niet gelooft,’ merkte Sean op.
‘Maar als Monk niets heeft gevonden, waarom zou hij dan via Viggie aanwijzingen hebben achtergelaten? Waarom zou dat hem ook maar iets uitmaken als hier geen schat te vinden valt?’
‘Misschien heeft hij die schat wel gevonden,’ zei Sean.
‘Maar waar is die dan?’
‘We hebben het huis nog niet doorzocht.’
‘Viggie is belangrijker dan de een of andere schat.’
‘Misschien vinden we ze wel op dezelfde plek.’ Hij keek op zijn horloge. ‘We moeten opschieten. Het duurt niet lang meer voordat het vliegtuig landt.’
Nadat ze in de kelder hadden rondgekeken, liepen ze naar boven. Verrassend genoeg was het huis helemaal niet zo groot. Zelfs gouverneurs des konings, dacht Sean, hadden als het om jachthuizen ging waarschijnlijk niet over een onbeperkt budget beschikt. Op de benedenverdieping was geen enkel meubelstuk te vinden. Maar toch zagen ze hier en daar nog iets van vroeger, zoals het houtwerk, de rijkelijk van ornamenten voorziene schoorsteenmantel en het wapenschild van de Britse kroon dat boven de voordeur was aangebracht. Doordat het allemaal zo verwaarloosd was, was het heel wat minder indrukwekkend dan het ooit geweest moest zijn, maar toch was de uitwerking ervan voldoende om hen met iets van verbazing en bewondering om zich heen te laten kijken terwijl ze over een houten vloer liepen die daar al gelegen had toen Washington, Jefferson en Adams voor de Amerikaanse onafhankelijkheid streden.
Terwijl Sean in de schoorsteenmantel tuurde van wat kennelijk de huiskamer was geweest, keek Michelle snel even zijn kant uit. ‘Ik heb het gevoel dat we ons in het huis van de vijand bevinden,’ zei ze, en ze wees naar een verschoten muurschildering op een van de wanden, waarop een ruiter te zien viel, misschien wel zijne excellentie lord Dunmore zelf, terwijl hij genoot van een vossenjacht met zijn trouwe honden.
Sean keek waar ze naar wees. ‘We bevinden ons hier inderdaad in het huis van de vijand, maar jammer genoeg zijn dat niet de Britten, maar onze eigen landgenoten. Die zullen bepaald niet blij zijn als ze ons hier aantreffen.’
Het was duidelijk dat dit vervallen huis niet in gebruik was bij de mensen van Camp Peary. En zodra ze door een van de gebarsten glas-in-loodramen naar buiten keken, zagen ze waarom. Van hieruit waren in de wijde omtrek geen andere gebouwen te bekennen. Op de kaart viel echter te zien dat Queens Lake zich ten westen van het huis bevond, en Newquarter Park ten oosten daarvan. Queens Lake was vermoedelijk een verzameling woon- of kantoorgebouwen, waar een aantal korte wegen doorheen liep; zo zag het er op de kaart in elk geval uit. Niet ver van het huis moest zich volgens de kaart ook een zijstroompje van de York bevinden.
Sean wees ernaar. ‘De inham van de rivier,’ zei hij. Henreich Fuchs en zijn medegevangenen hadden bij het graven van hun tunnel duidelijk de contouren van dit stroompje gevolgd, op grond van het gerechtvaardigde vermoeden dat dat naar de rivier zou leiden, en dus naar de vrijheid.
Voor het plan van Sean en Michelle was dit stroompje van doorslaggevend belang, want de eerste bocht daarvan bevond zich heel dicht bij het einde van de landingsbaan.
Nadat ze het huis hadden doorzocht om er zeker van te zijn dat Viggie hier niet werd vastgehouden, liepen ze naar buiten en slopen naar het water toe. Sean keek achterom naar het donkere huis. Het bevond zich op een vlak stuk land en er stonden twee grote bomen voor. In het bovenste deel van het schuine dak bevond zich een rij puntig toelopende vensters en midden op het dak zag hij een enkele schoorsteen. Het huis was vrijwel geheel uit baksteen opgetrokken, op een kleine, vervaarlijk uit het lood hangende houten veranda na. Naast de voordeur stond een half afgebrokkelde paal van baksteen en gietijzer die ooit bedoeld moest zijn geweest om paarden aan vast te binden.
Een minuut later hadden ze zich in het stroompje laten zakken en zwommen ze naar het oosten, zodat ze nu in omgekeerde richting de route aflegden waarover ze door de tunnel hierheen waren gekomen. Tot nu toe hadden ze geen spoor van andere mensen gezien, maar ze beseften allebei dat dat elk ogenblik kon veranderen. De eerste de beste die ze zouden tegenkomen, zou waarschijnlijk een vuurwapen hebben en hen maar al te graag willen vermoorden.