Proloog
Simon Trott stond op het deinende dek van de Cosima, en in de fluweelzwarte duisternis van de nacht zag hij de vlammen. Ze brandden vlak voor de kust. Geen regelmatig vuur, maar een reeks krachtige uitbarstingen van licht die de heuvels in de verte in een helse gloed zetten.
‘Dat is ’r,’ zei de kapitein van de Cosima tegen Trott, terwijl beide mannen over de boeg tuurden. ‘De Max Havelaar. Aan al dat vuurwerk te zien zal ze wel snel ondergaan.’ Hij draaide zich om en riep naar de stuurman: ‘Volle kracht vooruit!’
‘Weinig kans op overlevenden,’ zei Trott.
‘Ze zenden een noodsignaal uit. Dus er is nog iemand in leven.’
‘Of er wás nog iemand in leven.’
Terwijl ze het zinkende schip naderden, schoten de vlammen opeens als een fontein omhoog, een regen van vonken sproeiend die de zee deed ontbranden in poeltjes van vloeibaar vuur.
Boven het bulderen van de motoren van de Cosima uit riep de kapitein: ‘Langzamer! Er ligt brandstof op het water!’
‘Vaart wordt geminderd,’ zei de stuurman.
‘Langzaam vooruit. Kijk of je overlevenden ziet.’
Trott liep naar de reling om over de vlammenzee te kijken. De Havelaar begon al achterover te kantelen. Haar achtersteven lag al bijna helemaal onder water, terwijl haar boeg omhoogwees naar de maanloze nachthemel. Nog een paar minuten, en ze zou voorgoed naar de bodem zinken. Het water was diep, en bergen was praktisch onuitvoerbaar. Hier, twee mijl buiten de Spaanse kust, zou de Havelaar naar haar laatste rustplaats zinken.
Een nieuwe explosie spuwde een massa brandende brokstukken die de golven goud kleurden. In de paar seconden voordat de zonneschijnachtige gloed verdween, ontwaarde Trott in een flits een beweging in de duisternis. Ruim tweehonderd meter bij de Havelaar vandaan, veilig buiten de ring van vuur, zag hij een lang laag silhouet op en neer dobberen in het water. Het volgende moment hoorde hij mannen roepen: ‘Hier! We zijn hier!’
‘De reddingsboot.’ De kapitein draaide het zoeklicht in de richting van de stemmen. ‘Daar, op twee uur!’
‘Ik zie ze,’ zei de stuurman, die meteen van koers veranderde. Hij voerde de snelheid op en loodste de boot tussen de poeltjes brandende brandstof door.
Toen ze dichterbij kwamen, kon Trott de vreugdekreten van de overlevenden horen – een onverstaanbaar Italiaans getater. Hoeveel zaten er in de boot, vroeg hij zich af, turend in het duister. Vijf, misschien zes. Hij kon hen nu bijna tellen, zwaaiend met hun armen in de bundel van het zoeklicht, hun hoofden alle kanten uit knikkend. Ze waren dolblij dat ze nog in leven waren. Dat redding nabij was.
‘Het lijkt erop dat dat het grootste deel van de bemanning van de Havelaar is,’ zei de kapitein.
‘Alle hens aan dek dus.’
De kapitein draaide zich om en blafte de order.
Een paar tellen later had de bemanning van de Cosima zich verzameld aan dek. Terwijl de boeg het laatste stuk water doorkliefde, stonden de mannen zwijgend bij de reling, alle ogen gericht op de reddingsboot vlak voor hen.
In het schijnsel van het zoeklicht kon Trott het aantal overlevenden vaststellen: zes. Hij wist dat de Havelaar met een achtkoppige bemanning uit Napels was vertrokken. Lagen er nog twee in het water? Hij draaide zich om en keek naar de contouren van de kustlijn in de verte. Met een flinke dosis geluk en uithoudingsvermogen zou een man die afstand wel kunnen zwemmen.
De reddingsboot dobberde stuurloos aan hun stuurboordzijde.
‘Dit is de Cosima!’ riep Trott. ‘Maak uzelf bekend!’
‘Max Havelaar!’ schreeuwde een van de mannen in de reddingsboot.
‘Is dit jullie voltallige bemanning?’
‘Er zijn er twee dood!’
‘Dat weten jullie zeker?’
‘De motor is ontploft! Eén man zit benedendeks vast en kan geen kant meer op.’
‘En jullie achtste man?’
‘In het water gevallen. Kan niet zwemmen!’
Wat betekende dat de achtste man waarschijnlijk dood was, dacht Trott. Hij wierp een blik op de mannen van de Cosima. Ze stonden naar hem te kijken, wachtend op het bevel.
De reddingsboot kwam nu bijna langszij.
‘Nog een stukje dichterbij!’ riep Trott naar beneden. ‘Dan kunnen we een touw naar jullie toe gooien.’
Een van de mannen in de reddingsboot reikte alvast omhoog, klaar om het touw te vangen.
Trott draaide zich om om zijn mannen het teken te geven.
De eerste kogelregen trof het slachtoffer halverwege zijn beweging. Zijn armen waren uitgestoken naar zijn zogenaamde redders. Hij had geen kans om te schreeuwen.
Terwijl de kogels vanaf de Cosima bleven neerdalen, vielen de mannen een voor een om, hulpeloos tegen deze aanslag. Hun geschreeuw, de plons van een lichaam dat in het water viel, werd overstemd door het meedogenloze geratel van geweervuur.
Toen het voorbij was, toen de fusillade eindelijk ophield, lagen de lichamen innig opgekruld in de reddingsboot. Er viel een stilte die enkel doorbroken werd door het klotsen van water tegen de romp van de Cosima.
Een laatste explosie spuwde een slotakkoord van vonken in de lucht. De boeg van de Max Havelaar – of van wat daarvan over was – stond in een rare hoek naar de hemel gericht. Toen gleed het schip heel rustig achterwaarts de diepte in.
De reddingsboot, met de romp vol kogelgaten, was al half onder water verdwenen.
Een bemanningslid van de Cosima gooide een los anker over de reling, dat met een bons tussen de lichamen terechtkwam. De reddingsboot kantelde, waardoor zijn lading van lijken in zee werd gekiept.
7‘Ons werk hier is gedaan, kapitein,’ zei Trott. Nonchalant draaide hij zich om naar de stuurman. ‘Ik stel voor dat we terugkeren naar –’ Plotseling zweeg hij. Zijn blik was gericht op een plek in het water, een meter of tien verderop. Wat was dat voor een plons? In de rimpelingen aan de oppervlakte zag hij de weerkaatsing van de gloed van het vuur. Daar was het weer. Iets zilverachtigs wat uit de golven naar het oppervlak kwam en weer onder water verdween. ‘Daar!’ schreeuwde hij. ‘Vuur!’
Niet-begrijpend keken zijn mannen hem aan.
‘Wat zag je dan?’ vroeg de kapitein.
‘Op vier uur. Er kwam iets boven water.’
‘Ik zie niks.’
‘Schiet toch maar.’
Een van de schutters schoot gehoorzaam een magazijn leeg. De kogels spoten in het water, en hun dodelijke regen trok een streep van spetters over het wateroppervlak.
Een tijdje bleven ze staan kijken. Er kwam niets boven. Het water werd uiteindelijk vanzelf weer glad als een golvende spiegel.
‘Ik weet zeker dat ik iets zag,’ zei Trott.
De kapitein haalde zijn schouders op. ‘Nou ja, nu is het er niet meer.’ Hij wendde zich tot de stuurman. ‘Terug naar de haven!’
De Cosima wendde de steven, met in haar kielzog een steeds groter wordende cirkel van golfjes.
Trott liep naar de achtersteven, zijn blik nog steeds strak op de verdachte plek in het water gericht. Terwijl ze met bulderend geraas wegvoeren, meende hij opnieuw een zilverkleurige flits aan de oppervlakte te zien verschijnen. Het duurde maar een fractie van een seconde, en toen, in een oogwenk, was het weer verdwenen.
Een vis, dacht hij bij zichzelf. Gerustgesteld draaide hij zich om. Ja, dat moest het zijn geweest. Een vis.