Hoofdstuk 6

 

 

 

 

 

Clea wachtte tot het doodstil was geworden in huis voordat ze uit bed stapte. Hoewel haar hoofd nog steeds bonsde en de vloer leek te deinen onder haar blote voeten, dwong ze zichzelf om naar de deur te lopen en die op een kier te openen.

De gang was verlaten. Aan het eind brandde een lampje dat een zwakke schijnsel over de vloerloper wierp. Naast de lamp stond een telefoon.

Geluidloos sloop ze door de gang, en ze nam de hoorn van de haak. Haar gewetenswroeging negerend, toetste ze Tony’s nummer in Brussel in. Oké, het was geen goedkoop telefoontje, maar dit was een noodgeval, en de Tavistocks zouden heus niet wakker liggen van de telefoonrekening.

Na vier keer overgaan nam Tony op. ‘Clea?’

‘Ik zit in de nesten,’ fluisterde ze. ‘Op een of andere manier hebben ze me opgespoord.’

‘Waar ben je?’

‘Veilig, voorlopig. Tony, Delancey is gewond. Hij ligt in het ziekenhuis en komt er vermoedelijk niet meer levend uit.’

‘Wat? Hoe…’

‘Er is een bom ontploft in zijn auto. Zeg, ik denk niet dat ik het Oog te pakken zal kunnen krijgen. Voorlopig niet, tenminste. Zijn huis zal nauwlettend in de gaten gehouden worden door de politie.’

Hij reageerde niet, en heel even dacht ze dat de verbinding verbroken was. Toen vroeg hij: ‘Wat ben je van plan?’

‘Ik weet het niet.’ Ze keek om zich heen toen ze iets hoorde kraken, maar zag niemand. Gewoon de geluiden van een oud huis, dacht ze bij zichzelf, al bonsde haar hart in haar keel. ‘Als ze mij hebben weten te vinden, zullen ze ook jou weten te vinden,’ zei ze zachtjes. ‘Je moet weg uit Brussel. Je moet ergens anders naartoe.’

‘Clea, ik moet je iets vertellen –’

Met een ruk draaide ze zich om toen ze opnieuw een geluid hoorde. Het kwam uit een van de slaapkamers. Er was iemand wakker! Vlug hing ze op, en ze haastte zich terug door de gang.

Weer in haar kamer, bleef ze bij de deur staan luisteren. Tot haar opluchting hoorde ze niets meer.

In ieder geval had ze Tony kunnen waarschuwen. Nu was het tijd dat ze aan zichzelf ging denken. Ze deed de deur op slot en klemde er voor de zekerheid ook nog een stoel tegenaan. Daarna stapte ze weer in bed.

Haar hoofdpijn begon af te nemen; misschien zou ze de volgende ochtend weer helemaal de oude zijn. In dat geval zou ze Chetwynd verlaten en zich als de bliksem uit de voeten maken voordat Van Weldons mensen haar opnieuw zouden opsporen. Tot nog toe had ze geluk gehad, maar geluk kon niet eeuwig blijven duren – niet in de confrontatie met het soort mensen waarmee zij te maken had.

Het was tijd voor een nieuwe metamorfose. Een knipbeurt en een reïncarnatie als brunette. Een bril. Ja, dat zou misschien wel afdoende zijn. Dat zou haar wellicht de kans geven om onopgemerkt in de mensenmassa in Londen op te gaan.

Zodra ze uit Engeland weg was, zou Van Weldon zijn belangstelling voor haar misschien verliezen. Dan zou ze misschien nog lang genoeg leven om een mooie oude dag te beleven.

Misschien.

 

Tony legde de hoorn terug op de haak. ‘Ze heeft opgehangen,’ zei hij, en hij draaide zich om naar de andere man. ‘Ik kon haar niet langer aan de lijn houden.’

‘Misschien was het lang genoeg.’

‘Jezus, ze klonk doodsbang. Kunnen je mensen dit hele gedoe niet afblazen?’

‘Nog niet. We hebben nog niet genoeg. Maar we zijn al een heel eind in de goede richting.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Omdat Van Weldon haar op de hielen zit. Hij zal binnenkort opnieuw toeslaan.’

Tony keek toe terwijl de andere man een sigaret tevoorschijn haalde en ermee tegen zijn aansteker tikte. Waarom doen mensen dat, tikken met hun sigaret? De zoveelste irritante gewoonte van die vent. In de voorbije week had Tony iedere tic en iedere gril van Archie MacLeod leren kennen, en hij was de man ondertussen meer dan zat. Was er maar een andere manier…

Alleen was die er niet. MacLeod wist alles over Tony’s verleden, wist van de jaren die hij in de gevangenis had doorgebracht. Als hij niet meewerkte, zouden MacLeod en Interpol die informatie verspreiden onder alle antiekkopers in Europa. Ze zouden hem ruïneren. Tony had geen andere keus dan aan dit krankzinnige plan meewerken.

En bidden dat Clea het er levend af zou brengen.

‘Je hebt Van Weldon te dichtbij laten komen, deze keer,’ zei hij. ‘Clea had wel opgeblazen kunnen worden in die auto.’

‘Maar dat is niet gebeurd.’

‘Jullie man heeft er een potje van gemaakt. Geef het maar toe!’

MacLeod blies een wolk sigarettenrook uit. ‘Oké, we waren niet helemaal goed voorbereid. Maar je nichtje heeft het overleefd, toch? We houden haar goed in de gaten.’

Tony lachte. ‘Jullie weten niet eens waar ze is!’

MacLeods mobiele telefoon ging. Hij nam op, luisterde even en hing toen op. Tony aankijkend zei hij: ‘We weten precies waar ze is.’

‘Door dat telefoontje van daarnet?’

‘We hebben het kunnen traceren. Ze heeft vanuit een woonhuis gebeld. Van ene Hugh Tavistock in Buckinghamshire.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Wie is dat?’

‘Dat zijn we nu aan het uitzoeken. In de tussentijd is ze veilig. Onze man in het veld is op de hoogte gebracht van haar verblijfplaats.’

Hij ging op het bed zitten en greep zijn hoofd beet. ‘Als Clea hierachter komt, vermoordt ze me.’

‘Te oordelen naar wat ik van je nichtje heb gezien,’ zei MacLeod met een lachje, ‘acht ik dat zeer waarschijnlijk.’

 

‘Ze zijn haar kwijt,’ zei Trott.

Van Weldon zorgde ervoor dat er geen enkel spoor van paniek op zijn gezicht te zien was toen hij het nieuws hoorde, al voelde hij dat zijn borstkas zich samenkneep van woede. Zo meteen zou dat gevoel wel weer zakken. Zo meteen zou hij uiting geven aan zijn ongenoegen. Maar hij mocht zijn zelfbeheersing niet verliezen. Niet in Trotts bijzijn. ‘Wanneer is dat gebeurd?’ vroeg hij, zijn stem ijzig kalm.

‘In het ziekenhuis. Daar is ze naartoe gebracht na de bomaanslag. Op een of andere manier is ze ertussenuit geknepen zonder dat onze man het heeft gemerkt.’

‘Was ze gewond?’

‘Een hersenschudding.’

‘Dan kan ze nooit ver gekomen zijn. Spoor haar op.’

‘Daar zijn ze mee bezig. Ze zijn alleen bang dat…’

‘Wat?’

‘Dat ze misschien de hulp van de autoriteiten heeft ingeroepen.’

Opnieuw was het alsof een reusachtige hand zich stevig om Van Weldons borstkas sloot. Hij zweeg even, happend naar adem, en telde de seconden totdat de aanval voorbij zou zijn. Dit was een zware, dacht hij bij zichzelf, en dat allemaal door die vrouw. Ze zou nog eens zijn dood worden. Hij pakte zijn potje nitroglycerinum en legde twee tabletjes onder zijn tong. Langzaam ebde het onbehaaglijke gevoel weg. Ik ben nog niet klaar voor de dood. Nog niet.

Hij keek naar Trott. ‘Hebben we bewijs dat ze contact met de autoriteiten heeft gezocht?’

‘Ze is al te vaak ontsnapt. Ze móét wel hulp krijgen. Van de politie. Of van Interpol.’

‘Clea Rice? Welnee. Die zou de politie nooit vertrouwen.’ Hij stopte het potje nitroglycerinum terug in zijn zak en haalde diep adem. De pijn was weg. ‘Ze heeft gewoon geluk gehad, dat is alles.’ Hij maakte een achteloos gebaar met zijn hand. ‘Maar dat kan niet eeuwig blijven duren.’

 

Het was niet haar bedoeling geweest om zo lang te slapen, maar de hersenschudding had haar suf gemaakt en het bed lag zo lekker en ze voelde zich veilig in dit huis. Veiliger dan ze zich in weken had gevoeld. Tegen de tijd dat ze zich eindelijk uit bed sleepte, scheen de zon al vrolijk door haar raam naar binnen en had haar hoofdpijn plaatsgemaakt voor slechts een duf gevoel.

Ik leef nog, constateerde ze verwonderd.

Uit verscheidene delen van het huis klonken geluiden die het begin van een nieuwe dag aankondigden: krakende vloerplanken, water dat door de leidingen stroomde.

Het was te laat om ongemerkt te ontsnappen. Ze zou eenvoudigweg een paar uur de rol van gast moeten spelen. Daarna zou ze er stilletjes vandoor gaan en te voet naar het station in het dorp proberen te komen. Hoever zou het zijn – een paar kilometer? Dat moest lukken. Per slot van rekening had ze ooit ruim vijftien kilometer langs de Spaanse kust gesjouwd, en dat was midden in de nacht geweest, terwijl ze helemaal doorweekt was.

Alleen had ze toen geen schoenen met hoge hakken aangehad.

Ze keek naar haar kleren. Haar jurk, gescheurd en vies, lang over een stoel gedrapeerd. Van haar panty was niets meer over. Haar schoenen – die afgrijselijke martelwerktuigen – bespotten haar met hun naaldhakken van zeven centimeter. Nee, dan ging ze nog liever op blote voeten. Of misschien op pantoffels? Ze ontdekte een paar bij de ladekast: comfortabel uitziende roze pantoffels, afgezet met bont. Nee, daarmee zou ze écht niet opvallen op straat…

Ze trok een zijden ochtendjas aan die ze in de kast had aangetroffen, stak haar voeten in de roze pantoffels en schoof de stoel opzij die ze tegen de deur had geklemd. Daarna stapte ze voorzichtig haar kamer uit.

De bewoners van het huis waren allemaal al op en aangekleed. Toen ze beneden was, zag ze hen door de openslaande tuindeuren. Ze zaten buiten, met zijn allen rond een ontbijttafel op het terras. Het tafereel zag eruit als een foto uit een stijlvol tijdschrift: de ijzeren reling die begroeid was met klimrozen, de bedauwde herfsttuin, de met linnen en porselein gedekte tafel… En dan de mensen aan die tafel! Beryl, met haar volmaakte jukbeenderen en dat glanzende zwarte haar. Richard Wolf, slank en ontspannen, met zijn arm bezitterig om Beryls schouders geslagen.

En Jordan.

Mocht de vorige avond al een beproeving voor hem zijn geweest, dan was daar deze ochtend in elk geval niets meer van te zien. Hij oogde onverstoorbaar en elegant als altijd. Zijn blonde haar was bijna zilverachtig in het ochtendlicht, en zijn tweedjasje sloot strak als een tweede huid om zijn schouders.

Terwijl Clea hen door het raam stond te begluren, bedacht ze hoe perfect ze eruitzagen, als echte raspaarden die alleen het beste van het beste gewend waren. Het was geen jaloezie wat ze voelde, maar een soort verwondering – alsof ze naar een stel buitenaardse wezens stond te kijken. Ze kon zich in hun gezelschap begeven, wist zich er zelfs naar te gedragen, maar door haar aderen zou altijd het verkeerde bloed stromen. Bezoedeld bloed. Net als dat van oom Walter.

Te verlegen om dat volmaakte tafereeltje te verstoren, draaide ze zich om, om terug naar boven te gaan. Toen ze bij de tuindeuren weg liep, hoorde ze Jordan echter haar naam roepen en besefte ze dat ze ontdekt was. Hij gebaarde naar haar, wenkte dat ze bij hen moest komen zitten. Ontsnappen kon nu niet meer; ze zou zich er gewoon doorheen moeten slaan. Ze streek de zijden ochtendjas glad, haalde haar vingers door haar haar en stapte het terras op.

Pas toen herinnerde ze zich haar roze pantoffels. De zolen maakten een gênant schuifelend geluid op de stenen.

Jordan stond op en schoof een stoel voor haar naar achteren. ‘Ik wilde net even bij je gaan kijken. Voel je je al wat beter?’

In verlegenheid gebracht, trok ze de randen van de ochtendjas dicht. ‘Ik ben niet echt gekleed voor het ontbijt. Mijn kleren zien er niet uit, en ik wist niet wat ik anders –’

‘Maak je daar maar niet druk over. Het hoeft allemaal niet zo formeel hier.’

Ze keek naar Beryl, die onberispelijk gekleed was in een kasjmieren truitje en een rijbroek, en vervolgens naar Jordan, in zijn wollen tweedjasje. Niet zo formeel – nee, hoor! Met een gevoel van berusting ging ze op de haar aangeboden stoel zitten. Ze leek wel een of ander beest uit de dierentuin, met haar donzige roze voeten.

Terwijl Jordan koffie voor haar inschonk en een portie eieren met worstjes voor haar op een bord schepte, betrapte ze zichzelf erop dat ze naar zijn handen zat te kijken, naar zijn lange vingers en naar de gouden haartjes die glinsterden op de bovenkant van zijn polsen. Het waren de handen van een aristocraat, vond ze. Opeens herinnerde ze zich met een onverwachte helderheid de tedere kracht waarmee die handen haar de avond daarvoor van de weg hadden getild.

‘Houd je niet van eieren?’

Knipperend met haar ogen keek ze naar haar bord. Eieren. Ja. Automatisch pakte ze haar vork. Ze voelde dat alle ogen op haar gevestigd waren toen ze haar eerste hap nam.

‘Ik heb vanochtend wel geprobeerd om wat schone kleren bij je neer te leggen,’ legde Beryl uit, ‘maar ik kreeg je deur niet open.’

‘Ik had er een stoel voor gezet,’ zei ze.

‘O.’ Beryl glimlachte schaapachtig, alsof ze wilde zeggen: Natuurlijk. Iedereen barricadeert altijd zijn deur.

Daar scheen niemand een passende reactie op te hebben, en dus bleven ze maar naar Clea zitten kijken terwijl ze at. Hun blikken waren niet onvriendelijk, hooguit… niet-begrijpend.

‘Het is een soort rare gewoonte van me,’ vertelde ze, terwijl ze een scheutje melk in haar koffie deed. ‘Ik vertrouw sloten namelijk niet. Het is kinderspel om die open te krijgen.’

‘Is dat zo?’ vroeg Beryl.

‘Vooral sloten van slaapkamerdeuren. Een standaardslaapkamerdeurslot is binnen vijf seconden open te krijgen. Zelfs de nieuwere modellen met die schijven.’

‘Wat ontzettend nuttig om te weten,’ mompelde Beryl.

Toen ze opkeek, zag ze dat iedereen gefascineerd naar haar zat te kijken. Blozend sloeg ze haar ogen neer, en ze concentreerde zich weer op haar eieren. Ik zit als een idioot te kletsen, dacht ze.

Ze kromp ineen toen Jordan haar hand aanraakte.

‘Diana, ik heb het hun verteld.’

Ze staarde hem aan. ‘Je hebt het hun verteld? Je bedoelt… over…’

‘Alles. Hoe we elkaar hebben ontmoet, de aanslagen op je leven. Ik móést het hun wel vertellen. Als ze je moeten helpen, is het belangrijk dat ze alles weten.’

‘Geloof me, ik wil dolgraag helpen,’ zei Beryl. ‘Je kunt ons vertrouwen. Net zoals je Jordie vertrouwt.’

Clea’s handen beefden. Ze legde ze in haar schoot. Ze vragen me hen te vertrouwen, dacht ze mismoedig. En dat terwijl ik degene ben die niet de waarheid heeft gesproken.

‘We hebben bronnen die misschien nuttig zouden kunnen zijn,’ zei Jordan. ‘Connecties bij de geheime dienst. En Richards bedrijf is gespecialiseerd in beveiliging. Dus als je hulp nodig hebt, in welke vorm dan ook…’

Het aanbod was bijna te verleidelijk om af te slaan. Al wekenlang was ze op zichzelf aangewezen. Ze was van het ene hotel naar het andere getrokken, nooit wetend wie ze kon vertrouwen of wat haar volgende bestemming zou zijn. Ze was het zo zat om almaar op de vlucht te zijn.

En toch was ze niet bereid om haar lot in andermans handen te leggen. Zelfs niet in die van Jordan.

‘De enige gunst die ik vraag, is een lift naar het station,’ zei ze. ‘En misschien…’ Ze keek naar de roze pantoffels en lachte kort. ‘…andere kleren?’

Beryl stond op. ‘Dat kan ik in ieder geval voor je regelen.’ Ze trok aan de arm van haar verloofde. ‘Kom, Richard. Laten we eens even in mijn garderobekast gaan neuzen.’

Clea bleef alleen achter met Jordan.

Heel even was het stil, op het geluid van de duiven na die boven in de bomen een klaaglied koerden om het verstrijken van de zomer. De wolken zweefden voor de zon en kleurden de ochtend grijs.

‘Dus je gaat ons verlaten,’ merkte Jordan op.

‘Ja.’ Ze vouwde haar servet dubbel en legde het zorgvuldig op tafel. Hoewel ze haar blik op dat kleine vierkantje van roomkleurig linnen gericht hield, kon ze zich niet afsluiten voor Jordans aanwezigheid. Ze kon de warmte van zijn blik bijna voelen. Al haar zintuigen zwoeren samen tegen haar pogingen tot onverschilligheid.

De vorige avond, met die eerste kus, waren ze over een soort onzichtbare drempel gestapt, hadden ze een terrein betreden waar geen grenzen waren en waar de mogelijkheden eindeloos leken.

Maar meer dan mogelijkheden zijn het ook niet, hield ze zich voor. Fantasieën die lonkten in het grijze gebied van halve waarheden. Ze had hem zo veel leugens verteld, had haar verhaal zo vaak aangepast. En de ergste waarheid van allemaal had ze hem nog steeds niet verteld: wie ze was, wat ze was.

Wat ze was geweest.

Ze kon hem maar beter de fantasie laten, besloot ze. Laat hem maar het beste over mij veronderstellen.

Ze keek op en zag dat hij naar haar zat te kijken met een blik die niet-begrijpend en nadenkend was tegelijk. ‘Wat is je volgende bestemming?’ vroeg hij.

‘Londen. Het is duidelijk dat ik dit niet in mijn eentje afkan. Mijn… zakenpartners op kantoor zullen het onderzoek voortzetten.’

‘En wat ga jij dan doen?’

Ze haalde haar schouders op, glimlachte. ‘Een makkelijker zaak nemen. Iets waar geen ontploffende auto’s aan te pas komen.’

‘Diana, als je ooit mijn hulp nodig hebt, op wat voor manier dan ook…’

Hun blikken kruisten elkaar, en ze zag in zijn ogen een aanbod van meer dan hulp alleen. Ze moest vechten tegen de neiging om hem alles op te biechten, om hem mee te sleuren in deze gevaarlijke puinhoop.

Ze schudde haar hoofd. ‘Ik heb buitengewoon capabele collega’s. Zij zullen goed voor me zorgen. Maar bedankt voor het aanbod.’

Hij knikte kort en deed er verder het zwijgen toe.

 

Op een bankje op het perron zat een man in een grijs pak de krant te lezen. Ondertussen hield hij de passagiers in de gaten die zich verzamelden voor de trein van kwart over twaalf naar Londen. Het was al de vierde trein van deze dag, en tot dusverre had hij Clea Rice nog niet gezien.

Op het bankje zaten ook nog drie vrouwen en een druk kind dat almaar tegen zijn krant aan sloeg. De man was in staat om het kind een mep te verkopen, uit pure frustratie. Hij was er zo van overtuigd geweest dat Clea Rice de trein zou nemen, en nu zag het ernaar uit dat ze erin geslaagd was op een andere manier stiekem het dorp te verlaten.

Ja, ze werd echt steeds beter in dit spel – een stoomcursus onvoorspelbaar gedrag. Nog steeds begreep hij niet hoe ze het voor elkaar gekregen had om de avond hiervoor uit het ziekenhuis weg te glippen.

Dat zou een veel gemakkelijker locatie zijn geweest om het af te maken: een privékamer, de patiënt onder verdoving. Hij had zich al eens eerder voorgedaan als dokter, bij een eerdere klus. Die truc had hij beslist nog een keer kunnen uitvoeren. Jammer dat ze niet had meegewerkt. Nu zou hij haar opnieuw moeten opsporen, voordat ze in de Londense mensenmassa verdween.

‘Er zijn nog meer mensen die graag op dit bankje zouden willen zitten, weet u,’ zei een vrouw.

Toen hij opzijkeek, zag hij een dame met blauwgrijs haar en een zware boodschappentas. ‘Het is bezet,’ zei hij, en hij trok zijn krant extra wijd open.

‘Iemand met goede manieren zou zijn plekje afstaan aan mensen die niet zo piepjong meer zijn,’ zei ze.

Hij bleef zijn krant lezen, maar zijn vingers jeukten om het automatische pistool uit zijn schouderholster te pakken. Een gaatje midden tussen de ogen van die oude tang: dat leek hem wel wat. Gewoon om haar de mond te snoeren.

Inmiddels stond ze te mekkeren over het tekort aan beschaafde mannen in deze wereld – tegen niemand in het bijzonder, maar luidkeels genoeg om de aandacht te trekken van mensen om hen heen.

Dat kon hij niet gebruiken. Hij stond op, wierp de oude heks een venijnige blik toe en stond zijn plekje op de bank aan haar af.

Met een grom van tevredenheid eiste ze het op.

Zijn krant dubbelvouwend slenterde hij naar de andere kant van het perron.

En toen kreeg hij Clea Rice in het oog. Ze kwam net uit het toilet. Ze had een rok en jasje van pied-de-poule aan – beide een paar maten te groot. Hoewel haar haar bijna helemaal schuilging onder een sjaal, piepten er nog net een paar knalrode lokken van haar pony onderuit. Daaruit en uit de manier waarop ze zich bewoog – haar blik die nerveus alle kanten uit schoot; de ruime afstand die ze bewaarde tot de rand van het perron – leidde hij af dat zij het was.

Dit was niet de plek om het te doen. Hij besloot dat hij haar in de trein zou laten stappen en haar de coupé in zou volgen. Daar zou hij haar in de gaten kunnen houden. En misschien, wanneer ze weer uitstapte…

Met zijn kaartje in de hand deed hij een stap naar voren en sloot zich aan bij de rij mensen die stonden te wachten tot ze konden instappen.

 

Dus Clea Rice nam de trein van kwart over twaalf naar Londen. Niet zo’n verstandige zet, vond Charles Ogilvie. Hij ging achter haar in de rij bij het loket staan.

Vanaf Chetwynd had hij haar moeiteloos kunnen volgen; Jordan Tavistocks goudkleurige Jaguar was niet bepaald eenvoudig over het hoofd te zien. En als híj erin geslaagd was hun spoor te volgen, zou iemand anders dat vast en zeker ook hebben gekund.

Nu stond de vrouw op het punt om op klaarlichte dag in een trein te stappen.

Ogilvie was inmiddels aan de beurt bij het loket en kocht vlug een kaartje. Daarna volgde hij de vrouw naar het perron. Ze verdween in het damestoilet, en hij wachtte. Pas toen de trein het station naderde, kwam ze weer tevoorschijn.

Er stonden een stuk of twintig mensen te wachten op het perron – een bonte mengeling van zakenmensen en huisvrouwen, die stuk voor stuk levensgevaarlijk zouden kunnen blijken.

Nonchalant liet hij zijn blik over de gezichten glijden, op zoek naar iemand die hij misschien al eerder had gezien. Aan de andere kant van de menigte ontwaarde hij iemand die hem bekend voorkwam: een man in een grijs pak met een krant onder zijn arm. Weliswaar was zijn gezicht op geen enkele manier opvallend, het riep toch vaag een herinnering bij hem op. Waar had hij die man eerder gezien?

In het ziekenhuis. De vorige avond in de centrale hal. De man had er een krant gekocht, bij de kiosk.

En nu stapte hij in de trein van kwart over twaalf naar Londen. Pal achter Clea Rice.

Een adrenalinestoot trok door Ogilvies lichaam. Als er iets zou gebeuren, zou het heel snel zijn. Misschien niet hier tussen al die mensen, maar in de trein of bij het volgende station. Het enige wat ervoor nodig was, was de loop van een geweer tegen het achterhoofd. Clea Rice zou het niet eens zien aankomen.

De man in het grijze pak schuifelde dichter naar de vrouw toe.

Ogilvie snelde naar voren. Hij had zijn jasje al opengeknoopt; zijn schouderholster was binnen handbereik. Zijn blik bleef op de man in het grijze pak gericht. Hij moest onmiddellijk kunnen handelen bij het eerste teken van een aanval. Hij was Clea Rice’ enige redding. En een tweede kans zou hij niet krijgen.

 

Bijna was ze er. Bijna.

Clea hield haar treinkaartje in haar hand geklemd alsof het een amulet was, terwijl ze stond te wachten tot de trein tot stilstand zou komen. Ze hield zich een beetje afzijdig, liet alle anderen voorgaan. De herinnering aan dat incident in de Londense metro was nog te vers; ze zou nooit meer op de rand van een perron durven staan wanneer er een trein aankwam. Eén duwtje van achteren, en je was er geweest. Nee, ze kon zich maar beter een beetje afzijdig houden en alles goed in de gaten houden.

De trein was tot stilstand gekomen. Er begonnen passagiers in te stappen.

Ze mengde zich onder mensen.

Haar hoofdpijn was in alle hevigheid teruggekeerd, en ze verlangde naar de privacy van een treincoupé. Nog een paar stappen, en dan zou ze weer onderweg zijn. Terug naar Londen. Naar de anonimiteit. Per slot van rekening was dat het beste wat ze kon doen: een paar dagen uit beeld verdwijnen.

Het was waanzin geweest te denken dat ze Van Weldon te slim af zou kunnen zijn. Een tegenstander die iedere aanval van haar met een nog gevaarlijker aanval pareerde, een man die alle reden – en mogelijkheden – had om haar te vernietigen. Misschien was het een soort capitulatie, maar ze was inmiddels zover dat ze concessies wilde doen. Alles om maar in leven te blijven.

Doordat ze zo gefocust was op veilig in de trein stappen, merkte ze niets van de commotie achter zich. Op het moment dat ze haar voet op de treeplank zette, werd ze bij de arm gegrepen en terug op het perron getrokken. Met een ruk draaide ze zich om, klaar om van zich af te bijten en met haar nagels over het gezicht van haar aanvaller te klauwen. Een fractie van een seconde voordat ze wilde uithalen, verstarde ze. ‘Jordan?’ zei ze verbijsterd.

Hij greep haar bij de pols. ‘Kom mee. We gaan hier weg.’

‘Wat doe je?’

‘Ik leg het je straks wel uit. Kom mee.’

‘Maar ik moet met de trein –’

Hij sleurde haar mee, uit de rij passagiers. Toen ze zich probeerde los te rukken, pakte hij haar bij de schouders en trok haar dicht tegen zich aan. ‘Luister naar me,’ fluisterde hij. ‘Iemand is ons gevolgd van Chetwynd naar hier. Je kunt niet met de trein mee.’

Ze verstijfde. Zijn adem blies zoel door haar haar, en ze was zich sterker dan ooit bewust van zijn geur, van zijn warmte. Zelfs door het tweedjasje heen kon ze het bonzen van zijn hart voelen, de spanning in zijn armen. Zonder iets te zeggen knikte ze, en zijn armen om haar heen verslapten hun greep. Samen keerden ze zich van de trein af en deden een stap achteruit, het perron op.

Plotseling dook als uit het niets een man op, die hun de weg versperde. Een man in een grijs pak. Zijn gezicht was volstrekt onopvallend, maar het pistool in zijn hand trok meteen haar onthutste blik.

Ze was al bezig naar links weg te draaien, toen het eerste schot klonk. Er sloeg iets tegen haar schouder, waardoor ze aan de kant werd geduwd.

Jordan.

Als in slow motion zag ze heel even zijn tweedjasje toen hij haar duwde. Het volgende moment viel ze naar opzij. Ze kwam op haar knieën op het perron terecht. De klap waarmee dat gebeurde, joeg een schokgolf langs haar ruggengraat omhoog. De pijn in haar hoofd verblindde haar bijna.

Overal om haar heen barstte gegil los.

Ze krabbelde overeind en draaide tegelijkertijd om haar as om te zien waar haar belager zich bevond. Op het perron schoten de mensen in paniek alle kanten uit. Jordan schermde haar nog steeds zodanig af dat ze nauwelijks iets kon zien, maar over zijn schouder ving ze een glimp van de schutter op.

Op hetzelfde moment zag hij haar ook, en hij hief zijn pistool.

Het schot was als een donderslag.

Ze kromp ineen, maar voelde geen pijn, geen klap. Niets anders dan verbijstering omdat ze nog in leven was.

Ook op het gezicht van de schutter stond verbijstering te lezen. Hij keek naar zijn borst, waar de donkerrode bloedvlek zich snel uitbreidde op zijn overhemd. Hij wankelde, zakte op zijn knieën.

‘Weg hier!’ blafte een stem ergens van opzij.

Toen ze zich omdraaide, zag ze nog een man met een pistool in zijn hand, een eindje verderop. Als een bezetene gebaarde hij naar haar dat ze zich uit de voeten moest maken.

De man in het grijze pak sleepte zich intussen op handen en knieën voort, gorgelend, vloekend, nog steeds weigerend om zijn pistool te laten vallen.

Er was een flinke zet van Jordan voor nodig om haar in beweging te krijgen. Ineens deden haar benen het weer. Ze begon te rennen langs de rand van het perron – iedere dreunende voetstap als een spijker die in haar pijnlijke hoofd werd geslagen. Ze hoorde dat Jordan pal achter haar was, ving de kreten van verwarring op die nagalmden in hun kielzog. Ze bereikten de achterkant van de trein, sprongen op de rails en holden naar het tegenovergelegen perron. Zij klauterde er als eerste op; Jordan scheen wat achterop te raken. Even bleef ze staan om zijn hand beet te pakken en hem omhoog te hijsen.

‘Wacht maar niet op mij,’ zei hij hijgend, terwijl ze naar de trap spurtten. ‘Ga maar gewoon… Het parkeerterrein…’

‘Ik móét wel op je wachten! Jij hebt de autosleutels!’

De Jaguar stond dubbel geparkeerd naast de toegang tot het station.

Jordan gooide haar de sleutels toe. ‘Rijd jij maar.’

Ze verspilde geen adem aan verdere discussie, ging achter het stuur zitten en zette de auto in de eerste versnelling. Met piepende banden reden ze van het parkeerterrein af.

In de verte hoorden ze het geluid van naderende sirenes. De politie was op weg naar het station, nam ze aan. Ze zouden vast geen belangstelling voor háár hebben.

Ze had gelijk: twee politieauto’s reden hun in razende vaart voorbij.

In de achteruitkijkspiegel zag ze dat de weg achter hen leeg was. ‘Het lijkt erop dat we niet gevolgd worden. Volgens mij zijn we veilig.’

‘Voorlopig.’

‘Je zei dat we vanaf Chetwynd gevolgd zijn. Hoe wist je dat?’

‘Eerst wist ik het niet zeker. Ik zag de hele tijd een zwarte MG achter ons. Op een gegeven moment verdween-ie uit het zicht. Daarom zei ik er niets over; ik dacht dat hij weg was.’

‘Toch ben je teruggekomen om me te halen.’

‘Op weg naar de uitgang zag ik die MG weer. Hij draaide net het parkeerterrein op. Toen realiseerde ik het me…’ Met een grimas ging hij verzitten. ‘Ga je me nog vertellen wat er in vredesnaam aan de hand is?’

‘Iemand heeft zojuist geprobeerd ons te vermoorden.’

‘Dat had ik al begrepen. Wie was de schutter?’

‘Hoe hij heet, bedoel je?’ Ze schudde haar hoofd. Zelfs die kleine beweging maakte dat haar hoofd weer pijnlijk begon te bonzen. ‘Geen idee.’

‘En de andere man? Die zojuist ons leven heeft gered?’

‘Hoe híj heet, weet ik ook niet, maar…’ Even zweeg ze. ‘Ik geloof dat ik hem eerder heb gezien. In Londen. Bij de metro.’

‘Je reddende engel?’

‘Deze keer heb jíj hem ook gezien, dus dan kan hij nooit een engel zijn.’ Ze wierp weer een blik in de spiegel. Nog steeds niemand die hen volgde. Iets rustiger ademhalend dacht ze na over de volgende stap. Chetwynd?

Alsof hij haar gedachten had gelezen, zei Jordan: ‘We kunnen niet terug naar Chetwynd. Dat is veel te voorspelbaar.’

‘Jíj kunt wel teruggaan.’

‘Dat weet ik nog zo net niet.’

‘Jij bent niet degene die ze zoeken.’

‘Ga je me nog vertellen wie “ze” zijn?’

‘Dezelfde mensen als die Guy Delanceys auto hebben opgeblazen.’

‘Die mensen… Is er een connectie met die mysterieuze Belg, of was dat gewoon het zoveelste fabeltje?’

‘Het is de waarheid. Min of meer.’

Hij kreunde. ‘Min of meer?’

Ze wierp een blik opzij en zag dat zijn kaak strak gespannen stond. Hij is vast net zo bang als ik ben, schoot het door haar heen.

‘Ik vind dat ik recht heb op de volledige waarheid.’

‘Later. Zodra ik een adempauze voor ons heb gecreëerd.’ Ze gaf gas. De Jaguar reageerde met een zacht snorrend geluid en een acceleratie. ‘Op dit moment wil ik alleen maar maken dat we hier wegkomen. Zodra we in Londen zijn –’

‘Londen?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Denk je dat het zo eenvoudig zal zijn? Gewoon over de snelweg tuffen? Als ze zo gevaarlijk zijn als jij beweert, zullen ze de hoofdwegen nauwlettend in de gaten houden.’

En een goudkleurige Jaguar was niet bepaald een auto die je snel over het hoofd zag, besefte ze. Ze zou de Jag moeten dumpen.

En de man misschien ook. Hij zou beter af zijn zonder haar. Ze leek als een magneet problemen aan te trekken, en wanneer de volgende crisis zich aandiende, wilde ze Jordan uit de vuurlinie hebben. Dat was wel het minste wat ze hem verschuldigd was.

‘Er komt straks een afslag,’ zei hij. ‘Die moet je nemen.’

‘Waar leidt die naartoe?’

‘De provinciale weg.’

‘Naar Londen?’

‘Nee. Die weg voert naar een herberg. Ik ken de eigenaars. Er is een schuur waarin we de auto kunnen verstoppen.’

‘En hoe kom ik dan in Londen?’

‘Niet. We blijven een poosje rustig waar we zijn om weer een beetje op krachten te komen. Daarna plannen we onze volgende stap.’

‘Onze volgende stap is in beweging blijven! Desnoods te voet! Ik ben niet van plan langer in deze buurt rond te hangen dan –’

‘Maar ik vrees dat ik geen andere keus heb,’ mompelde hij.

Opnieuw keek ze van opzij naar hem. Wat ze zag, deed haar bijna van schrik de controle over het stuur verliezen. Hij had een voorpand van zijn jasje teruggeslagen en keek naar zijn overhemd. Op het fijne linnen zaten allemaal helderrode bloedvlekken.