Hoofdstuk 9
Na een paar ferme tikken met een steen sprong de ruit kapot.
Jordan brak de scherpe randen weg en klom naar binnen. Even later verscheen hij in de deuropening van het huisje en gebaarde naar haar dat ze binnen kon komen.
Ze stapte naar binnen in een merkwaardige kamer vol plomp antiek en tinnen lampen. Eeuwenoude massieve plafondbalken strekten zich uit over de volle lengte van de kamer, en overal om haar heen glansde gepolitoerde lambrisering tegen de witgekalkte muren. Het zou een gezellige kamer zijn geweest als het er niet zo koud en tochtig was geweest. De Engelsen moesten wel een thermisch geïsoleerde huid hebben, dacht ze bij zichzelf.
Jordan, doorweekt als hij was, zag er niet uit alsof hij ook maar ergens last van had, terwijl hij door de kamer liep en overal de luiken dichtdeed. ‘Ik zal het aan de oude Monty moeten vergoeden, dat kapotte raam. Hij zal het wel begrijpen. Hij gebruikt dit huisje nauwelijks – behalve in de zomer. Sterker nog, ik geloof dat hij op dit moment in Moritz zit, om de volgende Mrs. Montgomery Dearborn aan de haak te slaan.’
Hoeveel Mrs. Dearborns zijn er dan, wilde ze vragen, maar ze kon de woorden niet over haar lippen krijgen. Daarvoor klapperden haar tanden te hard. Het weinige gevoel dat ze nog in haar ledematen had, begon in hoog tempo te verdwijnen. Hoewel ze wist dat ze haar natte kleren uit moest trekken, wilde haar lichaam niet in beweging komen. En dus stond ze daar maar, terwijl het water uit haar kleren op de houten vloer drupte.
Jordan knipte een lamp aan en nam haar in het schijnsel daarvan eens goed op. ‘Lieve hemel…’ Hij raakte haar gezicht aan. ‘Je lijkt wel een ijsklontje.’
‘Vuur,’ fluisterde ze. ‘Maak alsjeblieft een vuur aan.’
‘Dat duurt veel te lang. Je moet nu meteen warm worden.’ Hij trok haar mee de gang in, naar de badkamer, waar hij vlug de douche aanzette. Terwijl het water sissend en sputterend begon te stromen, stroopte hij haar doorweekte wollen jasje van haar af. ‘Elektrische spiraalverwarming. Over een minuut of wat is ie heet.’ Hij gooide haar jasje aan de kant en ritste haar rok los.
Ze had het veel te koud om zich druk te maken over zoiets triviaals als fatsoen. Ze liet hem haar rok naar beneden trekken, liet de stof in een hoopje op de grond vallen.
Het water stoomde inmiddels. Nadat Jordan de temperatuur had gecontroleerd, duwde hij haar met ondergoed en al onder de douche.
Zelfs nu het warme water over haar lichaam stroomde, leek het nog een eeuwigheid te duren voordat ze ophield met rillen. Als verdwaasd stond ze ineengedoken onder de douche. Langzaam verjoeg het warme water het verdoofde gevoel. Ze voelde dat haar bloed weer begon te stromen, voelde de weldadige warmte die eindelijk tot in haar binnenste begon door te dringen.
‘Clea?’ hoorde ze Jordan zeggen.
Ze reageerde niet. Ze ging helemaal op in het genot van weer warm zijn. Met een zucht draaide ze zich om om het warme water over haar rug te laten stromen. Vaag, door het gekletter van het water heen, hoorde ze Jordan roepen: ‘Gaat het wel goed met je?’
Voordat ze antwoord had kunnen geven, werd het douchegordijn aan de kant getrokken. Ineens stond ze oog in oog met Jordan. Geen van beiden zei iets. Het enige geluid kwam van het neervallende douchewater. En van het bonzen van haar hart, in haar oren.
Hoewel ze nauwelijks kleren aanhad, hoewel haar doorschijnende ondergoed aan haar huid kleefde, bleef Jordans blik strak op haar gezicht gericht. Hij leek gehypnotiseerd door wat hij daar zag. Gebiologeerd door het verlangen dat hij ongetwijfeld herkende in haar ogen.
Ze stak haar hand uit naar zijn gezicht. Onder haar warme vingertoppen voelde zijn wang ruw en koud.
Met die ene aanraking leken alle barrières tussen hen geslecht te worden. Ze merkte dat er een ander soort warmte in haar binnenste werd ontstoken, vlak voordat ze zijn hoofd omlaag trok naar het hare voor een kus.
Ze klampten zich aan elkaar vast. Kreunend. Warm water stroomde over hun schouders – de hare naakt, de zijne nog steeds bedekt door zijn overhemd.
Door de stoomwolken heen zag ze op zijn gezicht de nauwelijks onderdrukte begeerte die al sinds de avond van hun eerste ontmoeting tussen hen zinderde. Ze drukte zich nog dichter tegen hem aan en slaakte een zucht van genot, van triomf, toen ze zijn lichaam voelde reageren. ‘Je kleren,’ mompelde ze. Koortsachtig reikte ze omhoog om hem zijn overhemd uit te trekken.
Hij liet het van zijn schouders op de badkamervloer glijden, zo zijn borstkas ontblotend, die ze nog maar zo kort geleden had verbonden. De goudkleurige haartjes waren vochtig en verward door het douchewater.
Allebei haalden ze nu hortend adem; allebei stonden ze verwoed aan zijn riem te sjorren.
Op een of andere manier slaagden ze erin de kraan dicht te draaien. Op een of andere manier slaagden ze erin onder de douche vandaan te stappen en de badkamer te verlaten. Ze lieten een spoor achter van natte kleren, die bleven liggen waar ze ze lieten vallen: zijn broek bij de badkamerdeur, haar beha in de gang, zijn onderbroek op de drempel van de slaapkamer. Tegen de tijd dat ze het bed hadden bereikt, waren er geen kleren meer om uit te trekken. Er was alleen nog maar vochtige huid en het verlangen één te worden.
De slaapkamer was koud, en rillend kropen ze onder het donzen dekbed. Hun ledematen strengelden zich om elkaar; hun monden gingen proevend op onderzoek uit, en hun lichaamswarmte verwarmde het bed.
Ze hield op met rillen. De kou in de kamer was al snel vergeten door de stortvloed aan gewaarwordingen die haar overspoelde: het zoete kloppen tussen haar dijen; de tintelingen van genot toen zijn mond haar borsten vond en haar tepels bijna pijnlijk deed verstijven. Ze richtte zich op, over hem heen, en nam wraak met een vergelijkbare kwelling. Ze liet haar mond over zijn borst omlaag glijden, over zijn buik, op zoek naar nog gevoeliger huid.
Met een kreun greep hij haar bij de schouders, en hij rolde zich om op het matras, zodat haar hoofd op het kussen kwam te rusten. Opeens lag ze onder hem, lag zijn harde lichaam op het hare en lagen zijn handen aan weerskanten om haar gezicht. Hun blikken vonden elkaar en hielden elkaar gevangen, lieten elkaar geen moment los – ook niet toen hij bij haar naar binnen gleed, haar vulde. En zelfs niet toen ze het uitschreeuwde van het genot dat zijn penetratie haar schonk.
Hij bewoog zich langzaam, voorzichtig.
En ze bleven elkaar aankijken.
Zijn ademhaling ging sneller; zijn handen omklemden haar gezicht steviger.
Nog steeds keken ze elkaar aan, verbonden in een eenwording die meer dan alleen fysiek was.
Pas toen ze de verrukkelijke aanloop voelde naar de eerste golven van de climax, deed ze haar ogen dicht en liet zich meevoeren door die stortvloed aan gewaarwordingen. Een zachte kreet ontsnapte haar – een geluid dat zowel onbekend was als heerlijk.
Een paar seconden later kreeg het bijval van zijn kreun. Door de wegebbende golven van haar eigen genot heen voelde ze zijn laatste krachtige stoten, gevolgd door zijn ontlading diep binnen in haar. Met een huiverende zucht kwam zijn uitgeputte lichaam tot rust.
Zacht trok ze zijn hoofd tegen haar schouder. Toen ze een kus op zijn vochtige haar drukte, voelde ze een tederheid in zich opwellen die zo intens was, dat het haar beangstigde.
We hebben de liefde met elkaar bedreven. Wat betekent dat? Ze hadden van elkaars lichaam genoten. Ze hadden elkaar bevredigd en elkaar zelfs kortstondig geluk geschonken. Maar wat betekent dat?
Opnieuw drukte ze een kus op zijn vochtige lokken, en opnieuw voelde ze die genegenheid – zo hevig ditmaal, dat ze er tranen van in haar ogen kreeg. Ze knipperde ze weg en wendde haar gezicht af… enkel om zijn hand op haar wang te voelen toen hij haar gezicht zacht terug naar het zijne keerde.
‘Je bent de verrassendste vrouw die ik ooit heb ontmoet,’ zei hij.
Ze slikte. En lachte. ‘Ja, dat ben ik ten voeten uit: vol verrassingen.’
‘En verrukkingen. Ik weet nooit wat ik kan verwachten. Het is om gek van te worden.’ Hij liet zijn mond op de hare neerdalen en streek teder met zijn lippen over die van haar, proevend, zacht bijtend. Genietend.
Ze voelde dat zijn verlangen meteen werd aangewakkerd: het bewijs daarvan duwde tegen haar dij. Ze liet haar hand tussen haar heupen glijden, en met een paar zijdezachte strelingen had ze hem weer hard en kloppend gemaakt. ‘Je zit zelf anders ook vol verrassingen,’ mompelde ze.
‘Nee, ik ben heel…’ Hij slaakte een zucht van genot. ‘…gewoontjes.’
‘Is dat zo?’ Ze sloot haar lippen om een van zijn tepels en trok er met het puntje van haar tong een vochtige cirkel omheen.
‘Sommigen zouden me zelfs…’ Hij legde zijn hoofd in zijn nek en kreunde. ‘…verdomd voorspelbaar noemen.’
‘Soms is voorspelbaar juist goed,’ fluisterde ze. Met haar tong begon ze een vochtige streep te trekken over zijn borst naar zijn andere tepel.
Hij ademde zwaar, worstelde om zijn aanzwellende hartstocht in bedwang te houden. ‘Wacht. Clea…’ Hij pakte haar hoofd beet. Voorzichtig draaide hij het iets omhoog om haar aan te kunnen kijken. ‘Ik moet het weten. Waarom huilde je?’
‘Ik huilde niet.’
‘Wel waar. Daarnet.’
Vol aandacht keek ze naar hem, begerig elk detail van zijn gezicht opnemend: de manier waarop het licht over zijn verwarde haar speelde, de halvemaanvormige schaduwen van zijn oogwimpers, zoals hij naar háár keek – zo kalm, doordringend. Alsof ze een of ander vreemd, ondoorgrondelijk schepsel was. ‘Ik bedacht dat je totaal anders bent dan alle andere mannen die ik ken,’ zei ze.
‘Aha. Geen wonder dat je moest huilen.’
Ze lachte en gaf hem een speels tikje. ‘Nee, gekkie. Wat ik bedoelde, was dat alle mannen die ik ooit heb gekend altijd… ergens op uit waren. Iets van me wilden. In gedachten al met hun volgende zet bezig waren.’
‘Zoals je oom Walter, bedoel je?’
‘Ja. Zoals mijn oom Walter.’
De verwijzing naar haar verleden, haar mislukte jeugd, was genoeg om haar hartstocht in één keer te blussen. Ze maakte zich van hem los, ging rechtop zitten en sloeg haar armen om haar knieën. Kon ze dat deel van haar leven maar uitwissen. Kon ze maar opnieuw geboren worden. Zonder schande. ‘Ik schaam me ervoor toe te moeten geven dat hij familie van me is,’ zei ze.
Hij lachte. ‘Ik schaam me voortdurend voor mijn familieleden.’
‘Maar jij hebt geen familieleden die in de gevangenis zitten… toch?’
‘Op dit moment niet, nee.’
‘Oom Walter wel. En mijn neef Tony heeft ook gezeten.’ Na een korte stilte voegde ze er zachtjes aan toe: ‘En ik ook.’
Hij reikte naar haar hand, maar zei niets. Hij bleef naar haar zitten kijken. En hij luisterde.
‘Eigenlijk was het wel ironisch. Acht jaar lang was ik op het rechte pad gebleven, en toen opeens stond oom Walter bij me op de stoep, bloedend en wel. Ik kon hem niet aangeven. En hij wilde niet dat ik hem naar het ziekenhuis bracht. Dus zat ik met hem opgescheept. Ik verbrandde zijn kleren, gooide zijn inbreekspullen in een container aan de andere kant van de stad. En toen kwam de politie aan de deur.’ Ze haalde haar schouders op, alsof dat laatste detail nauwelijks de moeite van het vermelden waard was. ‘Het rare is dat ik hem er niet om ben gaan haten. Helemaal niet. Je kunt oom Walter gewoonweg niet haten. Hij is zo ontzettend…’ Schaapachtig haalde ze haar schouders weer op. ‘…lief.’
Glimlachend drukte hij haar handpalm tegen zijn lippen. ‘Je hebt een zeer bijzondere kijk op het leven. Ik ken werkelijk geen enkele andere vrouw zoals jij.’
‘Met hoeveel ex-bajesklanten heb je het bed gedeeld?’
‘Ik moet toegeven dat jij de eerste bent.’
‘Ja, ik kan me voorstellen dat je normaal gesproken de voorkeur geeft aan beschaafde dames.’
Fronsend keek hij haar aan. ‘Wat is dat nou weer voor flauwekul, over beschaafde dames?’
‘Nou ja, zo kun je mij toch moeilijk noemen.’
‘Beschaafd is saai. En u, mijn beste Miss Rice, bent niet saai.’
Lachend wierp ze haar hoofd in haar nek. ‘Dank u, Mr. Tavistock, voor het compliment.’
Hij trok haar naar zich toe. ‘En voor wat je beruchte oom Walter betreft,’ fluisterde hij, haar boven op zich trekkend, ‘als hij familie van jou is, moet hij ook een aantal positieve eigenschappen hebben.’
Ze keek glimlachend op hem neer. ‘Hij is wél charmant.’
Met beide handen omvatte hij haar gezicht, en hij kuste haar. ‘Dat geloof ik graag.’
‘En intelligent.’
‘Dat kan ik me voorstellen.’
‘En de dames vinden hem absoluut onweerstaanbaar.’
Opnieuw vond zijn mond de hare. Zijn kus – dieper, harder – verdreef iedere gedachte aan oom Walter uit haar hoofd.
‘Absoluut onweerstaanbaar,’ mompelde hij, en hij duwde zijn hand tussen haar dijen.
Meteen was ze verloren, hunkerde ze naar hem, schreeuwde ze om hem. Ze bood hem haar warmte, en hij nam er teder bezit van.
Na afloop, door uitputting overmand, viel hij in slaap met zijn hoofd op haar borst.
Glimlachend keek ze neer op zijn verwarde haar. ‘Op een dag zul je met genegenheid aan me terugdenken, hè, Jordan?’ fluisterde ze. Op meer mocht ze niet hopen, wist ze.
Op meer durfde ze ook niet te hopen.
Hij werd wakker van de subtiele geur van een vrouwenparfum en het kriebelen van haren in zijn gezicht. Toen hij zijn ogen opendeed, zag hij in het grauwe licht dat door de jaloezieën naar binnen viel dat Clea naast hem lag te slapen. Zonder een spoor van make-up en met haar haardos uitgewaaierd over haar kussen zag ze eruit als een sprookjesprinses over wie de vloek van eeuwige slaap was uitgesproken. Niet wakker te krijgen, onaantastbaar. Bijna onecht.
Maar de afgelopen nacht had ze bijzonder echt geleken. Helemaal geen prinses, maar een verleidster vol zoete ondeugd en nog veel zoeter vuur.
Zelfs nu kon hij geen weerstand aan haar bieden. Hij boog zich over haar heen om haar op de mond te kussen.
Haar reactie was plotseling en verontrustend. Ze slaakte een verschrikte kreet en schoot overeind.
‘Niks aan de hand,’ zei hij op sussende toon. ‘Ik ben het maar.’
Heel even zat ze hem aan te staren alsof ze hem niet herkende. Toen zuchtte ze zacht en schudde haar hoofd. ‘Ik… Ik slaap niet zo goed, de laatste tijd. Maar ja, dat spreekt vanzelf.’
Hij keek naar haar, zoals ze daar ineengedoken onder het dekbed zat, en vroeg zich af hoe ze zich staande had weten te houden in de voorbije weken van vluchten en verstoppen. Medelijden welde in hem op. Medelijden in combinatie met bewondering voor haar kracht. Haar wil om te leven.
Ze wierp een blik op het raam en zag daglicht tussen de jaloezieën door kieren. ‘Ze zijn vast naar ons op zoek. We kunnen hier niet te lang meer blijven.’
‘We kunnen ook niet gewoon de deur uit lopen. We hebben hulp nodig.’
‘O, nee. Er worden geen vrienden en familieleden meer ingeschakeld. Ik weet zeker dat ze ons gisteravond ook op die manier gevonden hebben. Die Richard Wolf van jou moet het aan iemand verteld hebben.’
‘Dat zou hij nooit doen.’
‘Dan zijn ze hem gevolgd. Of ze hebben je telefoon afgeluisterd. Zoiets.’ Van het ene moment op het andere stapte ze uit bed, en ze griste haar slipje van de grond. Toen ze voelde dat het nog steeds vochtig was, smeet ze het geïrriteerd op een stoel. ‘Straks moet ik nog in mijn blootje de deur uit.’
‘Dan zul je zeker de aandacht trekken.’
‘Aan jou heb ik ook niets. Kun je niet in elk geval uit bed komen?’
‘Ik denk na. Dat kan ik het beste in bed.’
‘In bed denken de meeste mannen juist helemaal niet meer na.’ Ze raapte haar beha op. Ook die was vochtig. Ze hing hem aan een deurknop en keek gefrustreerd de kamer rond. ‘Zei je niet dat de man van wie dit huisje is vrijgezel was?’
‘Hij zit tussen twee huwelijken.’
‘Heeft hij hier ook dameskleding?’
‘Het is nog nooit in me opgekomen om Monty zo’n persoonlijke vraag te stellen.’
‘Je weet best wat ik bedoel.’
Hij stapte uit bed en liep naar de garderobekast. Er hingen twee zomerkostuums in, een regenjas en een aantal keurig geperste overhemden. Hoewel ze hém stuk voor stuk prima zouden passen, zou Clea erin voor schut lopen. Hij haalde een badjas uit de kast en gooide die naar haar toe. ‘Tenzij we een man van één meter negentig van je kunnen maken, heb je niets aan deze garderobe. En zelfs als we hier dameskleding zouden vinden, zitten we nog met je haar. Dat vlammende rood is niet echt een subtiele kleur.’
Ze pakte een pluk haar en keek er fronsend naar. ‘Ik vind het sowieso niet om aan te zien. Laten we het maar afknippen.’
Hij keek naar de weelderige lokken en knikte spijtig. ‘Monty heeft altijd een fles haarverf in huis om zijn grijzende slapen mee bij te werken. We zouden je haar donker kunnen verven, nadat het geknipt is.’
‘Ik ga een schaar zoeken.’
‘Wacht. Clea. We moeten praten.’
Ze draaide zich naar hem om, haar kaken vastberaden op elkaar geklemd nu ze had besloten wat er moest gebeuren. ‘Waarover?’
‘Zelfs als we je uiterlijk inderdaad veranderen, is vluchten misschien niet de beste optie.’
‘Ik denk dat het mijn enige optie is.’
‘Je kunt altijd nog naar de autoriteiten.’
‘Die hebben me voorheen ook niet geloofd. Waarom zouden ze me nu dan wel geloven? Mijn woord is niets waard tegen dat van Van Weldon.’
‘Het Oog van Kasjmir zou daar verandering in kunnen brengen.’
‘Dat heb ik niet.’
‘Delancey wel.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Van Weldon zal zich inmiddels wel hebben gerealiseerd dat het een vergissing was om het Oog zo snel al te verkopen. Zijn mensen zullen gegarandeerd proberen om het terug te krijgen.’
‘En als dat hun nog niet is gelukt? Misschien ligt het nog steeds in Delanceys huis te wachten tot het wordt weggeroofd. Door ons.’
Ze stond doodstil. ‘Door ons?’ herhaalde ze zachtjes.
‘Ja, door ons.’ Hij glimlachte naar haar, maar te oordelen naar haar gezichtsuitdrukking was die glimlach weinig vertrouwenwekkend. ‘Gefeliciteerd. Hier staat je nieuwe handlanger.’
‘Moet ik nu gerustgesteld zijn?’
‘Ben je dat niet dan?’
‘Nou, als ik aan je je vorige inbraakpoging denk… Het scheelde maar heel weinig, of we waren allebei in de boeien geslagen – door jouw toedoen.’
‘Dat was onervarenheid. Inmiddels ben ik gepokt en gemazeld.’
‘Geloof je het zelf?’
‘Zeg, is dit een soort vertrouwenscrisis? Je hebt me zelf verteld dat je het vroeger altijd een uitdaging vond om ergens in te breken.’
‘Toen wist ik niet beter. Ik was nog maar een kind.’
‘En nu ben je ervaren. Bedreven in de kunst van het inbreken.’
Ze ademde diep uit en begon over het kleed te ijsberen. ‘Ik weet dat ik opnieuw zou kunnen inbreken. Ik weet zeker dat het me zou lukken. Maar ik weet niet waar ik moet zoeken. De dolk kan overal wel zijn op de bovenverdieping: in de slaapkamer, de logeerkamers… Daar gaat een heleboel tijd in zitten.’
‘Samen zouden we het in de helft van de tijd kunnen doen.’
‘Of we zouden twee keer zo snel betrapt kunnen worden,’ mompelde ze, en na die woorden liep ze de kamer uit.
Hij volgde haar naar de keuken, waar ze de laden binnenstebuiten stond te keren op zoek naar een schaar. ‘Er is nog een andere optie,’ zei hij. ‘Een logische. Een verstandige. We stappen naar de politie.’
‘Waar ze me in mijn gezicht zullen uitlachen, net zoals de vorige keer. En dan zal Van Weldon precies weten waar hij me kan vinden.’
‘Je zult bescherming krijgen. Dat garandeer ik je.’
‘De veiligste plek voor mij, Jordan, is daar buiten, waar ik op de vlucht kan slaan. Een bewegend doelwit is niet zo makkelijk te raken.’ Ze vond de schaar en overhandigde die aan hem. ‘Vooral als het doelwit er telkens anders uitziet. Vooruit, knippen maar.’
Hij keek van de schaar naar die schitterende bos. Hoewel de taak bijna te pijnlijk voor hem was, had hij geen keus. Met tegenzin pakte hij een handvol vlammend rood haar. Alleen al de geur van die zijdezachte lokken was genoeg om de herinneringen aan de voorbije nacht tot leven te wekken. Aan de manier waarop haar lichaam zich naar het zijne had gevoegd. Aan de manier waarop ze zich had bewogen onder hem. Geen ingetogen ontlading, maar de genietende huiveringen van een ongetemd schepsel.
Dat was wat ze was: een ongetemd wezen. Sensueel. Onvoorspelbaar.
Na verloop van tijd zou ze hem tot wanhoop drijven. Nu al begon hij zijn geperfectioneerde zelfbeheersing te verliezen. Hij hoefde maar even aan haar haar te ruiken, de zijdezachtheid ervan in zijn handpalm te voelen, en hij wilde haar alweer mee naar bed slepen.
Hij schudde zijn hoofd om de beelden te verjagen, want die kwamen op dit moment nogal ongelegen. Vervolgens hief hij de schaar en begon rustig en doelbewust haar haar af te knippen.
In het grauwe ochtendlicht volgden ze de voetsporen in de modder. Het waren twee paar – één groot en één kleiner – die van de weg af bogen. De afdrukken voerden in westelijke richting over het weiland. Het had flink geregend de avond daarvoor, en de sporen waren zo’n driehonderd meter lang goed te volgen, totdat ze uitkwamen op een andere weg. Na nog enkele modderige voetstappen op het asfalt was het spoor niet meer te zien.
Ze konden ondertussen wel overal zijn.
Archie MacLeod keek uit over het weiland en vloekte. ‘Ik had kunnen weten dat ze dit zou doen. Waarschijnlijk heeft ze er lucht van gekregen dat we haar op het spoor waren, en weg is ze weer. Het is verdorie net een vos, die meid.’
‘U kunt het haar moeilijk kwalijk nemen,’ zei Richard. ‘Het spreekt vanzelf dat ze op het ergste voorbereid is. Hoe is het toch mogelijk dat uw mensen er zo’n potje van hebben gemaakt? Ze hoefden haar alleen maar in hechtenis te nemen. In plaats daarvan zijn ze erin geslaagd haar ondergronds te doen gaan.’
‘Ze hadden orders om het stilletjes te doen. Op een of andere manier heeft ze er lucht van gekregen.’
‘Of Jordan heeft er lucht van gekregen,’ zei Richard. ‘Ik had gisteravond contact met hem moeten opnemen. Hem moeten laten weten wat er te gebeuren stond. Nu zal hij zich afvragen wat er gaande is.’
‘U denkt toch niet dat hij aan ú twijfelt?’
‘Nee. Maar hij zal nu wel op zijn hoede zijn. Hij zal veronderstellen dat Van Weldon mij in de gaten houdt, dat het niet veilig is om contact met mij te zoeken. Zo zou ik althans redeneren als ik hem was.’
‘Maar hoe vinden we hem nu dan?’
‘Niet.’ Richard liep naar zijn auto en ging achter het stuur zitten. ‘En we hopen dat Van Weldon hem ook niet vindt.’
‘Daar ben ik nog niet zo zeker van.’
‘Jordan is slim. En Clea Rice ook. Samen zullen ze misschien een heel eind komen.’
MacLeod leunde door het raampje naar binnen. ‘Guy Delancey is vanochtend overleden.’
‘Ik weet het.’
‘En het gerucht gaat dat Victor Van Weldon de prijs op het hoofd van Clea Rice heeft verhoogd naar twee miljoen. Binnen vierentwintig uur wemelt het van de huurmoordenaars hier in de regio. Als die ook maar bij Clea Rice in de buurt komen, maakt ze geen schijn van kans. En Tavistock ook niet.’
Richard staarde hem aan. ‘Waarom hebt u in vredesnaam zo lang gewacht om haar in hechtenis te nemen? U had haar weken geleden al onder bescherming moeten stellen.’
‘We wisten niet of we haar konden geloven.’
‘Dus u hebt gewacht tot Van Weldon zou toeslaan. Was dat de strategie? Als hij haar probeerde te vermoorden, dan moest het wel waar zijn wat ze vertelde?’
Uit frustratie sloeg MacLeod met zijn vlakke hand op het dak van de auto. ‘Ik wil niet goedpraten wat we hebben gedaan. Ik zeg alleen dat we er nu van overtuigd zijn dat ze de waarheid sprak.’ Hij boog zich weer naar voren. ‘Jordan Tavistock is een vriend van u. U moet toch enig idee hebben waar hij naartoe zou gaan.’
‘Ik weet niet eens of hij wel degene is die de beslissingen neemt, op dit moment. Misschien doet die vrouw dat wel.’
‘Laat het me weten als u nog iets bedenkt. Als u ook maar iets vermoedt over hun mogelijke verblijfplaats.’
Richard startte de auto. ‘Ik weet wel waar ík naartoe zou gaan als ik hen was. Ik zou maken dat ik hier wegkwam. Ik zou de benen nemen. En ik zou ervoor zorgen dat ik als de sodemieter opging in een menigte.’
‘Londen?’
Hij knikte. ‘Weet u betere plek om je te verstoppen?’
‘Die vrouw moet negen levens hebben. En ze heeft er pas drie van opgebruikt,’ zei Van Weldon.
Hij zat weer te piepen. In zijn ademhaling, die zelfs op een goede dag al moeizaam ging, klonk het vochtige reutelen van hopeloos verstopte longen door.
Het duurt niet lang meer, dacht Trott bij zichzelf. Van Weldon was op sterven na dood.
Wat een opluchting zou het zijn als het voorbij was. Nooit meer dit soort onsmakelijke audiënties, die groteske scènes van een half lijk dat de strijd nog niet heeft opgegeven. Als die ouwe nou maar eens gewoon dóód wilde gaan.
Tot die tijd zou hij ervoor moeten zorgen dat hij bij de man in de gunst bleef. En om die reden zou hij de kwestie Clea Rice moeten zien af te handelen.
‘Je had hier persoonlijk op moeten toezien,’ zei Van Weldon. ‘Nu is onze kans verkeken.’
‘We vinden haar wel weer. We weten dat ze nog steeds in gezelschap van Tavistock is.’
‘Is ze al weer opgedoken?’
‘Nee. Maar uiteindelijk zal hij zich tot zijn familie wenden. En dan zullen we er klaar voor zijn.’
Van Weldon ademde diep uit. Zijn ademhaling leek gemakkelijker te gaan, alsof die verzekering hem letterlijk lucht had gegeven. ‘Ik wil dat jij er persoonlijk op toeziet.’
Hij knikte. ‘Ik vertrek vanavond nog naar Londen.’
In het donker zaten Jordan en Clea, ineengedoken achter een heg in Guy Delanceys tuin, te wachten tot de lichten in het huis uitgingen.
Whitmores avondritueel was precies hetzelfde als anders: de controle van ramen en deuren om negen uur, de pauze in de keuken om een pot thee te zetten, en vervolgens het zich terugtrekken op zijn kamer in de bediendevleugel.
Hoeveel jaar houdt die kerel al vast aan die angstaanjagende routine van hem, vroeg Clea zich af. Wat een schok moet het voor hem zijn, de wetenschap dat alles binnenkort anders zal worden.
Jordan en zij hadden het die ochtend op de radio gehoord: Guy Delancey was dood. Weldra zouden er anderen komen om dit huis op te eisen. En de oude Whitmore, een relikwie uit het stenen tijdperk, zou genoodzaakt zijn om zich aan te passen.
De lichten in de bediendevleugel gingen uit.
‘Geef hem een halfuur,’ fluisterde Jordan. ‘Dan weten we zeker dat hij slaapt.’
Een halfuur, dacht ze bij zichzelf, rillend. Tegen die tijd zou ze allang doodgevroren zijn. Ze had een zwarte coltrui van Monty aan en een veel te wijde spijkerbroek, die ze korter had gemaakt met een paar knippen van de schaar. De kleding bood echter niet voldoende bescherming tegen de nachtelijke herfstkou.
‘Waar gaan we naar binnen?’ vroeg Jordan.
Ze liet haar blik over het huis glijden. De vorige keer was ze via de openslaande terrasdeuren binnen gekomen. Dat slot was daarna ongetwijfeld vervangen – en vermoedelijk ook alle andere sloten van de ramen en deuren op de begane grond. ‘De eerste verdieping,’ antwoordde ze. ‘Het balkon van Guys slaapkamer.’
‘Zo ben ik de vorige keer ook binnengekomen.’
‘En als het jóú is gelukt, moet het een fluitje van een cent zijn,’ merkte ze droog op.
‘Toe maar, beledig je compagnon maar.’
Even keek ze naar hem. Zijn blonde haar ging schuil onder een strakke muts, en zijn gezicht was met vet zwart gemaakt. In het donker waren alleen zijn witte tanden te zien, in een grijns als die van de Cheshire Cat. ‘Weet je zeker dat je dit wilt doen?’ vroeg ze. ‘Het zou best gevaarlijk kunnen worden daarbinnen.’
‘Clea, als het inderdaad misgaat, beloof me dan één ding.’
‘Wat dan?’
‘Dat je de benen neemt. Niet op mij wachten. En niet achteromkijken.’
‘Probeer je weer hoffelijk te zijn? Is het weer zover?’
‘Ik wil het gewoon van tevoren afgesproken hebben. Vóórdat het misgaat.’
‘Zeg dat nou niet. Dat brengt ongeluk.’
‘Dan moet dit maar geluk brengen.’ Hij pakte haar bij de arm, trok haar tegen zich aan en kuste haar.
Ze wankelde in zijn omhelzing – verscheurd tussen de wanhopige behoefte om door hem gekust te worden en de wil om gefocust te blijven op de taak die hun wachtte.
Toen hij haar ten slotte losliet, staarden ze elkaar heel even aan. Alleen de glans van zijn ogen en tanden was zichtbaar in het donker.
Dat was een afscheidskus, realiseerde ze zich. Voor het geval het verkeerd afloopt. Voor het geval we van elkaar gescheiden raken en elkaar nooit meer zien.
Er blies een kille wind, en de bomen kraakten boven hun hoofd. Terwijl de seconden wegtikten en de nacht steeds kouder werd, probeerde ze ieder detail in haar geheugen te prenten. Omdat ze wist – net als hij – dat elke stap die ze zouden zetten naar een ramp kon leiden. Ze had geen rekening gehouden met deze complicatie, had niet zitten wachten op deze aantrekkingskracht. Maar hij was er nu eenmaal, zinderde tussen hen. Het feit dat dit niet blijvend kon zijn, dat eventuele gevoelens die ze voor elkaar hadden hen nergens zouden brengen – vanwege wie zij was en wie hij was – maakte die gevoelens alleen maar zoeter. Zul je me op een dag missen, Jordan Tavistock, vroeg ze zich af. Net zo erg als ik jou zal missen?
Hij draaide zich om en keek naar het huis. ‘Volgens mij is het tijd,’ zei hij zachtjes.
Ook zij keerde zich naar het huis. De wind blies over het gras en bracht de geur van dode bladeren en koude aarde met zich mee. De geur van de herfst, dacht ze. Al te snel zou het winter zijn… Ze sloop bij de heg vandaan en begaf zich in de schaduwen naar het huis.
Jordan bleef vlak achter haar.
Ze staken het gazon over, waarbij hun schoenen wegzonken in het natte gras. Onder het balkon van Guys slaapkamer gingen ze op hun hurken zitten om de situatie opnieuw te beoordelen. Ze hoorden alleen het ruisen van de wind en het ritselen van bladeren.
‘Ik ga wel als eerste,’ zei Jordan, en voordat ze had kunnen protesteren, klauterde hij in de blauweregen omhoog.
Ze kromp ineen toen ze de takken hoorde kraken en verwachtte elk moment dat de balkondeuren opengegooid zouden worden, dat Whitmore naar buiten zou komen, zwaaiend met een geweer. Gelukkig voor hen beiden scheen de oude Whitmore nog steeds een vaste slaper te zijn. Jordan wist probleemloos helemaal boven te komen.
Ze volgde hem en liet zich geluidloos op het balkon zakken.
‘Op slot,’ zei Jordan, voelend aan de deurknop.
‘Dat had ik wel verwacht,’ fluisterde ze. ‘Laat mij eens.’
Hij deed een stap opzij en keek in respectvolle stilte toe terwijl ze met een zaklamp het slot bescheen. ‘Deze zou zelfs nog eenvoudiger moeten zijn dan het slot beneden,’ fluisterde ze, en voorzichtig stak ze haar geïmproviseerde inbraakgereedschap – dat ze die middag in elkaar had geknutseld met behulp van een kleerhanger en een pincet – in het slot. ‘Circa negentientwintig. Waarschijnlijk is het nog het originele slot. Laten we hopen dat het niet zo roestig is, dat het mijn gereedschap krom…’ Ze lachte zacht en tevreden toen het slot met een klik openging. Achteromkijkend naar Jordan merkte ze spottend op: ‘Er gaat niets boven een goed stuk gereedschap.’
Op al even spottende toon zei hij: ‘Ik zal het onthouden.’
De kamer was precies zoals ze hem zich herinnerde: met het ouderwetse bed, de garderobekast en de antieke ladekast, het herenbureau en de salontafel vlak bij de balkondeuren. Het bureau en de ladekast had ze al eerder doorzocht, dus zou ze nu verdergaan waar ze de vorige keer gebleven was. ‘Doorzoek jij de garderobekast,’ fluisterde ze. ‘Dan doe ik de nachtkastjes.’
Ze togen aan het werk. Bij het flauwe licht van haar zaklamp bekeek ze de inhoud van het eerste nachtkastje. In de laden trof ze tijdschriften, sigaretten en diverse andere voorwerpen aan die haar vertelden dat Guy Delancey dit bed ook voor andere activiteiten dan alleen slapen had gebruikt.
Opeens zag ze iets bewegen boven haar hoofd, en ze richtte haar zaklamp op het plafond. Boven het bed bleek een spiegel te zijn opgehangen. En dan te bedenken dat ze daadwerkelijk een stoeipartij in dit vrijgezellen-speelparadijs had overwogen! Toen ze haar aandacht weer op het nachtkastje richtte, zag ze dat de tijdschriften vol stonden met foto’s van naakte dames – en niet bepaald de aantrekkelijkste. Vertier, ongetwijfeld, voor de nachten waarin Guy geen vrouwelijk gezelschap had kunnen vinden. In het tweede nachtkastje vond ze een vergelijkbare verzameling lectuur.
Ze was zo ingespannen aan het voelen of er niet ergens een verborgen lade zat, dat ze het kraken van de vloerplanken in de gang niet hoorde. Haar enige waarschuwing was een scherp sissen van Jordan, en toen vloog de slaapkamerdeur open.
De lamp aan het plafond floepte aan.
Clea, die half gehurkt naast het bed zat, kon alleen maar verrast met haar ogen knipperen toen ze de loop van een geweer op haar hoofd gericht zag.