Oranje blanje beu
Geestig dat er in Obdam, een dorp ergens diep in de Noord-Hollandse jungle, een pastoor geschorst is omdat hij op de zondag van de finale een zogenaamde Oranjemis heeft opgedragen. Hij heeft staand op het altaar de bal hooggehouden terwijl de wave door de kerkbanken ging. De orgelpijpen waren vuvuzela’s, de miswijn was Budweiser-bier en de hosties waren vervangen door worstenbroodjes. Verder hing Jezus in een oranje luier aan zijn kruis. Op YouTube zag ik dat de kerk stampvol zat. De kerkgangers hadden allemaal van die treurige vlaggetjes op hun wangen. Oranjesupporters dus. Afgelopen dinsdag sjouwden ze weer door onze hoofdstad omdat hun helden een rondvaart door de grachten maakten. De broedende waterhoentjes, de brood zoekende eenden en zacht door het water glijdende zwanen waren van slag.
„Dat is toch alleen voor kampioenen?” vroeg de zwaan aan het waterhoen. „Dat heb ik ook altijd van mijn ouders gehoord”, bemoeide het kleine eendje zich er mee. Al gauw ging het over de verse burgemeester Eberhard, die nog een beetje nerveus was over zijn eerste grote evenement en de massa wilde spreiden. Vandaar de rondvaart. „Maar dan beledig je toch de kampioenen uit ’88?” opperde het waterhoen, „dit is toch heel frusterend voor die jongens van toen!” „Huldigingsinflatie”, sprak de oude zwaan goedmoedig. Hij vroeg zich af waarom de bestuursleden van de KNVB dit wilden. „De oude Michels, de grote voetbalgeneraal, kijkt van boven diep verdrietig toe”, stamelde het oude waterhoen, die van allerlei supportersafval een oranje nest bouwde. Een donzig klein eendje piepte of dit het Nederlands elftal was, maar zijn vader bromde op Amsterdamse toon: „Nee, Gele Kaartclub Schoppen Troef.” „En wat doen ze dan als ze ooit echt wereldkampioen worden?” vroeg de vrouwtjeszwaan bescheiden. Niemand wist het. Het enige waar iedereen het over eens was was dat de nieuwe burgemeester geen verstand van sport had omdat je een tweede plaats niet zo uitbundig huldigt en dat het bestuur van de KNVB niet van echte kampioenen hield. Anders hadden ze de ploeg uit 1988 niet zo diep gekwetst.
„Wat vindt u?” vroegen ze aan de oude wijze reiger, die vanaf een zenuwachtige woonboot rustend op één poot had zitten luisteren. „Ik vind niks”, sprak de oude reiger, „het is al raar dat ik als reiger al jaren volledig mak in de stad verblijf en dat ik dit dronken geschreeuw van die met dikke buiken gevulde brulshirts probleemloos aankan. Ik vlieg nergens meer van op. Het enige dat ik weet is dat de mens behoefte heeft aan dom feesten. Zoveel mogelijk carnaval, Elfstedentocht en Koninginnedag tegelijk. Zuipen en lallen. Dan zijn ze zielsgelukkig. De werkelijke prestatie doet er niet toe. Niet alleen bij het domme supportersvolk, maar ook bij de burgemeester en de bestuursleden. Het gaat om geld. Massa’s mensen! Massa’s zijn goed voor de sponsors omdat die massa’s dan allemaal tegelijk hun naam lezen. Als ze kunnen lezen. Het betekent het absolute einde van deze beschaving. Als zelfs de noodlijdende kerk Oranjemissen gaat opdragen om het hoofd boven water te kunnen houden, dan weet je dat we aan het eind zitten. Voetballerssalarissen van negen miljoen euro per uur, de vrouw van Wesley die belangrijker is dan het spel van Wesley, stadions in Afrika zonder negers omdat die de toegangsprijzen van 900 dollar voor het goedkoopste kaartje niet kunnen betalen, de kickbokser Nigel de Jong die slechts een gele kaart in plaats van negen jaar Robbeneiland voor zijn moordaanslag krijgt en de blatende Blatter die ijdelgeil handjes komt schudden voor de finale….het is klaar en ik voorspel het einde van deze beschaving!” „Echt?” riepen de eendjes, „hoe kom je aan die wijsheid?”
„Ach”, zei de oude reiger terwijl hij zijn vleugels spreidde om een paar weken met vakantie te gaan, „ik heb het ook niet van mezelf. Ik hoorde dit vannacht van iemand op de bodem van de Herengracht!”
„Van wie?” kwetterden de vogels. „Van een oude octopus!”