Hoofdstuk 11

 

 

 

 

 

Pure namaak.

Clea hield het ingepakte bundeltje in haar handen geklemd toen Jordan en zij in de lift naar beneden stonden. Op de begane grond liepen ze in het late namiddagzonlicht naar buiten.

Pure namaak. Hoe was het mogelijk dat ze zich zo had vergist? Ze probeerde logisch te denken, maar haar hersens weigerden dienst. Ze stond op de automatische piloot; haar voeten bewogen mechanisch; haar lichaam voelde als verdoofd.

Ze had nu geen bewijsmateriaal meer, niets om haar verhaal mee te staven. En Van Weldon zat haar nog steeds op de hielen. Ze kon haar naam honderd keer veranderen, haar haar in honderd verschillende kleuren verven, maar dan nog zou ze voortdurend over haar schouder kijken, zich voortdurend afvragen wanneer hij zou toeslaan.

Victor Van Weldon had gewonnen.

Het zou eenvoudiger zijn om gewoon zijn kantoor binnen te wandelen en tegen hem te zeggen: ‘Ik geef het op. Doe het alsjeblieft snel en pijnloos.’ Veel langer zou ze het toch niet volhouden. Ze was zich op dit moment al nauwelijks meer bewust van de gezichten op straat, laat staan dat ze in staat was om alert te zijn op signalen die op gevaar duidden. Alleen de stevige druk van Jordans hand die haar stuurde, maakte dat ze bleef lopen op een min of meer doelbewuste manier.

Hij trok haar in een taxi en verzocht de chauffeur om naar de Brook Street te rijden.

Verwezen starend naar het tegemoetkomende verkeer vroeg ze: ‘Waar gaan we naartoe?’

‘Die second opinion halen. Ik ken een kerel met een winkel hier in de buurt. Hij heeft in het verleden wel eens wat taxaties voor oom Hugh gedaan.’

‘Geloof je dat Mr. Jacobs zich zou kunnen vergissen?’

‘Misschien. Of misschien liegt hij wel. Op dit moment vertrouw ik niemand meer.’

Vertrouwt hij mij dan nog wel, vroeg ze zich af. De dolk is nep. Misschien denkt hij nu dat ik dat ook ben.

De taxi zette hen af bij een winkel in hartje Mayfair. Aan de buitenkant zag het pand er niet uit als het soort etablissement waar een deftige familie als de Tavistocks kind aan huis zou zijn. Op een bordje in de etalage stond: KLOKKEN EN JUWELEN – INKOOP EN VERKOOP, en achter de stoffige etalageruit lag een verzameling ringen en kettingen uitgestald die duidelijk van weinig waarde waren.

‘Is dit het?’ vroeg ze.

‘Laat je niet misleiden door uiterlijkheden. Als je een eerlijk antwoord wilt, moet je bij deze man zijn.’

Ze stapten naar binnen, in een vertrek dat veel weg had van een donker hol. Aan de muren hingen tientallen houten koekoeksklokken die er allemaal lustig op los tikten. Er stond niemand achter de toonbank.

‘Hallo?’ riep Jordan. ‘Herr Schuster?’

Ergens ging piepend een deur open, en er kwam een wat ouwelijk mannetje tevoorschijn. Toen hij Jordan in het oog kreeg, slaakte hij een kreet van blijdschap. ‘Nee maar, als dat de jonge Mr. Tavistock niet is! Hoelang is dat wel niet geleden?’

‘Een jaartje of wat,’ gaf Jordan toe, terwijl hij de man de hand schudde. ‘U ziet er patent uit.’

‘Ik? Welnee! Ik ben al twintig jaar over de datum. Ik mag blij zijn dat ik het leven nog heb. En uw oom, is hij inmiddels met pensioen?’

‘Sinds een paar maanden. Het bevalt hem uitstekend.’ Jordan sloeg een arm om haar schouders. ‘Ik zou u graag willen voorstellen aan Miss Clea Rice, een goede vriendin van me. We zijn hier om om uw hulp te vragen.’

Herr Schuster wierp een sluwe blik op haar. ‘Zou dat wellicht voor een verlovingsring kunnen zijn?’

Jordan schraapte zijn keel. ‘Nou… op dit moment hebben we eerder uw deskundige mening nodig.’

‘Waarover?’

‘Hierover.’ Clea wikkelde het bundeltje open en overhandigde hem de dolk.

‘De saffier in het gevest,’ zei Jordan, ‘is dat een natuurlijke steen of eentje die door mensenhanden is gemaakt?’

Behoedzaam pakte Herr Schuster de dolk aan, en hij woog hem in zijn handen alsof hij op die manier naar het antwoord probeerde te gissen. ‘Dit gaat wel even duren.’

‘We hebben alle tijd,’ zei Jordan.

De oude juwelier trok zich terug in het achterkamertje en deed de deur achter zich dicht.

Weifelend keek Clea Jordan aan. ‘Kunnen we wel op zijn bevindingen vertrouwen?’

‘Absoluut.’

‘Ben je zo zeker van zijn kunnen?’

‘Vroeger, in Oost-Berlijn, was hij een autoriteit op het gebied van edelstenen, voordat de Muur neerging. Daarnaast werkte hij toevallig ook als dubbelagent voor MI6. Je moest eens weten wat je allemaal kunt opsteken van gesprekjes met de echtgenotes van hoge communistische functionarissen. Toen het gevaarlijk begon te worden, heeft oom Hugh hem geholpen om naar het Westen te vluchten.’

‘Dus daarom vertrouw je hem.’

‘Hij staat bij mijn oom in het krijt.’ Jordan wierp een snelle blik op de deur naar het achterkamertje. ‘Sindsdien leidt de oude Schuster een teruggetrokken bestaan, hier in Londen. Ik vermoed dat hij nog altijd last heeft van paranoia.’

‘Paranoia,’ herhaalde ze zachtjes. ‘Ja, ik weet precies hoe hij zich voelt.’ Ze keerde zich naar het raam en keek door de stoffige ruit naar buiten, naar Brook Street. Er reed met veel lawaai een bus voorbij die uitlaatgassen uitbraakte. Het was inmiddels vroeg in de avond; de namiddagmenigte was opgelost en gereduceerd tot een paar winkelmeisjes die zich naar huis begaven, en een man die bij de bushalte stond te wachten. ‘Als de dolk inderdaad nep blijkt te zijn, zul je me dan nog steeds geloven, Jordan?’ vroeg ze.

Hij gaf niet meteen antwoord, en de korte stilte was genoeg om een steek van wanhoop door haar heen te doen gaan. Ten slotte zei hij: ‘Er is te veel gebeurd om je níét te geloven.’

‘Maar je hebt twijfels.’

‘Ik heb vragen.’

Ze lachte zacht. Bitter. ‘Je bent niet de enige.’

‘Waarom, bijvoorbeeld, zou Delancey een replica hebben gekocht? Geld speelde geen rol. Ik kan me zo voorstellen dat hij graag per se het origineel had willen hebben.’

‘Misschien is hij misleid. Dacht hij dat het het echte Oog van Kasjmir was.’

‘Nee, Delancey was een kritisch verzamelaar. Hij zou het advies van een deskundige hebben ingewonnen voordat hij iets kocht. Je hebt gezien hoe gemakkelijk Mr. Jacobs zag dat die steen niet echt was. Delancey zou daar net zo gemakkelijk achter zijn gekomen.’

Ze slaakte een zucht van frustratie. ‘Je hebt natuurlijk gelijk. Hij zou het hebben laten onderzoeken. Wat betekent dat degene die de taxatie heeft gedaan een oplichter was of gewoon incompetent. Of…’ Met een ruk draaide ze zich naar hem om. ‘Of hij heeft het volkomen bij het rechte eind gehad.’

‘Ik zei toch dat Delancey nooit een replica zou kopen?’

‘Natuurlijk niet. Hij heeft het echte Oog van Kasjmir gekocht.’

‘Hoe kunnen wij dan nu hier met een replica zitten?’

‘Iemand heeft het echte verwisseld met deze replica, nádat Delancey het had gekocht.’ Ze begon door de winkel te ijsberen, terwijl haar hersenen op volle toeren draaiden. ‘Denk er maar eens over na, Jordan. Voordat je een schilderij of een antiek stuk koopt, wil je per se bevestigd krijgen dat het echt is, toch?’

‘Uiteraard.’

‘Maar als je het eenmaal hebt gekocht en het hangt of staat inmiddels een poosje in je huis, neem je de moeite niet meer om het opnieuw te laten taxeren.’

Hij knikte langzaam. ‘Ik geloof dat ik het begin te begrijpen. De dolk is omgewisseld nadat Delancey hem heeft gekocht.’

‘En hij heeft er niets van gemerkt! Hij heeft zo veel verzamelobjecten in dat huis, hij zou het nooit merken als één dolk opeens een beetje anders was.’

‘Oké, tijd voor een paar kritische vragen. Dus jij stelt dat onze hypothetische dief een exacte replica heeft laten maken en er vervolgens in is geslaagd de dolken om te wisselen zonder dat Delancey dat heeft gemerkt? Daar is flink wat inside-information voor nodig. Weet je nog hoeveel moeite het ons kostte om het Oog te vinden? Zonder Whitmores hulp zouden we die bergplaats nooit ontdekt hebben.’

‘Je hebt natuurlijk weer gelijk,’ gaf ze met een zucht toe. ‘Een dief zou precies moeten weten waar het verstopt was. En dat betekent dat het iemand moet zijn geweest die een heel hechte band met Delancey had.’

‘En daarmee is een dief van buitenaf uitgesloten.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik wil niet beweren dat “de butler het heeft gedaan”, maar ik denk wel dat de lijst met verdachten aan de korte kant is.’

‘Hoe zit het met Delanceys familie?’

‘Daar had hij geen contact meer mee. Bovendien wonen ze niet in de buurt.’

‘Een van zijn minnaressen dan?’

‘Dat zijn er nogal wat geweest.’ Onderzoekend keek hij haar aan.

‘Daar hoorde ik niet bij,’ snibde ze. ‘Met wie heeft Delancey de afgelopen maand wél een relatie gehad?’

‘Voor zover ik weet, is dat maar één vrouw geweest. Veronica Cairncross.’

Er viel een lange stilte.

‘Jij kent haar, Jordan,’ zei ze. ‘Jij bent met haar bevriend.’

Hij fronste, duidelijk onaangenaam getroffen door de mogelijkheden. ‘Ik heb haar altijd een tikkeltje losgeslagen gevonden. Impulsief. En niet heel erg deugdzaam. Maar een dief…’

‘Ze is wel iemand om in ons achterhoofd te houden, net als het huishoudelijk personeel. Nu ik erover nadenk… zo’n beetje iederéén had wel die slaapkamer in kunnen glippen. Het is mij gelukt, en jou ook. Als die oude Whitmore er niet was geweest, zouden we ongezien weer weggekomen zijn, zonder dat iemand het ooit had geweten.’

Jordan verstarde. ‘Whitmore,’ zei hij.

‘Wat is er met hem?’

‘Ik zit na te denken.’

In verwarring gebracht sloeg ze hem gade toen hij de naam nog een keer mompelde, zachter deze keer.

Opeens keek hij haar aan alsof hij het licht had gezien. ‘Ja, Whitmore is de sleutel.’

Ze schoot in de lach. ‘Wil je nou alsnog beweren dat de butler het heeft gedaan?’

‘Nee, het gaat me erom dat hij die avond thúís was! Veronica had me verzekerd dat het zijn vrije avond was, dat er niemand thuis zou zijn. Maar toen ik inbrak, was hij er gewoon. Al die tijd ben ik ervan uitgegaan dat ze zich had vergist. Maar stel dat het geen vergissing was? Stel dat ze juist wílde dat de butler thuis was?’

‘Waarom zou ze dat in vredesnaam willen?’

‘Om alarm te slaan. En de politie te waarschuwen.’

‘Wat zou daar het nut van zijn?’

‘Dan zou officieel vastgelegd worden dat er een inbraak was geweest. Als Delancey er ooit achter was gekomen dat het Oog van Kasjmir verdwenen was, zou hij veronderstellen dat het in die bewuste nacht gestolen was. De nacht waarop Whitmore alarm had geslagen.’

‘Een nacht waarvoor Veronica een waterdicht alibi had: het verlovingsfeest van je zus.’

Hij knikte. ‘Het zou nooit bij hem opkomen zijn dat het ding al eerder verwisseld was, vóór die bewuste nacht. Door iemand met wie hij zo intiem was geweest, dat ze precies wist waar het Oog verstopt was. Een goede bekende die meer dan eens in die slaapkamer was geweest.’ Gefrustreerd tikte hij tegen zijn slaap. ‘Al die tijd dacht ik dat zíj de onnozelaar van ons tweeën was, terwijl ík juist stom ben geweest.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Je acht Veronica wel tot heel wat in staat. Hoe zou ze het voor elkaar hebben moeten krijgen om zo’n replica te laten maken? Daar gaat heel veel tijd in zitten, en de vervalser heeft het origineel nodig als voorbeeld. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat Delancey het Oog een week lang aan haar heeft uitgeleend. Dus waar komt deze replica dan vandaan?’

‘Je vergeet de vorige eigenaar.’

De schrik sloeg haar om het hart. Van Weldon. De vorige eigenaar was Van Weldon. Ze ging naast Jordan staan – zo dichtbij, dat ze haar wang tegen de fijne wol van zijn jasje kon leggen. ‘Veronica. Van Weldon. Zou er een link tussen die twee kunnen zijn?’ vroeg ze zachtjes.

‘Ik heb geen idee. Ze heeft de naam Van Weldon nooit genoemd.’

‘Hij heeft overal connecties. Mensen die bij hem in het krijt staan. Mensen die bang voor hem zijn.’

‘Het lijkt niet echt waarschijnlijk.’

‘Maar hoe goed ken je haar echt, Jordan? Hoe goed kennen we een ander ooit?’

Hij zei niets. Hij stond doodstil, zonder haar aan te raken, zonder zelfs maar naar haar te kijken.

Hij leed, stelde ze vast. O Jordan, hoe goed ken ik jou eigenlijk? En het weinige wat jij van mij weet, is uitgerekend het allerslechtste…

Hoewel ze slechts enkele centimeters bij elkaar vandaan stonden, voelde ze zich koud en eenzaam terwijl ze allebei naar buiten keken, naar die straat, waar de schemering begon in te vallen. Ze stak haar hand naar hem uit. Zijn schouder voelde gespannen. Onontvankelijk voor haar aanraking.

‘Clea,’ zei hij zachtjes, ‘ik wil dat je naar het achterkamertje gaat. Vraag Herr Schuster of er een achterdeur is.’

‘Wat?’

‘Er staat een man bij de bushalte. Zie je hem?’

Ze tuurde naar buiten, naar de man die daar stond. Hij droeg een bruin kostuum en had een zwarte paraplu bij zich. Om de zoveel tijd wierp hij een blik op zijn horloge, alsof hij te laat was voor een afspraak. Geen wonder; hij stond inmiddels al een eeuwigheid op zijn bus te wachten.

Langzaam liep ze achterwaarts bij het raam vandaan.

Jordan verroerde zich niet; hij bleef kalm naar buiten kijken. ‘Hij heeft er nu al twee door laten rijden. Ik geloof niet dat hij op de bus staat te wachten.’

Het kostte haar moeite om niet als een speer door die achterdeur naar buiten te gaan. Ze had geen idee of de man hen door de stoffige etalageruit kon zien. Ze slaagde erin om quasinonchalant naar de achterkant van de winkel te slenteren en duwde toen de deur naar de werkplaats open.

Herr Schuster zat aan zijn werktafel. ‘Ik vrees dat ik teleurstellend nieuws heb. De saffier –’

‘Is er een achteruitgang?’ vroeg ze.

‘Pardon?’

‘Een andere uitgang?’

Jordan kwam achter haar aan het kamertje binnen. ‘We worden geschaduwd door een man.’

Geschrokken schoot Herr Schuster overeind. ‘Ik heb een achterdeur.’ Hij ging hun haastig schuifelend voor door de rommelige werkplaats en deed een deur open die toegang tot een kast leek te bieden: er hingen allemaal stoffige jassen in. Hij schoof de oude kledingstukken opzij. ‘Helemaal achterin zit een grendel. De deur komt uit in het steegje. South Molton Street is om de hoek. Zal ik de politie bellen?’

‘Nee, doe dat maar niet,’ antwoordde Jordan. ‘We redden ons wel.’

‘Die man… is hij gevaarlijk?’

‘Dat weten we niet.’

‘En de dolk, willen jullie die terug hebben?’

‘Is hij niet echt?’

Spijtig schudde Herr Schuster zijn hoofd. ‘De saffier is van synthetisch materiaal gemaakt.’

‘Houd hem dan maar als aandenken. Maar laat hem aan niemand zien.’

Er klonk een zoemer in de werkplaats, en Herr Schuster wierp een blik in de richting van de winkel. ‘Er is iemand binnengekomen. Ga nu, vlug!’

Jordan greep haar bij de hand en trok haar mee de kast in.

Direct daarna werden de jassen weer op hun plaats geschoven en werd de deur achter hen dichtgedaan.

In de plotselinge duisternis voelden ze op de tast aan de achterdeur tot ze de grendel hadden gevonden, en ze duwden. Ze vielen praktisch naar buiten in een steegje. Meteen stoven ze de hoek om naar South Molton Street. Ze stopten pas met rennen toen ze het metrostation van Bond Street hadden bereikt.

Clea zat in verbijsterde stilte in de wagon richting de Tottenham Court Road, terwijl het zwart van de tunnel langs haar raampje flitste. Pas toen Jordan haar hand in de zijne nam, realiseerde ze zich hoe koud haar vingers waren, als ijsblokjes in de warmte van zijn greep. ‘Hij zal het niet opgeven,’ zei ze. ‘Hij zal het nooit opgeven.’

‘Dan moeten we ervoor zorgen dat we hem één stap voor blijven.’

Niet ‘wij’, dacht ze. Van Weldon heeft het op míj gemunt. Ik ben degene die hij zal vermoorden. Ze keek naar de hand die de hare vasthield. Een hand met alle kracht die een vrouw zich ooit wensen kon, ooit nodig kon hebben. In een paar dagen tijd was ze Jordan meer gaan vertrouwen ze ooit iemand had vertrouwd. En ze begreep hem inmiddels goed genoeg om te weten dat hij, als een echte gentleman, een soort erecode hanteerde – een absurd concept onder deze bikkelharde omstandigheden. Hij zou een vrouw in nood nooit in de steek laten.

En daarom zou zij hem moeten verlaten.

Ze koos haar woorden met zorg. Met moeite. ‘Het lijkt me beter als ik…’ De woorden stokten haar in de keel. Ze dwong zichzelf recht voor zich uit te blijven kijken. Alles was beter dan naar Jordan moeten kijken. ‘Het lijkt me beter als ik in mijn eentje verderga. Op die manier reis ik sneller.’

‘Zonder mij, bedoel je.’

‘Inderdaad.’ Haar kin kwam omhoog toen ze de moed vond om verder te praten. ‘Ik kan het me niet permitteren om me zorgen te moeten maken over jou. Op Chetwynd zal je niks overkomen.’

‘En waar ga jij dan naartoe?’

Ze glimlachte nonchalant. ‘Naar een warm oord. Zuid-Frankrijk misschien. Of Sicilië. Ergens waar ik op het strand kan liggen.’

‘Als je tenminste lang genoeg in leven blijft om een bikini aan te trekken.’

De metro minderde vaart en reed het volgende station binnen.

Abrupt trok Jordan haar overeind. ‘We stappen hier uit,’ snauwde hij.

Ze volgde hem de wagon uit en de trap op naar Oxford Street.

Hij zei niets, maar zijn kwaadheid sprak uit de spanning in zijn schouders.

Zelfopoffering was kennelijk ook niet de oplossing, concludeerde ze. Daarmee had ze hem alleen maar tegen zich in het harnas gejaagd. Waarom was hij in vredesnaam zo boos op haar? Ze had hem toch niet afgewezen of zo? Ze had hem alleen maar de kans geboden om weg te gaan. De kans om te overleven. ‘Ik heb alleen maar het beste met je voor, hoor,’ zei ze.

‘Daarvan ben ik me bewust.’

‘Waarom ben je dan boos op me?’

‘Je schat me niet bepaald hoog in.’

‘Je kunt niets meer voor me doen. Je moet toegeven dat het nergens voor nodig is dat we ons allebéí overhoop laten schieten. Als we ieder onze eigen weg gaan, zullen ze jou verder vergeten.’

‘Zul jíj me ook vergeten?’

Ze stond stil op de stoep. ‘Doet dat er iets toe?’

‘Niet?’ Hij draaide zich om om haar aan te kijken.

Ze stonden recht tegenover elkaar – een obstakel voor alle andere voetgangers op het trottoir.

‘Ik begrijp niet wat je daarmee bedoelt,’ zei ze. ‘Het spijt me dat het op deze manier moet eindigen, Jordan, maar ik moet aan mezelf denken. En dat betekent dat ik jou niet om me heen kan hebben. Ik wíl je niet om me heen hebben.’

‘Jij weet helemaal niet wat je wilt.’

‘Oké, misschien weet ik dat niet. Maar ik weet wel wat het beste is voor jóú.’

‘Ik ook,’ zei hij, en hij stak zijn handen naar haar uit.

Zijn armen sloten zich om haar heen, en zijn mond daalde neer op de hare in een schroeiende kus die op geen enkele manier teder was, die geen verzet duldde.

Tegenstribbelen kwam niet in haar op. Gretig verwelkomde ze de aanval van zijn mond, zijn tong tussen haar lippen, de hongerige bewegingen waarmee hij zijn handen over haar rug liet glijden. Ze kon haar verlangen niet voor hem verbergen, en andersom evenmin. Allebei waren ze hulpeloos en reddeloos verloren, overgeleverd aan de waanzinnige begeerte die altijd oplaaide wanneer ze elkaar aanraakten. Zo was het van het begin af aan geweest, en zo zou het altijd blijven. Een blik, een aanraking, en ineens knetterde de spanning tussen hen.

Hij liet zijn lippen naar haar wang gaan en vervolgens naar haar oor. Het gekietel van zijn warme adem joeg een rilling van verrukking over haar ruggengraat omlaag.

‘Ben ik zo duidelijk genoeg?’ vroeg hij fluisterend.

Ze kreunde. ‘Waarover?’

‘Over bij elkaar blijven.’

De begeerte was nog steeds te hevig. Ze maakte zich van hem los en deed een stap achteruit, al moest ze vechten tegen de neiging om hem opnieuw aan te raken. Jij ook altijd met je idiote eergevoel, verweet ze hem in stilte, terwijl ze naar zijn gezicht omhoogkeek. Het wordt nog eens je dood. En dat zou ik niet kunnen verdragen.

‘Ik ben niet bepaald hulpeloos, hoor,’ merkte ze op.

Hij glimlachte. ‘Desondanks moet je toegeven dat ik je zo nu en dan goed van pas gekomen ben.’

‘Zo nu en dan,’ gaf ze toe.

‘Je hebt me nodig, Clea. Om Van Weldon te verslaan.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Dat heb ik al geprobeerd. Ik kan nu niets meer doen.’

‘Jawel, dat kun je wel.’

‘De dolk is verdwenen; ik heb geen bewijsmateriaal. Ik zou niet weten hoe ik hem nu nog zou kunnen ontmaskeren.’

‘Er is een manier.’ Hij kwam dichterbij. ‘Veronica Cairncross.’

‘Wat is er met haar?’

‘Ik heb geprobeerd alle stukjes in elkaar te passen en ik denk dat je gelijk hebt. Zij zou wel eens de sleutel kunnen zijn tot de oplossing. Ik ken Ronnie al jaren. Ze is een vrolijke meid, heel gezellig in de omgang, maar ze is een gokker. En ze heeft een gat in haar hand. De afgelopen jaren heeft ze een fortuin aan schulden gemaakt. Met een zwendel als deze zou ze haar eigen hachje gered kunnen hebben.’

‘Dan zijn we terug bij de vraag hoe ze die replica heeft laten maken. Hoe heeft ze het origineel in handen gekregen? Het was eigendom van Van Weldon. Heeft ze het van hem gekocht? Geleend?’

‘Of heeft ze het van hem gestolen?’

Ze rilde bij de gedachte. ‘Niemand is zo stom om Van Weldon tegen zich in het harnas te jagen.’

‘En toch is die dolk van Van Weldon op een of andere manier bij Delancey terechtgekomen. Veronica zou de link tussen hen kunnen zijn. Dat is wat we moeten zien te achterhalen.’ Even dacht hij na. ‘Oliver en zij hebben een herenhuis hier in Londen. Doordeweeks zijn ze hier altijd, dus op dit moment zouden ze in de stad moeten zijn.’

Fronsend keek ze hem aan. De wending die het gesprek had genomen, beviel haar niet. ‘Waar denk je aan?’

‘Ik denk dat het tijd wordt dat jij een pruik gaat proberen,’ antwoordde hij met een blik op haar haar.

 

Zodra MacLeod had opgehangen, keek hij naar Richard en Hugh. ‘Ze zijn in Londen. Mijn man heeft zojuist een medewerker van Lloyd’s gesproken. Jordan en Clea Rice hebben daar een bezoekje gebracht rond een uur of vier vanmiddag. Helaas was de man met wie ze hebben gesproken – ene Anthony Vauxhall – niet op de hoogte van het onderzoek. Het was puur toeval dat hij iets over hun bezoek heeft verteld aan zijn chef. Tegen de tijd dat wij op de hoogte gesteld werden, waren Jordan en Clea Rice alweer vertrokken.’

‘Dus we weten dat ze nog in leven zijn,’ zei Hugh.

‘Vanmiddag in ieder geval nog wel.’

Ze zaten in de bibliotheek op Chetwynd, de kamer waarvan ze hun crisiscentrum hadden gemaakt. Hugh was die ochtend in grote haast teruggekeerd naar Chetwynd, en ze zaten al de hele dag gedrieën te wachten op bericht van hun contacten bij de politie.

Dit laatste bericht was goed nieuws. Jordan was veilig in Londen aangekomen.

Niet dat dit Richard verbaasde. In de paar maanden dat hij zijn toekomstige zwager nu kende, had hij grote bewondering gekregen voor diens vindingrijkheid. Er waren maar weinig mannen die Richard in een noodsituatie liever aan zijn zijde zou hebben.

Ook Clea Rice was een overlever. Samen zouden ze er misschien wel in slagen om in leven te blijven.

Hij keek naar Hugh. De oudere man oogde afgemat en uitgeput. Zijn bezorgdheid stond duidelijk op zijn ronde gezicht te lezen. ‘Die prijs op het hoofd van Clea Rice zal huurmoordenaars uit heel Europa aantrekken,’ zei hij.

‘U kunt toch zeker wel de hulp van uw contacten bij de inlichtingendienst inroepen, Lord Lovat?’ vroeg MacLeod. ‘We moeten hen vinden.’

Hugh schudde zijn hoofd. ‘Mijn Jordan is opgegroeid in de schoot van de inlichtingenwereld. Al die jaren heeft hij zijn oren en ogen wijd opengehouden. Geleerd. Waarschijnlijk heeft hij links en rechts wat trucjes meegekregen. Zelfs met hulp zal het niet eenvoudig zijn om hem op te sporen. Hetgeen overigens betekent dat het ook voor Van Weldon niet eenvoudig zal zijn om hem te vinden.’

‘Ik ken Victor Van Weldon beter dan u,’ zei MacLeod. ‘Hij zal inmiddels bereid zijn een fortuin neer te tellen om zich van Clea Rice te ontdoen. Ik vrees dat geld de sterkste prikkel ter wereld is.’

‘Niet geld,’ zei Richard. ‘Angst. En dat is wat Jordan in leven zal houden.’

‘Godallemachtig,’ zei Hugh gefrustreerd, ‘waarom weten we dan ook zo weinig over die Victor Van Weldon? Is hij zo ongrijpbaar?’

‘Ik vrees van wel.’ MacLeod liet zich in een fauteuil bij de open haard zakken. ‘Victor Van Weldon heeft altijd op de grenzen van de internationale wet geopereerd. Altijd zonder over de grens met de illegaliteit heen te gaan. Dat wil zeggen, zonder daar sporen van achter te laten. Hij verschuilt zich achter een heel regiment advocaten. Heeft huizen in Gstaad, Brussel en waarschijnlijk ook nog wel op een paar andere plekken waar wij geen weet van hebben. Hij is net een zeldzame vogel: hij wordt bijna nooit gezien, maar is springlevend.’

‘Je kunt helemaal geen bewijsmateriaal tegen hem opdiepen?’

‘We weten dat hij betrokken is bij internationale wapentransporten. Hij klust wat bij in de drugshandel. Maar elke keer als we denken dat we harde bewijzen hebben, blijken ze los zand te zijn. Een getuige gaat dood, of documenten verdwijnen spoorloos. Het is al jarenlang een bron van frustratie voor me dat hij me telkens weer te slim af is. Pas onlangs ben ik erachter gekomen hoeveel invloedrijke vrienden hij heeft, die hem op de hoogte houden van alles wat ik doe. Toen ben ik van tactiek veranderd. Ik heb zelf een team met mensen samengesteld. Een onafhankelijk team. Het afgelopen halfjaar zijn we bezig geweest om informatie te verzamelen over Van Weldon, en we hebben zijn achilleshiel bloot weten te leggen. We weten dat hij ziek is: longemfyseem en hartfalen. Hij heeft niet lang meer te leven. Ik zou graag willen dat hij vóór zijn dood nog een dosis aardse gerechtigheid voor zijn kiezen krijgt.’

‘U klinkt als een man met een missie,’ zei Richard.

‘Ik ben… mensen kwijtgeraakt. Door Van Weldons toedoen.’ MacLeod keek hem aan. ‘Dat is iets wat je nooit meer vergeet: het gezicht van een stervende vriend.’

‘Hoelang duurt het nog voordat u een zaak tegen hem kunt beginnen?’

‘De basis is er. We weten dat Van Weldon vorig jaar grote verliezen heeft geleden. De Europese economie, daar heeft zelfs hij onder te lijden gehad. Aangezien zijn imperium op de rand van de afgrond stond, verwachtten we dat hij zijn toevlucht zou nemen tot een wanhoopsdaad. En toen verging de Havelaar. Acht man omgekomen; een fortuin dat naar de bodem van de zee zonk, en alles volledig verzekerd. Ik kon de Spaanse autoriteiten niet overhalen om kosten te maken voor een fatsoenlijk onderzoek, en dus ontkwam Van Weldon wéér – dachten we. Totdat we hoorden over Clea Rice.’ Hij zuchtte. ‘Helaas is Miss Rice niet het type getuige waaraan je een hele zaak kunt ophangen. Gevangenisverleden, criminele familie. Hebben we eindelijk een wapen tegen Van Weldon gevonden, is het er een dat een terugslag zou kunnen geven in de rechtszaal.’

‘Dus u kunt haar niet gebruiken als uitgangspunt voor een rechtszaak,’ zei Hugh.

‘Nee. We hebben iets tastbaars nodig. De kunstwerken die op de vrachtlijst van de Havelaar stonden, bijvoorbeeld. We weten verrekte goed dat die niet samen met het schip op de zeebodem liggen. Van Weldon heeft ze ergens opgeslagen en wacht zijn kans af om ze stuk voor stuk te verkopen. Als we nou maar wisten waar hij ze verborgen heeft…’

‘Ze zouden vanuit Napels verscheept zijn.’

‘We hebben zijn pakhuis in Napels doorzocht. We hebben gezocht – en niet altijd volgens de regels – in ieder gebouw dat hij bezit. Het gaat hier om grote objecten, geen dingen die je zomaar even in een kast kunt verstoppen. Wandkleden en olieverfschilderijen en zelfs een paar beelden. Waar hij ze ook bewaart, het moet een grote ruimte zijn.’

‘Dan moet er dus een pakhuis zijn waar jullie nog niets van weten.’

‘Ongetwijfeld.’

‘Interpol is niet gevolmachtigd om dit alleen af te handelen,’ zei Hugh. ‘U hebt assistentie nodig.’ Hij reikte naar de telefoon en begon een nummer in te toetsen. ‘Dit is niet de gebruikelijke gang van zaken, maar nu Jordans leven op het spel staat…’

Richard luisterde terwijl Hugh zijn contacten bij de Special Branch van Scotland Yard belde en die bij MI5 – binnenlandse veiligheid

Nadat hij had opgehangen, keek Hugh hem aan. ‘Ik stel voor dat we nu zelf aan de slag gaan.’

‘Londen?’

‘Daar is Jordan. Misschien zal hij proberen contact met ons te zoeken. Als dat gebeurt, wil ik onmiddellijk in actie kunnen komen.’

‘Wat ik niet begrijp, is waarom hij u nog steeds niet heeft gebeld,’ merkte MacLeod op.

‘Hij is op zijn hoede,’ legde Richard uit. ‘Hij weet dat Van Weldon verwacht dat hij onze hulp zal inroepen. Onder de gegeven omstandigheden is Jordans beste strategie om steeds het ónverwachte te blijven doen.’

‘Precies wat Clea Rice de afgelopen weken heeft gedaan,’ zei MacLeod. ‘Telkens iets onverwachts doen.’

 

Van Weldon had al een tijdje op het telefoontje zitten wachten. ‘En?’ zei hij toen hij opnam.

‘Ze zijn hier,’ zei Trott. ‘Ze zijn gezien toen ze Lloyd’s of London verlieten, zoals u had voorspeld.’

‘Is de kwestie afgehandeld?’

Er viel een stilte.

‘Helaas niet. Ze zijn verdwenen in de Brook Street, via een juwelierszaak. De eigenaar beweert van niks te weten.’

Het nieuws bezorgde Van Weldon een pijnlijk gevoel op zijn borst. Hij zweeg even om op adem te komen, ondertussen Clea Rice in stilte vervloekend. In al die jaren had hij nog nooit zo’n volhardende tegenstander gehad. Ze was als een splinter die hij niet te pakken kon krijgen en die almaar dieper vast kwam te zitten. Zodra hij weer op adem was, vroeg hij: ‘Dus ze is inderdaad naar Lloyd’s gegaan. Had ze de dolk bij zich?’

‘Ja. Ze zal behoorlijk ontstemd geweest zijn toen ze te horen kreeg dat hij nep was.’

‘En het echte Oog van Kasjmir?’

‘Veilig waar het zou moeten zijn. Tenminste, dat is mij verzekerd.’

‘Dat Cairncross-mens heeft ons op de rand van de afgrond gebracht. Ze moet gestraft worden.’

‘Daar ben ik het volledig mee eens. Wat hebt u in gedachten?’

‘Iets onaangenaams,’ antwoordde Van Weldon. Veronica Cairncross was een opportunistische trut. En een dwaas bovendien als ze dacht hem te kunnen belazeren. Maar in haar hebzucht was ze ditmaal te ver gaan, en dat zou haar berouwen.

‘Zal ik Mrs. Cairncross zelf voor mijn rekening nemen?’ opperde Trott.

‘Wacht. Eerst wil ik bevestigd hebben dat de collectie veilig is. Alles moet binnen een maand op de markt gebracht worden.’

‘Zo snel na de Havelaar? Is dat wel verstandig?’

Trott had gelijk: het was riskant om de kunstwerken op de markt te brengen. Maar de gedachte dat er zo veel activa opgeborgen lagen, onbereikbaar, juist nu hij ze zo hard nodig had! Het vorige jaar had hij te grote financiële risico’s genomen, had hij een paar beloftes te veel gedaan aan een paar kartels te veel. Nu had hij contant geld nodig. Een heleboel. ‘Ik kan niet wachten,’ zei hij. ‘Ze moeten verkocht worden. In Hongkong of Tokio zouden we uitstekende prijzen kunnen krijgen zonder al te veel aandacht te trekken. Kopers in Tokio zijn discreet. Zorg ervoor dat de collectie wordt verplaatst.’

‘Wanneer?’

‘De Villafjord meert morgen aan in de haven van Portsmouth. Ik zal aan boord zijn.’

‘U… komt hierheen?’ Er klonk ontzetting door in Trotts stem.

En terecht. Wat was begonnen als een klein probleempje, was uitgegroeid tot een enorme crisis, en Van Weldon walgde van zijn troonopvolger. Als Trott simpele kwesties als Veronica Cairncross en Clea Rice al niet kon afhandelen, hoe kon hij dan hopen het roer van het bedrijf te mogen overnemen?

‘Ik zal er persoonlijk voor zorgen dat de lading aan boord komt,’ zei Van Weldon. ‘Ondertussen verwacht ik dat jij Clea Rice opspoort.’

‘We houden de Tavistocks permanent in de gaten. Vroeg of laat zullen Jordan en de vrouw opduiken.’

Of niet, dacht Van Weldon bij zichzelf toen hij ophing. Clea Rice zou zo onderhand wel uitgeput en moedeloos zijn. Haar instinct zou haar opdragen zo snel mogelijk de benen te nemen. En daarmee zou dat probleem ook weer opgelost zijn. Voorlopig, in elk geval.

Hij voelde zich beter. Hij kwam tot de conclusie dat hij feitelijk geen reden had om zich zorgen over Clea Rice te maken. Die was allang uit Londen vertrokken.

Dat zou iedere weldenkende vrouw doen.