Hoofdstuk 10

 

 

 

 

 

Het vuurwapen zwaaide onheilspellend heen en weer in Whitmores onvaste greep. De oude butler zag er bepaald oneerwaardig uit in zijn haveloze pyjama, maar de triomfantelijke schittering in zijn ogen was niet te missen.

‘Hebbes!’ blafte hij. ‘Jij dacht zeker een dode te kunnen beroven, hè? Je dacht zeker dat je wel weer zou kunnen ontsnappen? Nou, zo’n onnozele ouwe dwaas ben ik niet, hoor!’

‘Kennelijk niet,’ zei Clea. Ze durfde niet in Jordans richting te kijken, maar vanuit haar ooghoeken kon ze hem gehurkt naast de garderobekast zien zitten, buiten Whitmores blikveld. De oude man had nog niet in de gaten dat er twéé inbrekers in de kamer waren.

‘Vooruit! Vooruit! Kom achter dat bed vandaan! Dan kan ik je zien!’ beval Whitmore.

Langzaam kwam ze overeind, biddend dat de vinger van de man die op de trekker rustte niet zo beverig was als zijn grip op het geweer.

Toen ze zich tot haar volle lengte had opgericht, werden Whitmores ogen groot. Zijn blik was strak op haar bovenlichaam gevestigd, op de onmiskenbare zwelling van haar borsten. ‘Je bent maar een vrouw,’ constateerde hij verbluft.

‘ “Maar”?’ Ze schonk hem een gekwetste blik. ‘Wat een beledigende opmerking.’

Bij het horen van haar stem kneep hij zijn ogen tot spleetjes. Onderzoekend bekeek hij haar met smeer zwart gemaakte gezicht. ‘Je klinkt bekend. Ken ik je?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Natuurlijk! Je bent hier in huis geweest, bij die arme Master Delancey! Een van zijn vriendinnen!’ Zijn greep op het geweer werd steviger. ‘Vooruit, kom hier! Bij dat bed vandaan!’

‘U gaat me toch niet doodschieten?’

‘We gaan wachten tot de politie er is. Ze kunnen er elk moment zijn.’

De politie. Er was niet veel tijd meer. Op een of andere manier moest ze die oude dwaas het geweer zien te ontfutselen.

Ze ving een glimp op van Jordan, die naar haar gebaarde dat ze ervoor moest zorgen dat de butler zijn blik meer naar links verplaatste.

‘Vooruit, schiet op, achter dat bed vandaan!’ gebood Whitmore weer. ‘Dan kan ik ongehinderd op je schieten als het moet!’

Gehoorzaam klauterde ze over het matras heen en aan de andere kant er weer af. Daarna deed ze een stap opzij, zodat Whitmore zich naar links moest draaien. Hij stond nu met zijn rug pal naar Jordan toe.

‘Ik ben niet wat u denkt,’ zei ze.

‘Wil je soms ontkennen dat je een ordinaire dief bent?’

‘Ordinair ben ik zeker niet.’

Jordan sloop van achteren op hen af.

Ze dwong zichzelf om niet naar hem te kijken, zodat Whitmore absoluut niet voorbereid zou zijn op wat er komen ging.

Wat zóú er eigenlijk komen? Jordan zou de grijsaard toch geen klap op het hoofd geven? Dat zou hij misschien niet overleven.

Jordan hief zijn armen. Hij had een boxershort van Guy Delancey in zijn handen, die hij als een zak over het hoofd van de oude Whitmore wilde trekken.

Op een of andere manier moest ze ervoor zorgen dat dat geweer een andere kant op ging wijzen, voor het geval Whitmore van schrik per ongeluk een schot loste. Snikkend liet ze zich op haar knieën op de grond vallen. ‘Laat me alstublieft niet arresteren!’ jammerde ze. ‘Ik ben bang voor de gevangenis!’

‘Dat had je moeten bedenken voordat je hier kwam inbreken,’ zei Whitmore.

‘Ik was ten einde raad! Ik moet mijn kinderen te eten geven. Ik zag geen andere manier…’ Ze begon erbarmelijk te huilen.

Verbijsterd door deze bizarre vertoning keek Whitmore op haar neer. De loop van het geweer wees nu niet meer naar haar gezicht.

Het volgende moment trok Jordan de boxershort over Whitmores hoofd.

Ze dook opzij, precies toen het geweer afging. Een schot hagel suisde voorbij. Vliegensvlug krabbelde ze overeind. Jordan hield Whitmores armen al in bedwang, zag ze, en het geweer was uit de handen van de oude man gevallen. Ze raapte het op en propte het in de garderobekast.

‘Doe me geen pijn!’ Whitmores smeekbede werd gedempt door de geïmproviseerde zak over zijn hoofd.

Op de boxershort stonden allemaal kleine rode hartjes, zag ze. Had Delancey daar werkelijk in rondgelopen?

‘Alsjeblieft!’ kermde Whitmore.

‘We willen er alleen voor zorgen dat u ons niet voor de voeten loopt.’ Met een paar zijden stropdassen van Delancey bond ze vlug de handen en voeten van de butler vast, waarna ze de oude man gekneveld naar het bed leidde. ‘En nou rustig blijven liggen daar.’

‘Dat beloof ik!’

‘Misschien laten we u dan wel leven.’

Er viel een korte stilte.

Toen vroeg Whitmore angstig: ‘Hoe bedoel je, “misschien”?’

‘Vertel ons waar Delancey zijn wapenverzameling bewaart.’

‘Wat voor wapens?’

‘Antieke zwaarden. Messen. Waar zijn ze?’

‘We hebben niet veel tijd meer!’ siste Jordan. ‘Laten we maken dat we wegkomen.’

Ze negeerde hem. ‘Waar zijn ze?’ herhaalde ze dreigend.

De butler kromp ineen. ‘Onder het bed. Daar bewaart hij ze!’

Jordan en zij lieten zich op hun knieën zakken. Ze zagen niets anders onder het rozenhouten bed dan vloerbedekking en stofwolken.

Ergens in de nacht loeide een sirene.

‘Tijd om te gaan,’ mompelde Jordan.

‘Nee. Wacht!’ Ze tuurde naar een haast niet waarneembare spleet over de volle lengte van het ledikant. Een kier in het hout. Ze reikte onder het bed en trok. Een verborgen lade gleed tevoorschijn.

Bij het zien van de inhoud slaakte ze onwillekeurig een kreet van verbazing. Edelstenen glinsterden in schedes van gehamerd goud. Zwaarden van het fijnste Spaanse getemperde staal lagen glanzend naast elkaar. In de verste hoek waren de dolken opgeborgen. Het waren er zes – allemaal rijk bewerkt.

Ze wist onmiddellijk welke dolk het Oog van Kasjmir was; ze herkende hem aan de grote saffier in het gevest.

‘Het waren zijn pronkstukken,’ jammerde Whitmore. ‘En nu gaan jullie ermee vandoor.’

‘Ik neem er maar ééntje mee.’ Ze griste het Oog van Kasjmir uit de la. ‘En die was sowieso niet van hem.’

Het geluid van de sirene klonk steeds harder en steeds dichterbij.

‘We moeten nu echt gaan!’ zei Jordan.

Ze sprong overeind en begon naar het balkon te lopen. ‘Tot ziens!’ riep ze over haar schouder. ‘En even goede vrienden, oké?’

‘Ik dacht het niet!’ klonk het grommend van onder de boxershort.

Jordan en zij klommen langs de blauweregen naar beneden en zetten het op een lopen over het gazon, in de richting van de bossen aan de rand van het landgoed.

Juist op het moment dat ze de beschutting van de bomen bereikten, kwam er een politieauto met een gillende sirene de hoek om gescheurd. Whitmore kon nu elk moment gevonden worden – vastgebonden op het bed – en dan zou de hel losbreken. De dreiging van een achtervolging was voldoende om Jordan en haar diep het bos in te jagen.

Een herhaling van de avond waarop we elkaar voor het eerst hebben ontmoet, dacht ze bij zichzelf. Kennelijk bracht de omgang met Jordan Tavistock ongeluk: ze had voortdurend de politie op haar hielen.

De takken die in haar gezicht zwiepten noch haar pijnlijke spieren deden haar vaart minderen. Ze bleef rennen, ondertussen luisterend naar geluiden van eventuele achtervolgers. Toen ze even later geschreeuw hoorde in de verte, wist ze dat de klopjacht begonnen was. ‘Verdomme,’ mompelde ze, struikelend over een boomwortel.

‘Red je het?’

‘Heb ik een keus?’

Hij keek achterom in de richting van het huis en hun achtervolgers. ‘Ik heb een idee.’ Hij greep haar bij de hand en trok haar mee naar een open plek tussen de bomen. In de verte waren de lichten van een huisje zichtbaar. ‘Laten we hopen dat ze daar geen honden hebben,’ zei hij, voordat hij koers zette naar het huisje.

‘Wat ga je doen?’ fluisterde ze.

‘Een kleine diefstal plegen. Iets wat, tot mijn grote spijt, schijnbaar routine voor me begint te worden.’

‘Wat ga je stelen? Een auto?’

‘Niet echt.’ In het donker glansden zijn tanden toen hij naar haar glimlachte. ‘Fietsen.’

 

Trott stond in de Laughing Man Pub in zijn eentje aan de bar, met een glas Guinness in zijn handen. Hij werd door niemand lastiggevallen en viel zelf ook niemand lastig, en zo had hij het graag. Geen teken van de gebruikelijke nieuwsgierigheid naar een vreemdeling bij de plaatselijke bevolking. Blijkbaar wisten de dorpelingen hier iemands privacy naar waarde te schatten. En dat was maar goed ook, want hij had deze avond geen geduld voor zelfs maar de geringste ergernissen. Hij was niet in een goed humeur. Dat betekende dat hij gevaarlijk was.

Na nog een slok bier te hebben genomen keek hij op zijn horloge. Bijna middernacht.

De eigenaar van de pub had kennelijk haast om te gaan sluiten, want hij was alvast begonnen met het opstapelen van glazen en wierp telkens ongeduldige blikken op zijn klanten.

Trott stond op het punt om het voor gezien te houden voor deze avond, toen de deur van de pub openging. Er kwam een jonge politieagent binnen. Hij slenterde naar de bar, waar Trott stond, om een biertje te bestellen.

Er verstreken een paar momenten zonder dat er een woord werd gesproken.

Toen begon de politieagent te praten. ‘Nou, er was weer wat te beleven vanavond,’ zei hij tegen niemand in het bijzonder.

‘Wat dan?’ vroeg de barman.

‘Er is weer een inbraak geweest op Underhill. Het huis van Guy Delancey.’

‘Die inbrekers worden met de dag brutaler, als je het mij vraagt,’ zei de barman. ‘Twee keer in hetzelfde huis.’

‘Wat je zegt.’ De politieagent schudde zijn hoofd. ‘Je vraagt je af wat er van onze maatschappij geworden is.’ Hij dronk zijn glas in één teug leeg. ‘Nou ja, ik ga maar eens op huis aan. Anders wordt moeder de vrouw nog ongerust.’ Hij betaalde voor zijn bier en liep de pub uit.

Ook Trott vertrok.

Buiten, op straat, troffen de twee mannen elkaar. Samen liepen ze op over het dorpsplein.

‘Is er iets gestolen op Underhill vanavond?’ vroeg Trott.

‘De butler zegt dat er maar één voorwerp is meegenomen. Een of ander antiek wapen.’

Trotts belangstelling was meteen gewekt. ‘Een dolk?’

‘Inderdaad. Deel van een verzameling. De andere dingen hebben ze laten liggen.’

‘En de dieven?’

‘Het waren er twee. De butler heeft alleen de vrouw gezien.’

‘Hoe zag ze eruit?’

‘Dat kon hij niet goed zeggen. Ze had een soort zwarte smeer op haar gezicht. Er zijn ook geen vingerafdrukken gevonden.’

‘Waar zijn ze voor het laatst gezien?’

‘Ze zijn ontsnapt tussen de bomen. Ze kunnen overal naartoe gegaan zijn. Ik vrees dat we hen kwijt zijn.’

Dus Clea Rice had Buckinghamshire nog niet verlaten, stelde Trott vast. Misschien was ze op dit moment wel hier, in dit dorpje.

‘Als ik nog meer te weten kom, zal ik het je laten weten,’ zei de politieagent.

Hun gesprek was ten einde gekomen. Trott reikte in zijn jasje om er een envelop vol met briefjes van vijf uit te halen. Niet veel geld, maar genoeg om te helpen het gezin van een jonge agent van voedsel en kleren te voorzien.

De politieagent nam de envelop met een eigenaardige tegenzin aan. ‘Het gaat je alleen maar om informatie, toch? Je verwacht toch niet meer van me?’

‘Alleen informatie,’ verzekerde Trott hem.

‘Het zijn… zware tijden, weet je. Maar toch zijn er dingen die ik niet wil doen.’

‘Dat begrijp ik.’ En dat was ook zo. Trott begreep dat zelfs politieagenten in de verleiding gebracht konden worden. En dat voor deze agent de neerwaartse spiraal zich al ingezet.

Nadat de twee mannen afscheid van elkaar hadden genomen, keerde Trott terug naar zijn kamer in de herberg en belde Van Weldon. ‘Een paar uur geleden waren ze nog hier in de buurt,’ zei hij. ‘Ze hebben ingebroken in het huis van Delancey.’

‘Hebben ze de dolk?’

‘Ja. En dat betekent dat ze geen reden meer hebben om hier nog langer rond te blijven hangen. Waarschijnlijk gaan ze nu op weg naar Londen.’

Op dit moment al, dacht hij, is Clea Rice waarschijnlijk via kleine landweggetjes onderweg naar de hoofdstad. Ze zal deze avond wel een klein beetje triomf ervaren. Misschien denkt ze zelfs dat haar beproeving binnenkort ten einde zal zijn. Elke keer wanneer ze naar de dolk kijkt, zal ze hoop voelen – victorie zelfs. De dolk die zij het Oog van Kasjmir noemt.

Wat een enorme misrekening maakt ze.

 

De geluiden van het Londense verkeer wekten Clea uit een diepe slaap. Ze rolde zich op haar rug en tuurde met samengeknepen ogen naar het daglicht dat door de sleetse gordijnen naar binnen scheen. Hoelang hadden ze geslapen? Te oordelen naar het zware gevoel in haar lijf waren het misschien wel dagen geweest.

Ze hadden rond zes uur ’s morgens ingecheckt in dit sjofele hotel. Ze hadden beiden hun kleren uitgetrokken en waren op het bed neergeploft, en dat was het laatste wat ze zich kon herinneren.

Nu haar brein langzaam maar zeker weer begon te functioneren, kwamen de gebeurtenissen van de vorige avond terug. Het eindeloos lange wachten op de nachttrein uit Wolverton. De angst dat er ergens in de schaduwen op het perron iemand op de loer lag die naar hen op zoek was. En toen, tijdens de treinreis naar Londen, de angst dat ze beroofd zouden worden, dat ze hun kostbare lading zouden verliezen.

Ze reikte onder het bed en voelde het ingepakte bundeltje. Het Oog van Kasjmir was er nog. Met een zucht van opluchting ging ze weer liggen, naast Jordan.

Hij sliep. Hij lag met zijn gezicht naar haar toe – zijn naakte schouder goudbruin tegen het laken, zijn korenblonde haar jongensachtig verward. Zelfs in zijn slaap zag hij er helemaal uit als een aristocraat.

Glimlachend streelde ze zijn haar. Mijn lieve gentleman, dacht ze. Ik prijs me gelukkig dat ik je heb gekend. Op een dag, wanneer je getrouwd bent met een echte beschaafde jonge dame en je je plek in het leven hebt gevonden, zul je dan nog weten wie Clea Rice was?

Ze ging rechtop zitten en keek naar zichzelf in de spiegel boven de toilettafel. Ja, vast, dacht ze bij zichzelf. Ineens somber stapte ze uit bed en ging onder de douche.

Later, toen ze haar nieuwste haarkleur bekeek – kastanjebruin ditmaal, met dank aan Monty’s fles haarverf – voelde ze woede opborrelen. Ze was geen dame, en beschaafd evenmin, maar ze had verdorie heus wel haar sterke kanten. Ze was intelligent, ze wist razendsnel een kans te benutten als die zich voordeed, en het belangrijkste van alles: ze kon voor zichzelf zorgen. Wat moest zíj in vredesnaam met een gentleman beginnen? Hij zou alleen maar een lastpost zijn die haar meesleepte van het ene chique feestje naar het andere. Ze zou nooit in zijn wereld passen. En hij niet in de hare.

Maar hier, in deze kamer met het haveloze tapijt en de muffe handdoeken, konden ze een tijdelijke wereld delen. Een wereld die ze zelf creëerden. Ze zou ervan genieten zolang het duurde.

Ze liep terug naar het bed en ging weer naast Jordan liggen.

Toen hij haar vochtige lichaam naast het zijne voelde, bewoog hij en mompelde: ‘Is het tijd om op te staan?’

Ze beantwoordde zijn vraag door haar hand onder het laken te steken en die langzaam over zijn bovenlijf te laten glijden.

Hij hapte verschrikt naar adem toen haar hand op buitengewoon gevoelige huid stuitte en ze de door haar gehoopte reactie wist op te wekken.

‘Als het je bedoeling was om me wakker te maken, geloof ik dat het je gelukt is,’ mompelde hij kreunend.

‘Misschien wil je dan nu eindelijk eens opstaan, slaapkop,’ zei ze lachend, en ze draaide zich van hem af.

Hij greep haar bij de arm om haar net zo hard weer terug te draaien. ‘En wat doen we hiermee?’

‘Waarmee?’

‘Híérmee.’

Haar blik ging naar de onmiskenbare bult onder het laken. ‘Zal ik me daarover ontfermen?’ fluisterde ze.

‘Aangezien dat jíj het veroorzaakt hebt…’

Ze ging boven op hem liggen, met haar heupen op de zijne. Hij was nu aan haar overgeleverd, en ze was van plan om hem te laten smeken om zijn genot. Maar toen hun lichamen samen begonnen te bewegen, toen ze voelde dat hij haar met beide handen bij de heupen greep en haar over zich heen omlaag trok, was zíj degene die aan hém overgeleverd was, was zíj degene die hém smeekte om ontlading. En die schonk hij haar, de ene verrukkelijke golf na de andere. Boven het bonzen van haar hart hoorde ze hem hardop haar naam zeggen – één keer, twee keer, van puur genot.

Ja, ík ben degene met wie hij de liefde aan het bedrijven is, dacht ze. Ik. En niemand anders.

Gedurende deze zoete momenten was dat genoeg.

 

Anthony Vauxhall was een opgeprikte, verwaande kwast die zijn neus ophaalde voor gewone stervelingen.

Jordan had hem een paar keer eerder ontmoet vanwege zaken die verband hielden met de nalatenschap van zijn ouders. Hun gesprekken waren vriendelijk geweest, en hij had zich niet echt een mening over de man gevormd – in positieve of negatieve zin. Maar nu deed hij dat wel, en zijn mening was bepaald niet positief.

Het was bijna vier uur ’s middags, en ze zaten in Vauxhalls kantoor in het gebouw van Lloyd’s of London aan de Leadenhall Street. In de afgelopen anderhalf uur waren Jordan en Clea erin geslaagd wat fatsoenlijke kleren te kopen, een hapje te eten en zich naar Lloyd’s te haasten voordat het kantoor zou sluiten. Nu leek het erop dat hun inspanningen voor niets waren geweest. Vauxhalls reactie op Clea’s verhaal was ronduit sceptisch te noemen.

‘U moet begrijpen, Miss Rice, dat Van Weldon Shipping een van onze meest vooraanstaande cliënten is. Een van onze oudste cliënten. Onze relatie gaat drie generaties terug. Mr. Van Weldon beschuldigen van fraude is voor ons…’ Hij schraapte zijn keel.

‘Misschien hebt u niet goed geluisterd naar het verhaal van Miss Rice,’ zei Jordan. ‘Ze was erbíj. Ze heeft het met eigen ogen gezien. Het zinken van de Max Havelaar was geen ongeluk. Het was sabotage.’

‘Maar dan nog. Waarom zouden we veronderstellen dat Van Weldon erachter zit? Het zou ook een andere partij geweest kunnen zijn. Piraten bijvoorbeeld.’

‘Worden er dan helemaal geen vragen gesteld als er een miljoenenclaim bij uw bedrijf wordt neergelegd?’

‘Natuurlijk wel.’

‘Zouden uw assuradeuren het niet willen weten als ze hebben uitgekeerd aan een bedrijf dat zijn eigen ondergang in scène heeft gezet?’

‘Natuurlijk wel, maar –’

‘Waarom neemt u deze beschuldigingen dan niet serieus?’

‘Omdat…’ Vauxhall haalde diep adem. ‘Ik heb met Colin Hammersmith over deze zaak gesproken, direct nadat u eerder vandaag had gebeld. Hij heeft de leiding over onze onderzoeksafdeling. Hij had dit gerucht een paar weken geleden al gehoord, en zijn advies was… nou ja…’ Ongemakkelijk ging hij verzitten op zijn stoel. ‘…om vraagtekens te plaatsen bij de bron.’

De bron. Te weten: Clea Rice, ex-bajesklant.

Jordan hoefde niet naar haar te kijken; hij kon haar pijn voelen, zo scherp alsof hij de klap zelf had gekregen. Toen hij uiteindelijk toch naar haar keek, constateerde hij dat ze zich op indrukwekkende wijze groothield: haar kin was opgeheven, en haar gezichtsuitdrukking was kalm en geconcentreerd.

Sinds dat lange rode haar was afgeknipt, vond hij haar gezicht nog sprekender – met die springerige roodbruine lokken die haar mooie wangen beroerden en met die grote vurige ogen van haar. Hij had Clea Rice gekend als blondine, vervolgens als roodharige, en nu zag hij haar als brunette. En hoewel iedere versie van haar hem had gefascineerd, vond hij dit de beste van al haar verschijningsvormen. Misschien kwam dat doordat hij zich nu daadwerkelijk op haar gezicht kon concentreren, zonder al dat haar eromheen dat de aandacht afleidde. Misschien pasten ze gewoon goed bij haar persoonlijkheid, die zijdezachte piekjes die nonchalant over haar voorhoofd vielen.

Misschien was hij inmiddels zover dat onbeduidende details als haar kapsel er niet meer toededen, aangezien hij hard op weg was om verliefd op haar te worden.

Daarom maakte Vauxhalls belediging hem ook zo razend.

Op niet bepaald beleefde toon vroeg hij: ‘Trekt u de integriteit van Miss Rice in twijfel?’

‘Niet… Niet echt,’ antwoordde Vauxhall. ‘Dat is te zeggen…’

‘Wat trekt u dan wél in twijfel?’

Vauxhall keek gekweld. ‘Het hele verhaal. Het lijkt gewoon… Ach, laten we eerlijk zijn, Mr. Tavistock. Een afslachting op zee? Sabotage van een eigen schip? Het is zo schokkend, dat het –’

‘– ongelooflijk is.’

‘Juist. En als de beschuldigde Victor Van Weldon is, lijkt het verhaal nog veel ongeloofwaardiger.’

‘Maar ik heb het zelf gezien,’ hield Clea vol. ‘Ik was erbij. Waarom wilt u me niet geloven?’

‘We hebben het verhaal al nagetrokken. Of liever gezegd, dat heeft de afdeling van Mr. Hammersmith gedaan. Zij hebben met de Spaanse politie gesproken, die ons heeft verzekerd dat het hoogstwaarschijnlijk een ongeluk was. Een ontploffing in de machinekamer. Er zijn geen lichamen gevonden. Er zijn ook geen bewijzen gevonden die duiden op moord.’

‘Natuurlijk niet,’ zei ze. ‘Daar zijn Van Weldons mensen veel te slim voor.’

‘En voor wat betreft het wrak van de Havelaar: dat ligt op de bodem in heel diep water. Het is niet eenvoudig om het te bergen. We hebben dus niets waar we een beschuldiging van sabotage op kunnen baseren.’

Gedurende het hele betoog van Vauxhall had Clea haar zelfbeheersing bewaard. Ze had de man met een welhaast koninklijke kalmte aangekeken. Jordan had geboeid toegekeken terwijl ze het allemaal zonder een spier te vertrekken over zich heen had laten komen. Nu zag hij de schittering van triomf in haar ogen. Ze zou het bewijsmateriaal gaan onthullen.

Uit haar tas haalde ze het in doeken gewikkelde bundeltje dat ze in de voorbije zestien uur zo zorgvuldig had bewaakt. ‘U vindt het misschien moeilijk om me om mijn woord te geloven.’ Ze legde het bundeltje op zijn bureau. ‘En dat begrijp ik ook wel. Wie ben ik immers helemaal om hier zomaar binnen te stappen met zo’n wild verhaal? Maar misschien kan dit u op andere gedachten brengen.’

Fronsend keek Vauxhall naar het bundeltje op zijn bureau. ‘Wat is dat?’

‘Bewijsmateriaal.’ Ze wikkelde de doeken eraf.

Zodra de laatste laag verwijderd was, hapte Vauxhall hoorbaar naar adem. Op een bedje van mousseline lag een met een juwelen bezette schede.

Clea schoof de dolk uit de schede en legde hem op het bureau neer, met de vlijmscherpe punt naar Vauxhall gericht. ‘Hij wordt het Oog van Kasjmir genoemd. De edelsteen in het gevest is een blauwe saffier uit India. Een beschrijving ervan is te vinden in uw archieven. De dolk maakte deel uit van de verzameling van Victor Van Weldon die bij uw maatschappij verzekerd was. Een maand geleden werd deze dolk van Napels naar Brussel vervoerd aan boord van een schip dat toevallig ook bij uw maatschappij verzekerd was: de Max Havelaar.’

Vauxhall keek even naar Jordan en toen weer naar Clea. ‘Maar dat zou betekenen…’

‘…dat deze dolk nu op de bodem van de zee zou moeten liggen. Maar daar ligt hij niet. Omdat hij nooit aan boord van de Max Havelaar is geweest. Hij heeft ergens veilig opgeslagen gelegen, en vervolgens is hij op de zwarte markt verkocht aan een Engelsman.’

‘Hoe komt ú er dan aan?’

‘Ik heb hem gestolen.’

Een ogenblik staarde Vauxhall haar aan alsof hij niet zeker wist of ze het meende. Toen reikte hij langzaam naar zijn intercomknop. ‘Miss Barrows,’ zei hij, ‘zou u Mr. Jacobs voor me willen bellen, van de afdeling taxaties? Zeg hem dat hij naar mijn kantoor moet komen. En laat hem zijn loep meebrengen, of wat het ook is dat hij gebruikt om edelstenen mee te onderzoeken.’

‘Ik zal hem meteen bellen.’

‘Kunt u ook het dossier van de Van Weldon Company voor me halen? Ik wil de papieren hebben over een antieke dolk die bekendstaat als het Oog van Kasjmir.’ Vauxhall leunde achterover in zijn stoel en keek Clea met een bezorgde blik aan. ‘Dit stelt alles in een heel ander licht. Als ik me niet vergis, bedroeg de claim van Mr. Van Weldon rond de vijftien miljoen pond, alleen al voor de kunstcollectie.’ Hij gebaarde naar de dolk. ‘Dit zou zijn claims in twijfel kunnen trekken.’

Jordan keek naar Clea en zag de opluchting op haar gezicht. Het is voorbij, las hij in haar ogen. Deze nachtmerrie is eindelijk voorbij. Hij pakte haar hand. Die was klam en trilde alsof ze bang was. Van alle angstaanjagende gebeurtenissen van de afgelopen week moest dit moment een van de aangrijpendste zijn, omdat ze zo’n lange zware reis had afgelegd om hier te komen. Ze was te gespannen om naar hem te glimlachen, maar hij voelde wel dat ze haar vingers om de zijne klemde.

Zodra dit achter de rug is, nam hij zich voor, zodra het echt allemaal voorbij is, gaan we het vieren. Dan trekken we ons terug in een hotelsuite en bestellen al onze maaltijden via de roomservice. Dan gaan we dag en nacht de liefde bedrijven, totdat we zo moe zijn, dat we geen vin meer kunnen verroeren. En dan gaan we slapen, en daarna beginnen we weer van voren af aan.

Ze bleven blikken van verstandhouding wisselen. Ook toen Vauxhalls secretaresse binnenkwam om Van Weldons dossiers te brengen. Ook toen Mr. Jacobs van de afdeling taxaties arriveerde om de dolk te onderzoeken.

Hij was een gedistingeerd uitziend heerschap met een volle bos zilvergrijs haar. Hij bestudeerde het Oog uitvoerig; het leek wel een eeuwigheid te duren. Ten slotte keek hij op en zei tegen Vauxhall: ‘Mag ik het taxatierapport in de polis even zien?’

Vauxhall gaf het hem. ‘Er zit ook een foto bij. Het lijkt hetzelfde object te zijn.’

‘Ja. Inderdaad.’ Mr. Jacobs keek met samengeknepen ogen naar de foto en toen weer naar de dolk. Ditmaal concentreerde hij zich op de saffier. ‘Een bijzonder knap stukje werk,’ mompelde hij, turend door zijn loep. ‘Buitengewoon vakmanschap.’

‘Vindt u niet dat het tijd wordt om de autoriteiten in te lichten?’ vroeg Jordan.

Vauxhall knikte en reikte naar de telefoon. ‘Zelfs Victor Van Weldon kan het Oog van Kasjmir niet van tafel redeneren, of wel?’

Mr. Jacobs keek op. ‘Maar dit is niet het Oog van Kasjmir.’

Het werd doodstil in de kamer. Drie paar ogen staarden de oudere taxateur aan.

‘Hoe bedoel je?’ wilde Vauxhall weten.

‘Het is een kopie. Een synthetische steen. Van uitstekende kwaliteit, dat wel. Maar zoals je ziet, is de ster in de saffier iets geprononceerder dan in een natuurlijke steen. Hij is misschien twee- tot driehonderd pond waard. Niet geheel zonder waarde dus, maar het is geen echte saffier.’ Van achter zijn bril keek Mr. Jacobs hen kalm aan. ‘Dit is niet het Oog van Kasjmir.’

Alle kleur was uit Clea’s gezicht weggetrokken. Ze bleef maar naar de dolk kijken. ‘Ik… Ik snap het niet.’

‘Zou het mogelijk kunnen zijn dat u zich vergist?’ vroeg Jordan.

‘Nee,’ antwoordde Mr. Jacobs. ‘Ik verzeker u dat het een kopie is.’

‘Ik eis een second opinion.’

‘Uiteraard. Ik kan u een aantal edelsteenkundigen aanbevelen die –’

‘Nee, we regelen zelf wel iets,’ onderbrak Jordan hem.

Uit Mr. Jacobs’ blik sprak gekrenkte trots. Hij schoof de dolk naar Jordan toe. ‘Neemt u hem mee naar wie u maar wilt,’ zei hij, en hij stond op om weg te gaan.

‘Mr. Jacobs?’ zei Vauxhall. ‘Het Oog van Kasjmir is bij ons verzekerd. Zouden we de dolk niet beter in ons bezit kunnen houden totdat deze zaak is opgehelderd?’

‘Daar zie ik geen enkele noodzaak toe,’ snauwde Mr. Jacobs. ‘Laat hen dat ding maar houden. Het is toch pure namaak.’