ZOON VAN HET WITTE DOEK
EEN: TRAILER
Barberio voelde zich prima, ondanks de kogel. Hij voelde weliswaar een steek in zijn borst als hij te diep ademhaalde, en de wond in zijn dijbeen zag er ook niet al te smakelijk uit, maar hij was al eerder lek geschoten en was er toen glimlachend bovenop gekomen. Hij was tenminste vrij, dat was het voornaamste. Niemand, maar dan ook niemand zou hem ooit weer opsluiten. Hij zou zich nog liever van kant maken dan weer achter slot en grendel te gaan. Als hij pech had en in het nauw gedreven werd, zou hij de revolver in zijn mond steken en een kogel door zijn kop jagen. Het zou ze niet weer lukken hem levend de cel in te slepen.
Het leven duurde veel te lang als je opgesloten zat en de seconden moest tellen. Hij had er maar een paar maanden over gedaan om die les te leren. Het leven was lang, eentonig en slopend, en als je niet oppaste zou je nog gaan denken dat je beter dood kon zijn dan verder te moeten leven in die rioolput waar ze je in geduwd hadden. Dat je je beter aan je riem kon verhangen in het holst van de nacht dan wéér vierentwintig uur verveling in de ogen te moeten zien, ofwel zesentachtigduizend en vierhonderd seconden.
Dus zocht hij het in de ontsnapping.
Om te beginnen kocht hij een revolver op de zwarte markt in de nor.
Het kostte hem zijn hele bezit plus een aantal schuldbekentenissen die hij buiten zou moeten aflossen, als hij in leven wilde blijven. Toen deed hij wat het meest voor de hand lag: hij klom over de muur. En de god die waakte over de bankovervallers waakte die nacht ook over hem, want verdomd als het niet waar was, hij vloog als een speer die muur over zonder dat er een haan naar kraaide.
En de politie? Die had vanaf zondag de zaak volkomen verziekt, zocht hem op verkeerde plaatsen, arresteerde zijn broer en schoonzus onder de verdenking dat ze hem hadden verstopt, terwijl ze niet eens wisten dat hij was ontsnapt; ze vaardigden een opsporingsbevel uit met een signalement van vóór zijn gevangenschap, toen hij tien kilo zwaarder was geweest dan hij nu was. Dat had hij allemaal van Geraldine gehoord, een vrouw met wie hij in de goeie ouwe tijd nog een verhouding had, die zijn been had verbonden en hem een fles drank had gegeven, die nu bijna leeg was. Hij had de drank en de sympathie aanvaard en had zijn weg vervolgd, vertrouwend op de legendarische ongerijmdheid van de wet en op de god die hem nog steeds niet in de steek had gelaten.
Sing-sing noemde hij die god, die hij zich voorstelde als een dikke kerel met een grijns van oor tot oor, een grote salami in de ene hand en een kop zwarte koffie in de andere. In Barberio’s verbeelding rook Sing-sing als een volle maag in mama’s huis, in de tijd dat mama nog goed bij haar verstand was en hij haar grote trots.
Jammer genoeg had Sing-sing nét even de andere kant op gekeken toen de enige scherpziende agent van de hele stad Barberio had zien staan pissen in een steeg en hem had herkend van dat verouderde opsporingsbevel. Een jonge knul, niet veel ouder dan vijfentwintig, vastbesloten de held uit te hangen. Hij was te stom om zijn les te leren uit Barberio’s waarschuwingsschot. In plaats van dekking te zoeken en Barberio te laten gaan, forceerde hij de zaak door recht op hem af te komen in die steeg. Barberio had geen keus. Hij vuurde.
De agent schoot terug. Sing-sing moest toen weer tussenbeide zijn gekomen, zodat de kogel die Barberio in het hart had moeten treffen in zijn been terechtkwam, en de kogel van Barberio de agent recht in de neus trof. Speurneus ging neer alsof hij zich zojuist een afspraak met de grond herinnerde, en weg was Barberio, vloekend, bloedend en doodsbang. Hij had nog nooit iemand neergeschoten, en nu was zijn eerste slachtoffer een agent. Wel een goed begin om een ambacht te leren.
Sing-sing was echter nog steeds bij hem. De kogel in zijn been was pijnlijk, maar dankzij de goede zorgen van Geraldine was het bloeden gestopt, en de drank had wonderen verricht voor de pijn. Hij was nu alweer een halve dag verder, moe maar levend, nadat hij de halve stad had doorkruist, waar zoveel wraakzuchtige politie op de been was dat het wel een optocht leek van gekken op het politiebal. Het enige dat hij nu nog van zijn beschermer verlangde was een plaats waar hij even tot rust kon komen. Niet voor lang, maar lang genoeg om op adem te komen en plannen te maken. Een paar uur slaap zou ook geen kwaad kunnen.
Jammer dat hij die maagpijn had, die knagende pijn diep vanbinnen, waar hij de laatste tijd steeds vaker last van had. Misschien dat hij straks als hij even gerust had ergens een telefoon tegenkwam. Dan zou hij Geraldine bellen en haar vragen een dokter zover te krijgen dat hij naar hem kwam kijken. Hij was van plan vóór middernacht de stad uit te zijn, maar dat leek op het ogenblik geen haalbare kaart. Ondanks het gevaar zou hij de nacht moeten doorbrengen in de stad, en ook nog het grootste deel van de volgende dag. Wanneer hij weer enigszins op krachten was en de kogel uit zijn been had laten verwijderen, zou hij de vlucht nemen naar buiten.
Jezus, die pijn vrat door zijn lichaam. Hij vermoedde dat het een maagzweer was, veroorzaakt door de troep die ze in de gevangenis voedsel noemen. Veel gevangenen daar hadden maag- en darmklachten. Het zou wel beter gaan na een paar dagen dieet van pizza’s en bier, dat wist hij wel zeker. Het woord ‘kanker’ kwam niet voor in Barberio’s vocabulaire. Hij dacht geen moment aan een dodelijke ziekte, vooral niet in verband met zichzelf. Dat zou net zoiets zijn als een rund dat op weg naar het slachthuis liep te tobben over een ingegroeide hoef. Een man met zijn beroep, omringd door dodelijk gereedschap, verwacht niet te creperen aan een kwaadaardig gezwel in zijn buik. Maar dat was wel degelijk de oorsprong van de pijn.
Op een open plek achter de bioscoop Palace had vroeger een restaurant gestaan, maar dat was drie jaar geleden tot op de grond toe afgebrand en sindsdien had geen mens meer naar de plaats omgekeken.
Ooit was de buurt heel levendig geweest, maar dat was in de jaren zestig, begin jaren zeventig. Meer dan tien jaar lang was het een bloeiende uitgaansbuurt met restaurants, cafés en bioscopen. Toen kwam de onvermijdelijke neergang. Steeds minder mensen kwamen deze kant op om hun geld te spenderen; er kwamen nieuwe gelegenheden waar je gezien moest worden, nieuwe kroegen. Eerst sloten de cafés, daarna de restaurants. Alleen Palace bleef overeind als een gedenkteken aan onschuldiger dagen in een buurt die met het jaar havelozer en gevaarlijker werd.
De jungle van de winde, distels en rottend hout die op de lege plek woekerde was precies wat Barberio zocht. Zijn been veroorzaakte last, hij strompelde van louter vermoeidheid en de pijn in zijn maag werd erger.
Hij had dringend behoefte aan een plek om zijn klamme hoofd neer te leggen. Dan de rest van de drank opmaken en denken aan Geraldine.
Het was halftwee in de ochtend; de plek was een ontmoetingsplaats voor katten. Ze namen geschrokken de benen door het manshoge onkruid toen hij een paar latten opzij schoof en zich terugtrok in de schaduw. Zijn schuilhoek stonk naar pis, zowel van mens als van kat, naar afval en een oude brandlucht, maar voor hem was het een heiligdom.
Steun zoekend tegen de muur van de bioscoop leunde Barberio op een arm en kotste drank en maagzuur uit. Iets verderop hadden kinderen tegen de muur aan een hut gebouwd van balken, zwart geblakerde planken en golfplaat. Ideaal, dacht hij, een heiligdom binnen een heiligdom. Sing-sing glimlachte naar hem, met zijn vette konen. Enigszins kreunend – hij had vannacht wel erg veel last van zijn maag – liep hij slingerend langs de muur naar de aangebouwde hut en dook naar binnen.
Iemand had hier al eens geslapen; hij voelde vochtige lappen onder zijn hand toen hij ging zitten, en een fles rolde tegen een steen ergens aan zijn linkerkant. Er hing vlak bij hem een geur waar hij niet te veel over wilde nadenken, een soort rioollucht vlak voor een regenbui. Al met al was het nogal pover, maar het was veiliger dan op straat. Hij ging met zijn rug tegen de muur van de bioscoop zitten en blies zijn angsten uit in een lange diepe zucht.
Niet meer dan een blok, misschien een half blok verderop, loeide de sirene van de politiewagen als het gekrijs van een baby in de nacht, en zijn pasverworven gevoel van veiligheid verliet hem op slag. Ze wilden hem omsingelen en dan vermoorden, verdomd als het niet waar was. Ze hadden hem om de tuin geleid, hem in de waan gelaten dat hij het gered had, terwijl ze hem als haaien op de hielen zaten, glad en geluidloos, tot hij te moe was om nog weerstand te bieden. Jezus, hij had een agent vermoord – wat zouden ze wel niet met hem doen als ze hem te pakken kregen? Ze zouden hem beestachtig vermoorden!
Oké, Sing-sing, wat nu? Kijk niet zo verbaasd en help me.
Even gebeurde er niets. Toen zag hij de god glimlachen, en als bij toeval voelde hij de scharnieren in zijn rug. Verdomd! Een deur. Hij leunde tegen een deur.
Kreunend van pijn draaide hij zich om en liet zijn vingers over het ontsnappingsluik achter zijn rug glijden. Zo te voelen was het een klein ventilatierooster, niet meer dan een kleine meter in het vierkant. Misschien leidde het naar een kruipruimte of misschien naar een of andere keuken – wat kon het verdommen? Het was binnen veiliger dan buiten; dat was de eerste les die er bij iedere pasgeborene ingehamerd werd.
De sirene jankte door en bezorgde hem kippenvel. Wat een rotgeluid.
Zijn hart begon te hameren als hij het hoorde.
Zijn dikke vingers zochten de zijkant van het rooster af naar een slot, en kijk eens eventjes: er zat een hangslot aan, even roestig als de rest van het rooster.
Kom op, Sing-sing, bad hij, nog één laatste gunst; laat me erin en ik zweer dat ik voor altijd de jouwe zal zijn.
Hij trok aan het slot, maar verdomme: het was niet van plan zich gemakkelijk gewonnen te geven. Het was ofwel steviger dan het aanvoelde, ofwel hij was zwakker. Misschien een beetje van allebei. De auto kwam met de seconde dichterbij. Het gejank overstemde het geluid van zijn eigen paniekerige ademhaling.
Hij haalde de revolver waarmee hij de smeris gedood had uit zijn jaszak om hem te gebruiken als een stompe koevoet. Als hefboom had hij niet veel aan het ding; het was te kort, maar met een paar flinke rukken lukte het toch. Het slot schoot los en een wolk roestvlokken dwarrelde in zijn gezicht. Hij kon nog net een triomfkreet inslikken.
Nu nog het rooster openmaken, weg zien te komen uit deze erbarmelijke wereld, het veilige donker in.
Hij haakte zijn vingers achter het raamwerk en trok. Pijn, een golf pijn die vanuit zijn maag via zijn ingewanden naar zijn been trok, maakte hem duizelig. ‘Open, rotding,’ zei hij tegen het rooster. ‘Sesam, open u.’
De deur gaf zich gewonnen. Hij ging plotseling open en ruggelings kwam Barberio op de smerige vodden terecht. Binnen de kortste keren was hij weer overeind, turend in het duister in de duisternis die het binnenste van de bioscoop was. Laat die smerissen maar komen, dacht hij uitgelaten, ik heb mijn eigen plekkie om me warm te houden. In het schuilhok rook het alsof hij er al een hele tijd had liggen pruttelen.
Hij had kramp in zijn been gekregen en het deed verdomde zeer toen hij zich door de deur sleepte in het diepe zwart erachter. Ondertussen hoorde hij de sirene vlakbij de hoek omgaan. Het gejank verstomde. Hoorde hij daar niet het geluid van wetsgetrouwe voeten op de stoep?
Hij draaide zich onhandig om in het duister, zijn been een dood gewicht, zijn voet voor zijn gevoel zo groot als een watermeloen, en trok de deur achter zich dicht. Het was alsof hij een brug ophaalde terwijl de vijand nog aan de andere kant van de slotgracht stond. Op de een of andere manier deed het er niet toe dat zij de deur even gemakkelijk konden openen als hij en naar binnen konden stappen. Als een kind was hij ervan overtuigd dat het onmogelijk was hem hier te vinden. Zolang hij zijn achtervolgers niet kon zien, konden ze hem ook niet zien. Als de agenten al bij hem in de buurt waren geweest, hij had ze in elk geval niet gehoord.
Misschien had hij zich vergist, misschien zaten ze de een of andere arme sloeber achterna, en niet hem. Het deed er verder niet toe. Hij had tenminste een plekje gevonden om even op adem te komen, en dat was uit de kunst. Eigenaardig, de lucht was hier eigenlijk helemaal niet zo slecht.
De lucht in zijn schuilhol was niet de stilstaande lucht van een kruipruimte of een vliering. Het was ook geen frisse lucht, want hij was wel bedompt en oud, maar desondanks zat er leven in. De lucht zong in zijn oren en deed zijn huid tintelen als een koude douche, kroop door zijn neus naar boven en gaf hem de meest vreemde beelden in. Het was alsof hij high was, zo goed voelde hij zich. Zijn been deed geen pijn meer, en als het wel zo was, werd hij te zeer afgeleid door de beelden in zijn hoofd om nog iets te voelen. Hij liep bijna over de beelden en voorstellingen: dansende meisjes en zoenende stelletjes, afscheid op een station, oude donkere huizen, komieken, cowboys, onderwateravonturen – taferelen die hij nog in geen miljoen jaren zou beleven, maar die hem nu onverhoeds overvielen, werkelijk en onontkoombaar. Hij wilde huilen bij het afscheid, maar tegelijkertijd wilde hij lachen om de komieken, maar vervolgens moest hij zijn aandacht weer wijden aan de meisjes en de cowboys aanmoedigen.
Wat was dit voor plek? Hij probeerde door de verleidelijke beelden heen te turen. Hij bevond zich in een ruimte die niet breder was dan een meter twintig maar heel hoog was, en werd verlicht door het flikkerende licht dat door de kieren van de binnenmuur naar binnen scheen. Barberio was te verward om de oorsprong van het licht te herkennen en zijn gonzende oren begrepen niets van de dialoog op het doek aan de andere kant van de muur. Het was Satyricon, de tweede van de twee Fellini-films die de Palace die zaterdag vertoonde in de nachtvoorstelling. Barberio had de film nog nooit gezien, had zelfs nog nooit van Fellini gehoord. Hij zou ervan gewalgd hebben – flikkerfilm, Italiaanse troep.
Hij hield van onderwateravonturen, oorlogsfilms. En van danseressen.
Alles waar danseressen in voorkwamen.
Eigenaardig: hoewel hij alleen was in zijn schuilplaats, had hij de vreemde gewaarwording dat er naar hem gekeken werd. Door de caleidoscoop van beelden die voorbijtrokken aan de binnenkant van zijn schedel voelde hij ogen – niet een paar, maar duizenden – die naar hem keken. Het was nou ook weer niet zo’n rotgevoel dat je behoefte kreeg aan een borrel, maar ze waren er voortdurend en staarden hem aan alsof hij het waard was aangekeken te worden. Soms lachten ze, soms huilden ze, maar het grootste deel van de tijd gaapten ze hem hongerig aan.
De kwestie was dat hij nu niets tegen ze kon beginnen. Zijn ledematen hadden de geest gegeven; zijn handen en voeten voelde hij niet meer. Hij wist niet – en dat was waarschijnlijk maar beter ook – dat hij zijn wond had opengetrokken toen hij de schuilplaats binnenkroop en dat hij nu doodbloedde.
Om tien voor drie in de ochtend, terwijl Fellini’s Satyricon dubbelzinnig ten einde liep, stierf Barberio in de ruimte tussen de buitenmuur van de bioscoop en de achterwand van de bioscoopzaal.
Palace was vroeger een gebouw van de missie geweest, en als hij naar boven had gekeken toen hij stierf, had hij misschien een glimp opgevangen van het naïeve fresco dat een schare engelen voorstelde en waar nog steeds iets van te zien was door de lagen vuil, zodat hij zijn eigen hemelvaart had kunnen vermoeden. Maar hij stierf terwijl hij naar de dansmeisjes keek, en dat was wat hem betrof prima.
De valse muur waardoor het licht van de achterkant van het bioscoopdoek naar binnen viel, was opgetrokken als een tijdelijke scheidingswand om het fresco van de engelen aan het oog te onttrekken. Dat had eerbiediger geleken dan de engelen definitief over te schilderen, en bovendien verwachtte de man die de veranderingen had laten aanbrengen half en half dat de bioscoop vroeg of laat in moeilijkheden zou komen. In dat geval kon hij gewoon de muur weer afbreken om zijn brood te gaan verdienen met het aanbidden van God in plaats van Garbo.
Het was nooit gebeurd. Hoewel de tijden af en toe slecht waren, was de bioscoop blijven draaien. De ongelovige Thomas – hij heette Harry Cleveland – stierf en de ruimte werd vergeten. Geen mens wist meer dat hij bestond. Al had hij de hele stad overhoopgehaald, Barberio zou geen geheimere plaats hebben kunnen vinden om te creperen.
De ruimte had echter, evenals de lucht erbinnen, in die vijftig jaar een eigen leven geleid. Als een reservoir had de ruimte de elektriserende blikken van tienduizenden ogen opgeslagen. Een halve eeuw lang leefden bioscoopgangers via het witte doek verschillende levens en lieten hun sympathieën en hartstochten achter in die flikkerende verbeeldingswereld. De energie van hun emoties had al die tijd in de verborgen doorgang aan kracht gewonnen, als een vergeten cognac. Vroeg of laat moest die zich ontladen. Het enige dat nog ontbrak was een katalysator.
Tot de kanker van Barberio.
TWEE: DE HOOFDFILM
Nadat ze een minuut of twintig had rondgehangen in de krappe foyer, begon het meisje in de rood-geel bedrukte jurk duidelijk tekenen van onrust te vertonen. Het was bijna drie uur in de ochtend en de nachtvoorstelling was allang afgelopen.
Er waren acht maanden voorbijgegaan sinds Barberio’s dood achter in de bioscoop, acht maanden die niet bepaald florissant genoemd konden worden. Maar de dubbele nachtvoorstellingen op vrijdag en zaterdag hadden altijd volle zalen getrokken. Vannacht waren het twee Eastwoodfilms geweest: spaghetti westerns. Het meisje in de rood-gele jurk leek Birdy geen uitgesproken westernfan; het waren eigenlijk geen films voor vrouwen. Misschien dat ze meer voor Eastwood kwam dan voor het geweld, hoewel Birdy nooit had begrepen wat er nou aantrekkelijk was aan dat gezicht met die eeuwig dichtgeknepen ogen.
‘Kan ik je misschien helpen?’ vroeg Birdy.
Het meisje keek Birdy zenuwachtig aan.
‘Ik zit op mijn vriend te wachten,’ zei ze. ‘Dean.’
‘Ben je hem kwijtgeraakt?’
‘Hij ging na de film naar de wc en hij is nog steeds niet terug.’
‘Voelde hij zich misschien… eh… niet lekker?’
‘O nee,’ zei het meisje snel, want ze wilde haar vriendje beschermen tegen deze aanslag op zijn nuchterheid.
‘Ik vraag wel of iemand even naar hem gaat kijken,’ zei Birdy. Het was laat, ze was moe, en de speed begon uitgewerkt te raken. Ze had weinig zin om ook maar even langer dan nodig was in deze gore bioscoop te blijven en wilde naar huis, naar bed en slapen. Alleen maar slapen. Op haar vierendertigste had ze besloten dat ze geen behoefte meer had aan sex. Een bed was om te slapen, zeker voor dikke meisjes.
Ze duwde de zwaaideur open en stak haar hoofd om de hoek van de bioscoopzaal. Een doordringende geur van sigaretten, popcorn en mensen kwam haar tegemoet; het was hier minstens een paar graden warmer dan in de foyer.
‘Ricky?’
Ricky was achter in de zaal bezig de achteruitgang af te sluiten. ‘Die stank is helemaal weg,’ zei hij.
‘Gelukkig.’ Een paar maanden geleden had het enorm gestonken in de buurt van het filmdoek.
‘Er ligt iets doods in de ruimte hiernaast,’ zei hij.
‘Kun je me even helpen?’ riep ze terug.
‘Wat is er?’
Hij slenterde over de rode loper naar haar toe, sleutels rinkelend aan zijn riem. De tekst op zijn T-shirt luidde ONLY THE YOUNG DIE GOOD.
‘Is er iets aan de hand?’ vroeg hij, en hij snoot zijn neus.
‘Er staat daar een meisje dat zegt dat ze haar vriend is kwijtgeraakt op de plee.’
Ricky keek verstoord.
‘Op de plee?’
‘Ja. Wil je even gaan kijken? Daar heb je toch geen bezwaar tegen?’
Ze zou om te beginnen die insinuerende toon eens voor zich moeten houden, dacht hij terwijl hij haar vals toelachte. Ze spraken nauwelijks nog tegen elkaar tegenwoordig. Te vaak samen high geweest – op de lange duur betekende dat de nekslag voor een vriendschap. Daar kwam nog bij dat Birdy een paar zeer onaardige – maar juiste – opmerkingen had gemaakt over zijn maten, waarvoor hij haar met gelijke munt had terugbetaald. Nu heerste er een ongemakkelijke wapenstilstand, die niet al te nauwkeurig in acht werd genomen.
Hij draaide zich om, liep het gangpad af en ging via rij E dwars door de zaal naar de plee, terwijl hij tegelijkertijd de stoelen inklapte. Ze hadden betere dagen gekend, die stoelen – ongeveer ten tijde van Now Voyager.
Nu zagen ze er volkomen afgeleefd uit en waren ze hoognodig aan een opknapbeurt toe, of aan algehele vernieuwing. Alleen al in rij E waren vier stoelen onherstelbaar vernield; nu telde hij een vijfde vernieling die er vóór vanavond nog niet was geweest. Een of andere halfgare gozer die zich dood had zitten vervelen tijdens de voorstelling, vanwege de film of vanwege zijn vriendin, en die te stoned was om te vertrekken. Er was een tijd geweest dat hij ook zulk soort dingen had gedaan en ze beschouwde als een onderdeel van de strijd tegen de kapitalisten die dit soort tenten runden. Er was een tijd geweest dat hij heel veel stomme dingen had uitgevreten.
Birdy zag hem de heren-wc’s in schieten. Daar krijgt hij een kick van, dacht ze sluw glimlachend, net een leuk klusje voor hem. En dan te bedenken dat ze vroeger – zes maanden geleden – nog op hem gegeild had, toen broodmagere mannen met neuzen als die van Durante en met een encyclopedische kennis van de films van De Niro haar ideaal waren geweest. Nu zag ze hoe hij werkelijk was: een drijvend stuk wrakhout. Nog steeds een pillenmaniak, een crypto-biseksueel, nog steeds verslingerd aan vroege Polanski-films en symbolisch pacifisme. Wat had hij eigenlijk voor dope in die kanis? Dezelfde als zij, moest ze bekennen, terwijl ze bedacht dat die schoft ondanks alles toch sexy was.
Ze wachtte nog even en hield de deur in de gaten. Toen hij niet meteen terugkwam, ging ze naar de foyer om te kijken hoe het meisje het maakte. Ze zat als een amateurtoneelspeelster die het maar niet onder de knie kan krijgen een sigaret te roken, en leunde tegen de balustrade, haar rok opgetrokken terwijl ze aan haar been krabde.
‘Panty’s,’ lichtte ze toe.
‘De manager is Dean aan het zoeken.’
‘Dank je.’ Ze krabde door. ‘Ik krijg er uitslag van, ik ben er allergisch voor.’
Er zaten rode vlekken op haar mooie benen, waardoor het effect verloren ging.
‘Het komt doordat ik het warm heb en me zorgen maak,’ zei ze ongevraagd. ‘Dan krijg ik altijd last van allergie.’
‘O.’
‘Dean heeft waarschijnlijk de benen genomen toen ik even niet keek. Daar is hij toe in staat. Het interesseert hem geen bal. Het laat hem koud.’
Birdy zag dat het meisje weldra in tranen zou uitbarsten. Daar hield ze absoluut niet van. Geschreeuw, zelfs knokpartijen, deden haar niks, maar tranen – nee.
‘Het komt wel goed,’ was het enige dat ze kon zeggen om de tranen tegen te houden.
‘Nee, het komt niet goed,’ zei het meisje, ‘want hij is een rotzak. Hij behandelt iedereen als oud vuil.’ Ze drukte de half opgerookte sigaret uit met de punt van haar rode schoen, waarbij ze erop lette dat ze elk gloeiend draadje tabak uittrapte.
‘Mannen zijn kouwe kikkers, vind je niet?’ zei ze, terwijl ze Birdy met hartverscheurende oprechtheid aankeek. Onder haar perfecte make-up was ze misschien zeventien, beslist niet veel ouder. Haar mascara was een beetje doorgelopen en ze had kringen van vermoeidheid onder haar ogen.
‘Ja,’ antwoordde Birdy, die uit ervaring sprak. ‘Ja, dat is zo.’ Birdy bedacht met spijt dat zij er nooit zo aantrekkelijk uit zou zien als dit vroegrijpe meisje. Haar ogen waren te klein en haar armen te dik. (Wees nou eerlijk, je bent helemaal te dik.) Maar haar armen waren verreweg het ergst, dat wist ze zelf het best. Er waren mannen – en heel wat ook – die geilden op grote borsten of een flinke kont, maar voor zover zij wist, was er geen enkele man die van dikke armen hield. Ze moesten altijd de pols van hun vriendin met duim en wijsvinger kunnen omvatten, een primitieve manier om aan af te meten hoezeer ze bij elkaar hoorden. Haar polsen waren echter nauwelijks waarneembaar, moest ze zichzelf genadeloos toegeven; haar dikke handen gingen onmerkbaar over in haar dikke onderarmen, die mollig uitliepen in haar dikke bovenarmen. Mannen konden haar polsen niet omvatten omdat ze geen polsen had, en daardoor bleven ze op afstand. Dat was in elk geval een van de redenen. Ze was bovendien bijzonder bijdehand, en dat hielp ook niet mee als je de mannen aan je voeten wilde hebben. Maar haar dikke armen waren voor haar de meest aannemelijke reden voor het feit dat ze nooit succes had gehad in de liefde.
Dit meisje daarentegen had de slanke armen van een Balinese danseres en haar polsen leken dun en breekbaar als porselein.
Walgelijk eigenlijk. Ze kon waarschijnlijk ook geen normaal gesprek voeren. God, dat kind had alles mee.
‘Hoe heet je?’ vroeg ze.
‘Lindi Lee,’ antwoordde het meisje.
Hoe kon het ook anders.
Ricky dacht dat hij zich vergist had. ‘Dit kan de wc niet zijn,’ zei hij tegen zichzelf.
Het leek wel of hij zich bevond in de hoofdstraat van een stadje in het Westen, dat hij in minstens tweehonderd westerns had gezien. Er woedde een stofstorm, waardoor hij zijn ogen moest samenknijpen tegen het scherpe zand. Door de wervelende okergele lucht kon hij het bureau van de sheriff en de saloon onderscheiden. Ze bevonden zich op de plaats van de wc’s. Buitelkruid danste voorbij op de hete woestijnwind. De grond onder zijn voeten was aangestampt zand: geen tegel te zien die ook maar iets met een wc te maken had.
Ricky keek naar rechts, de straat in. Waar de achterwand van de wc had moeten zijn, verdween de straat in de richting van een geschilderde verte. Het was natuurlijk gezichtsbedrog. Als hij zich maar concentreerde, zou hij de illusie doorzien en ontdekken hoe het gedaan was; de projecties, de verborgen lichteffecten, de zwarte doeken, de miniaturen – alle bekende decorfoefjes. Maar hoewel hij zich zo goed en zo kwaad concentreerde als zijn enigszins highe toestand toeliet, lukte het hem niet greep te krijgen op de illusie.
De wind bleef waaien en het buitelkruid bleef buitelen. Ergens in de storm sloeg een schuurdeur open en dicht op de windvlagen. Hij kon zelfs paardenvijgen ruiken. Het effect was zo verdomd volmaakt dat hij ademloos was van bewondering.
Wie deze buitengewone creatie ook mocht hebben geschapen, hij had bewezen dat hij het kon. Ricky was diep onder de indruk. Maar nu was het tijd een eind te maken aan het spel.
Hij draaide zich naar de deur van de wc. Weg! Een muur van stof had hem weggevaagd, en plotseling voelde hij zich verloren en alleen.
De schuurdeur bleef slaan. Stemmen riepen in de aanwakkerende storm.
Waar waren de saloon en het bureau van de sheriff? Ze waren eveneens aan het oog onttrokken. Ricky had een ervaring die hij sinds zijn kindertijd niet meer had gehad: de paniek bij het kwijtraken van een beschermende hand. In dit geval het verlies van zijn verstand.
Ergens aan zijn linkerkant klonk in de diepte van de storm een schot. Hij hoorde iets in zijn oor fluiten, en voelde toen een scherpe pijn. Voorzichtig bracht hij zijn hand naar zijn oorlel en betastte de pijnlijke plek.
Een deel van zijn oor was weggeschoten, een keurige inkeping in zijn oorlel. Iemand had hem op een haar na gemist, of speelde een roekeloos spel.
‘Kun je niet uitkijken?’ riep hij bijna smekend de fictieve wereld in, en hij draaide op zijn hakken rond om te kijken of hij zijn belager kon ontdekken. Maar hij zag niets. Het stof had hem helemaal ingesloten, hij kon voor- noch achteruit. De man met de revolver zou weleens heel dichtbij kunnen zijn en wachtte misschien tot Ricky een stap in zijn richting zou doen.
‘Ik vind dit niet leuk,’ zei hij hardop, in de hoop dat de echte wereld hem op de een of andere manier zou horen en tussenbeide zou komen om zijn gehavende brein te redden. Hij doorzocht zijn broekzakken naar pillen – alles wat de situatie enigszins zou kunnen verbeteren –, maar hij zat volkomen zonder en had zelfs geen valiumpje in de naad van zijn zak.
Hij voelde zich naakt. Dat hij nou net op dit moment midden in een nachtmerrie van Zane Grey terecht moest komen.
Er weerklonk een tweede schot, maar deze keer hoorde hij geen gefluit.
Ricky wist zeker dat dit betekende dat hij was geraakt, maar omdat hij geen pijn voelde en geen bloed zag, was het hem niet helemaal duidelijk.
Toen hoorde hij het onmiskenbare geluid van een openklappende saloondeur en het gekreun van een menselijk wezen dichtbij. Heel even ontstond er een kier in de storm. Erdoorheen kon hij de saloon zien, en een jongeman die naar buiten strompelde en een geschilderde wereld van tafels, spiegels en gangsters achter zich liet. Voordat hij goed had kunnen kijken, werd de kier weer opgevuld met zand en twijfelde hij aan wat hij had gezien. Toen zag hij tot zijn grote schrik de jongeman naar wie hij op zoek was vlakbij. Zijn lippen waren al blauw van de dood en hij viel regelrecht in Ricky’s armen. Net zomin als Ricky was hij gekleed op een rol in de film. Zijn pilotenjack was in de stijl van de jaren vijftig, op zijn T-shirt stond de glimlachende smoel van Mickey Mouse.
Mickeys linkeroog was bloeddoorlopen. De kogel had feilloos het hart van de jongeman gevonden.
Hij gebruikte zijn laatste adem om te vragen: ‘Wat is hier in godsnaam aan de hand?’ Toen stierf hij.
Zoals de meeste laatste woorden waren ze niet erg verheven, maar kwamen ze wel van binnenuit.
Ricky staarde een ogenblik in het bevroren gezicht van de jongeman.
Toen werd het dode gewicht in zijn armen te zwaar en had hij geen andere keus dan hem te laten vallen. Terwijl het lichaam op de grond viel, leek het even of het stof veranderde in een bepiste tegelvloer. Daarna kreeg de illusie weer de overhand en de wind waaide, het buitelkruid buitelde, en hij stond midden in de hoofdstraat van Deadwood Gulch met een lijk aan zijn voeten.
Ricky voelde iets wat veel weg had van onthoudingsverschijnselen. Zijn ledematen begonnen een sint-vitusdans en hij moest ineens nodig pissen.
Nog even en hij zou het in zijn broek doen.
Ergens, dacht hij, ergens in deze waanzinnige wereld is een urinoir. Er is een met graffiti bekladde muur met telefoonnummers voor de sexmaniakken, met onder andere de tekst DIT IS GEEN ATOOMSCHUILKELDER op de tegels gekrabbeld, evenals een heleboel obscene tekeningen. Er zijn stortbakken en lege wc-papierhouders en kapotte brillen. Er hangt een armoedige lucht van pis en ouwe scheten. Vind die plaats! In godsnaam, vind de werkelijkheid voordat de illusie je blijvende schade toebrengt.
Als ik ervan uitga dat de saloon en het bureau van de sherrif de wc-ruimte zijn, is het urinoir achter me, redeneerde hij. Dus achteruit. Dat kan niet gevaarlijker zijn dan wanneer ik hier als een levende schietschijf midden op straat blijf staan.
Twee passen, twee voorzichtige passen en niets anders dan lucht. Maar bij de derde – wel, wel, wat hebben we hier? – voelde zijn hand het koude oppervlak van een tegel.
‘Hoera!’ riep hij. Het was het urinoir, en de aanraking voelde alsof hij goud vond in een vuilnisbak. Was dat niet de misselijkmakende lucht van desinfecterende middelen die uit de goot opsteeg? Ja, ja!
Nog steeds juichend ritste hij zijn gulp open en ontlastte zijn blaas, waarbij hij in de haast zijn voeten onderspatte. Het kon hem niks schelen, want hij had de illusie verslagen. Als hij zich zou omdraaien, zou de illusie opgelost zijn. De saloon, de dode jongen, de storm – alles zou verdwenen zijn. Het was een chemische reactie, slechte dope die in zijn bloed was achtergebleven en zijn verbeelding flink parten had gespeeld. Terwijl hij de laatste druppels op zijn blauwe suède schoenen schudde, hoorde hij de held van de film iets zeggen.
‘Wat sta je daar te pissen in mijn straat, knul?’
Het was de stem van John Wayne, perfect tot en met de laatste ingeslikte lettergreep, en hij klonk vlak achter hem. Ricky durfde er zelfs niet aan te denken zich om te draaien. Die kerel zou hem ongetwijfeld voor zijn raap schieten. Hij hoorde het aan de stem, een waarschuwende dreiging: ik sta klaar om te schieten, dus doe wat je moet doen. De cowboy was gewapend en het enige dat Ricky in zijn hand had was zijn lui, die geen partij was voor een revolver, zelfs niet als hij wat flinker geschapen was geweest.
Heel behoedzaam stopte hij zijn wapen terug en trok zijn rits dicht; toen stak hij zijn handen op. Voor hem was de golvende muur van de wc-ruimte weer verdwenen. De storm huilde. Het bloed uit zijn oor liep in zijn nek.
‘Oké jongen, ik wil dat je je holster afdoet en op de grond laat vallen. Heb je me gehoord?’ zei Wayne.
‘Ja.’
‘En kalm aan een beetje, en je handen laten zien.’
Die Wayne maakte geen geintje.
Kalm aan, zoals de man had gezegd, gespte Ricky zijn riem los en liet hem vallen. De sleutels zouden moeten rinkelen als ze op de tegels terechtkwamen; hij hoopte het vurig. Maar nee hoor. Er klonk slechts het doffe geluid van metaal op zand.
‘Oké,’ zei Wayne. ‘Je begint het te leren. Zeg maar eens wat je te vertellen hebt.’
‘Het spijt me,’ zei Ricky ellendig.
‘Spijt?’
‘Dat ik op straat piste.’
‘Ik vind niet dat spijt een voldoende strafmaatregel is,’ zei Wayne.
‘Maar ik meen het. Het was een vergissing.’
‘We beginnen hier zo langzamerhand genoeg te krijgen van vreemdelingen zoals jij. Net trof ik hier nog een knul aan die zich met zijn broek op zijn enkels stond af te trekken, midden in de saloon. Dat noem ik ongemanierd! Waar wordt tuig zoals jullie eigenlijk opgevoed? Leren ze jullie dat soms op die dure scholen?’
‘Ik kan niet zeggen hoe het me spijt.’
‘Dat kun je zeker niet,’ zeurde Wayne. ‘Hoor je bij die andere knul?’
‘Bij wijze van spreken.’
‘Wat is dat nou weer voor lulkoek?’ Hij duwde zijn revolver in Ricky’s rug; het voelde inderdaad echt aan. ‘Horen jullie bij elkaar of niet?’
‘Ik wou alleen maar zeggen…’
‘Hier heb je helemaal niks te zeggen, neem dat van mij aan.’
Hij spande de haan, hoorbaar…
‘Waarom draai je je niet om jongen, en laat je ons eens zien hoe flink je bent?’
Ricky had dit allemaal al eens eerder gezien: de man in kwestie draait zich om, wil naar een verborgen wapen grijpen en wordt door Wayne neergeschoten. Geen woord, geen tijd om te discussiëren over de ethische kant van de zaak. Een kogel sprak duidelijker taal dan woorden.
‘Draai je om, zei ik.’
Heel langzaam draaide Ricky zich om om de overlevende van duizenden schietpartijen aan te kijken – en daar was hij dan, of eerder een perfecte imitatie van hem: een Wayne uit de middenperiode, voordat hij dik was geworden en er slecht was gaan uitzien. Een Rio Grande-Wayne, stoffig van de lange rit en met half dichtgeknepen ogen van een leven lang turen naar de horizon. Ricky had nooit van westerns gehouden. Hij haatte al die geforceerde mannelijkheid, die verheerlijking van vuiligheid en goedkoop heldendom. Zijn generatie had bloemen in geweerlopen gestoken en hij had dat een aardig gebaar gevonden. Dit gezicht, zo pseudo-mannelijk, zo onbuigzaam, was de verpersoonlijking van een handvol dodelijke leugens – over de glorie van de verovering van het Westen, de ethiek van het snelrecht, de zachtheid in het hart van bruten. Ricky haatte het gezicht. Zijn handen jeukten om het te slaan. Wat maakte het uit als de acteur, wie het ook was, hem toch zou neerschieten? Wat had hij te verliezen als hij die rotzak eerst eens een stomp voor zijn muil zou geven?
De gedachten werden omgezet in daden: Ricky balde zijn vuist, haalde uit en zijn knokkels kwamen in botsing met Waynes kin. De acteur was trager dan zijn beeld op het witte doek. Hij kon de stomp niet ontwijken, en Ricky maakte van de gelegenheid gebruik de revolver uit Waynes hand te slaan. Daarna volgde nog een regen van stompen op het lichaam, net als hij in de films had gezien. Het was een spectaculaire voorstelling.
De grotere man helde achterover onder de slagen en struikelde. Zijn sporen raakten verward in het haar van de dode jongen. Hij verloor zijn evenwicht en viel in het stof, volkomen geveld.
De rotzak lag op de grond! Ricky voelde een sensatie die hij nog nooit eerder had gevoeld: de stimulerende vreugde van een fysieke overwinning. Mijn god! Hij had de beroemdste cowboy ter wereld tegen de vlakte geslagen. Zijn zintuigen waren overdonderd door de overwinning.
De stofstorm werd plotseling dikker. Wayne lag nog steeds op de grond, onder het bloed van een in elkaar geramde neus en een kapotte lip. Het zand onttrok hem al aan het oog, een gordijn dat werd neergelaten over de schande van zijn nederlaag.
‘Sta op,’ beval Ricky, die voor het te laat was probeerde de situatie uit te buiten.
Wayne leek te grijnzen terwijl de storm hem bedekte.
‘Nou, jongen,’ zei hij, over zijn kin wrijvend, ‘we maken nog wel een man van je…’
Toen werd zijn lichaam weggevreten door het jagende stof, en meteen kwam er iets anders voor in de plaats: een vorm die Ricky niet geheel duidelijk was, een vorm die Wayne wel en niet was en die heel snel aftakelde in iets onmenselijks.
Het stof was als een woedend bombardement dat ogen en oren vulde.
Ricky keerde de plaats van het gevecht strompelend de rug toe. Hij stikte bijna, en wonderlijk genoeg vond hij een muur, een deur, en voordat hij zich had kunnen realiseren waar hij was, had de bulderende storm hem uitgespuwd in de stilte van de bioscoopzaal.
Daar, hoewel hij zichzelf had beloofd dat niet meer te doen sinds hij zijn snor had laten staan, slaakte hij een kreetje waarvoor Fray Way zich niet geschaamd zou hebben, en viel flauw.
In de foyer vertelde Lindi Lee aan Birdy waarom ze niet zoveel om films gaf.
‘Ik bedoel, Dean houdt van cowboyfilms. Ik hou daar helemaal niet van. Misschien zou ik het je beter niet kunnen vertellen.’
‘Dat geeft niet.’
‘Ik bedoel, jij zult wel gek zijn op films, denk ik. Omdat je hier werkt.’
‘Ik vind sommige films goed. Niet alles.’
‘O.’ Ze leek verrast. Veel dingen leken haar te verrassen. ‘Ik hou van natuurfilms, weet je.’
‘Ja…’
‘Weet je wat ik bedoel? Dieren… en zo.’
‘Ja.’ Birdy herinnerde zich haar veronderstelling over Lindi Lees vermogen een gesprek te voeren. Heel goed gezien.
‘Ik vraag me af waar ze blijven,’ zei Lindi.
De tijdsspanne die Ricky in de stofstorm had doorgebracht, had in werkelijkheid niet langer dan twee minuten geduurd. Maar in films was tijd een rekbaar begrip.
‘Ik ga wel even kijken,’ bood Birdy aan.
‘Hij is waarschijnlijk zonder mij weggegaan,’ zei Lindi weer.
‘We zullen zien.’
‘Dank je.’
‘Maak je niet zenuwachtig,’ zei Birdy terwijl ze haar hand even op de dunne arm van het meisje liet rusten. ‘Ik weet zeker dat alles in orde is.’
Ze verdween door de zwaaideuren in de bioscoopzaal en liet Lindi alleen in de foyer.
Lindi zuchtte. Dean was niet de eerste jongen die bij haar wegliep alleen maar omdat ze niet met hem naar bed wilde. Ze had zo haar eigen ideeën over hoe en wanneer ze met een jongen tot het uiterste zou gaan; dit was niet het juiste moment en Dean was niet de juiste jongen. Hij was te glad en te stiekem, en zijn haar rook naar dieselolie. Als hij was weggegaan, zou ze geen traan om hem laten. Zoals haar moeder altijd zei: er zijn meer mannen dan kerken.
Ze stond naar de poster van de film voor de volgende week te kijken toen ze een bons achter zich hoorde en er een volkomen kaal konijn verscheen; een dik, soezerig hondje van een konijn, dat midden in de foyer zat en haar aankeek.
‘Hallo,’ zei ze tegen het konijn.
Het konijn likte zich aanbiddelijk.
Lindi Lee was dol op dieren; ze hield van dierenfilms waarin de wezens waren gefilmd in hun natuurlijke omgeving, op de klanken van Rossini, en waarin parende schorpioenen een dansje maakten, en waarin ieder jong beertje liefkozend ‘ondeugende rakker’ werd genoemd. Ze leefde helemaal op bij dat soort films. Maar ze hield het meest van konijnen.
Het konijn deed een paar sprongetjes in haar richting. Ze knielde om het te aaien. Het was warm en zijn ogen waren rond en roze. Het huppelde langs haar heen de trap op.
‘Ik denk dat je daar beter niet naartoe kunt gaan,’ zei ze.
Ten eerste was het donker boven aan de trap. Ten tweede hing er een bord waarop PRIVÉ stond. Maar het konijn leek vastbesloten en wist haar ruimschoots voor te blijven terwijl ze hem de trap op volgde.
Bovenaan was het aardedonker en bleek het konijn verdwenen.
Er zat iets anders op de plaats van het konijn, een wezen met fel brandende ogen. Bij Lindi Lee kon de illusie eenvoudig blijven; om haar te verleiden was er geen volledige fictieve wereld nodig, zoals bij de jongen; het kind droomde nu al. Een gemakkelijke prooi.
‘Hallo,’ zei Lindi Lee, een beetje angstig vanwege de aanwezigheid boven aan de trap. Ze tuurde in het duister en probeerde een of andere vorm te onderscheiden, iets wat op een gezicht leek. Maar er was niets, zelfs geen ademtocht.
Ze deed een stap terug de trap af, maar plotseling greep ‘het’ haar en had ‘het’ haar te pakken voordat ze viel. ‘Het’ bracht haar snel tot zwijgen, intiem.
Deze hier bezat weliswaar misschien niet veel hartstocht om te stelen, maar ‘het’ vermoedde hier een ander nut. Het tedere lichaam was nog niet ontloken; de openingen niet gewend aan binnendringen. ‘Het’ nam Lindi mee de resterende treden op en sloot haar weg voor nader onderzoek.
‘Ricky? O god, Ricky!’
Birdy knielde naast Ricky’s lichaam en schudde hem heen en weer. Hij ademde nog; dat was tenminste iets, en hoewel er op het eerste gezicht veel bloed leek te zijn, was de wond niet meer dan een inkeping in zijn oor. Ze schudde weer aan hem, ruwer, maar er kwam geen reactie. Na koortsachtig zoeken vond ze zijn pols: die was sterk en regelmatig. Het was duidelijk dat hij door iemand was aangevallen, waarschijnlijk door de verdwenen vriend van Lindi Lee. Waar was die eigenlijk? Nog steeds op de wc misschien, gewapend en gevaarlijk. Onder geen beding zou ze zo stom zijn daar naar binnen te gaan en te kijken; zulke dingen had ze al te vaak zien gebeuren. ‘Vrouwen in Gevaar’ – afgezaagde troep. De duistere kamer, het rondwarende beest. Dus in plaats van – wham – dat cliché binnen te wandelen, zou ze datgene doen waarom ze in stilte de heldinnen honderden keren had gesmeekt: haar nieuwsgierigheid bedwingen en de politie bellen.
Ze liet Ricky waar hij was en liep het gangpad door terug naar de foyer.
Die was leeg. Lindi Lee had ofwel haar vriend opgegeven, ofwel op straat iemand anders gevonden die haar thuis wilde brengen. Hoe dan ook, ze had de voordeur achter zich dichtgedaan toen ze wegging en had slechts een vleugje Johnsons babypoeder achtergelaten. Oké, dat maakte de zaak aanzienlijk eenvoudiger, dacht Birdy terwijl ze het kantoortje met het loket binnenging om de politie te bellen. Het deed haar eigenlijk wel goed dat het meisje verstandig genoeg was geweest om niet langer op die klootzak te wachten.
Ze nam de hoorn op en meteen begon er iemand te spreken.
‘Hallo daar,’ zei de stem, nasaal en innemend, ‘is het niet een beetje laat om nog op te bellen?’
Het was niet de centrale, dat wist ze zeker. Ze had zelfs nog geen nummer gedraaid. Het klonk trouwens als Peter Lorre.
‘Wie is dit?’
‘Herken je me niet?’
‘Ik wil de politie spreken.’
‘Ik zou je graag van dienst zijn, werkelijk.’
‘Ga van de lijn af, wil je? Dit is dringend! Ik moet de politie spreken.’
‘Ik heb je wel gehoord,’ zeurde de stem door.
‘Wie ben je?’
‘Dat heb je al gezegd.’
‘Er is hier iemand gewond. Wil je alsjeblieft…’
‘Arme Rick.’
Hij wist hoe hij heette. ‘Arme Rick,’ zei hij, alsof hij een goede vriend was.
Ze voelde dat het zweet haar uitbrak; ze voelde het opwellen uit haar poriën. Hij kende Ricky’s naam.
‘Arme, arme Rick,’ zei de stem weer. ‘Toch weet ik zeker dat het goed zal aflopen. Denk je niet?’
‘Dit is een kwestie van leven en dood,’ drong Birdy aan, er zelf van onder de indruk dat ze zo beheerst klonk.
‘Ik weet het,’ zei Lorre. ‘Is het niet opwindend?’
‘Sodemieter op! Ga van die lijn af, of ik bega een ongeluk!’
‘Hoe dan? Wat denkt een dikkerd zoals jij te kunnen doen in een situatie als deze, behalve trillen als een pudding?’
‘Vuile rotzak!’
‘Het genoegen is geheel aan mijn kant.’
‘Ken ik je?’
‘Ja en nee.’ De klank van de stem zweefde.
‘Je bent een vriend van Ricky, zeker?’ Een van die drugstypes waar hij vroeger mee optrok. Stom spelletje waren ze aan het spelen. ‘Oké, je hebt nou je lol gehad,’ zei ze. ‘Ga nu van die lijn voordat je iemand ernstig benadeelt.’
‘Je bent geïrriteerd,’ zei de stem, vergoelijkend. ‘Ik begrijp het wel…’
De stem veranderde wonderbaarlijk en ging een octaaf omhoog. ‘Je probeert de man te helpen van wie je houdt…’ De toon was vrouwelijk nu; het accent veranderde en het gekwijl ging over in een soort gespin. En plotseling was het Garbo.
‘Arme Richard,’ zei ze tegen Birdy. ‘Hij heeft zo zijn best gedaan, nietwaar?’ Ze was poeslief.
Birdy was sprakeloos: de imitatie was even feilloos als die van Lorre, nu even vrouwelijk als daarnet mannelijk.
‘Oké, ik ben diep onder de indruk,’ zei Birdy. ‘Laat me nu even met de politie spreken.’
‘Is dit geen heerlijke nacht om een wandeling te maken, Birdy? Wij meisjes met z’n tweeën?’
‘Je weet hoe ik heet.’
‘Natuurlijk weet ik hoe je heet. Ik ben erg dicht bij je.’
‘Hoe bedoel je: dicht bij me?’
Het antwoord was een klokkende keelgeluid, Garbo’s lieflijke lach. Birdy kon het niet meer verdragen, de truc was te knap; ze voelde hoe ze in de ban raakte van de imitatie, alsof ze met de ster zelf sprak.
‘Nee,’ zei ze tegen de telefoon, ‘je overtuigt me niet, hoor je?’ Toen werd ze woedend. Ze schreeuwde: ‘Je belazert me’, zo hard dat ze de aangesprokene voelde trillen. Daarna knalde ze de hoorn op de haak. Ze deed de deur van het kantoortje open en liep naar de buitendeur. Die zat op slot en was aan de binnenkant vergrendeld. Lindi Lee had de deur niet zomaar achter zich dichtgegooid: hij was op slot en aan de binnenkant vergrendeld.
‘Verdomme,’ zei Birdy zachtjes.
Plotseling leek de foyer kleiner dan eerst, en dat gold eveneens voor haar voorraad kalmte. In gedachten sloeg ze zichzelf in haar gezicht, de standaardreactie van een heldin die dreigt hysterisch te worden. Denk na, instrueerde ze zichzelf. Ten eerste: de deur zat op slot. Lindi Lee had het niet gedaan, Ricky kon het niet gedaan hebben, zij had het zeker niet gedaan. Dat betekende…
Ten tweede: er was hier een gek binnen. Misschien dezelfde hij, zij of het die ze aan de telefoon had gehad. Dat betekende…
Ten derde: hij, zij of het moest toegang hebben tot een andere telefoonlijn ergens boven in het gebouw. Het enige andere toestel, voor zover zij wist, bevond zich boven in de opslagruimte. Maar voor geen goud ging ze daarnaartoe. Reden: zie ‘Vrouw in Gevaar’. Dat betekende…
Ten vierde: ze moest de deur openen met Ricky’s sleutels.
Juist, dat was de opdracht: pak de sleutels van Ricky.
Ze ging weer de bioscoopzaal in. Om de een of andere reden flikkerde de verlichting – of kwam dat door de paniek in haar gezichtszenuwen?
Nee, de lampen flikkerden echt een beetje; het hele interieur leek te bewegen alsof het ademde.
Negeren. Haal de sleutels.
Ze rende het gangpad door, zich er, zoals altijd als ze rende, van bewust dat haar borsten op en neer deinden, evenals haar billen. Lekker gezicht moet dat zijn, dacht ze, voor het geval er iemand zou kijken.
Ricky kreunde in zijn bewusteloosheid. Birdy zocht naar de sleutels, maar zijn riem was verdwenen.
‘Ricky,’ zei ze vlak bij zijn gezicht. Het gekreun werd heviger.
‘Ricky, kun je me horen? Ik ben het, Birdy. Rick. Birdy.’
‘Birdy?’
‘We zitten opgesloten, Ricky. Waar zijn de sleutels?’
‘…sleutels?’
‘Je hebt je riem niet om, Ricky.’ Ze sprak langzaam, alsof ze het tegen een zwakzinnige had. ‘Waar-zijn-je-sleu-tels?’
De puzzel die Ricky in zijn pijnlijke hoofd probeerde te leggen was plotseling af en hij ging rechtop zitten.
‘Jongen!’ zei hij.
‘Welke jongen?’
‘In de plee. Dood in de plee.’
‘Dood? O god. Dood? Weet je het zeker?’
Ricky verkeerde in een soort trance, leek het wel. Hij keek haar niet aan, maar staarde recht voor zich uit; hij zag iets wat zij niet kon zien.
‘Waar zijn de sleutels?’ vroeg ze opnieuw. ‘Ricky. Het is belangrijk. Concentreer je.’
‘Sleutels?’
Ze had hem nu het liefst een klap gegeven, maar zijn gezicht zat al onder het bloed en het leek haar sadistisch.
‘Op de grond,’ zei hij na een poosje.
‘In de wc. Op de grond in de wc?’
Ricky knikte. De beweging van zijn hoofd leek een vreselijke gedachte los te maken, want plotseling zag hij eruit alsof hij in snikken uit zou barsten.
‘Het komt allemaal goed,’ zei Birdy.
Ricky’s hand had zijn gezicht gevonden en hij bevoelde het uitvoerig in de hoop zichzelf gerust te stellen.
‘Ben ik hier?’ informeerde hij zacht. Birdy hoorde hem niet. Ze was moed aan het verzamelen om de wc’s in te gaan. Ze moest daar naar binnen, dat kon niet anders, lijk of geen lijk. Ga naar binnen, pak de sleutels, ga weer naar buiten. Doe het nu.
Ze ging de deur door en bedacht dat ze nog nooit in een heren-wc was geweest; ze hoopte oprecht dat dit de eerste en laatste keer zou zijn.
In de wc-ruimte was het nagenoeg donker. Het licht flikkerde op dezelfde afschuwelijke manier als het licht in de bioscoopzaal, maar zwakker.
Ze bleef staan bij de deur, liet haar ogen wennen aan het duister en spiedde om zich heen.
De toiletruimte was leeg. Er lag geen jongen op de grond, dood noch levend. De sleutels lagen er wel. Ricky’s riem lag in de goot van het urinoir. Ze viste hem eruit, terwijl de doordringende geur van het desinfecteringsmiddel haar slijmvliezen prikkelde. Terwijl ze de sleutels losmaakte van hun ring, verliet ze de toiletruimte en kwam in de betrekkelijke frisheid van de bioscoopzaal. Het was voorbij, zo simpel was het.
Ricky had zich in een van de stoelen gehesen en leek zieker en zieliger dan ooit. Hij keek op toen hij Birdy naar buiten hoorde komen.
‘Ik heb de sleutels,’ zei ze.
Hij gromde. God, hij leek doodziek, dacht ze. Haar sympathie was echter enigszins verminderd, want het was duidelijk dat hij hallucineerde, en dat had waarschijnlijk een chemische oorzaak. Het was zijn eigen stomme schuld.
‘Er is daar geen jongen, Ricky.’
‘Watte?’
‘Er is niemand op de wc. Niemand. Wat heb je eigenlijk gebruikt?’
Ricky keek neer op zijn bevende handen.
‘Ik heb niets gebruikt. Echt niet.’
‘Ontzettend stom,’ zei ze. Ze verdacht hem er half en half van dat hij haar erin had willen laten lopen, maar practical jokes waren eigenlijk niet zijn stijl.
Ricky was op zijn manier een moralist; dat had haar juist zo in hem aangetrokken.
‘Heb je een dokter nodig?’
Hij schudde verongelijkt zijn hoofd.
‘Weet je het zeker?’
‘Ik zei toch nee?’ beet hij haar toe.
‘Oké, ik vroeg het alleen maar.’ Ze liep het gangpad alweer op, in zichzelf mompelend. Bij de deur naar de foyer bleef ze staan en riep naar hem.
‘Ik geloof dat we een indringer hebben. Er zat iemand op de extra lijn. Zou jij de voordeur in de gaten willen houden terwijl ik de politie bel?’
‘Ik kom zo.’
In het flikkerende licht probeerde Ricky erachter te komen of hij inderdaad gek was geworden. Als Birdy zei dat de jongen niet daar binnen was, sprak ze waarschijnlijk de waarheid. De beste manier om daarachter te komen was zelf te gaan kijken. Dan zou hij zeker weten dat hij last had gehad van een onbeduidende realiteitscrisis die was veroorzaakt door slechte dope, en zou hij naar huis gaan, gaan slapen en morgen weer fris wakker worden. Alleen wilde hij helemaal geen kijkje gaan nemen in die stinkende ruimte. Stel dat Birdy ongelijk had en dat zij degene was die een crisis had? Bestonden er niet zulke dingen als hallucinaties?
Moeizaam kwam hij overeind. Hij stak het gangpad over en duwde de deur open. Het was donker binnen, maar hij kon genoeg zien om te constateren dat er geen zandstormen waren, geen dode jongens en geen revolverhelden, zelfs geen stukje buitelkruid. Hij is anders niet mis, dacht hij, die geest van mij. Zo griezelig goed een volkomen andere wereld creëren, dat was een fantastische truc. Jammer dat er niet iets leukers mee te doen was dan hem doodsbang maken. Maar ja, je kon nu eenmaal niet alles hebben.
En toen zag hij het bloed. Op de tegels. Een veeg bloed die niet van zijn oor afkomstig was; daarvoor was het te veel. Ha! Hij had het zich toch niet verbeeld. Er was bloed, er waren voetafdrukken: tekenen die erop wezen dat hij wat hij gedacht had te hebben gezien ook werkelijk gezien had. Maar god in de hemel, wat was erger: te zien of niet te zien? Zou het niet beter zijn geweest wanneer hij zich vergist had en alleen maar geflipt was in plaats van zich te bevinden in de greep van een macht die letterlijk de wereld kon veranderen?
Ricky staarde naar het bloedspoor en volgde het naar het hokje aan de linkerkant van zijn gezichtsveld. De deur was dicht, maar was eerder open geweest. De moordenaar, wie het ook was, had de jongen daar neergelegd, besefte Ricky zonder te kijken.
‘Oké,’ zei hij, ‘nou heb ik je.’
Hij duwde tegen de deur. Die zwaaide open, en daar was de jongen, op de wc-bril gehesen, met gespreide benen en bungelende armen.
Zijn ogen waren uit zijn hoofd verwijderd. Het was niet netjes gedaan, niet het werk van een chirurg. Ze waren eruit gerukt, waarbij ze een spoor van onduidelijke resten op zijn wang hadden achtergelaten.
Ricky sloeg een hand voor zijn mond en bezwoer zichzelf niet te gaan kotsen. Zijn maag protesteerde, maar gehoorzaamde desondanks. Hij rende naar de wc-deur alsof het lichaam elk ogenblik zou kunnen opstaan om geld terug te vragen van zijn bioscoopkaartje.
‘Birdy… Birdy…’
Die dikke trut was helemaal in de bonen. De dood was hier, en nog erger. Ricky stormde de wc-ruimte uit en de bioscoopzaal in.
De wandlampen dansten achter hun art-decolampenkappen en flikkerden als kaarsen die op het punt staan uit te gaan. Duisternis zou te veel zijn; hij zou gek worden.
Bij nader inzien, vond hij, was er iets vertrouwds in de manier waarop de lampen flikkerden, maar hij wist niet precies wat. Hij bleef even in het gangpad staan, hopeloos verloren.
Toen kwam de stem; en hoewel hij vermoedde dat het deze keer de dood was, keek hij toch op.
‘Hallo Ricky,’ zei ze toen ze via rij E naar hem toe kwam. Het was niet Birdy. Nee, Birdy droeg nooit ragdunne witte jurken; die had niet van die kwetsbare volle lippen, niet zulk fijn haar, niet van die ogen vol tedere beloften. Het was Monroe die naar hem toe kwam lopen, de bezoedelde roos van Amerika.
‘Zeg je me niet gedag?’ zei ze vriendelijk berispend.
‘Eh…’
‘Ricky, Ricky, Ricky. Eindelijk.’
Eindelijk? Wat bedoelde ze daar nou mee?
‘Wie ben je?’
Ze glimlachte hem stralend toe.
‘Alsof je dat niet weet.’
‘Je bent niet Marilyn. Marilyn is dood.’
‘In de film gaat niemand dood, Ricky. Dat weet je evengoed als ik. Je kunt het celluloid altijd opnieuw afdraaien…’
Daar deed het geflikker hem aan denken: aan het geflikker van celluloid dat door de projector wordt gevoerd, het ene beeld na het andere – de illusie van leven, gecreëerd uit een perfecte opeenvolging van dode beelden.
‘…en daar zijn we weer, pratend, zingend.’ Ze lachte met het getinkel van ijs in een glas. ‘We zijn nooit onze tekst kwijt, worden nooit oud, verliezen nooit onze timing…’
‘Jij bent niet echt,’ zei Ricky.
Ze keek verveeld bij die opmerking, alsof hij zich enigszins schoolmeesterachtig gedroeg.
Ze was tot het eind van de rij gelopen en stond niet meer dan een meter bij hem vandaan. Op deze afstand was de illusie betoverender en volmaakter dan ooit. Plotseling wilde hij haar bezitten, daar in het gangpad. Wat kon het hem verdommen dat ze alleen maar verbeelding was?
Een drogbeeld kun je net zo goed neuken als je niet wilt trouwen.
‘Ik wil je,’ zei hij, verrast door zijn eigen lompheid.
‘En ik wil jóu,’ antwoordde ze, wat hem nog meer verraste. ‘Ik heb je nodig. Ik ben heel zwak.’
‘Zwak?’
‘Het is niet makkelijk om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Op den duur krijg je er steeds meer behoefte aan. Dan móéten de mensen naar je kijken. Dag en nacht.’
‘Ik kijk.’
‘Ben ik mooi?’
‘Je bent een godin, wie je ook bent.’
‘Ik ben de jouwe, dat ben ik.’
Het was een perfect antwoord; ze definieerde zichzelf via hem. Ik ben een deel van jou; gemaakt voor jou, uit jou. De perfecte fantasie.
‘Blijf naar me kijken – eeuwig, Ricky. Ik heb je liefkozende blikken nodig. Zonder die kan ik niet leven.’
Hoe langer hij naar haar keek, hoe sterker haar beeld leek te worden.
Het geflikker was bijna helemaal opgehouden en er was nu rust neergedaald in de zaal.
‘Wil je me aanraken?’
Hij had gedacht dat ze het nooit zou vragen.
‘Ja,’ zei hij.
‘Goed.’ Ze glimlachte verleidelijk naar hem en hij stak zijn armen uit om contact te maken. Op het laatste ogenblik ontweek ze elegant zijn vingertoppen en rende lachend het gangpad af in de richting van het filmdoek. Hij volgde haar verlangend. Als ze een spelletje wilde spelen, mocht ze van hem haar gang gaan.
Ze rende naar een dode hoek in de zaal, en te oordelen aan de wenkende gebaren die ze maakte, wist ze dat ze daar niet weg kon komen. Ze draaide zich om en drukte zich tegen de muur, haar voeten enigszins gespreid. Hij was een paar meter bij haar vandaan toen een windvlaag uit het niets haar rok omhoogblies tot aan haar middel. Ze lachte, haar ogen half gesloten, toen de golf rode zijde opwaaide en haar omhulde. Ze was verder naakt. Ricky probeerde haar nogmaals aan te raken, en deze keer ontweek ze hem niet. De jurk bolde nog wat hoger op en hij staarde gefixeerd naar het gedeelte van Marilyns lichaam dat hij nog nooit had gezien: de gleuf van bont die de droom van miljoenen was geweest.
Er was daar bloed. Niet veel – een paar vingerafdrukken op de binnenkant van haar dij. De volmaakte glans van haar vlees was er enigszins door aangetast. Hij staarde nog steeds; terwijl ze haar heupen licht bewoog, weken de schaamlippen vaneen, en hij realiseerde zich dat de vochtige glans in haar binnenste niet haar lichaamssap was, maar iets heel anders. Terwijl ze haar spieren bewoog, verdraaiden de bloederige ogen die ze in haar lichaam verborgen had zich en bleven uiteindelijk op hem rusten. Uit zijn gezichtsuitdrukking maakte ze op dat ze ze niet diep genoeg verborgen had; maar waar kon een meisje met nauwelijks een draad aan haar lijf om haar naaktheid te bedekken de vruchten van haar arbeid anders verbergen?
‘Je hebt hem vermoord,’ zei Ricky, die nog steeds naar de schaamlippen staarde, en naar de ogen die er tussenuit gluurden. Het beeld was zo fascinerend en had zo’n oerkracht dat de afschuw in zijn buik er nog verder door toenam. Op een perverse manier wakkerde zijn afkeer zijn lustgevoelens echter eerder aan dan ze te blussen. Wat maakte het uit of ze een moordenares was; ze was toch een legende?
‘Hou van me,’ zei ze. ‘Voor altijd.’
Hij ging naar haar toe, en wist nu heel goed dat dat zijn dood zou worden. Maar dood was iets relatiefs, nietwaar? Marilyn was in werkelijkheid dood, maar hier leefde ze, hetzij in zijn geest, hetzij in de gonzende materie om hen heen, of in beide. En hij kon bij haar zijn.
Hij omhelsde haar, en zij hem. Ze kusten elkaar. Het was gemakkelijk.
Haar lippen waren zachter dan hij zich had voorgesteld en in zijn kruis voelde hij iets wat veel op pijn leek, en hij wilde niets liever dan in haar zijn.
De breekbare armen gleden om zijn middel en hij bevond zich in de schoot van weelde.
‘Je maakt me sterk,’ zei ze. ‘Als je zo naar me kijkt. Er moet naar me gekeken worden, anders ga ik dood. Zo is het nu eenmaal met illusies.’
Haar omhelzing werd steeds sterker; de armen in zijn rug leken niet meer zo breekbaar. Hij verzette zich enigszins tegen het onaangename gevoel.
‘Het heeft geen zin,’ koerde ze in zijn oor. ‘Je bent van mij.’
Hij rukte zijn hoofd los om te kijken, en tot zijn verbazing waren de armen om zijn rug geen armen meer, maar een lus van het een of ander, zonder handen, vingers of polsen.
‘Jezus Christus,’ zei hij.
‘Kijk me aan, jongen,’ zei ze. De woorden klonken niet langer melodieus. Het was Marilyn niet meer die hem in haar armen hield, in de verste verte niet. De omhelzing werd nog steviger en de lucht werd uit Ricky’s longen geperst, lucht die hij niet meer naar binnen kon zuigen vanwege de ijzeren greep die hem omknelde. Zijn ruggengraat begaf het onder de druk en er schoot een vlammende pijn door zijn lichaam, die explodeerde in zijn ogen.
‘Je had de stad uit moeten gaan,’ zei Marilyn, terwijl onder de perfecte welving van haar jukbeenderen het gezicht van Wayne te voorschijn kwam. Zijn blik was minachtend, maar Ricky kreeg maar kort de tijd om dit in zich op te nemen, want dit beeld loste eveneens op en er kwam iets anders te voorschijn achter deze façade van beroemde gezichten. Voor het laatst in zijn leven vroeg Ricky: ‘Wie ben je?’
Zijn overweldiger gaf geen antwoord. ‘Het’ bleef fascinerend; onder Ricky’s blik ontsproten twee gelijke organen uit zijn lichaam, als de hoorntjes van een slak, antennes misschien, die veranderden in voelsprieten die de ruimte overbrugden tussen Ricky’s hoofd en het zijne.
‘Ik heb je nodig,’ zei het ding, en de stem leek in niets meer op die van Wayne of Monroe, maar was een ruige, onbeschaafde stem geworden de stem van een misdadiger. ‘Ik ben zo allemachtig zwak; ik ga eraan te gronde, aan het in de wereld zijn.’
‘Het’ parasiteerde op hem en voedde zich met zijn blikken, aanvankelijk bewonderend, daarna met afschuw vervuld. Hij voelde hoe het ding zijn leven door zijn ogen opzoog en zich verlustigde aan zijn smekende blikken terwijl hij crepeerde.
Hij wist dat hij bijna dood was, want hij had al een hele tijd niet ademgehaald. Het leken minuten, maar dat wist hij niet zeker.
Net toen hij wilde luisteren naar het geluid van zijn eigen hart, legden de hoorns zich aan weerskanten van zijn hoofd en drukten zich in zijn oren. Zelfs in dit droombeeld was de gewaarwording weerzinwekkend, en hij wilde schreeuwen bij wijze van protest, maar de vingers zochten zich een weg zijn hoofd in, doorboorden zijn trommelvliezen en kropen als zoekende lintwormen verder door zijn schedel en hersenen. Hij leefde, en zelfs nu nog hield hij zijn blik strak op zijn kwelgeest gevestigd.
Hij besefte dat de vingers zijn oogbollen zouden vinden en er van achteren tegenaan zouden duwen. Plotseling puilden zijn ogen uit en schoten ze uit hun kassen. Even zag hij de wereld vanuit een ander perspectief toen zijn gezichtsvermogen langs zijn wangen tuimelde. Daar was zijn lip, zijn kin…
Het was een afgrijselijke ervaring, en hij was genadig kort. Toen brak de film die Ricky zevenendertig jaar geleefd had doormidden en zeeg hij neer in de armen van de verbeelding.
De verleiding en de dood van Ricky hadden niet meer dan drie minuten in beslag genomen. Intussen had Birdy elke sleutel van Ricky’s sleutelbos geprobeerd, maar ze had er geen een gevonden waarmee ze de deur open kon krijgen.
Tegen de tijd dat ze de moed had opgegeven, was het ook met Ricky gedaan. Hij was morsdood. Ze vloekte tegen de sleutels en gaf haar nederlaag toe. Ricky wist duidelijk beter dan zij hoe hij met die rotdingen moest omgaan. Fijn voor hem. Het enige dat ze nu nog wilde, was zo gauw mogelijk hier wegkomen. Ze kreeg last van claustrofobie. Ze hield er niet van opgesloten te zitten, zeker niet als ze niet wist wie er daar boven op de loer lag. Tot overmaat van ramp bleek de verlichting in de foyer het te begeven; langzaam flikkerend doofden de lampen.
Wat was er hier in godsnaam aan de hand?
Plotseling gingen de lampen helemaal uit, en toen wist ze zeker dat ze achter de deuren in de zaal iets hoorde bewegen. Er scheen een felgekleurd licht door de kieren, sterker dan dat van een zaklantaarn.
‘Ricky?’ riep ze aarzelend in het donker. Haar woorden leken opgeslokt te worden. Ze kon niet geloven dat het Ricky was, en iets zorgde ervoor dat ze nu haar stem liet dalen tot een fluistering. ‘Ricky…?’
De rubber randen van de zwaaideuren kwamen smakkend tegen elkaar toen er iets van de andere kant tegenaan duwde.
‘…ben jij dat?’
De atmosfeer was geladen. Haar schoenen vonkten statisch toen ze naar de deur liep en de haartjes op haar armen stonden recht overeind. Bij elke stap werd het licht aan de andere kant feller. Ze bleef staan en aarzelde om verder te gaan. Ze wist nu zeker dat het Ricky niet was. Misschien was het de man of vrouw van de telefoon, een of andere starogige krankzinnige die aan zijn gerief kwam door dikke vrouwen te besluipen.
Ze deed met voeten die vonken sloegen twee stappen terug in de richting van het loket en reikte onder de balie naar de ijzeren staaf die ze daar had liggen sinds ze een keer in het kantoortje opgesloten was geweest door drie zogenaamde dieven met kaalgeschoren hoofden en elektrische boren. Ze had moord en brand geschreeuwd, en ze hadden de benen genomen, maar de volgende keer, zo had ze zich voorgenomen, zou ze zulke gasten liever buiten westen slaan dan zich te laten terroriseren. En de ijzeren staaf, die bijna een meter lang was, was haar uitverkoren wapen.
Gewapend keek ze nu naar de deuren.
Ze zwaaiden plotseling open en een bulderend wit geluid vulde haar hoofd.
Door het lawaai heen zei een stem: ‘Er wordt naar je gekeken, meid.’
Een enkel groot oog vulde de deuropening. Het lawaai verdoofde haar.
Het oog knipperde – groot, vochtig en traag –, terwijl het met de aanmatigende blik van de Enige Ware God, de schepper van de celluloid aarde en de celluloid hemel, haar nietige gestalte nauwlettend opnam.
Birdy was doodsbang. Dat had niets te maken met de spanning van ‘achter je!’; er was geen sprake van een verrukkelijke opwinding, geen plezierige schrik. Dit was pure angst, doodsangst, onverhuld en afstotelijk lelijk.
Ze hoorde zichzelf kreunen onder de meedogenloze blik van het oog, en haar benen begaven het bijna. Zo meteen zou ze op het tapijt voor de deur vallen en zou het met haar gedaan zijn. Toen herinnerde ze zich de ijzeren staaf. Gezegend zij zijn fallische vorm. Ze hief hem met twee handen op en rende met een zwaaiende beweging op het oog af.
Voordat ze het had geraakt, ging het oog dicht. Het licht ging uit en ze bevond zich weer in het donker, haar netvlies brandend van de aanblik.
In het donker zei iemand: ‘Ricky is dood.’
Meer niet. Het was erger dan het oog, erger dan alle dode stemmen uit Hollywood, omdat ze op de een of andere manier wist dat het waar was.
De bioscoop was een abattoir geworden. Lindi Lees Dean was dood, zoals Ricky had gezegd, en nu was Ricky ook dood. De deuren waren allemaal afgesloten en het ging nu man tegen man. Zij en ‘het’.
Ze dook in de richting van de trap, nog niet zeker van haar strategie, maar er wel van overtuigd dat het zelfmoord was als ze in de foyer zou blijven. Toen haar voet de onderste tree raakte, gingen achter haar de zwaaideuren weer met een zuchtend geluid open en iets kwam haar snel en flikkerend achterna. ‘Het’ was een of twee stappen achter haar terwijl ze buiten adem de trap beklom en haar omvangrijke gestalte vervloekte.
Flitsen helder licht van het ding schoten langs haar heen als de ontstekingsvonken van een Romeinse kaars. ‘Het’ had weer iets nieuws voor haar in petto, dat wist ze zeker.
Ze bereikte de bovenste tree met haar bewonderaar nog steeds op de hielen. Voor haar beloofde de gang, die slechts werd verlicht door een armoedig peertje, weinig goeds. Hij liep over de hele lengte van de bioscoop en er bevonden zich tevens een paar bergruimtes, volgepropt met troep: posters, 3D-brillen, beschimmelde filmfoto’s. In een van de bergruimtes bevond zich een nooduitgang voor het geval er brand uitbrak, wist ze, maar in welke? Ze was hier maar één keer boven geweest, en dat was al twee jaar geleden.
‘Verdomme, verdomme,’ zei ze. Ze rende de eerste bergruimte in. De deur zat op slot. In protest sloeg ze erop, maar hij bleef op slot. De volgende idem dito. De derde eveneens. Al had ze zich kunnen herinneren in welke bergruimte de vluchtroute zich bevond, dan nog waren de deuren te zwaar om open te krijgen. Als ze tien minuten de tijd kreeg, zou het haar met de ijzeren staaf misschien lukken. Maar het oog zat haar op de hielen en ze had zelfs geen tien seconden.
Er zat niets anders op dan de confrontatie aan te gaan. Ze draaide zich op haar hakken om, een gebed op de lippen, om de trap en haar achtervolger recht in de ogen te zien. De overloop was leeg.
Ze staarde naar het troosteloze stilleven van kapotte gloeilampen en afbladderende verf, alsof ze daar het onzichtbare kon ontdekken, maar het ding bevond zich helemaal niet vóór haar, maar achter haar. Het heldere licht vlamde weer op achter haar rug, en deze keer vatte de Romeinse kaars vlam. Vuur werd licht, licht werd beeld, en beroemde personages die ze bijna vergeten was vloeiden door de gang op haar toe. Fragmenten van duizenden films, elk met zijn eigen unieke associatie. Ze begon nu inmiddels iets van de oorsprong van dit opmerkelijke wezen te begrijpen: het was een geest in het mechanisme van de bioscoop, een zoon van het witte doek.
‘Geef me je ziel,’ zeiden duizenden sterren.
‘Ik geloof niet in zielen,’ antwoordde ze naar waarheid.
‘Geef me dan wat je het scherm geeft, wat iedereen geeft. Geef me wat liefde.’
Dus daarom werden al die scènes haar telkens weer vertoond: ze bevatten allemaal momenten waarop het publiek op magische wijze verenigd was met het scherm, terwijl de kijkers meeleden, meevoelden en onafgebroken toekeken. Ze had het zelf ook vaak gedaan: naar een film gekeken die haar zo diep had geraakt dat het bijna fysiek pijn deed wanneer de aftiteling over het scherm gleed en de illusie verstoord werd. Verstoord omdat ze het gevoel had dat ze iets van zichzelf had achtergelaten, tussen haar helden en heldinnen een deel van haar innerlijke wezen had verloren. Misschien was dat ook wel zo; misschien had de lucht de lading van haar wensen meegevoerd en ze ergens opgeborgen, samen met die van andere mensen, opeengepakt in een nis, tot…
Tot dit. Dit kind van hun collectieve hartstochten, deze verleider in technicolor, banaal, lomp en uiterst betoverend.
Alles goed en wel, dacht ze, maar begrip hebben voor je beul is iets heel anders dan hem beletten zijn beroep uit te oefenen.
Zelfs toen ze het raadsel had opgelost, verslond ze nog de beelden die het ding uitzond; ze kon er niets aan doen. Prikkelende flarden van levens die ze had geleefd, gezichten die ze had bemind. Mickey Mouse dansend met een bezemsteel, Gish in Broken Blossoms, Garland (met Toto naast zich), Astaire in Top Hat, Welles in Citizen Kane, Brando en Crawford, Tracy en Hepburn – mensen die zo diep in onze harten gegrift staan dat ze geen voornamen nodig hebben. En het was zoveel beter geplaagd te worden door deze momenten: alleen het smeltende ogenblik vóór de kus, niet de kus zelf; de klap, niet de verzoening; de schaduw, niet het monster; de wond, niet de dood. ‘Het’ had haar in zijn macht, geen twijfel mogelijk. Ze werd door haar ogen geboeid alsof ze op steeltjes stonden en geketend waren.
‘Ben ik mooi?’ zei het ding.
Ja, ‘het’ was mooi.
‘Waarom geef je je niet aan mij?’
Ze dacht niet langer na; haar verstandelijke vermogens waren uit haar weggevloeid. Tot er iets zichtbaar werd temidden van de chaos aan beelden waardoor ze weer tot zichzelf kwam. ‘Dumbo’, de dikke olifant.
Haar dikke olifant – nee, eerder: de dikke olifant die ze dacht zélf te zijn.
De betovering was verbroken. Ze wendde haar blik af van het ding. Even zag ze vanuit haar ooghoek iets weerzinwekkends en smerigs onder de glamour. Als kind hadden ze haar ‘Dumbo’ genoemd, alle kinderen uit de buurt. Ze had twintig jaar met die belachelijke griezel geleefd en was er nooit in geslaagd hem van zich af te schudden. Zijn dikke lichaam herinnerde haar aan haar eigen dikte, zijn verloren blik aan haar eigen eenzaamheid. Ze stelde zich hem voor in het lichaam van zijn moeder, vervloekt als een Gekke Olifant, en ze zou dat stomme, sentimentele beest wel bewusteloos willen slaan.
‘Het is een gemene leugen!’ schreeuwde ze.
‘Ik weet niet wat je bedoelt,’ protesteerde ‘het’.
‘Wat zit er dan onder al die bravoure? Iets heel onaangenaams, denk ik.’
Het licht begon te flikkeren. De parade van trailers kwam tot haperen.
Ze kon nu een andere vorm ontdekken, klein en donker, verscholen achter de gordijnen van licht. Ze merkte dat hij onzeker was, onzeker en bang om te sterven. Ze wist zeker dat ze de angst kon ruiken, op tien passen afstand.
‘Wat ben je, daaronder?’
Ze deed een stap in de richting van het ding.
‘Wat verberg je?’
‘Het’ vond een stem. Een angstige, menselijke stem. ‘Je hebt je niet met mij te bemoeien.’
‘Je hebt geprobeerd me te vermoorden.’
‘Ik wil leven.’
‘Ik ook.’
Het begon donker te worden in dit gedeelte van de gang en er hing een oude, smerige stank van iets dat lag te rotten. Ze kende die lucht; dit was iets dierlijks. Afgelopen lente nog, toen de sneeuw was gesmolten, had ze iets dat heel erg dood was op het plaatsje gevonden achter haar appartement. Een kleine hond, een grote kat; het was moeilijk te zeggen.
Een of ander huisdier dat was gestorven van de kou tijdens de onverwachte sneeuwval in december. Nu werd het belaagd door maden: geelachtig, groenachtig, rozeachtig – een pastelkleurige vliegenmachine met duizenden bewegende onderdelen. Er hing dezelfde stank omheen die ze hier rook. Misschien was dat toch het vlees achter de fantasie.
Terwijl ze al haar moed bijeenraapte, en haar ogen nog prikten van ‘Dumbo’, liep ze naar de zinsbegoocheling toe, de ijzeren staaf geheven voor het geval het ding iets van plan was.
De planken onder haar voeten kraakten, maar ze was te zeer op haar prooi gefixeerd om naar hun waarschuwingen te luisteren. Het werd tijd dat ze die moordenaar te pakken kreeg. Ze zou net zo lang schudden tot ‘het’ zijn geheim prijsgaf.
Ze waren nu bijna de hele gang af gelopen; zij kwam steeds dichterbij en het ding trok zich steeds verder terug. ‘Het’ kon nergens anders heen.
Plotseling versplinterde de halfvergane vloer onder haar gewicht en in een grote stofwolk zakte ze erdoorheen. Ze liet de ijzeren staaf vallen toen ze haar handen uitstak om zich ergens aan vast te grijpen, maar alles was vermolmd door de houtworm en verkruimelde in haar greep.
Ze viel onbeholpen door de houtwormgedeelten op iets zachts. Hier was de geur van verrotting aanmerkelijk sterker; ze moest ervan kokhalzen.
Ze stak haar hand uit om zich op te richten en voelde aan alle kanten slijm en kou. Het leek wel of ze gedumpt was in een kist met gedeeltelijk schoongemaakte vis. Boven haar scheen het beangstigende licht door de vloerplanken en verlichtte haar ligplaats. Ze keek, hoewel ze dat eigenlijk niet wilde. Ze lag midden in de resten van een man, zijn lichaamsdelen her en der verspreid door al wat hem had aangevreten. Ze wilde krijsen. Haar eerste impuls was haar blouse en rok van zich af te rukken, die allebei onder de kleverige troep zaten. Maar ze kon niet naakt zijn, niet voor het oog van de zoon van het witte doek.
‘Het’ keek nog steeds op haar neer.
‘Nu weet je het,’ zei het ding verslagen.
‘Dit ben je…’
‘Dit is het lichaam dat ik eens heb bewoond, ja. Zijn naam was Barberio. Een misdadiger, niet spectaculair. Hij had weinig verlangens.’
‘En wie ben jij?’
‘Zijn kanker. Ik ben het deel van hem dat wél grote verwachtingen had, dat meer wenste te zijn dan een nederige cel. Ik ben een droomziekte. Geen wonder dat ik dol ben op films.’
De zoon van het witte doek huilde over de rand van de kapotte vloer en toonde zijn ware gedaante nu het niet langer zin had een droombeeld te creëren.
‘Het’ was een smerig ding; een tumor, dik geworden van verspilde hartstocht. Een parasiet in de gedaante van een slak, met de structuur van rauwe lever. Even vormde zich aan het hoofdeind een slordig gevormde, tandeloze mond die zei: ‘Ik zal een nieuwe manier moeten vinden om je ziel te verslinden.’
‘Het’ kwam naast Birdy in de kruipruimte neer. Zonder de glinsterende jas in technicolor had het ding de omvang van een klein kind. Birdy deinsde achteruit toen ‘het’ een voelspriet uitstak om haar aan te raken, maar ze kon die maar tot op zekere hoogte ontwijken. De kruipruimte was smal en werd verderop versperd door dingen die eruitzagen als kapotte stoelen en afgedankte gebedenboeken. Ze kon alleen maar wegkomen langs de weg die ze gekomen was, en die bevond zich ruim vier meter boven haar hoofd.
Tastend raakte de kanker haar voet aan, en ze moest overgeven. Ze kon er niets aan doen, hoewel ze zich schaamde voor zo’n primitieve reactie.
Het boezemde haar een afschuw in die ze nooit eerder had ervaren; ‘het’ deed denken aan iets dat was geaborteerd.
‘Sodemieter op,’ zei ze, en ze schopte naar het hoofd van het ding, maar ‘het’ bleef komen en de diarreeachtige massa bewoog zich over haar benen. Ze kon de kolkende beweging van zijn binnenste voelen terwijl het ding haar bekroop.
De massa op haar buik deed bijna sensueel, en hoewel haar eigen gedachten haar tegenstonden, vroeg ze zich vagelijk af of een dergelijk ding naar sex zou kunnen verlangen. De vasthoudendheid waarmee de telkens van vorm veranderende voelsprieten tot haar huid doordrongen, teder onder haar blouse tastten en zich uitrekten om haar lippen aan te raken, kon je alleen maar interpreteren als verlangen. Laat het maar komen, dacht ze, laat maar komen als het zo nodig moet.
Ze liet het ding over zich heen kruipen totdat ‘het’ zich geheel op haar lichaam bevond, terwijl ze al die tijd de impuls bedwong om het ding van zich af te gooien. Toen opende zich haar val.
Ze rolde op haar buik.
De laatste keer dat ze zich had gewogen woog ze 225 pond, en waarschijnlijk was ze nu zwaarder. Het ding was onder haar voordat het zich kon realiseren wat er aan de hand was, en uit de poriën sijpelde het dikke sap van tumoren.
Het ding vocht, maar kon niet onder haar vandaan komen, hoewel het zich in allerlei bochten wrong. Birdy sloeg haar nagels in de massa en rukte aan de zijkanten, waar sponsachtige stukken losraakten en nog meer vocht begon te stromen. Het gejank van kwaadheid ging over in gejank van pijn. Na een poosje hield de droomziekte op met vechten. Birdy bleef even stil liggen. Onder haar bewoog niets.
Ten slotte kwam ze overeind. Het was onmogelijk te constateren of de tumor dood was. Volgens voor haar begrijpelijke normen had ‘het’ niet eens geleefd. Ze was trouwens niet van plan het ding nog aan te raken.
Ze zou nog liever met de duivel zelf worstelen dan Barberio’s kanker een tweede keer te omhelzen. Ze keek op naar de gang boven haar en werd wanhopig. Moest ze nu net als Barberio ook hier sterven? Toen, terwijl ze neerkeek op haar vijand, zag ze het rooster. Het was niet te zien geweest toen het buiten nog donker was. Het werd nu ochtend en vuil licht kroop door de tralies naar binnen.
Ze boog zich voorover naar het rooster, duwde zo hard ze kon, en plotseling was het dag in de kruipruimte rondom haar. Het was een hele toer om door de nauwe opening te komen en steeds dacht ze dat ze het ding over haar benen voelde kruipen, maar ze hees zich de wereld in, met als enige klacht een paar gekneusde borsten.
Het braakliggende terrein was nauwelijks veranderd sinds Barberio’s bezoek. Er stonden alleen nog meer brandnetels. Ze bleef even staan en ademde diep de frisse lucht in. Toen liep ze naar de schutting en de straat erachter.
Toen de dikke vrouw met verwilderde blik en stinkende kleren op weg ging naar huis, liepen zowel krantenjongens als honden met een wijde boog om haar heen.
DRIE: GECENSUREERDE SCÈNES
Het was nog niet afgelopen. Even na halftien ging de politie naar het bioscoopgebouw. Birdy ging met hen mee. De zoektocht bracht de verminkte lichamen van Dean en Ricky aan het licht, alsmede de stoffelijke resten van ‘Sonny’ Barberio. Boven vonden ze een rode schoen.
Birdy zei niets, maar ze wist wat er gebeurd was. Lindi Lee was nooit weggegaan.
Birdy moest terechtstaan voor een dubbele moord waarvan niemand geloofde dat ze die had begaan en werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Op bevel van de rechtbank werd ze voor een periode van niet minder dan twee jaar onder psychiatrische behandeling gesteld. De vrouw had dan misschien geen moord gepleegd, maar het was duidelijk dat ze volslagen krankzinnig was. Vertelsels over wandelende kankergezwellen zijn niet goed voor je reputatie.
In de vroege zomer van het daaropvolgende jaar at Birdy een week lang niet. Het grootste deel van het lichaamsgewicht dat ze verloor bestond uit water, maar het was voldoende om haar vrienden ervan te overtuigen dat ze eindelijk het Grote Probleem zou aanpakken.
Dat weekend was ze vierentwintig uur lang zoek.
Birdy vond Lindi Lee in een verlaten huis in Seattle. Het was niet zo moeilijk geweest haar op te sporen. De afgelopen tijd was voor de arme Lindi bijzonder moeilijk geweest. Haar ouders hadden al een paar maanden eerder de moed opgegeven haar te vinden. Alleen Birdy was blijven zoeken; ze betaalde een detective om het meisje te vinden en mocht ten slotte de tere schoonheid aanschouwen. Ze was breekbaarder dan ooit, maar nog steeds mooi zoals ze daar in die kale kamer zat. De lucht gonsde van de vliegen. Een drol, misschien wel van een mens, lag midden in de kamer op de grond.
Birdy had haar revolver al in de aanslag voordat ze de deur opendeed.
Lindi Lee keek op vanuit haar gepeins, of misschien het gepeins van het ding, en glimlachte naar haar. Totdat de parasiet in Lindi Lee het gezicht van Birdy herkende, de revolver in haar hand zag, en heel goed besefte wat ze kwam doen.
‘Zo zo,’ zei ‘het’, terwijl het zijn bezoeker tegemoetkwam. Lindi Lees ogen barstten, haar mond barstte, haar schaamstreek en achterwerk, haar oren en neus – alles barstte, en de tumor stroomde in schokkende roze stroompjes uit haar naar buiten. Hij kroop uit haar melkroze borsten, uit een snee in haar duim, uit een schaafwond op haar dij. Waar Lindi Lee open was, kwam hij te voorschijn.
Birdy richtte en schoot drie keer. De kanker strekte zich uit in haar richting, viel terug, wankelde en zakte ineen. Toen het eenmaal stil was, nam Birdy weloverwogen de fles zoutzuur uit haar zak, draaide de dop eraf en leegde de schroeiende inhoud zowel boven de tumor als boven het menselijke lichaam. ‘Het’ gaf geen kik toen het oploste. Ze liet het geval liggen in een plas zonlicht, en een prikkelende walm steeg op uit de bizarre verstrengeling.
Toen haar taak was volbracht liep ze de straat op en vervolgde vol vertrouwen haar weg. Ze had zich vast voorgenomen nog lang te blijven leven nadat de aftiteling van deze vreemde komedie over het scherm was gerold.