Hoofdstuk 4
‘Op nieuwe vrienden,’ zei Guy, terwijl hij Clea een glas overhandigde dat tot de rand toe gevuld was met champagne.
‘Op nieuwe vrienden,’ mompelde ze, en ze nam een slokje. De champagne was uitstekend. Als ze niet uitkeek, zou de drank haar naar het hoofd stijgen, en dat terwijl ze juist nu haar verstand erbij moest houden. Wat een lastige situatie! Hoe kon ze in vredesnaam de boel verkennen terwijl deze kleffe casanova praktisch aan haar vastgeplakt zat? Ze was van plan geweest hem alleen een paar inleidende beschietingen te laten doen, maar het was zonneklaar dat Guy Delancey veel meer in gedachten had dan alleen een onschuldige flirt.
Hij kwam naast haar zitten op de gebloemde divan – zo dichtbij, dat ze zijn gezicht eens goed kon bekijken. Voor een man van achter in de veertig was hij nog steeds tamelijk aantrekkelijk – zijn huid relatief strak, zijn haar nog steeds gitzwart. Maar de waterige ogen en uitgezakte kin getuigden van een losbandig leven.
Hij boog zich dichter naar haar toe, en ze moest zichzelf dwingen om niet vol walging achteruit te deinzen toen die ogen steeds dichterbij kwamen. Tot haar opluchting kuste hij haar niet – nog niet. De truc was om hem op een afstand te houden en tegelijkertijd zo veel mogelijk informatie uit hem los te peuteren.
Ze glimlachte koket. ‘Wat een schitterend huis heb je.’
‘Dank je.’
‘En al die kunst! Een indrukwekkende verzameling. Allemaal originelen, neem ik aan?’
‘Uiteraard.’ Trots wuifde hij naar de schilderijen aan de muren. ‘Ik struin alle veilinghuizen af. Als ze me bij Sotheby’s zien binnen komen, beginnen ze al verheugd in hun handen te wrijven. Uiteraard zijn dit niet de beste werken uit mijn collectie.’
‘Nee?’
‘Nee. De topstukken heb ik in mijn herenhuis in Londen. Daar ontvang ik ook de meeste mensen. Bovendien is het veel beter beveiligd.’
De moed zonk haar in de schoenen. Verdorie, bewaarde hij het dáár dan misschien? Dan had ze een hele week verspild, hier in Buckinghamshire.
‘Dat is een van mijn voornaamste zorgen op dit moment,’ mompelde hij, zich nog dichter naar haar toe buigend. ‘Veiligheid.’
‘Beveiliging tegen diefstal, bedoel je?’ vroeg ze op onschuldige toon.
‘Ik bedoel veiligheid in het algemeen. De wolf aan de deur. De kilte van een eenzaam bed.’ Hij boog zich naar haar toe en drukte zijn kleffe lippen op de hare – wat haar deed huiveren. ‘Ik ben al zo lang op zoek naar de juiste vrouw,’ fluisterde hij. ‘Een zielsverwant…’
Zijn er werkelijk vrouwen die vallen voor dit soort teksten, vroeg ze zich af.
‘En toen ik jou vandaag in de ogen keek, in die tent, dacht ik dat ik haar misschien gevonden had.’
Ze vocht tegen de neiging om in lachen uit te barsten en slaagde er met moeite in om zijn blik te beantwoorden met een blik die net zo doordringend was. Net zo smeulend. ‘Maar je moet nooit te hard van stapel lopen,’ mompelde ze.
‘Dat ben ik met je eens.’
‘Een hart is buitengewoon kwetsbaar. Vooral het mijne.’
‘Ja, ja! Ik weet het.’ Opnieuw kuste hij haar – hartstochtelijker deze keer.
Dit ging haar echt te ver. Ze deinsde achteruit, hijgend van woede.
Hij scheen totaal niet uit het veld geslagen te zijn. Sterker nog, hij leek haar hijgen op te vatten als een teken van passie.
‘Het is te vroeg, te snel,’ zei ze, happend naar adem.
‘Het is voorbestemd.’
‘Ik ben er nog niet aan toe.’
‘Dan help ik je een handje.’ Zonder waarschuwing greep hij een van haar borsten vast en begon die woest te kneden, alsof het een klomp brooddeeg was.
Ze schoot overeind en liep een eindje bij hem vandaan. Het was dat of hem op zijn gezicht slaan. Op dit moment gaf ze de voorkeur aan dat laatste. Met trillende stem zei ze: ‘Alsjeblieft, Guy. Misschien later. Als we elkaar wat beter kennen. Als ik het gevoel heb dat ik jóú ken. Als persoon, bedoel ik.’
‘Als persoon?’ Gefrustreerd schudde hij zijn hoofd. ‘Wat wil je precies weten?’
‘Gewoon, de kleine dingetjes die me vertellen wie je bent. Bijvoorbeeld…’ Ze draaide zich om en gebaarde naar de schilderijen. ‘Ik weet dat je kunst verzamelt, maar het enige wat ik weet, is wat ik aan deze muren zie hangen. Ik heb geen idee waar je door geraakt wordt, wat je mooi vindt. Of je nog andere dingen verzamelt. Naast schilderijen, bedoel ik.’ Vragend keek ze hem aan.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik verzamel antieke wapens.’
‘Dat bedoel ik nou.’ Glimlachend liep ze naar hem toe. ‘Dat vind ik fascinerend! Het vertelt me dat je een mannelijke avontuurlijke kant hebt.’
‘Is dat zo?’ Hij keek verheugd. ‘Ja, misschien wel.’
‘Wat voor soort wapens?’
‘Antieke zwaarden. Pistolen. Een paar dolken.’
Haar hart sloeg over toen ze hem dat laatste woord hoorde zeggen. Dolken. Ze ging nog dichter bij hem staan. ‘Antieke wapens zijn vreselijk erotisch, vind ik,’ zei ze zachtjes.
‘Echt waar?’
‘Ja, ze… ze roepen een beeld op van ridders op paarden, van jonkvrouwen in kasteeltorens.’ Ze klemde haar handen ineen en liet een duidelijk zichtbare siddering van opwinding door haar lichaam gaan. ‘Ik krijg er kippenvel van als ik er alleen al aan denk.’
‘Ik had geen idee dat het een dergelijk effect had op vrouwen,’ zei hij verbaasd. Met een plotseling enthousiasme stond hij op van de bank. ‘Kom mee, jonkvrouwe,’ zei hij, haar bij de hand pakkend. ‘Dan zal ik u een verzameling laten zien waarvan de rillingen u over de rug zullen lopen. Ik heb onlangs een nieuwe schat op de kop getikt. Illegaal, van een zeer geheime bron.’
‘De zwarte markt, bedoel je?’
‘Nog geheimer.’
Ze liet zich door hem meevoeren naar de gang en daarna de trap op. Dus hij bewaart het op de eerste verdieping, concludeerde ze. Waarschijnlijk in de slaapkamer. En dan te bedenken dat ze er die avond zo dichtbij was geweest.
Ergens rinkelde een telefoon.
Guy negeerde het geluid.
Ze kwamen op de overloop. Hij liep naar rechts, naar de oostvleugel – de slaapkamer – en bleef toen plotseling staan.
‘Master Delancey?’ riep iemand. ‘Er is telefoon voor u.’
Guy keek langs de trap naar beneden, naar de grijsharige butler die beneden in de gang stond. ‘Neem maar een boodschap aan,’ snauwde hij.
‘Maar het… het is…’
‘Ja?’
De butler schraapte zijn keel. ‘Het is Lady Cairncross.’
Guy kromp ineen. ‘Wat wil ze?’
‘Ze wenst u onmiddellijk te zien.’
‘Nu meteen, bedoel je?’ Hij haastte zich de trap af om de telefoon aan te nemen.
Vanaf de overloop luisterde Clea mee met het gesprek.
‘Het komt ongelegen, Veronica,’ zei Guy. ‘Kun je niet… Hoor eens, ik heb andere dingen te doen op dit moment… Je bent onredelijk… Nee. Veronica, dat moet je niet doen! We hebben het er een andere keer wel over… Hallo? Hallo?’ Fronsend en ontzet keek hij naar de hoorn, die hij vervolgens teruglegde op het toestel.
‘Sir?’ zei de butler. ‘Kan ik u ergens mee van dienst zijn?’
Guy keek op, zich kennelijk opeens bewust van de netelige situatie waarin hij zich bevond. ‘Ja! Ja, je zult moeten regelen dat Miss Lamb naar huis gebracht wordt.’
‘Naar huis?’
‘Breng haar naar een hotel! In het dorp.’
‘U bedoelt… nu?’
‘Ja, laat de auto voorrijden. Vooruit!’ Guy stoof de trap op, greep Clea bij de arm en begon haar de trap af te sleuren in de richting van de voordeur. ‘Het spijt me vreselijk, schat, maar er is iets tussengekomen. Zaken, begrijp je.’
Koppig zette ze haar hakken in het tapijt. ‘Zaken?’
‘Ja, een noodgeval. Een cliënt van me.’
‘Cliënt? Maar ik weet niet eens wat je voor werk doet!’
‘Mijn chauffeur zal een hotelkamer voor je regelen. Ik kom je morgenavond om vijf uur ophalen. Wat zeg je daarvan? Dan maken we er een gezellige avond van.’ Hij gaf haar een snelle kus, en daarna werd ze praktisch de voordeur uit geduwd. De auto stond al voor, en de chauffeur stond ernaast om het portier voor haar open te houden. Ze had geen andere keuze dan instappen.
‘Ik bel je morgen!’ Guy zwaaide.
Terwijl de chauffeur haar door de poort naar buiten reed, klemde ze gefrustreerd de leren armleuning vast. Ik was er zo ontzettend dichtbij, dacht ze. Hij had op het punt gestaan me de dolk te laten zien. Ik had hem nu in mijn handen kunnen hebben als die vrouw niet had gebeld.
Wie was die Veronica in vredesnaam?
Nadat ze had opgehangen, draaide Veronica zich met een vragende blik naar Jordan om. ‘En? Denk je dat mijn telefoontje het gewenste effect heeft gehad?’
‘Zo niet, dan zal je bezoekje wél het gewenste effect hebben,’ antwoordde hij.
‘O, moet ik er echt naartoe? Ik heb toch gezegd dat ik niets meer met die man te maken wil hebben?’
‘Het is de enige manier om die vrouw het huis uit te krijgen zonder dat ze schade aanricht.’
‘Er moet toch een andere manier zijn om haar tegen te houden! We zouden de politie kunnen bellen –’
‘Zodat alles uitkomt? Mijn nachtelijke strooptocht in Delanceys huis? Die gestolen brieven?’ Even zweeg hij. ‘Jouw verhouding met Delancey?’
Ze schudde heftig haar hoofd. ‘Dát kunnen we hun zeker niet vertellen.’
‘Ik dacht al dat je dat zou zeggen.’
Berustend pakte ze haar handtas, en ze liep naar de deur. ‘Vooruit dan maar. Het is mijn schuld dat jij hiermee zit; het lijkt me wel zo eerlijk als ik iets terug doe voor je.’
‘Bovendien is het je burgerplicht. Die vrouw is een dievegge. Al koester je nog zulke bittere gevoelens voor Delancey, je kunt hem niet zomaar laten beroven.’
‘Guy?’ Ze lachte. ‘Het kan me geen zier schelen wat er met hém gebeurt. Het gaat mij om die inbrekende dame van jou. Als zij betrapt wordt en met de politie gaat praten…’
‘Dan is mijn reputatie naar de haaien,’ gaf hij toe.
Ze knikte. ‘En de mijne ook, vrees ik.’
Clea schopte haar hooggehakte schoenen uit, smeet haar tasje op een stoel en gooide zich kreunend languit op het hotelbed. Wat een verschrikkelijke dag. Ze had een hekel aan polo, verachtte Guy Delancey en vond dit rode haar afschuwelijk lelijk. Het enige wat ze wilde, was slapen, het Oog van Kasjmir vergeten, álles vergeten.
Maar telkens wanneer ze haar ogen dichtdeed, wanneer ze probeerde te slapen, kwamen de oude nachtmerries terug, de angstaanjagende beelden en geluiden – zo levendig, dat het was alsof ze alles opnieuw beleefde. Ze vocht tegen de herinneringen, probeerde ze te verdringen en te vervangen door aangenamer beelden.
Ze dacht aan de zomer van 1972, toen zij acht was geweest en Tony tien, en ze samen hadden geposeerd voor die foto die later de schoorsteenmantel van oom Walter had gesierd. Ze waren allebei even bruin geweest; ze hadden exact dezelfde tuinbroek aangehad, en Tony had zijn magere arm om haar al net zo magere schouder geslagen. Grijnzend hadden ze in de camera gekeken als een stelletje schurken in opleiding – wat ze natuurlijk ook waren geweest. Per slot van rekening hadden ze de beste leraar ter wereld gehad: oom Walter, buitengewoon oplichter, dief met een hart van goud.
Hoe zou het die ouwe eigenlijk vergaan in de gevangenis, vroeg ze zich af. Oom Walter zou binnenkort vervroegd vrijkomen. Misschien, heel misschien, had de gevangenis hem wel veranderd, zoals het verblijf in de gevangenis ook Tony had veranderd.
Zoals het haar had veranderd.
Misschien zou oom Walter, nadat hij door de gevangenispoort naar buiten was gekomen, een eerlijk leven gaan leiden, zonder list en bedrog.
Misschien konden kalveren op het ijs dansen.
Ze schrok op toen de telefoon ging. Gauw reikte ze naar de hoorn. ‘Hallo?’
‘Diana, schat! Met mij!’
Ze rolde met haar ogen. ‘Hallo, Guy.’
‘Het spijt me vreselijk, hoe dat vanmiddag ging. Vergeef je het me?’
‘Ik zal het in overweging nemen.’
‘Mijn chauffeur vertelde me dat je van plan bent een paar dagen in het dorpshotel te blijven. Misschien wil je me de kans geven om het goed te maken met je? Morgenavond misschien? Een etentje en een huiskamerconcert bij een oude vriend van me. En de rest van de avond bij mij thuis.’
‘Ik weet het niet…’
‘Dan zal ik je mijn verzameling antieke wapens laten zien.’ Op intieme fluistertoon voegde hij eraan toe: ‘Denk eens aan al die ridders op glanzende paarden. Jonkvrouwen in nood…’
Ze zuchtte. ‘Vooruit dan maar.’
‘Ik haal je om vijf uur op bij de Village Inn.’
‘Prima. Ik zie je om vijf uur.’ Ze hing op en merkte dat ze knallende hoofdpijn had. Ha! Dat was haar straf omdat ze voor Mata Hari speelde.
Nee, haar échte straf zou pas komen als ze daadwerkelijk met die losbandige griezel naar bed moest.
Kreunend hees ze zich overeind, en ze liep naar de badkamer om de stank van polopaarden en de glibberige aanraking van Guy Delancey van zich af te spoelen.
Guy Delancey was nauwelijks nog nuchter te noemen toen hij haar de volgende avond kwam halen. Ze vroeg zich af of het wel verstandig was om in de auto te stappen nu hij zelf achter het stuur zat, maar besloot dat ze geen keus had – niet als ze dit tot een goed einde wilde brengen. En alles bij elkaar genomen leken de gevaren van het meerijden met een aangeschoten bestuurder bijna onbeduidend. Risico was een relatief begrip, en dit was de avond bij uitstek om risico’s te nemen.
‘Het zou een gezellige boel moeten worden vanavond,’ zei Guy, die voortdurend inhaalde op de bochtige weg. Hoge heggen onttrokken de weg volledig aan het zicht, en ze kon alleen maar hopen dat er geen tegenligger op hen af snelde. ‘Ik ga eigenlijk niet voor de muziek. Het gaat mij meer om de gesprekken na afloop. De gezelligheid.’
En de drank, dacht ze bij zichzelf, de armleuningen omklemmend toen ze rakelings langs een boom zoefden.
‘Het leek me een goede gelegenheid om je voor te stellen. Om met je te pronken bij mijn vrienden.’
‘Komt Veronica ook?’
Zichtbaar van zijn stuk gebracht, keek hij haar van opzij aan. ‘Wat?’
‘Veronica. Degene die gisteren belde. Je weet wel, je cliënt.’
‘O. O, zíj.’ Zijn lach was overduidelijk onecht. ‘Nee, zij is geen muziekliefhebber. Ik bedoel, ze is gek op rock-’n-roll en dat soort herrie, maar ze houdt niet van klassiek. Nee, zij zal er niet zijn.’ Na een kort stilzwijgen voegde hij er binnensmonds aan toe: ‘Hemeltjelief, ik mag toch hopen van niet.’
Twintig minuten later werd zijn hoop de bodem in geslagen, toen ze de muziekkamer van de Forresters betraden. Clea hoorde hem verschrikt naar adem happen en ‘Dit is toch niet te geloven’ mompelen, toen vanaf de andere kant van de kamer een vrouw met roodbruin haar op hen af stapte. Ze had een oogverblindende jurk van crèmekleurig batist aan, en om haar hals hing een schitterend parelsnoer.
Clea’s blik bleef echter niet rusten op de vrouw, maar op haar metgezel. Deze man stond met een kalme, geamuseerde blik naar haar, Clea, te kijken. Of was het triomf wat ze in Jordan Tavistocks sherrybruine ogen las?
Guy schraapte zijn keel. ‘Hallo, Veronica,’ wist hij uit te brengen.
‘Ik had al gehoord dat er een nieuwe dame in je leven was.’
‘Ja, ach…’ Hij wist een flauwe glimlach tevoorschijn te toveren.
Veronica richtte haar blik op Clea en bood haar haar hand. ‘Ik ben Veronica Cairncross.’
Clea schudde de toegestoken hand. ‘Diana Lamb.’
‘We zijn oude vrienden, Guy en ik,’ legde Veronica uit. ‘Héél oude vrienden. En toch blijft hij me verbazen.’
‘Jij verbaast je over míj?’ Guy snoof. ‘Sinds wanneer houd jij van huiskamerconcerten?’
‘Sinds Jordan me heeft uitgenodigd.’
‘Oliver is veel te goed van vertrouwen.’
‘Wie is Oliver?’ vroeg Clea voorzichtig.
Guy lachte. ‘O, niemand. Gewoon haar echtgenoot. Een onbeduidend ongemak.’
‘Je bent een zak,’ siste Veronica hem toe, voordat ze zich omdraaide en wegliep.
‘Moet je horen wie het zegt!’ zei Guy, en hij volgde haar de kamer uit.
Clea en Jordan Tavistock, beiden aan hun lot overgelaten, keken elkaar aan.
Hij slaakte een zucht. ‘Is de liefde niet prachtig?’
‘Zijn ze verliefd dan?’
‘Het lijkt me duidelijk dat dat nog steeds het geval is.’
‘Hebt u haar daarom mee hierheen genomen? Om mijn avond te saboteren?’
Hij nam twee glazen witte wijn van het dienblad van een langslopende butler en gaf er eentje aan haar. ‘Zoals ik al eerder heb gezegd, Miss Lamb, heb ik uw bekering tot mijn persoonlijke project gemaakt. Ik ga u redden van een leven dat in het teken staat van de misdaad. Althans, zolang u zich in mijn woonomgeving bevindt.’
‘Last van territoriumdrift?’
‘Nogal.’
‘Wat als ik u plechtig beloof dat ik me niet in uw territorium zal begeven?’
‘En verlaat u dan ook met stille trom de regio?’
‘Mits u zich houdt aan uw deel van de afspraak.’
Argwanend keek hij haar aan. ‘Wat is uw voorstel?’
Clea zweeg en nam hem aandachtig op, zich afvragend wat hem dreef. Ze had Jordan Tavistock van het begin af aan aantrekkelijk gevonden. Nu realiseerde ze zich dat hij veel meer was dan alleen een knap gezicht en een stel brede schouders. Het was wat ze in zijn ogen zag dat haar boeide. Intelligentie. Humor. En een enorme vastberadenheid. Hij mocht dan misschien een onhandige inbreker zijn, maar hij had stijl, hij had een netwerk en hij kende deze buurt op zijn duimpje. Hij zag eruit als een onafhankelijk man, niet als iemand die voor een ander zou willen werken. Maar ze zou misschien wel met hem kunnen sámenwerken. Misschien zou ze daar zelfs plezier aan beleven.
Na een blik om zich heen in de overvolle kamer wenkte ze hem mee naar een rustig hoekje. ‘Dit is mijn voorstel,’ zei ze. ‘Ik help u, u helpt mij.’
‘Waarmee help ik u?’
‘Eén pietepeuterig klein klusje. Feitelijk stelt het niets voor.’
‘Gewoon een klein inbraakje?’ Hij rolde met zijn ogen. ‘Waar heb ik dat eerder gehoord?’
‘Hè?’
‘Laat maar.’ Hij zuchtte en nam een slok wijn. ‘En wat, als ik vragen mag, zou ik ervoor terugkrijgen?’
‘Wat zou u graag willen?’
Meteen vestigde hij zijn blik strak op haar gezicht, en zijn plotseling gloeiende wangen vertelden haar dat ze allebei dezelfde wellustige gedachte hadden.
‘Daar ga ik geen antwoord op geven,’ zei hij.
‘Eerlijk gezegd zat ik erover te denken u als tegenprestatie mijn professionele advies aan te bieden,’ zei ze. ‘Dat kunt u wel gebruiken, dunkt me.’
‘Privéonderricht in de kunst van het inbreken? Dat is natuurlijk een aanbod dat ik bijna niet kan weigeren.’
‘Ik ga u er uiteraard niet letterlijk bij helpen, maar ik zal u nuttige tips geven.’
‘Uit persoonlijke ervaring?’
Over de rand van haar wijnglas schonk ze hem een poeslieve glimlach. Tijd om mijn cv wat op te smukken, besloot ze. Hoewel inbreken nooit echt iets voor haar was geweest, had ze er wel aanleg voor, en ze was persoonlijk bevriend met de grote namen uit het vak – onder wie oom Walter. ‘Ik ben goed genoeg om er fatsoenlijk van te kunnen leven,’ zei ze eenvoudigweg.
‘Een aanlokkelijk aanbod, maar ik zal het toch moeten afslaan.’
‘Ik kan uw carrière een flinke zet in de goede richting geven.’
‘Ik ben geen inbreker van beroep.’
‘Wat bent u dan wél van beroep?’ gooide ze er gefrustreerd uit.
Er viel een lange stilte.
‘Ik ben een gentleman,’ antwoordde hij ten slotte.
‘En wat nog meer?’
‘Gewoon een gentleman.’
‘Is dat een baan?’
‘Ja.’ Hij glimlachte schaapachtig. ‘Fulltime, om precies te zijn. Maar ik houd voldoende vrije tijd over voor andere bezigheden. Lokale misdaadbestrijding, bijvoorbeeld.’
‘Oké.’ Ze zuchtte. ‘Wat kan ik u dan bieden om uit mijn buurt te blijven en niet op de meest ongelegen momenten op te duiken?’
‘Zodat u die arme Guy Delancey kunt beroven?’
‘Daarna zal ik hier voorgoed verdwijnen. Dat beloof ik.’
‘Wat bezit hij eigenlijk dat u zo aantrekt?’
Ze staarde naar haar wijnglas, niet van plan zijn blik te ontmoeten. Nee, ze zou het hem niet vertellen. Ze kón het hem niet vertellen. Om te beginnen vertrouwde ze hem niet. Als hij hoorde over het Oog van Kasjmir, zou hij het misschien voor zichzelf willen hebben, en wat zou dat voor haar betekenen? Dan had ze geen bewijsmateriaal, niets. Ze zou het nakijken hebben. En Victor Van Weldon zou vrijuit gaan.
‘Het moet een behoorlijk kostbaar voorwerp zijn.’
‘Nee, het is vooral…’ Ze aarzelde, zocht naar een geloofwaardige toon. ‘…van sentimentele waarde.’
Hij fronste. ‘Dat begrijp ik niet.’
‘Guy heeft iets wat van mijn familie is geweest. Iets wat al generaties lang in de familie was. Het is een maand geleden van ons gestolen. We willen het terug.’
‘Als het een gestolen eigendom is, waarom gaat u dan niet naar de politie?’
‘Delancey wist dat het omstreden was toen hij het kocht. Denkt u dat hij zal toegeven dat hij het in zijn bezit heeft?’
‘Dus u bent van plan om het terug te stelen?’
‘Ik heb geen andere keuze.’ Deemoedig keek ze hem aan, en ze zag iets van onzekerheid in zijn blik – heel even maar. Zou hij werkelijk enig geloof hechten aan dit verhaaltje? Tot haar verbazing voelde ze zich daar heel beroerd onder. Ze had de laatste tijd een heleboel leugens verteld, die ze stuk voor stuk had gerechtvaardigd door zichzelf in herinnering te brengen dat ze echt niet anders kon, wilde ze in leven blijven. Maar liegen tegen Jordan Tavistock voelde op een of andere manier… nou ja, crimineel. En dat raakte kant noch wal, want dat was hijzelf nu juist.
Een dief en een gentleman, bedacht ze, naar hem opkijkend. Hij had de doordringendste bruine ogen die ze ooit had gezien. Een gezicht met intrigerende lijnen en vlakken. En een glimlach waar ze knikkende knieën van kreeg.
Verwonderd keek ze naar het glas in haar handen. Wat zat er eigenlijk in die wijn? Het zweet brak haar uit, en ze had moeite met ademhalen.
De terugkeer van Guy Delancey was als een onwelkome koude windvlaag.
‘Het begint,’ zei Guy.
‘Wat?’ mompelde ze.
‘Het concert. Kom, dan gaan we een plekje zoeken.’
Toen ze eindelijk haar aandacht op hem richtte, viel haar op dat hij er ronduit chagrijnig uitzag. ‘En Veronica dan?’
‘Noem die naam niet meer in mijn bijzijn,’ grauwde hij.
Net op dat moment kwam Veronica de kamer binnen. Guy nadrukkelijk negerend liep ze op hen toe. ‘Jordie, líéverd,’ kirde ze, en ze greep Jordan met een meedogenloze bezitterigheid bij de arm. ‘Zullen we een plekje gaan zoeken?’
Met een berustende blik liet Jordan zich meevoeren in de richting van het podium.
De musici – een strijkkwartet uit Londen – waren hun instrumenten al aan het stemmen, en het publiek nam plaats op de stoelen.
Hoewel Clea en Guy zo ver mogelijk bij Veronica en Jordan zaten – ieder stel aan een andere kant van het vertrek – hadden ze net zo goed naast elkaar kunnen zitten, zoveel hatelijke blikken gingen er over en weer tussen Veronica en Guy.
Dvorˇák werd gevolgd door Het zesde kwartet van Bartók en daarna door Debussy.
Ondertussen was Clea druk bezig een plan te smeden voor de rest van de avond. Hoe dicht zou ze bij het Oog van Kasjmir kunnen komen? Ze hoopte dat dit de laatste avond zou zijn waarop ze met Guy Delancey opgescheept zou zitten, met alle leugens en met dat afzichtelijke rode haar. Ze had nauwelijks aandacht voor de muziek. Pas toen er een applaus losbarstte, realiseerde ze zich dat de uitvoering afgelopen was.
Er volgden hapjes en drankjes: een smaakvol buffet van gebakjes en canapeetjes en wijn. Heel veel wijn. Guy, die bij aankomst in het huis van de Forresters nog maar amper nuchter was geweest, begon zich een stevig stuk in de kraag te drinken. Daar vormde Veronica’s aanwezigheid de directe aanleiding voor. De aanblik van een verloren liefde die flirtte met haar nieuwe aanwinst was voor hem ondraaglijk.
Toen Clea hem naar zijn zoveelste glas wijn zag reiken, besloot ze dat het mooi was geweest. Maar hoe kon ze ingrijpen zonder een scène te maken? Hij praatte toch al te hard, lachte te luidruchtig.
Op dat moment schoot Jordan haar te hulp. Ze had het hem niet gevraagd, maar ze had hem fronsend naar Guy zien kijken en hem de glazen wijn zien tellen die Guy had gedronken. Nu ging hij naast Guy staan en opperde zachtjes: ‘Misschien moet je het een beetje rustiger aan doen, vriend?’
‘Wat moet ik rustiger aan doen?’ vroeg Guy.
‘Dat is al je zesde glas wijn, volgens mij. En je moet de dame nog naar huis brengen.’
‘Ik kan het heus wel hebben.’
‘Kom kom, Delancey,’ drong Jordan aan. ‘Een beetje zelfbeheersing.’
‘Zelfbeheersing? Wie ben jij nou helemaal om het over zelfbeheersing te hebben?’ Guys stem was aangezwollen tot een buldertoon, en overal om hen heen verstomden de gesprekken. ‘Je legt het aan met andermans vrouw, en dan wijs je naar míj?’
‘Niemand legt het hier aan met andermans vrouw.’
‘Toen ik het deed, had ik in ieder geval nog het fatsoen om er discreet over te zijn!’
Veronica hapte ontzet naar adem en rende de kamer uit.
‘Lafaard!’ riep Guy haar na.
‘Delancey, alsjeblieft,’ mompelde Jordan, ‘dit is de tijd noch de plaats –’
‘Veronica!’ Guy rende weg, mensen opzij duwend om bij de deur te komen. ‘Waarom kun je verdorie de gevolgen niet eens een keer onder ogen zien! Veronica!’
Jordan keek naar Clea. ‘Hij is ladderzat. Het zou onverstandig zijn om vanavond bij hem in de auto te stappen.’
‘Ik kan uitstekend voor mezelf zorgen.’
‘Pak hem dan in ieder geval zijn autosleutels af. Sta erop om zelf te rijden.’
Dat was precies wat ze van plan was geweest. Maar toen ze achter Guy aan naar buiten liep, trof ze Veronica en hem nog steeds luidkeels bekvechtend aan. Guy was zo dronken, dat hij stond te wankelen op zijn benen. ‘Leugenachtige trut,’ herhaalde hij almaar. Ze was niet te vertrouwen, ze was nooit te vertrouwen geweest. Ze brak je hart in duizend stukjes; daar kon je op rekenen, verdomme, en daar zat hij niet op te wachten. Hij hoefde maar met zijn vingers te knippen, of hij had al een andere vrouw.
‘Waarom doe je dat dan niet?’ beet Veronica hem toe.
‘Dat ga ik ook doen! Dat heb ik al gedaan.’ Hij draaide zich met een ruk om en richtte zijn wazige blik op Clea. ‘Kom mee, we gaan!’ zei hij, haar bij de hand grijpend.
‘Niet zoals je nu bent.’ Clea maakte zich van hem los.
‘Er is niks mis met hoe ik nu ben!’
‘Geef me de autosleutels, Guy.’
‘Ik kan best rijden.’
‘Nee, dat kun je niet. Geef me de autosleutels.’
Vol walging wuifde hij haar weg. ‘Ga maar, dan. Zie zelf maar dat je thuiskomt. Jullie kunnen allebei doodvallen! Alle vrouwen kunnen doodvallen!’ Hij hompelde naar zijn auto en slaagde er met moeite in het portier open te maken en achter het stuur te gaan zitten.
‘Stomme idioot,’ mopperde Veronica. ‘Hij rijdt zich nog te pletter.’
Ze heeft gelijk, dacht Clea. Ze rende naar zijn auto en rukte het portier open. ‘Vooruit, stap uit.’
‘Ga weg.’
‘Je kunt zo niet rijden. Ik rij.’
‘Ga weg!’
Ze greep zijn arm. ‘Ik zal je naar huis brengen. Ga jij maar op de achterbank liggen.’
‘Ik laat me toch zeker niet commanderen door een vróúw!’ bulderde hij. Ruw duwde hij haar aan de kant.
Wankelend op haar hoge hakken liep ze achteruit, tot ze struikelde en in de bosjes terechtkwam. Eigenwijze kerel! Hij was verdorie te dronken om te willen luisteren. Terwijl ze haar ketting probeerde los te maken uit de takken, hoorde ze hem nog steeds foeteren, en vervolgens hoorde ze hem de motor starten. Hij vloekte en mepte op het stuur toen de motor afsloeg. Opnieuw probeerde hij te starten.
Precies op het moment dat ze erin slaagde haar ketting los te trekken uit de takken, precies op het moment dat ze rechtop wilde gaan zitten, kwam de motor van de auto brullend tot leven. Zonder haar zelfs nog maar een blik waardig te keuren reed Guy weg. Idioot, dacht ze, en ze ging staan.
Door de explosie werd ze naar achteren gesmeten. Ze vloog over de struiken heen en belandde plat op haar rug onder een boom. Ze was te verbijsterd om de pijn van de klap te voelen. Het eerste wat ze waarnam, waren de geluiden: het geschreeuw en gegil, het gekletter van metaal dat hard op de grond neerkwam, en daarna het knetteren van vlammen. Nog steeds voelde ze geen pijn, alleen het vage besef dat er beslist pijn zou komen. Ze ging op handen en knieën zitten en begon te kruipen als een klein kind. Waarnaartoe, dat wist ze niet. Gewoon weg onder die boom, weg bij die verrekte struiken.
Haar brein begon weer te functioneren en vertelde haar dingen die ze niet wilde weten. Bovendien begon haar hoofd zeer te doen. Ze meende dat ze huilde, maar wist het niet zeker; ze kon haar eigen stem niet eens horen boven de kakofonie van geluiden. Ze kon niet zeggen of de warmte die over haar wangen stroomde, werd veroorzaakt door bloed of door tranen, of misschien wel door allebei. Ze bleef maar kruipen, bleef maar denken: als ik niet maak dat ik wegkom, ben ik dood. Dan ben ik dood.
Een paar schoenen versperde haar de weg. Ze keek op en zag een man op haar neerkijken. Een man die haar vaag bekend voorkwam, al kon ze niet goed bedenken waarom.
Hij glimlachte. ‘Laat me je naar een ziekenhuis brengen.’
‘Nee.’
‘Toe nou, je bent gewond.’ Hij pakte haar bij de arm. ‘Je moet naar de dokter.’
‘Nee!’
Ineens verdween de hand van de man in het niets en was hij verdwenen.
Ze zat ineengedoken op de grond terwijl de wereld om haar heen tolde in een carrousel van vlammen en duisternis.
Toen hoorde ze een andere stem, en deze kende ze. Handen grepen haar bij de schouders.
‘Diana? Diána?’
Waarom noemde hij haar zo? Zo heette ze niet. Ze tuurde omhoog in het gezicht van Jordan Tavistock.
En toen viel ze flauw.