Hoofdstuk 14

 

 

 

 

 

Oom Hughs limousine stond even buiten Guildford te wachten, aan de kant van de weg.

Zodra Jordan en zijn twee man sterke escorte van Scotland Yard aan kwamen rijden in een Mercedes, zwaaiden de deuren van de limousine open. Jordan stapte uit de Mercedes en nam plaats op de achterbank van de limousine. Daar werd hij vergast op een kritische blik van zijn oom.

‘Het lijkt erop dat ik met pensioen ben gegaan puur om mijn leven te kunnen wijden aan het redden van jóúw hachje.’

‘Ik ben ook blij om jou weer te zien,’ riposteerde Jordan. ‘Waar is Richard?’

‘Present,’ zei een stem van achter het stuur. Richard, in chauffeurstenue, draaide zich grijnzend naar hem om. ‘Dit trucje heb ik geleerd van een zeker toekomstig familielid. Waar is Clea Rice?’

‘Ik weet het niet,’ antwoordde Jordan. ‘Maar ik heb wel een vermoeden. Hebben jullie kunnen nagaan welke schepen vandaag in Portsmouth binnen komen en er vertrekken?’

‘Er vertrekt een schip genaamd de Villafjord rond middernacht. Dat geeft ons ruim voldoende tijd om het vertrek tegen te houden.’

‘Waarom al die belangstelling voor de Villafjord?’ wilde oom Hugh weten. ‘Wat is er aan boord?’

‘Zomaar een gok? Een fortuin aan kunst.’ Binnensmonds voegde Jordan eraan toe: ‘En een zekere kleine inbreekster.’

Richard draaide de snelweg op naar Portsmouth. ‘Ze zal de hele operatie in gevaar brengen. Je had haar tegen moeten houden.’

‘Ha! Alsof ik dat had gekund! Zoals je misschien al begrepen zult hebben, laat ze zich niet zo makkelijk commanderen.’

‘Ja, ik heb het een en ander gehoord over Miss Rice,’ zei oom Hugh. ‘Ze werkt niet echt mee, hè?’

‘Ze vertrouwt niemand. Richard niet, de autoriteiten niet.’

‘Ze vertrouwt jóú inmiddels toch zeker wel?’

Jordan keek voor zich uit naar de donkere weg en zei zachtjes: ‘Ik dacht van wel…’ Maar het was niet zo. Als het erop aankwam, koos ze ervoor om alleen te werken. Zonder hem. Hij begreep haar niet. Ze was net een of ander diertje uit het bos: altijd klaar om te vluchten, altijd wantrouwig tegenover een mensenhand. Ze wílde niet in hem geloven.

Dat ze zijn horloge had gestolen, o, daarvan begreep hij de achterliggende gedachte wel. Het was deels een uitdaging en deels een wanhoopsdaad. Ze probeerde hem van zich af te duwen, op de proef te stellen. Ze was gek genoeg om hem op de proef te stellen. En kwetsbaar genoeg om verdrietig te zijn als hij niet slaagde voor de test.

Ik had het moeten weten. Ik had het moeten zien aankomen.

Nu was hij kwaad op zichzelf, op haar, op alle omstandigheden die hen voortdurend uit elkaar dreven. Haar verleden. Haar wantrouwen ten opzichte van hem. Zijn wantrouwen ten opzichte van háár.

Misschien had ze van het begin af aan gelijk gehad. Misschien was er niets wat hij kon doen, niets wat zij kon doen, om hen hierdoorheen te helpen.

Met nieuwe bezorgdheid keek hij naar een verkeersbord dat buiten voorbijschoot. Nog vijfenveertig kilometer naar Portsmouth.

 

MacLeod en de politie stonden al te wachten op de kade.

‘We zijn te laat,’ zei MacLeod, terwijl oom Hugh en Jordan uit de limousine stapten.

‘Hoezo, “te laat”?’ vroeg Jordan.

‘Dit is de jonge Tavistock, neem ik aan?’ vroeg MacLeod.

‘Mijn neef Jordan,’ antwoordde oom Hugh. ‘Wat is er gebeurd?’

‘We zijn een paar minuten geleden aangekomen. De Villafjord had om middernacht zullen vertrekken vanaf deze kade.’

‘Waar is ze dan?’

‘Dat is juist het probleem. Ze schijnt twintig minuten geleden al uitgevaren te zijn.’

‘Maar het is pas halftien.’

MacLeod schudde zijn hoofd. ‘Kennelijk hebben ze de plannen gewijzigd.’

Jordan tuurde over de donkere haven. Er stond een kille wind vanaf het water, die aan zijn overhemd trok en het zout van de zee in zijn gezicht blies. Ze is daar ergens. Dat voel ik. En ze is alleen. Hij wendde zich tot MacLeod. ‘Jullie moeten haar onderscheppen.’

‘Op zee? Dat zou me een grootscheepse operatie worden! We hebben nog geen harde bewijzen. Niets om zo’n actie te rechtvaardigen.’

‘Harde bewijzen zijn op de Villafjord te vinden.’

‘Dat risico kan ik niet nemen. Als ik zonder reden in actie kom tegen Van Weldon, zullen zijn advocaten mijn onderzoek definitief stilleggen. We moeten wachten tot ze aanmeert in Napels. De Italiaanse politie ervan zien te overtuigen om aan boord te gaan.’

‘Tegen die tijd is het misschien al te laat! MacLeod, dit zou wel eens een gouden kans kunnen blijken. Onze énige kans. Als we Van Weldon willen grijpen, moeten we nú toeslaan.’

MacLeod keek naar oom Hugh. ‘Wat vindt Lord Lovat ervan?’

‘We zouden de hulp van de marine nodig hebben. Een helikopter of twee. O, dat is wel te regelen. Maar als er geen bewijzen aan boord blijken te zijn, als blijkt dat we jacht maken op een lading koekjes, dan maken we onszelf onsterfelijk belachelijk.’

‘Ik weet zeker dat de bewijzen aan boord zijn,’ zei Jordan. ‘En Clea is daar ook.’

‘Is het je dáár eigenlijk om te doen?’ vroeg oom Hugh. ‘Om die vrouw?’

‘Wat als dat zo zou zijn?’

‘We zetten niet een operatie van deze omvang op touw alleen omdat een of andere losgeslagen vrouw zich in de nesten gewerkt heeft,’ zei MacLeod. ‘Als we te vroeg toeslaan, is onze kans om Van Weldon te pakken te krijgen verkeken.’

‘Hij heeft gelijk,’ zei oom Hugh. ‘Er wegen te veel andere factoren mee. De vrouw mag niet onze voornaamste zorg zijn.’

‘Ga nou niet beginnen over wie we wel kunnen missen en wie niet!’ viel Jordan uit. ‘Ze is niet een van jouw agenten. Ze heeft nooit een eed afgelegd om koningin en vaderland te verdedigen. Ze is een burger, en je kunt haar daar niet aan haar lot overlaten. Ik laat haar daar niet aan haar lot over!’

Verwonderd keek oom Hugh hem aan. ‘Betekent ze dan zo veel voor je?’

Jordans blik kruiste de zijne. Het antwoord was nog nooit zo helder geweest als op dit moment, met de wind die hun gezichten geselde, in de nacht die met de minuut kouder en donkerder werd. ‘Ja,’ antwoordde hij resoluut. ‘Zo veel betekent ze voor me.’

Zijn oom keek naar de lucht. ‘Het ziet ernaar uit dat we slecht weer krijgen. Dat zal de zaak compliceren.’

‘Maar… maar ze zullen al mijlenver op zee zijn tegen de tijd dat we hen bereiken,’ bracht MacLeod naar voren. ‘Buiten Engelse territoriale wateren. Er bestaat geen enkele manier om legaal het schip te doorzoeken.’

‘Legáál niet, nee,’ beaamde Jordan.

‘Denk je soms dat ze ons gewoon aan boord zullen uitnodigen om het schip uit te kammen?’

‘Ze zullen niet weten dat het uitgekamd wordt.’ Hij wendde zich tot zijn oom. ‘Ik heb een marinehelikopter nodig. En een team van vrijwilligers om aan boord te gaan.’

Oom Hugh nam hem bezorgd op. ‘Je zult niet op de steun van de autoriteiten hoeven rekenen. Begrijp je dat?’

‘Ja.’

‘Als er iets misgaat –’

‘– zal de marine mijn bestaan ontkennen. Dat weet ik.’

Oom Hugh schudde zijn hoofd, zijn beslissing overpeinzend. ‘Jordan, je bent mijn enige neef…’

‘En met een stamboom als de onze kunnen we onmogelijk falen, of wel?’ Glimlachend en vol vertrouwen gaf hij zijn oom een kneepje in de schouder.

Oom Hugh zuchtte. ‘Die vrouw moet wel heel bijzonder zijn.’

‘Ik zal je aan haar voorstellen,’ beloofde Jordan hem. Zijn blik dwaalde weer naar het water. ‘Zodra ik haar van dat verrekte schip af heb gehaald.’

 

De mannenstemmen verplaatsten zich en stierven weg in de gang.

Clea bleef als verstijfd bij de deur staan, wikkend en wegend of ze het risico zou nemen om de opslagruimte te verlaten. Voordat ze aanmeerden, zou ze een nieuwe schuilplaats moeten vinden. Uiteindelijk zou er iemand bij de lading komen kijken, en wanneer dat gebeurde, was in een krat opgesloten zitten wel het laatste wat ze wilde.

De kust leek veilig. Ze glipte de opslagruimte uit en liep in tegengestelde richting van de mannen. Benedendeks bleek het een verwarrend doolhof van gangen en luiken te zijn. Waar moest ze nu heen?

Het antwoord op die vraag kwam in de vorm van voetstappen. In paniek deed ze de eerste de beste deur open en glipte naar binnen. Tot haar ontsteltenis bleek ze zich in de kleedruimte van de bemanning te vinden. En de voetstappen kwamen steeds dichterbij. Ze snelde naar de rij kluizen, opende een deur en perste zichzelf erin. Het was er nog krapper dan het in het krat was geweest. Ze zat tegen een berg stinkende T-shirts en een nog veel erger stinkend paar tennisschoenen aan gedrukt.

Door de ventilatiesleufjes zag ze twee mannen de hut binnen komen. Een van hen liep naar de kluizen toe. Ze slaakte bijna een kreet van opluchting toen hij de deur pal naast de hare opendeed.

‘Er schijnt slecht weer aan te komen,’ zei de man, terwijl hij een regenjas aantrok.

‘Allemachtig, ze loopt nu al vijfentwintig knopen.’

De mannen – intussen allebei in regenkleding – verlieten de kleedruimte.

Ze kwam uit de kluis tevoorschijn. Ze kon niet van de ene hut naar de andere blijven vluchten; ze zou een meer permanente schuilplaats moeten vinden. Een plek waar ze met rust gelaten zou worden.

De reddingsboten. Die had ze in films wel eens als schuilplaats gebruikt zien worden. Tenzij zich een noodgeval voordeed aan boord, zou ze daar veilig zitten totdat ze ergens aanmeerden.

Ze neusde rond in de kluizen en haalde uit een ervan een schippersjack en een zwarte pet. Vervolgens, met haar hoofd bedekt en haar tengere gestalte in de jas gewikkeld, sloop ze de kleedruimte uit en begon de trap naar het dek te beklimmen.

Het waaide, en de wind blies een nevel van druppeltjes over het dek. In het donker kon ze een aantal mannen zien lopen. Twee waren bezig een luik vast te snoeren; een derde stond door een verrekijker over de reling te turen. Geen van hen keek in haar richting. Aan stuurboord zag ze twee reddingsboten op het dek liggen, allebei met zeil afgedekt. Niet alleen zou ze daar uit het zicht zitten, maar ook droog. Zodra de Villafjord Napels bereikte, zou ze stilletjes aan wal kunnen gaan.

Ze trok het schippersjack dichter om zich heen en begon rustig en doelbewust naar de reddingsboten te lopen.

Trott stond op de brug en keek vanachter de glazen ruit naar de naderende storm. Hoewel de kapitein hem had verzekerd dat de Villafjord geen hinder zou ondervinden van het slechte weer, kon Trott een groeiend gevoel van onrust niet van zich afzetten.

Het was duidelijk dat Van Weldon zijn sombere voorgevoel niet deelde. De oude man zat kalm naast hem op de brug. De zuurstof siste zachtjes in zijn neusslangetje. Van Weldon maakte zich niet druk over zoiets triviaals als een storm op zee. Wat had hij op zijn leeftijd, met zijn slechte gezondheid, nog te vrezen?

‘Wordt het nog veel erger dan dit?’ vroeg Trott aan de kapitein.

‘Nee, dat verwacht ik niet. Ze zal zich er wel doorheen slaan. Maar als u dat liever hebt, kunnen we ook teruggaan naar Portsmouth.’

‘Nee,’ mengde Van Weldon zich in het gesprek, ‘dat kan niet.’ Plotseling begon hij te hoesten.

Iedereen op de brug wendde vol afgrijzen het gezicht af, toen de oude man in een zakdoekje rochelde.

Ook Trott draaide zijn hoofd om, en hij richtte zijn blik op het hoofddek beneden, waar drie mannen voorovergebogen in de wind aan het werk waren. Op dat moment zag hij de vierde gestalte die aan de stuurboordzijde over het dek bewoog. Hij liep onder de gloed van een deklamp door en glipte weg in de schaduw. Bij de eerste reddingsboot bleef de gestalte staan, keek om zich heen en begon het dekzeil los te maken.

‘Wie is dat?’ vroeg Trott op scherpe toon. ‘Die man bij de reddingsboot?’

De kapitein fronste. ‘Die herken ik niet.’

Direct liep Trott naar de deur.

‘Mr. Trott?’ riep de kapitein hem achterna.

‘Laat mij dit maar afhandelen.’

Tegen de tijd dat hij het dek bereikte, had hij zijn automatische pistool al geladen en in de aanslag.

De gestalte was verdwenen. Het zeil dat over de reddingsboot heen lag, zat aan één kant los.

Hij sloop dichterbij. Met een ruk trok hij het zeil opzij, en hij richtte zijn pistool op de schaduw die ineengedoken in de boot lag. ‘Eruit!’ snauwde hij. ‘Kom er onmíddellijk uit.’

Langzaam kwam de gestalte overeind en hief zijn hoofd. In de gloed van de deklamp zag Trott de doodsangst op dat verrassend bekende gezicht.

‘Nee maar, als dat de ongrijpbare Miss Clea Rice niet is,’ zei Trott. En hij glimlachte.

 

De cabine was groot, rijk gemeubileerd en voorzien van alle luxe en gemakken die je in een chique zitkamer zou verwachten. Alleen het heen en weer slingeren van de kroonluchter aan het plafond verried dat dit vertrek zich aan boord van een schip bevond.

De stoel waar Clea op vastgebonden zat, was bekleed met groen fluweel, en de armleuningen waren van bewerkt mahoniehout. Hier zullen ze me vast niet vermoorden, dacht ze. Ze zullen vast niet willen dat al dit dure antiek onder het bloed komt te zitten.

Trott legde de inhoud van haar rugzak en broekzakken op een tafel en bekeek de verzameling inbraakgereedschap. ‘Ik zie dat je overal aan gedacht hebt,’ merkte hij droog op. ‘Hoe ben je aan boord gekomen?’

‘Beroepsgeheim.’

‘Ben je alleen?’

‘Dacht u dat ik u dat ging vertellen?’

In twee snelle stappen was hij bij haar. De klap die hij haar in het gezicht gaf was zo hard, dat haar hoofd naar achteren sloeg. Heel even was ze te versuft om ook maar iets te kunnen uitbrengen.

‘Kom kom, Miss Rice,’ zei Van Weldon piepend, ‘u wilt Mr. Trott vast niet nog bozer maken dan hij al is. Hij kan hoogst onaangenaam zijn als hij boos is.’

‘Dat heb ik gemerkt,’ zei ze kreunend. Ze kneep haar ogen tot spleetjes en richtte haar wazige blik op Van Weldon. Hij was breekbaarder dan ze had verwacht. En oud, erg oud. Er liep een zuurstofslang van zijn neus naar een groene tank die achter aan zijn rolstoel hing. Zijn handen zaten vol blauwe plekken; de huid was dun als papier. Dit was een man die nog maar amper het leven had. Wat had hij te verliezen als hij haar zou vermoorden?

‘Ik zal het nog een keer vragen,’ zei Trott. ‘Ben je alleen?’

‘Ik heb een heel regiment mariniers meegebracht.’

Opnieuw gaf hij haar een klap. Het was alsof er honderden lichtflitsen door haar hoofd schoten.

‘Waar is Jordan Tavistock?’ vroeg hij.

‘Dat weet ik niet.’

‘Zijn jullie hier samen gekomen?’

‘Nee.’

Hij pakte Jordans gouden horloge en klapte het open. Hardop las hij de inscriptie voor: ‘Bernard Tavistock.’ Hij keek naar haar. ‘Heb je enig idee waar hij is?’

‘Ik heb al gezegd dat ik dat niet weet.’

Hij hield het horloge in de lucht. ‘Wat moet je hier dan mee?’

‘Ik heb het gestolen.’

Hoewel ze zich schrap zette voor de naderende klap, benam de kracht van zijn vuist haar de adem. Bloed druppelde langs haar kin. Duizelig en verbaasd keek ze naar de rode druppels die bij haar voeten in het hoogpolige tapijt vielen. Wat ironisch, dacht ze. Nu vertel ik hem eindelijk de waarheid, en dan gelooft hij me niet.

‘Hij werkt nog steeds samen met jou, hè?’ vroeg Trott.

‘Hij wil niets meer met me te maken hebben. Ik ben bij hem weggegaan.’

Trott wendde zich tot Van Weldon. ‘Ik denk dat Tavistock nog steeds een bedreiging vormt. Laat de prijs op zijn hoofd maar gewoon staan.’

Met een ruk keek ze op. ‘Nee. Nee, hij staat hier volledig buiten!’

‘Hij is de afgelopen week voortdurend in jouw gezelschap geweest.’

‘Pech voor hem.’

‘Waarom waren jullie samen?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Lust?’

‘En dat moet ik geloven?’

‘Waarom niet?’ Opstandig hield ze haar hoofd scheef. ‘Ik heb wel meer mannen het hoofd op hol gebracht.’

‘Hier schieten we niks mee op!’ zei Van Weldon. ‘Gooi haar overboord.’

‘Ik wil weten wat ze heeft ontdekt. Wat Tavistock heeft ontdekt. Anders weten we niet waar we mee te maken hebben. Stel dat Interpol –’ Abrupt draaide hij zich om.

De intercomzoemer ging.

Trott liep naar de andere kant van de cabine om op de knop te drukken. ‘Ja, kapitein?’

‘We hebben een klein probleempje, Mr. Trott. Er ligt een schip van de koninklijke marine langszij. Ze vragen toestemming om aan boord te komen.’

‘Waarom?’

‘Ze beweren dat ze alle uitgaande schepen vanuit Portsmouth doorzoeken om te zien of er een of andere IRA-terrorist aan boord is. Ze denken dat hij misschien als bemanningslid heeft aangemonsterd.’

‘Verzoek afgewezen,’ zei Van Weldon bedaard.

‘Er is ook een helikopter bij,’ zei de kapitein. ‘En er is een tweede schip onderweg.’

‘We zijn de twintigkilometergrens voorbij,’ zei Van Weldon. ‘Ze hebben het recht niet om aan boord te komen.’

Sir, zou ik u mogen adviseren om mee te werken?’ zei de kapitein. ‘Het klinkt als een routineonderzoek. U weet hoe het is. De Britten jagen voortdurend op IRA-leden. Waarschijnlijk zullen ze alleen de bemanning even willen bekijken. Als we weigeren, zal dat achterdocht wekken.’

Trott en Van Weldon wisselden een blik.

Uiteindelijk knikte Van Weldon.

‘Laat alle mannen zich verzamelen aan dek,’ zei Trott in de intercom. ‘De Britten mogen hen uitgebreid bekijken. Maar daar blijft het dan ook bij.’

‘In orde, sir.’

Trott wendde zich tot Van Weldon. ‘We kunnen maar beter allebei naar het dek gaan om hen te ontmoeten. En Miss Rice…’ Hij keek naar haar.

‘Die zal moeten wachten,’ zei Van Weldon. Hij reed zijn rolstoel naar de privélift aan de andere kant van de cabine. ‘Zorg ervoor dat ze ergens veilig wordt opgesloten. Ik zie je straks op de brug.’ Nadat hij de rolstoel de lift in had gemanoeuvreerd, schoof hij het hek dicht. Met een piepend geluid werd hij door de hydraulische lift naar boven gehesen.

Trott keek naar Clea’s geïmproviseerde handboeien en trok de touwen om haar polsen zo strak aan, dat ze een kreet van pijn slaakte. Vervolgens plakte hij vlug en doeltreffend met tape haar mond dicht. ‘Dat zou afdoende moeten zijn,’ zei hij met een tevreden grijns, en hij liep de cabine uit.

Zodra de deur achter hem was dichtgegaan, begon ze aan het touw te trekken. Na haar polsen een paar keer op een pijnlijke manier gedraaid te hebben, realiseerde ze zich dat het hopeloos was. Ze kon zichzelf niet bevrijden. Tranen van frustratie liepen over haar wangen, toen ze zich achterover liet vallen op haar stoel. Zo meteen zou de koninklijke marine aan boord komen. Die mensen zouden nooit weten, nooit kunnen vermoeden, dat zich vlak onder hun voeten een slachtoffer in nood bevond. Zo dichtbij en toch zo ver weg. Ze klemde haar kaken op elkaar en begon opnieuw kracht aan het touw te trekken.

 

‘Weet je zeker dat je met ons mee aan boord wilt gaan?’

Jordan tuurde door de ramen van de helikopter naar het dek van de Villafjord onder hen. De landing, op vijandig terrein, zou ruw zijn, maar met al die wind en het duister als dekmantel was er een redelijke kans dat niemand daarbeneden hem zou herkennen. ‘Ik ga mee,’ antwoordde hij.

‘Je hebt hooguit twintig minuten,’ zei de marineofficier tegenover hem. ‘En dan zijn we daar weg. Met of zonder jou.’

‘Dat begrijp ik.’

‘Wettig gezien is de basis voor deze operatie toch al wankel. Als Van Weldon een klacht bij de legerleiding indient, zijn we nog niet jarig.’

‘Twintig minuten. Daar zal ik het mee moeten doen.’ Hij trok de zwarte muts verder over zijn voorhoofd. Het geleende marine-uniform zat een beetje te strak om zijn schouders, en het automatische pistool voelde ongemakkelijk en vreemd tegen zijn borst, maar beide waren absoluut noodzakelijk als hij aan dit toneelstuk wilde meedoen.

Jammer genoeg hadden de andere zeven mannen die aan boord zouden gaan – allemaal marineofficiers – duidelijk hun twijfels over de amateur in hun gelederen; ze keken voortdurend naar hem met een uitdrukking die grensde aan minachting.

Hij negeerde hen en vestigde zijn aandacht op het brede dek van de Villafjord, dat nu pal onder het onderstel van de helikopter opdoemde.

Met een lastige manoeuvre zette de piloot hen aan dek. Meteen renden de mannen naar buiten, met Jordan in hun midden. De piloot, die de gevaren van een op en neer deinend dek kende, steeg weer op, waardoor het team tijdelijk op de Villafjord gestrand was.

Een man met blond haar liep op hen toe om hen te begroeten.

Jordan dook weg achter de andere mannen uit zijn team en wendde zijn gezicht af. Het zou verrekte onhandig zijn als hij al meteen werd herkend.

De hoogste officier in het gezelschap marineofficiers stapte naar voren om de blonde man een hand te geven. ‘Luitenant-ter-zee, tweede klasse, Tobias van de Koninklijke Marine.’

‘Simon Trott, vicepresident van de Van Weldon Shipping Company. Waarmee kunnen we u van dienst zijn, sir?’

‘We zouden uw bemanning graag inspecteren.’

‘Geen probleem. Ze hebben zich al op het dek verzameld.’ Trott wees naar de mannen die bij de trap naar de brug op een kluitje stonden.

‘Is iedereen aan dek?’

‘Iedereen behalve de kapitein en Mr. Van Weldon. Die zijn op de brug.’

‘Er is niemand meer benedendeks?’

‘Nee, sir.’

Luitenant-ter-zee Tobias knikte. ‘Laten we dan maar beginnen.’

Trott draaide zich om en ging hem voor.

Toen de rest van het gezelschap achter Trott aan liep, bleef Jordan een beetje achter, hopend op een kans om ertussenuit te knijpen.

Niemand zag hem de trap af gaan. Nu de hele bemanning aan dek was, had hij benedendeks vrij spel. Er was alleen niet veel tijd om te zoeken. Hij glipte de eerste de beste gang in, stak bij elke deur zijn hoofd naar binnen en riep overal Clea’s naam. Hij kwam langs de kleedruimte en de kooien van de bemanning, langs de eetzaal en de kombuis.

Geen spoor van Clea.

Toen hij doorliep naar achteren, stuitte hij op iets wat een opslagruimte leek te zijn. In het vertrek stonden tientallen kratten van verschillende afmetingen. Het deksel van een ervan stond op een kier. Hij nam het van het krat om erin te kijken en zag het bronzen hoofd van een beeld, ingepakt in donzig verpakkingsspul.

En een zwarte dameshandschoen.

Ingespannen keek hij het vertrek rond. ‘Clea?’

Er waren al tien minuten verstreken.

Met een opwellend gevoel van paniek liep hij verder door de gang, links en rechts deuren opengooiend, overal naar binnen kijkend. Er was nog maar zo weinig tijd over, en hij moest de machinekamer, het laadruim en wie weet wat nog meer doorzoeken. Boven zijn hoofd klonk een geronk dat steeds harder werd. De helikopter stond op het punt om weer te gaan landen.

Hij kwam bij een mahoniehouten deur met een bordje PRIVÉ erop. De vertrekken van de kapitein? Toen hij aan de deur voelde, constateerde hij dat die op slot zat. Hij bonsde er een paar keer op en riep: ‘Clea?’

Er kwam geen reactie.

 

Ze hoorde het bonzen op de deur, en daarna Jordan, die haar naam riep. Ze probeerde antwoord te geven, probeerde te schreeuwen, maar haar mond was dichtgeplakt, en het enige geluid dat ze wist te maken, was een nauwelijks hoorbaar gejammer. In een vertwijfelde poging om naar hem toe te gaan, rukte ze als een bezetene aan het touw om haar polsen. Er zat totaal geen beweging in. Ze had geen gevoel meer in haar handen en voeten. Het was zinloos.

Laat me niet alleen, wilde ze schreeuwen. Laat me niet alleen!

Maar ze wist dat hij zich al van de deur had afgewend.

Wanhopig gooide ze zichzelf naar opzij. De stoel viel om, met haar erbij. Ze klapte met haar hoofd tegen een salontafel. De pijn was als een blikseminslag in haar hoofd, en ze lag als verdwaasd op de grond. Het werd zwart voor haar ogen. Uit alle macht probeerde ze te voorkomen dat ze het bewustzijn verloor, met ieder grammetje wilskracht dat ze bezat, maar het zwart voor haar ogen liet zich niet verdrijven.

Vaag hoorde ze gebonk. Telkens weer, als een drumritme in het donker.

Ze spande zich tot het uiterste in om iets te zien. Langzaam trok de zwarte nevel op. Ze kon de contouren van de meubels nu onderscheiden.

En ze besefte dat het gebonk van de andere kant van de deur kwam.

In een regen van splinters scheurde het hout ineens uiteen, doorkliefd door het rode blad van een brandbijl. Een tweede klap maakte een gapend gat in de deur. Er werd een arm naar binnen gestoken, en een hand morrelde aan het slot.

Het volgende moment kwam Jordan de cabine binnen. Hij wierp één blik op haar en mompelde: ‘Mijn God.’ Onmiddellijk was hij naast haar.

Haar handen waren zozeer verdoofd, dat ze het nauwelijks voelde toen hij het touw, dat in haar polsen sneed, doorknipte. Wat ze echter wel voelde, was zijn kus. Hij trok het tape van haar mond, tilde haar op en drukte zijn lippen op de hare. Terwijl ze snikkend in zijn armen lag, kuste hij haar haar, haar gezicht en mompelde haar naam, telkens weer.

Een zacht gepiep maakte dat hij zijn hoofd abrupt hief. Met een druk op de knop zette hij de semafoon uit die aan zijn riem hing. ‘Dat betekent dat we nog maar één minuut hebben. We moeten maken dat we hier wegkomen. Kun je lopen?’

‘Ik… Ik denk het niet. Mijn benen…’

‘Dan draag ik je wel.’ In één vloeiende beweging tilde hij haar op, en hij liep over het met houtsplinters bezaaide tapijt naar de deur, de cabine uit en de gang in.

‘Hoe komen we van het schip af?’ vroeg ze.

‘Op dezelfde manier als ik aan boord gekomen ben: met een marinehelikopter.’ Hij ging een hoek om.

En bleef plotseling staan.

‘Ik vrees, Mr. Tavistock,’ zei Trott, die hun de weg versperde, ‘dat u uw vlucht gaat missen.’