Hoofdstuk 7

 

 

 

 

 

‘O, mijn God,’ zei Clea. ‘Waarom heb je niets gezegd?’

‘Het is niet ernstig.’

‘Hoe weet jij dat nou?’

‘Ik adem toch nog?’

‘O, nou, geweldig, hoor!’ Ze gaf een ruk aan het stuur en maakte een duizelingwekkende bocht van honderdtachtig graden met de Jaguar. ‘We gaan naar het ziekenhuis.’

‘Nee.’ Hij greep haar bij de hand. ‘Dan hebben ze je in een mum van tijd te pakken.’

‘Wat moet ik dan? Je laten doodbloeden?’

‘Ik voel me prima. Volgens mij is het opgehouden.’ Hij keek weer naar zijn overhemd. De vlekken leken zich niet verder uit te breiden. ‘Hoe luidt dat cliché ook alweer? “Het is maar een vleeswond”?’

‘Stel dat het dat niet is? Stel dat je inwendige bloedingen hebt?’

‘Dan zal ik de eerste zijn om te smeken om hulp, geloof me,’ antwoordde hij met een gepijnigde glimlach. ‘Ik ben een lafaard van de bovenste plank.’

Een lafaard, herhaalde ze in gedachten. Nee, niet deze man. Hij was de minst laffe man die ze kende.

‘Ga naar de herberg,’ drong hij aan. ‘Als dit echt ernstig is, kan ik altijd nog een dokter bellen.’

Met tegenzin maakte ze opnieuw een bocht van honderdtachtig graden en reed verder in de oorspronkelijke richting.

De afslag bracht hen op een smalle weg met aan beide kanten hoge heggen. Door openingen in het gebladerte zag ze een lappendeken van velden en stenen muurtjes. De heggen maakten plaats voor een oprijlaan met grind, en uiteindelijk stopten ze voor de Munstead Inn. Aan weerszijden van het pad naar de voordeur waren bloeiende planten en struiken neergezet, waarvan de bloemen al hun herfsttint kregen.

Ze stapte uit om Jordan uit de auto te helpen.

‘Laat me maar gewoon zelf lopen,’ zei hij. ‘Het is het beste om te doen alsof er niets aan de hand is.’

‘Misschien val je wel flauw.’

‘Zoiets gênants zou ik nooit doen.’ Grommend slaagde hij erin om uit de auto te stappen en zonder haar hulp te gaan staan. Hij wist op eigen kracht naar de voordeur te komen.

Nadat ze op de deur hadden geklopt, werd er opengedaan door een oudere heer wiens turfbruine broek vormeloos om zijn magere lichaam hing. Hij tuurde naar hen door zijn bril en riep toen verheugd uit: ‘Nee maar, als dat de jonge Mr. Tavistock niet is!’

Jordan glimlachte. ‘Hallo, Munstead. Heb je nog kamers vrij?’

‘Voor vrienden van u altijd!’ De oude man deed een stap opzij en gebaarde hen binnen te komen. ‘Zit Chetwynd helemaal vol dan? Nergens meer plek voor gasten?’

‘Nou, om precies te zijn zou het een kamer moeten zijn voor mij en deze dame.’

‘Voor u en…’ Munstead draaide zich om en nam hem verbaasd op. Een sluwe grijns krulde zijn lippen. ‘Aha, dus discretie is geboden?’

‘Het blijft onder ons.’

Munstead knipoogde. ‘Afgesproken, sir.’

Clea snapte niet hoe Jordan het voor elkaar kreeg om over koetjes en kalfjes te blijven babbelen. Terwijl de oude man naar de sleutel zocht, informeerde Jordan beleefd naar de gezondheid van Mrs. Munstead, vroeg hoe de tuin er deze zomer bij lag, en kwamen de kinderen nog over voor de kerst?

Eindelijk werden ze dan naar de eerste verdieping gebracht. Onder gunstiger omstandigheden zou ze misschien oog hebben gehad voor de romantische inrichting van de herberg, het bloemetjesbehang, de kanten gordijnen, maar nu was ze erop gebrand Jordan in bed te krijgen en zijn wond te verzorgen.

Zodra ze veilig achter gesloten deuren waren, drukte ze hem praktisch neer op het matras. Daar zat hij dan, met zijn gezicht vertrokken van de pijn, terwijl zij zijn tweedjasje uittrok. De bloeddruppels op zijn overhemd vormden een spoor dat onder zijn rechterarm verdween. Ze knoopte het overhemd los. Doordat het bloed opgedroogd was, zat de stof aan zijn huid vastgekoekt. Langzaam, voorzichtig, pelde ze het overhemd van hem af tot zijn brede borst zichtbaar werd – het goudblonde haar hier en daar kleverig van het bloed. Wat ze zag, leek eerder op een snijwond dan een kogelwond. Het was alsof een mes hem vlak onder zijn oksel had geraakt en een snee had getrokken over zijn hele rechterzij.

Ze slaakte een zucht van verlichting. ‘Het ziet ernaar uit dat het alleen maar een schampschot is geweest. Met hetzelfde gemak had die kogel dwars door je borst heen kunnen gaan. Je hebt geluk gehad.’

Hij keek neer op de wond en fronste. ‘Misschien is het meer een kwestie van goddelijke interventie dan van geluk.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Geef me mijn jasje eens.’

Perplex overhandigde ze hem het tweedjasje. De plek waar de kogel naar binnen was gegaan, was gemakkelijk terug te vinden. Hij had in de stof een gat gemaakt aan de rechterkant, op borsthoogte.

Jordan stak zijn hand in de binnenzak om er een mooi ouderwets horloge aan een ketting uit te halen. In het klepje van het gouden horloge zat een lelijke deuk. ‘Een helpende hand van de andere kant van het graf,’ zei hij, en hij overhandigde haar het horloge.

Ze klapte het gedeukte klepje open. Aan de binnenkant stond de naam Bernard Tavistock gegraveerd.

‘Van mijn vader geweest,’ vertelde hij. ‘Ik heb het geërfd bij zijn dood. Kennelijk waakt hij nog steeds over me.’

‘Dan kun je het maar beter bij je houden.’ Ze gaf het horloge aan hem terug. ‘Om de volgende kogel af te weren.’

‘Ik hoop oprecht dat er geen volgende kogel zal zijn. Van deze ene heb ik al meer hinder ondervonden dan me lief is.’

Ze liep naar de badkamer, maakte een handdoek nat met warm water en wrong hem uit. Toen ze terugkwam bij het bed, zat Jordan haar bijna schaapachtig aan te kijken vanwege zoveel soesa. Terwijl ze bukte om de wond schoon te maken, streken hun hoofden langs elkaar en ademde ze een mengeling van verontrustend primitieve geuren in. Bloed en zweet en aftershave. Zijn adem warmde haar haar, en die warmte leek in haar wangen door te dringen. In een wanhopige poging om de uitwerking die hij op haar had te negeren hield ze haar blik strak op de wond gericht. ‘Ik had er geen idee van dat je gewond was geraakt,’ zei ze zachtjes.

‘Het was dat eerste schot. Ik viel min of meer in de vuurlinie.’

‘Je viel helemaal niet! Je duwde mij aan de kant, idioot.’

Hij lachte. ‘Hoffelijkheid wordt dus ook al niet meer op prijs gesteld.’

Zonder waarschuwing vooraf legde ze haar handen om zijn gezicht en drukte haar mond op de zijne in een hartstochtelijke kus.

Meteen besefte ze dat dat een vergissing was. Haar maag leek weg te zakken in haar binnenste. Ze voelde zijn lippen hard tegen de hare drukken, hoorde hem kreunen van verlangen en voldoening.

Voordat hij haar tegen zich aan kon trekken, rukte ze zich los. ‘Weet je, je vergist je,’ fluisterde ze. ‘Hoffelijkheid wordt zeer zeker op prijs gesteld.’

‘Als dat mijn beloning is, zou ik het misschien zo nog een keer doen.’

‘Nou, doet het maar niet. Eén keer is hoffelijkheid. Twee keer is stommiteit.’ Zwaar ademend richtte ze haar aandacht weer op zijn wond. Ze voelde dat Jordan naar haar zat te kijken, proefde de smaak van zijn lippen nog op de hare, maar weigerde koppig om zijn blik te ontmoeten. Want als ze dat deed, zouden ze weer beginnen met kussen.

Na de laatste restjes opgedroogd bloed te hebben weggeveegd rechtte ze haar rug. ‘Waar gaan we het mee verbinden?’

‘Ik heb een EHBO-doos in de auto. Daar zit verband en alles in.’

‘Ik haal hem wel.’

‘Zet de auto gelijk in de schuur, als je toch bezig bent. Dan staat hij uit het zicht.’

Met iets wat bijna als opluchting voelde vluchtte ze de kamer uit en haastte zich de trap af. Pas buiten had ze het gevoel dat ze weer normaal kon ademhalen, dat ze de situatie weer meester was. Doelbewust stapte ze op de Jaguar af, startte de motor en parkeerde hem in de schuur.

Nadat ze de verbanddoos uit de kofferbak had gehaald, bleef ze nog even naast de auto staan om een paar kalmerende ademteugen te nemen. Ze snoof de geur van hooi op. Eindelijk was haar hoofdpijn zo goed als over en kon ze weer helder denken. Ik moet scherp blijven, dacht ze. Goed onthouden waar ik hier mee te maken heb. Ik kan het me niet permitteren me te laten afleiden, zelfs niet door iemand die zo’n bron van afleiding voor me is als Jordan.

Met de verbanddoos in de hand keerde ze terug naar hun kamer. Ze was er nog niet binnen, of ze merkte dat er al weer scheurtjes kwamen in haar moeizaam hervonden zelfbeheersing. Jordan stond bij het raam met zijn brede rug naar haar toe en zijn blik op een punt ergens in de tuin gericht. Ze moest de neiging onderdrukken om naar hem toe te lopen om haar handen over zijn naakte huid te laten glijden.

‘Ik heb de auto verstopt.’ Ze meende hem te zien knikken, maar hij zei niets. Na een korte stilte vroeg ze: ‘Is er iets?’

Hij draaide zich om en keek haar aan. ‘Ik heb naar Chetwynd gebeld.’

Ze fronste, probeerde te begrijpen waarom door dat ene telefoontje zijn hele houding was veranderd. ‘Je hebt gebeld? Waarom?’

‘Om hun te vertellen wat er is gebeurd. We zullen hulp nodig hebben.’

‘Het is beter als ze van niets weten. Veiliger als we niet –’

‘Veiliger voor wie?’

‘Voor iedereen. Misschien gaan ze wel met de verkeerde mensen praten, dingen naar buiten brengen die ze beter voor zich kunnen houden…’ Doordat ze recht tegen het licht in keek, kon ze zijn gezichtsuitdrukking niet zien, maar ze hoorde de boze klank van zijn stem.

‘Als ik niet op mijn familie kan rekenen, op wie dan wel?’

Geschrokken van zijn toon ging ze op het bed zitten, en ze keek zonder werkelijk iets te zien naar de verbanddoos op haar schoot. ‘Ik benijd je om je blinde vertrouwen,’ zei ze zachtjes. Ze maakte de doos open. Er zat verband in, hechtpleisters, een flesje ontsmettingsmiddel. ‘Kom hier. Laat me die wond even verzorgen.’

Hij liep naar het bed toe en kwam naast haar zitten.

Er werd geen woord gesproken terwijl ze een pak gaasjes openmaakte en stukken hechtpleister afknipte. Hoewel ze hem verschrikt naar adem hoorde happen toen ze de wond depte met het ontsmettingsmiddel, zei hij niets. Zijn stilzwijgen beangstigde haar. Er was iets veranderd tussen hen sinds ze even de kamer uit was geweest, en dat kwam door het telefoontje naar Chetwynd. Ze durfde hem er niet naar te vragen, was bang om de laatste draden die hen verbonden door te snijden. Dus zei ze niets en maakte zwijgend haar karweitje af, vechtend tegen het paniekerige gevoel dat ze hem kwijt was. Of, erger nog, dat hij zich tegen haar had gekeerd.

Haar angstige vermoedens leken bevestigd te worden toen hij zei, terwijl zij de laatste stukken pleister op zijn borst plakte: ‘Richard is onderweg.’

Ze boog zich naar achteren om hem aan te kijken. ‘Heb je hem verteld waar we zijn?’

‘Ik moest wel.’

‘Had je niet gewoon kunnen zeggen dat je nog leeft en dat alles goed gaat? En het daarbij laten?’

‘Hij moet me iets vertellen.’

‘Hij had je alles over de telefoon kunnen vertellen.’

‘Het moest onder vier ogen.’ Na een korte stilte voegde hij er zachtjes aan toe: ‘Het gaat over jou.’

Ze zat met de rol hechtpleister in haar handen geklemd, haar blik vastgeklonken aan zijn gezicht. Hij weet het, dacht ze. Ze voelde zich misselijk, ziek van zichzelf en haar mislukte verleden. Alles wat hij eventueel voor haar had gevoeld, was nu duidelijk verdwenen, verwoest door iets wat hij te weten was gekomen tijdens een telefoongesprek. Ze slikte en wendde haar gezicht af. ‘Wat heeft hij je verteld?’

‘Alleen dat je niet helemaal eerlijk bent geweest over wie je bent.’

‘En…’ Ze schraapte haar keel. ‘Hoe is hij daarachter gekomen?’

‘Je vingerafdrukken.’

‘Welke vingerafdrukken?’

‘De polowedstrijd. Er zaten vingerafdrukken op je glas, in de tent waar we iets hebben gedronken.’

Het duurde even voordat het kwartje viel. ‘Dus jij… jíj hebt…’

Hij knikte. ‘Ik heb je glas meegenomen. Je vingerafdrukken stonden niet bij Scotland Yard in het systeem, dus heb ik aan Richard gevraagd of hij ze door de Amerikaanse autoriteiten wilde laten natrekken. En daar stonden ze wel in het systeem.’

Ze schoot overeind en deinsde van het bed achteruit. ‘Ik vertrouwde je!’

‘Ik wilde je niet kwetsen.’

‘Nee, je bent gewoon achter mijn rug om in mijn verleden aan het spitten geweest.’

‘Ik wist dat je niet eerlijk tegen me was. Hoe had ik er anders achter moeten komen? Ik moest het weten.’

‘Waarom? Wat voor verschil maakt het voor jou?’ riep ze uit.

‘Ik wilde je graag geloven. Ik wilde weten dat ik van je op aan kon.’

‘En daarom moest en zou je aantonen dat ik een oplichter ben.’

‘Heb ik dat aangetoond dan?’

Ze schudde haar hoofd en lachte. ‘Ik móét toch wel een oplichter zijn? Daar heb je immers bewijzen voor gezocht. Die verwachtte je te zullen vinden.’

‘Ik weet niet wat ik verwachtte te zullen vinden.’

‘Misschien dat ik stiekem een of andere… prinses bleek te zijn? In plaats daarvan heb je de waarheid ontdekt. Geen prinses, maar een kikker. Wat zul jij teleurgesteld zijn! Ik vind het zelf al een teleurstelling dat ik mijn verleden niet van me af kan schudden. Al doe ik nog zo mijn best, het achtervolgt me als zo’n stripverhaal-regenwolkje boven mijn hoofd.’ Ze keek neer op het gebloemde kleed, en haar blik bleef even op het weefpatroon rusten. Toen zuchtte ze vermoeid. ‘Nou ja, in ieder geval bedankt voor je hulp. Meer dan welke man ook die ik ken heb je je als een gentleman gedragen tegenover mij. Ik wilde… Ik had gehoopt…’ Ze schudde haar hoofd en liep naar de deur.

‘Waar ga je heen?’

‘Het is een flink stuk lopen naar Londen. Ik moest maar eens vertrekken.’

Hij sprong overeind en liep op haar toe. ‘Je kunt niet weggaan.’

‘Ik moet verder met mijn leven.’

‘En hoelang zal dat leven duren, denk je? Wat gebeurt er op het volgende treinstation?’

‘Bied je je aan om nog een kogel op te vangen?’

Hij pakte haar bij de arm en trok haar tegen zich aan.

Zodra ze in aanraking kwam met zijn borst, voelde ze haar hele lichaam smelten tegen zijn warmte.

‘Ik weet niet precies waar ik me voor aanbied,’ mompelde hij. ‘Maar ik geloof dat ik al getekend heb.’

De kus bracht hen allebei uit balans. Toen hun lippen elkaar beroerden, merkte ze dat ze begon te wankelen. Hij drukte haar tegen de muur, met zijn lippen op de hare – zijn lichaam een warme levende versperring van haar vluchtroute.

Hun ademhaling was zo luidruchtig en gejaagd, hun gezucht zo hongerig, dat ze de voetstappen niet hoorden kraken op de trap, ze niet hoorden naderen in de gang. Pas toen er op de deur werd geklopt, sprongen ze verschrikt uit elkaar. Met hun gezichten verhit van de hartstocht en hun haar in de war stonden ze elkaar aan te kijken.

‘Wie is daar?’ riep Jordan.

‘Ik ben het.’

Jordan deed de deur open.

In de gang stond Richard Wolf. Hij wierp een blik op haar blozende wangen en keek toen naar Jordans naakte borst. Zonder iets te zeggen stapte hij de kamer binnen en draaide de deur achter zich op slot.

Ze zag dat hij een volle dossiermap bij zich had.

‘Ben je niet gevolgd?’ vroeg Jordan.

‘Nee.’ Richard keek naar haar.

Ze wilde zich zo klein mogelijk maken, zo kil was zijn blik. Dus nu komt de waarheid boven tafel. Hij weet natuurlijk alles. Dat zat uiteraard in die map: het bewijs van haar identiteit. Wie en wat ze was geweest. Hij had het allemaal op papier staan voor Jordan, en ze zou het niet kunnen ontkennen.

Hoe zou Jordan reageren? Boos, vol afschuw?

Met een gevoel van verslagenheid liep ze naar het bed en ging zitten. Ze wilde de twee mannen niet aankijken, wilde hun gezichten niet zien wanneer ze de feiten over Clea Rice doornamen. Ze zou hier gewoon blijven zitten en alles passief bevestigen. En daarna zou ze weggaan. Ditmaal zou Jordan vast geen moeite doen om haar tegen te houden. Hij zou vast blij zijn om haar te zien vertrekken. Ze wachtte op het bed en luisterde terwijl de waarheid eindelijk werd verteld.

 

‘Ze heet geen Diana Lamb,’ zei Richard. ‘Ze heet Clea Rice.’

Jordan keek naar de vrouw, half in de verwachting dat ze zou protesteren, het zou ontkennen, dat ze op een of andere manier zou reageren. Maar ze zei niets. Ze zat daar maar met hangende schouders, haar hoofd gebogen in een houding van intense vermoeidheid. Het was bijna pijnlijk om naar haar te kijken. Dit was helemaal niet de brutale Diana – correctie: Clea – die hij kende. Aan de andere kant: hij had haar ook nooit echt gekend, of wel soms?

Richard reikte hem de map aan. ‘Dat kreeg ik een uur geleden over de fax uit Washington.’

‘Van Niki?’

Richard knikte. Nikolai Sakaroff was zijn zakenpartner. Sakaroff – een voormalig KGB-agent, maar nu een enthousiast aanhanger van het kapitalisme – gebruikte zijn talent voor het verzamelen van informatie tegenwoordig voor winstgevender doeleinden. Als íémand obscure informatie kon opgraven, was hij het wel.

‘Haar vingerafdrukken zaten in het systeem van de politie van Massachusetts,’ vertelde Richard. ‘Zodra we dat feit hadden vastgesteld, was de rest kinderspel.’

Jordan sloeg het dossier open. Op de eerste pagina waren drie korrelige portretfoto’s van de politie te zien: eentje van voren en twee van opzij. Doordat de pagina gefaxt was, waren de details niet helemaal scherp, maar hij kon evengoed zien dat er een jongere versie van Clea op stond. Ze keek strak in de camera. Haar donkere ogen stonden verwilderd en waren wijd opengesperd; haar lippen waren strak op elkaar geklemd. Haar haar, dat los over haar schouders hing, leek blond te zijn. Opnieuw wierp hij een blik op de vrouw in kwestie. Ze had nog geen vin verroerd. Hij sloeg de bladzijde om.

‘Drie jaar geleden is ze veroordeeld wegens het verlenen van onderdak aan een crimineel en het vernietigen van bewijsmateriaal,’ vervolgde Richard. ‘Ze heeft tien maanden gezeten in de Massachusetts State Penitentiary, met strafvermindering wegens goed gedrag.’

Jordan wendde zich tot Clea. ‘Is dat waar?’

Ze stootte een laag en bitter lachje uit. ‘Ja. Ik heb me keurig gedragen in de gevangenis.’

‘En de rest? De veroordeling? Die tien maanden gevangenisstraf?’

‘Je hebt het daar allemaal op papier. Waarom vraag je het dan nog?’

‘Omdat ik wil weten of het waar is.’

‘Het is waar,’ fluisterde ze, en ze leek haar hoofd nog dieper te buigen.

Aangezien ze geen aanstalten maakte om verder uit te weiden, wendde hij zich weer tot Richard. ‘Wie was de crimineel? Die ze geholpen heeft?’

‘Hij heet Walter Rice. Hij zit nog steeds in de gevangenis in Massachusetts.’

‘Rice? Is hij familie?’

‘Hij is mijn oom Walter,’ zei Clea mat.

‘Wat heeft je oom Walter voor een misdrijf gepleegd?’

‘Inbraak. Fraude. Handel in gestolen goederen.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Kies maar. Oom Walter heeft een lange en gevarieerde carrière achter de rug.’

‘Waar ook Clea een aandeel in heeft gehad,’ voegde Richard toe.

Haar kin schoot omhoog. Het was het eerste sprankje woede dat ze liet zien. ‘Dat is niet waar!’

‘O, nee? En je jeugddossier dan?’

‘Dat zou gesloten moeten zijn!’

‘Gesloten betekent niet dat het niet bestaat. Op je twaalfde ben je betrapt op het verpanden van gestolen sieraden. Op je veertiende hebben je neef en jij ingebroken bij een stuk of wat huizen in Beacon Hill.’

‘Ik was nog maar een kind! Ik wist niet wat ik deed!’

‘Wat dácht je dan dat je deed?’

‘Alles wat oom Walter ons opdroeg!’

‘Had oom Walter zo veel macht over je, dat je niet wist wat goed of slecht was?’

Ze wendde haar gezicht af. ‘Oom Walter was… Hij was iemand tegen wie ik opkeek. Ik ben namelijk opgegroeid in zijn huis. We waren maar met ons drietjes: mijn neef Tony, mijn oom en ik. Ik wist wel dat het verkeerd was wat we deden, maar de inbraken… die waren voor mijn gevoel helemaal niet echt, snap je. Het was meer een… een soort spelletje. Oom Walter daagde ons altijd uit. Dan zei hij: “Wie is er slim genoeg om dát huis te verslaan?” En dan voelden we ons lafaards als we de uitdaging niet aannamen. Het ging niet om het geld. Het ging nooit om het geld.’ Ze keek op. ‘Het ging om de uitdaging.’

‘En de kwestie van goed of slecht dan?’

‘Daarom ben ik ermee opgehouden. Ik was achttien toen ik uit oom Walters huis wegging. Daarna ben ik acht jaar lang op het rechte pad gebleven. Dat zweer ik.’

‘Ondertussen ging je oom gewoon door met inbreken. Volgens de politie is hij verantwoordelijk voor tientallen inbraken in de rijkste buurten van Boston. Gelukkig zijn er nooit gewonden gevallen.’

‘Hij zou nooit een vlieg kwaad doen! Oom Walter had niet eens een pistool.’

‘Nee, hij was deugdzame inbreker.’

‘Hij zwoer dat hij nooit iets nam van mensen die het zich niet konden permitteren.’

‘Natuurlijk niet. Hij zocht het geld op, net als elke intelligente inbreker.’

Ze keek weer omlaag naar haar ineengeklemde handen.

Een veroordeelde crimineel, dacht Jordan. Zo zag ze er bepaald niet uit. Ze had hem echter van het begin af aan om de tuin weten te leiden, en hij wist nu dat hij niet langer kon vertrouwen op zijn eigen ogen, zijn eigen intuïtie. Niet waar het haar betrof, tenminste.

Hij richtte zijn aandacht weer op het dossier. Er waren enkele pagina’s met aantekeningen, geschreven in Niki Sakaroffs keurige handschrift: data van arrestatie, veroordeling en opsluiting. Er was een kopie van een nieuwsartikel over de carrière van Walter Rice, die een legendarische status had opgebouwd in Boston en omstreken. Zoals Clea al had verteld, had oom Walter nooit iemand een haar gekrenkt. Hij beroofde alleen mensen, en dat deed hij in stijl. Hij stond bekend als de Red Rose Thief, de dief van de rode roos, vanwege zijn gewoonte om altijd zijn visitekaartje achter te laten: een rode roos – bij wijze van verontschuldiging aan de slachtoffers.

Maar zelfs de behendigste dief loopt uiteindelijk tegen de lamp. In Walters geval was de lamp gekomen in de gedaante van een alerte huiseigenaar met een geladen pistool. Op heterdaad betrapt, en met een kogel in zijn arm, was Walter genoodzaakt geweest uit het raam te springen om zichzelf in veiligheid te brengen. Twee dagen later was hij gearresteerd in het appartement van zijn nichtje, waar hij zijn toevlucht had gezocht en zijn wond door haar had laten verzorgen.

Geen wonder dat ze zo handig is met verband, bedacht Jordan. Ze heeft ervaring op dat terrein.

‘Het schijnt een familietrekje te zijn,’ merkte Richard op. ‘Het overtreden van de wet.’

Daar ging Clea niet tegen in.

‘En hoe zit het met die neef Tony?’ vroeg Jordan.

‘Hij heeft zes jaar gezeten. Inbraak,’ antwoordde Richard. ‘Niki heeft via via gehoord dat Tony ergens in Europa werkzaam is als heler van gestolen antiek. Klopt dat, Miss Rice?’

Ze keek op. ‘Laat Tony erbuiten. Hij leidt een fatsoenlijk leven tegenwoordig.’

‘Is hij degene met wie je samenwerkt?’

‘Ik werk niet met iemand samen.’

‘Hoe was je dan van plan de buit te verpatsen?’

‘Welke buit?’

‘De voorwerpen die je van Guy Delancey wilde stelen?’

Uit haar blik sprak hopeloze frustratie. ‘Waarom neem ik eigenlijk nog de moeite om antwoord te geven op jullie vragen? Jullie hebben je oordeel toch al klaar. Er valt niets meer te zeggen.’

‘Er valt nog een heleboel te zeggen,’ wierp Jordan tegen. ‘Wie probeert jou te vermoorden? En misschien mij erbij?’

‘Hij zal jou niet meer lastigvallen als ik eenmaal weg ben.’

‘Wíé niet?’

‘De man over wie ik je heb verteld.’ Ze zuchtte. ‘De Belg.’

‘Je bedoelt dat dat deel van het verhaal echt waar was?’

‘Ja. Helemaal waar. Net als het gedeelte over de Max Havelaar.’

‘Welke Belg?’ wilde Richard weten.

‘Hij heet Van Weldon,’ vertelde ze. ‘Hij heeft overal mensen die voor hem werken. Guy was een willekeurig slachtoffer. Van Weldon heeft het op míj gemunt.’

Er viel een lange stilte.

‘Victor Van Weldon?’ vroeg Richard langzaam.

In haar ogen stond opeens angst te lezen. Ze staarde Richard aan. ‘Je… kent hem?’

‘Nee. Ik heb alleen de naam wel eens gehoord. Niet zo lang geleden nog, om precies te zijn.’ Fronsend zat hij haar aan te kijken, alsof hij iets nieuws aan haar gezicht had ontdekt. ‘Ik heb met een van de politieagenten gesproken over de man die op het station is doodgeschoten.’

‘Degene die ons probeerde te vermoorden?’ vroeg Jordan.

Richard knikte. ‘Hij is geïdentificeerd als ene George Fraser. Een Engelsman, met een woonadres in Londen. Ze hebben geprobeerd zijn familie op te sporen, maar het enige wat ze konden vinden, was de naam van zijn werkgever. Hij is vertegenwoordiger bij de Van Weldon Shipping Company.’

Jordan zag Clea huiveren toen ze de naam van het bedrijf hoorde, alsof ze zojuist was aangeraakt door de kille hand van het kwaad. Nerveus kwam ze overeind en liep naar het raam, waar ze haar armen om zich heen sloeg en naar buiten ging staan staren.

‘En de andere schutter?’ vroeg hij.

‘Geen spoor van te bekennen,’ antwoordde Richard. ‘Hij schijnt zich ongezien uit de voeten gemaakt te hebben.’

‘Mijn reddende engel,’ mompelde ze. ‘Waarom?’

‘Zeg jij het maar,’ zei Richard.

‘Ik weet waarom iemand me probeert te vermoorden, maar niet waarom iemand me in leven probeert te houden…’

‘Laten we eens beginnen met wat je wél weet,’ stelde Jordan voor. Hij liep naar haar toe en legde zacht zijn hand op haar schouder. Ze voelde zo klein, zo breekbaar onder zijn aanraking. ‘Waarom wil Victor Van Weldon je dood hebben?’

‘Omdat ik weet wat er is gebeurd met de Max Havelaar.’

‘Waarom ze is gezonken, bedoel je?’

Ze knikte. ‘Er was niets van waarde aan boord van dat schip. Die verzekeringsclaims waren vals. En de bemanning is opgeofferd.’

‘Hoe weet je dat allemaal?’

‘Omdat ik erbij was.’ Ze draaide zich om en keek hem aan. ‘Ik was aan boord van de Max Havelaar in de nacht dat ze zonk.’