5
Gisteren was de enige gemakkelijke dag
Na aankomst bij het Naval Special Warfare Center in Coronado in Californië liep ik over de zandwal en zag voor het eerst van mijn leven de Stille Oceaan. Enorme golven beukten op de kust. Mijn god. Ik sprong in het warme Californische water… maar het was helemaal niet warm – zeker niet vergeleken met het water van Florida waar ik had getraind. Het is ijskoud! Ik was er sneller weer uit dan ik erin was gesprongen. Ik ben benieuwd hoeveel tijd we daarin moeten doorbrengen, dacht ik.
In de dagen voorafgaand aan de training hielp SEAL Master Chief Rick Knepper ons met de voorbereiding. ’s Ochtends vroeg zwommen we in het zwembad en aan het eind van de middag deden we fitnessoefeningen op het strand. Master Chief, die eruit zag als een gewone man van in de veertig, deed kalm zijn oefeningen terwijl wij aan het puffen en het hijgen waren. Het leek wel of hij nooit zweette.
Master Chief vertelde ons niets over zijn ervaringen in Vietnam. We moesten de verhalen van anderen horen. Master Chief had gediend bij SEAL Team One, Delta Platoon, 2 nd Squad. Zijn groep dacht dat Hon Tai, een vrij groot eiland in de Baai van Nha Trang, niets anders was dan een grote rots in de oceaan waar vogels kwamen om te poepen. Toen slaagden twee Vietcong-strijders, die genoeg hadden van het vechten en hun scheiding van hun familie, erin van het eiland te ontsnappen en zij vertelden de Amerikaanse inlichtingendiensten over het Vietcong-kamp dat ze achter hadden gelaten.
Beschermd door de duisternis voer Master Chief met zijn zeven SEAL’s naar het eiland. Zelfs de maan liet zich niet zien. Zijn mannen klommen met blote handen omhoog langs een rotswand van 100 meter. Vanaf de top daalden ze af naar het Vietcong-kamp. De zeven mannen splitsten zich in twee vuurteams, trokken hun laarzen uit en zochten blootsvoets naar een Vietcong-vip die ze konden ontvoeren. Ze liepen op blote voeten om geen herkenbare sporen van Amerikaanse laarzen achter te laten. Bovendien was het zo gemakkelijker om mijnen te detecteren en blote voeten kon je gemakkelijker uit de modder trekken dan laarzen. Maar in het kamp werden de SEAL’s door de VC overvallen. Er landde een granaat op de voeten van eerste luitenant Bob Kerrey. De explosie wierp hem tegen de rotsen en blies de onderste helft van zijn been weg. Hij slaagde erin via de radio de mannen van het andere vuurteam te waarschuwen. Die schoten hen te hulp en bestookten de VC met dodelijk kruisvuur. Vier VC’s probeerden te ontsnappen, maar de SEAL’s maaiden ze neer. Drie andere VC’s boden verzet en ook die schoten de SEAL’s dood.
Een hospik uit het SEAL-team, raakte zijn oog kwijt. Een van de mannen bond een tourniquet om het been van Kerrey.
De SEAL’s slaagden erin een paar Vietcong-vips te ontvoeren en drie grote tassen met documenten (waaronder een lijst van VC-strijders in de stad), wapens en ander materieel te bemachtigen. Luitenant Kerrey bleef Master Chief Knepper en de andere mannen leidden tot ze op veilig terrein waren. De documenten en de vips leverden informatie op die cruciaal was voor de geallieerden in Vietnam. Luitenant Kerrey kreeg de Medal of Honor, de hoogste Amerikaanse militaire onderscheiding, en zou later gouverneur en senator van Nebraska worden.
Onze mentors waren de beste in het vak.
Op de eerste ochtend van de Indoctrination Phase van de BUD/s-training – de voorbereidende fase waarin we leerden wat er van ons zou worden verwacht – moesten we de fysieke screeningstest nog een keer doen. Na een koude douche en een paar push-ups gingen we van start. Uit angst de zwemtest niet te halen, trapte en maaide ik zo hard als ik kon. Op de een of andere manier was ik op tijd. Toen volgde het opdrukken, de sit-ups, het optrekken en de hardlooptest. Een van ons haalde het niet; hij liet het hoofd hangen toen de instructeurs hem wegstuurden.
Die avond gingen de SEAL-instructeurs voor ons staan en stelden ze zich voor. Tot slot vertelde luitenant Moore ons dat we mochten stoppen wanneer we maar wilden. We hoefden alleen maar naar buiten te lopen en drie keer de bel te luiden.
‘Ga je gang,’ zei luitenant Moore.
Ik dacht dat hij blufte, maar een paar van mijn klasgenoten gingen naar buiten om de bel te luiden.
Onder de overgebleven klasgenoten waren een paar indrukwekkende figuren: een langeafstandstriatleet, een footballspeler uit een universiteitsteam enzovoort. Op een avond bekeek ik mezelf in de spiegel. Die jongens zijn volbloed renpaarden. Wat doe ik hier in godsnaam? dacht ik. De volgende dag luidde de triatleet de bel. Ik begreep niet waarom.
Een van de eerste exercities was de O-course (hindernisbaan). Het zou kunnen gebeuren dat een SEAL een keer midden in de nacht een onder water varende onderzeeër moet verlaten, in een Zodiac-rubberboot over de golven stuiterend uit alle macht moet zien te voorkomen dat hij overboord slaat, tegen een rotswand moet klimmen, door vijandelijk gebied naar zijn doelwit kruipen, naar de derde verdieping van een gebouw klimmen, zijn taak volbrengen en maken dat hij weg komt. De O-course bereidt hem voor op dat soort dingen. Maar die baan heeft ook nekken en ruggen gebroken – als je boven aan een 20 meter hoog klimnet bent gekomen, is dat niet het goede moment om alle kracht in je armen te verliezen. Het grootste deel van onze training was gevaarlijk en er raakten regelmatig mensen gewond.
We gingen in een rij staan, op volgorde van onze achternamen. Ik stond bijna aan het einde en zag iedereen voor mij van start gaan. Toen het mijn beurt was, ging ik er als een kruisraket vandoor. Ik snapte niet waarom ik zoveel mensen inhaalde.
Ergens in de O-course kwam ik bij een toren met drie etages. Ik nam een sprong, greep de rand van de eerste etage vast en zwaaide mijn benen omhoog. Ik nam weer een sprong, greep de rand van de volgende etage en zwaaide mijn benen omhoog. Toen liet ik me weer zakken. Ik ging verder, maar zag dat er iemand achterbleef op de toren. Het was Mike W., die football had gespeeld op de Universiteit van Alabama. Er stroomden tranen van frustratie over zijn gezicht omdat hij de bovenste etage niet haalde.
Met een licht accent dat verried dat hij uit Georgia kwam, riep instructeur Stoneclam: ‘Je kunt een heel footballveld over rennen, maar je kunt niet eens naar de top van een obstakel klimmen? Mietje!’
Ik vroeg me af wat er mis was met Mike W. Hij was veel beter getraind dan ik. Toch? (Mike zou zijn rug ernstig blesseren, maar kapitein Bailey liet hem bijna een jaar lang revalideren. Later werd hij een uitmuntend SEAL-officier.)
Een paar van die renpaarden waren enorme huilebalken. Waarschijnlijk waren ze het grootste deel van hun leven de allerbesten geweest, en nu ze voor het eerst te maken kregen met tegenslag – in de stijl van BUD/s – konden ze er niet tegen.
Wat is er toch aan de hand met die prima donna’s, vroeg ik me af.
Hardlopen en zwemmen kostten me veel moeite, maar de O-course werd een van mijn favoriete onderdelen. Bobby H. en ik verdrongen elkaar steeds van de eerste plaats. Instructeur Stoneclam zei een keer tegen een leerling: ‘Kijk eens hoe Wasdin zich op de hindernissen stort.’
Liever dit dan watermeloenen plukken, dacht ik.
Gevaar was inmiddels een vaste metgezel geworden. Gevaar of geen gevaar, een van onze instructeurs sprak altijd even monotoon. In een klaslokaal van het Naval Special Warfare Center steunde de junglekist van instructeur Blah op een 3,5 meter lange, zwarte rubberboot die vooraan op de vloer lag. ‘Vandaag ga ik jullie uitleggen hoe je door de branding moet. Dit is de IBS. Sommige mensen denken dat die afkorting staat voor Itty-Bitty Ship (Ienie-Mienie-Schip) en waarschijnlijk verzinnen jullie er weer een andere bijnaam voor, maar in de marine heet dit de Inflatable Boat, Small (Opblaasbare Boot, Klein). Je zit in zo’n boot met zes tot acht ongeveer even lange mannen. Dat is je bemanning.’
Hij maakte een schetsmatig tekeningetje op het bord van het strand, de oceaan en luciferpoppetjes die om de IBS heen stonden. Hij wees naar de poppetjes in de oceaan. ‘Dit zijn jullie nadat de boot door een golf is omgeslagen.’
Hij tekende een luciferpoppetje op het strand. ‘Dit is een van jullie nadat de oceaan hem heeft uitgespuugd. En wat denk je? Het volgende dat de oceaan uitspuugt, is de boot.’
Instructeur Blah gebruikte zijn gum als boot. ‘Nu staat de 77 kilo wegende IBS vol water, is hij ongeveer net zo zwaar als een kleine auto en komt hij recht op jou af terwijl jij hier op het strand ligt. Wat doe je? Als je midden op de weg staat en er komt een kleine auto met hoge snelheid op je af, wat doe je dan? Probeer je voor de auto uit te rennen? Natuurlijk niet. Je maakt dat je van de weg af komt. Hetzelfde doe je als de boot op je af komt. Je gaat uit zijn baan. Dus je rent parallel aan het Strand.
‘Sommigen van jullie zien er wat slaperig uit. Allemaal, op de grond, met een paar push-ups worden jullie wel wakker!’
Na de push-ups en nog meer instructies gingen we naar buiten, waar het begon te schemeren. Al snel stonden we bij onze boten die klaarstonden met de neus naar de oceaan. Over ons gevechtstenue droegen we opbollende, oranje reddingsvesten van kapok. We bonden onze hoeden met een oranje koord vast aan de bovenste knoopgaten van ons hemd. Ieder van ons hield een roeispaan in de presenteer-geweerhouding vast. Mijn bemanning wachtte op onze aanvoerder, Mike H. die, samen met de andere aanvoerders, werd gebriefd door de instructeurs.
Al snel kwam Mike terug en gaf ons bevelen. Met een handvat van de boot in de ene hand en een peddel in de andere renden alle teams het water in. De verliezers zouden het bezuren – zoals een van de SEAL-motto’s luidt: It pays to be a winner (Winnen loont).
‘De voorste twee erin!’ riep onze aanvoerder Mike H.
Onze twee voorste mannen sprongen in de boot en begonnen te peddelen.
Ik rende door water dat bijna tot mijn knieën reikte.
‘De volgende twee!’
Twee mannen sprongen en begonnen te peddelen.
‘Volgende twee!’
Ik sprong samen met de man aan de andere kant in de boot en ook wij begonnen te peddelen. Als laatste sprong Mike achterin en gebruikte zijn roeispaan als roer. ‘Slag, slag!’ riep hij.
Voor ons welde een golf van wel twee meter op. Ik stak mijn roeispaan diep in het water en trok hem zo hard ik kon naar achteren.
‘Diep, diep!’ riep Mike.
Onze boot klom tegen de golf omhoog. Ik zag een van de andere boten erover heen gaan. Wij hadden minder geluk. De golf tilde ons op en smeet ons neer, waarbij we klem kwamen te zitten tussen de boot en het water. De oceaan slokte ons op en ik slokte ondertussen laarzen, roeispanen en koud zeewater op. Ik begon te beseffen dat dit mijn dood kon worden.
Uiteindelijk spuwde de oceaan ons uit op het strand, net als de meeste andere teams. De instructeurs begroetten ons met het bevel: ‘Liggen en opdrukken.’ Met onze laarzen over de rand van de boot en onze handen in het zand – zodat de zwaartekracht ons tegenwerkte – deden we onze push-ups.
Daarna maakten we ons weer gereed en begonnen we aan een nieuwe poging. We waren nu gemotiveerder en werkten beter samen. Dit keer kwamen we door de branding heen.
Toen we weer op het strand stonden, zagen we een rekruut met een jongetjesgezicht van een ander team zijn roeispaan uit het zand pakken. Toen hij zich omdraaide naar de zee, zag hij een boot zonder bemanning maar vol water zijdelings op hem af komen.
Instructeur Blah schreeuwde door de megafoon: ‘WEGWEZEN!’
De jongen rende weg in de baan van de boot, precies wat we van de instructeurs niet moesten doen. Angst kan Einsteins veranderen in amoebes.
‘PARALLEL AAN HET STRAND! PARALLEL AAN HET STRAND!’
Het jongetjesgezicht probeerde maar voor de boot uit te blijven. De boot schoot echter uit het water en gleed als een hovercraft over het harde, natte zand. Hij had zoveel vaart dat hij bleef doorglijden toen hij bij het zachte, droge zand kwam en uiteindelijk de jongen tegen de grond sloeg. Instructeur Blah spoedde zich met andere instructeurs en de ambulance naar de gewonde jongen.
Doc, een van de SEAL-instructeurs, paste eerste hulp toe, Niemand hoorde de jongen schreeuwen van de pijn. Hij had zijn dijbeen gebroken.
Naarmate de training vorderde, namen de gevaren toe. Later brachten we onze boten niet meer aan land op een zonnig stuk strand, maar op de rotsen bij Hotel del Coronado, in het holst van de nacht, terwijl twee oceaanstromingen ons van verschillende kanten belaagden. Naar verluidt vormden deze rotsen vroeger één groot blok, tot de BUD/s-rekruten hem met hun hoofden aan stukken sloegen.
De zon lag begraven achter de horizon toen we in looppas over de Marine Amfibie Basis aan de overkant van de straat renden. We droegen hetzelfde groene uniform en zongen in de maat. We straalden zelfvertrouwen uit, maar de spanning hing in de lucht. Als er ooit iemand het loodje legt, dan is dat nu, ging het door mijn hoofd.
We kwamen bij het zwembad in Gebouw 164 en kleedden ons uit tot op de zwembroek van ons gevechtstenue. Een instructeur zei: ‘Dit wordt genieten. Drown proofing is een van mijn favoriete onderdelen. Het is zwemmen of verzuipen, schatjes.’
Ik bond mijn voeten aan elkaar en mijn zwemmaatje bond mijn handen op mijn rug.
‘Als ik het commando geef, springen de vastgebonden mannen in het diepe deel van het bad,’ zei instructeur Stoneclam. ‘Jullie moeten 20 twintig minuten op en neer dobberen, 5 minuten drijven, naar het ondiepe deel zwemmen, omkeren zonder de bodem aan te raken, terug zwemmen naar het diepe deel, een voorwaartse en een achterwaartse koprol onder water maken en met je tanden een duikbril van de bodem halen.’
Het moeilijkst vond ik het zwemmen naar de ander kant van het bad en weer terug met gebonden voeten en handen. Ik moest bewegen als een dolfijn. Toch heb ik dit liever dan te worden gewekt uit een diepe slaap en een pak rammel krijgen, dacht ik.
Ik deed wat er van me verwacht werd, maar dat gold niet voor iedereen. We raakten een gespierde zwarte jongen kwijt omdat hij zo zwaar gebouwd was, dat hij gewoon als een steen naar de bodem zakte. Een magere, roodharige hospik sprong in het water, maar in plaats van in een rechte lijn te zwemmen, maakte hij een hoefijzer. Een instructeur zei tegen hem: ‘Zwem in een rechte lijn. Wat is er met je aan de hand?’ Later ontdekten de instructeurs dat de Rooie bijna blind was. Hij had zijn medisch dossier vervalst om tot BUD/s te worden toegelaten. Voor iedere jongen die alles deed om binnen te komen, waren er een paar die ermee wilden ophouden. Dat liet Stoneclam niet toe.
‘Je kunt nu niet stoppen!’ riep hij. ‘Dit is nog maar de Indoctrination. De training is nog niet eens begonnen!’ We zaten nog maar in de voorbereiding.
Na drie weken Indoc begon de eerste fase: basis conditietraining. Onze groep slonk gestaag doordat er jongens afvielen die niet voldoende presteerden, gewond raakten of er gewoon mee ophielden. Ik vroeg me af hoe lang het nog zou duren voordat ik eruit werd gezet omdat ik niet voldeed of gewond raakte. Natuurlijk waren de meeste oefeningen vergelijkbaar met een schop in je ballen – alleen maar bedoeld om ons te straffen. Wee de leerling die aan zijn gezicht liet merken dat hij pijn had. Dan zei de instructeur: ‘Vond je dat niet lekker? Doe er nog maar een paar.’ Hetzelfde lot trof de leerling die juist niet liet merken dat hij pijn had. ‘Vond je dat lekker? Dan krijg je nog een trap in je ballen.’ De martelingen gingen maar door, iedere dag – opdrukken, hardlopen, opdrukken, grondoefeningen, opdrukken, zwemmen, opdrukken, O-course – week na week. We moesten 1,5 km rennen voor een maaltijd. Heen en terug, en dan vermenigvuldigd met drie maaltijden kwam dat op 9 km per dag. Alleen maar om te eten! We kregen nooit genoeg tijd om te herstellen voordat we met de volgende exercitie moesten beginnen. En daarbovenop kwamen de verbale pesterijen van de instructeurs. De meesten van hen hoefden hun stem niet te verheffen om ons te vertellen: ‘Mijn oma was langzaam, maar die was dan ook oud.’
Allemaal hadden we een achilleshiel – en de instructeurs waren er heel goed in om die te vinden. Het moeilijkst voor mij was het 6,5 km hardlopen op het strand binnen een bepaalde tijd, met lange broek en junglekistjes aan. Daar zag ik altijd verschrikkelijk tegen op. Het zachte zand zoog de energie uit mijn benen en de golven hinderden me als ik op het harde stuk probeerde te rennen. Sommige jongens liepen altijd voorop, sommige bleven in het midden en anderen, zoals ik, hingen achteraan. Als ik bij het keerpunt was – het hek van North Island – was er meestal een instructeur die zei: ‘Wasdin, je ligt achter. Op de terugweg zul je gas moeten geven.’ En iedere keer moesten we de koers sneller afleggen.
Een keer was ik een paar seconden over de tijdslimiet heen. Terwijl alle anderen teruggingen naar de kazerne, vormden de vier of vijf anderen die ook hadden gefaald samen een goon squad (kneuzenbrigade). Ik had al mijn energie opgebruikt bij het hardlopen en wist dat dit geen lolletje zou worden. We sprintten de zandwal op en af, sprongen in het koude water en rolden vervolgens de wal op en af, tot onze natte lijven eruit zagen als suikerkoekjes. Het zand drong in mijn ogen, neus, oren en mond. We deden intensieve spieroefeningen en moesten allerlei acrobatische toeren uithalen tot zand onze natte huid rauw had geschuurd en bijna alle spieren in ons lichaam het hadden begeven. Het was mijn eerste goon squad – en de enige die ik ooit nodig heb gehad. Al blijf ik er de volgende keer in bij het hardlopen, dit doe ik nooit meer, zei ik tegen mezelf. Er was een jongen bij die zwom als een vis maar steeds weer in de goon squad terechtkwam omdat hij niet snel genoeg rende. Ik vroeg me af hoe hij al die goon squads heeft overleefd.
In de Eerste Fase was er één ding dat nog erger was dan het rennen: Hell Week – waar het SEAL-motto ‘Train the best, discard the rest’ (Train de besten, ontdoe je van de rest), sterker dan ooit tot uiting kwam. Het begon diep in de zondagnacht met wat een ‘break-out’ wordt genoemd. Een donderend salvo van M60-machinegeweren in de lucht. Terwijl een instructeur schreeuwde: ‘Snel, snel, snel!’ kropen we uit onze barakken.
Buiten op het exercitieterrein, een stuk asfalt ter grootte van een parkeerterrein, gingen artilleriesimulators tekeer – naderende fluittonen gevolgd door een knal. De M60’s ratelden maar door. Een machine pompte een deken van mist over het terrein. Het terrein was afgezet met groene breaklights. We werden natgespoten met brandslangen. De geur van cordiet hing in de lucht. Uit de luidspreker bulderde ‘Highway to Hell’ van AC/DC.
Bij veel van de jongens was de angst van het gezicht af te lezen. Hun ogen zagen eruit als twee gebakken eieren. Al na een paar minuten klonk de bel – iemand die ermee ophield. Kom op, zeg. Er is toch niks aan de hand? Ja, een paar instructeurs die rond rennen met machinegeweren en zo, maar tot nu toe heeft nog niemand me een klap in mijn gezicht gegeven of met een riem geslagen. Ik begreep niet waarom er mensen waren die het nu al opgaven. Natuurlijk had mijn zware jeugd me op dit moment voorbereid. Niet alleen fysiek. Ik wist dat ik mentaal was opgewassen tegen pijn en hard werk en ik wist dat ik nog meer zou kunnen verdragen. De hoge verwachtingen die mijn vader van mij had, zorgden er nu voor dat ik veel van mezelf verwachtte. Ik was er rotsvast van overtuigd dat ik niet zou opgeven. Die overtuiging hoefde ik niet in woorden uit te drukken – woorden zijn goedkoop. Mijn geloof was echt. Zonder dat sterke geloof weet je al van begin af aan dat je het nooit gaat halen.
Een van de legendarische activiteiten in Hell Week vindt plaats op een stalen pier waar de kleinere vaartuigen van de marine liggen afgemeerd. We trokken onze laarzen uit en propten onze sokken en riemen erin. Mijn vingers waren zo verkleumd en trilden zo hevig dat het me moeite kostte mijn laarzen uit te trekken.
In onze groene uniformen sprongen we zonder reddingsvest, schoenen en sokken de baai in. Ik ging onmiddellijk op mijn buik liggen, met mijn gezicht onder water, en maakte mijn gulp open. Als ik lucht nodig had, tilde ik mijn gezicht uit het ijskoude water en nam snel een hapje zuurstof. Als ik zonk, maakte ik een paar slagen. Ondertussen trok ik mijn broek uit en maakte de gulp dicht.
Ik bond de uiteinden van de pijpen samen in een platte knoop. Met beide handen hield ik de broek bij het middel dicht en ik begon met mijn benen te trappen tot ik verticaal lag. Toen tilde ik mijn broek hoog in de lucht en liet hem hard voor me in het water terecht komen, zodat er lucht in de broekspijpen werd gevangen.
Zodra mijn bovenlichaam over de v van mijn zelfgemaakte broekvlot hing, voelde ik opluchting. Ik was zo bang geweest om te verdrinken, dat ik was vergeten hoe koud het water was. Nu ik niet meer aan het verdrinken was, werd ik me bewust van de kou.
Een paar jongens zwommen terug naar de pier. We probeerden ze terug te roepen, maar ze hadden er genoeg van. Bong, bong, bong.
Instructeur Stoneclam zei: ‘Als nog een van jullie die bel luidt, mag de rest ook het water uit. In de ambulances hebben we warme dekens en een thermoskan hete koffie.’
Toen de bel opnieuw luidde, zei Stoneclam: ‘Iedereen het water uit!’
HOOYAH!
We zwommen naar de drijvende stalen pier en klommen erop.
Instructeur Stoneclam zei: ‘Kleed je nu uit tot op je onderbroek en ga op de pier liggen. Als je geen onderbroek hebt, is je adamskostuum des te beter.’
Ik ging liggen in mijn adamskostuum. De instructeurs hadden de pier geprepareerd door hem nat te spuiten. Moeder Natuur had de pier geprepareerd door er een gure wind overheen te blazen. Het leek wel of ik op een blok ijs lag. De instructeurs bespoten ons met koud water. Onze spieren begonnen wild samen te trekken. De spasmen waren niet te onderdrukken en we spartelen over het stalen dek als vissen op de kant.
De instructeurs gingen door tot we de eerste stadia van onderkoeling bereikten. Ik had er vrijwel alles voor over om warm te worden. Mike zei: ‘Sorry, ik moet pissen.’
‘Geeft niet. Pis hier maar.’
Hij plaste op mijn handen.
‘Ahh, dank je wel, man.’ Het was heerlijk warm.
De meeste mensen vinden het smerig – die hebben het duidelijk nog nooit echt koud gehad.
De enige keer dat ik overwoog te stoppen, was op woensdagavond – halverwege Hell Week. Zonder verdere omhaal begonnen de instructeurs met de Lyon’s Lope, genoemd naar een SEAL die in Vietnam heeft gediend. We roeiden onze zwarte rubberboot ongeveer 250 meter de zee op, naar de bakens in San Diego Bay, keerden de boot ondersteboven en weer rechtop (‘dump boat’ heette dat), roeiden terug naar de kust, renden een kilometer met onze roeispanen, gooiden de roeispanen in de laadbak van een truck, gingen achter elkaar in de baai zitten, zodat we een menselijke duizendpoot vormden, roeiden 350 meter met de hand, liepen 550 meter hard, pakten onze boten op en roeiden naar de bakens en weer terug. We hadden allemaal het tweede stadium van onderkoeling bereikt. Fase een is licht tot hevig trillen en verdoofde handen – de meeste mensen hebben die fase wel eens meegemaakt. Fase twee is hevig trillen, lichte verwardheid en stotteren. In fase drie daalt de kerntemperatuur van het lichaam tot onder de 32 graden Celsius, het trillen stopt en je wordt een bazelende, brabbelende idioot. Er is geen fase vier – alleen de dood. De instructeurs hadden op basis van de temperatuur van de lucht en het water berekend hoe lang we in het water moesten blijven om zo onderkoeld mogelijk te raken zonder dat we er permanente schade aan overhielden of het niet zouden overleven.
Bij de bel waren alleen nog maar staanplaatsen beschikbaar. De een na de ander trok aan het touw en ging tekeer alsof Coronado in brand stond. De instructeurs hadden de ambulances naar ons toe gereden en de deuren opengezet. Binnenin zaten mijn voormalige medeleerlingen in dekens gewikkeld warme chocolademelk te drinken. Instructeur Stoneclam zei: ‘Kom hier, Wasdin. Je bent toch getrouwd?’
‘Ja, instructeur Stoneclam.’ Mijn spieren waren te vermoeid om te bewegen, maar toch beefden ze verschrikkelijk.
‘Dit is niet goed voor je. Kom hier.’ Hij leidde me naar de achterkant van de ambulances, zodat ik de warme lucht in mijn gezicht voelde slaan. ‘Neem een beker warme chocolade.’
Ik hield de beker in mijn hand. Hij was warm.
‘Als we wilden dat je een vrouw had, hadden we je er wel een gegeven,’ legde hij uit. ‘Ga die klok nou maar luiden. Dan ben je ervan af. En dan mag je die warme chocolademelk opdrinken. Dan zetten we je in deze warme ambulance, slaan een dikke deken om je heen en dan ben je van deze ellende af.’
Ik keek naar de klok. Het zou zo gemakkelijk zijn. Het enige wat ik hoef te doen is drie keer aan dat klotetouw trekken, dacht ik, met de beelden van de verwarmde ambulances met de dekens en de warme chocolade voor ogen. Toen riep ik mezelf tot de orde. Wacht even. Ik denk niet helder na. Dat zou betekenen dat ik opgeef, schoot het door mijn hoofd. ‘Hooyah, instructeur Stoneclam.’ Ik gaf hem zijn warme chocolade terug.
‘Ga terug naar de groep.’
Het teruggeven van die beker warme chocolademelk was het moeilijkste wat ik ooit had gedaan. Laat me teruggaan, zodat ik kan doodvriezen terwijl ik nog wat meer trappen in mijn ballen krijg.
Mike H. en ik zaten in een team van zes man voordat de andere vier stopten. Nu moesten we met z’n tweeën onze boot, die bijna 90 kilo woog, naar de BUD/s-kazerne tillen – terwijl de instructeurs tegen ons riepen dat we te langzaam waren. We vervloekten de anderen die ons in de steek hadden gelaten. ‘Waardeloze klootzakken.’ Toen Mike en ik bij de kazerne aankwamen, waren we nog steeds boos.
We hadden ze eerst als kameraden beschouwd, maar nu vervloekten we ze omdat ze ons in de steek hadden gelaten. Dat is de reden dat de training zo keihard is, om erachter te komen op wie je kunt rekenen als de hel losbreekt. Ik kan me niet herinneren dat er na die woensdagavond nog iemand is gestopt.
Die donderdagochtend zat ik vroeg in de aftandse kantine. Ze zullen me moeten vermoorden. Na alles wat ik heb doorgemaakt, zullen ze me in kleine stukjes moeten hakken en terugsturen naar Wayne County, Georgia, want ik geef het niet op, dacht ik. Ik had een knop omgezet. Het maakte niet meer uit wat we deden. Het kon me niet schelen. Er komt een einde aan.
We kregen geen steun uit onze omgeving of van ons eigen lichaam en het enige wat ons overeind hield, was ons geloof dat we de missie zouden volbrengen – dat we Hell Week door zouden komen. In de psychologie wordt dat geloof in eigen kunnen ‘self-efficacy’ genoemd. Zelfs als de missie onmogelijk lijkt, maakt de kracht van dat geloof succes mogelijk. Als je niet in jezelf gelooft, zul je nooit slagen. Een sterk geloof in onze missie voedt ons vermogen ons te concentreren, inspanningen te leveren en door te zetten. Het stelt ons in staat ons op ons doel te richten (Hell Week afmaken) en dat doel in beter behapbare subdoelen onder te verdelen (exercitie voor exercitie). Als een van die oefeningen een bootrace is, kan hij weer worden onderverdeeld in kleinere stapjes, zoals roeien. Geloven in je eigen kunnen, stelt je in staat strategieën te bedenken om je doelen te bereiken, zoals het gebruik van de grotere schouderspieren om te roeien in plaats van de kleinere onderarmspieren. En als de race voorbij is, ga je door naar de volgende exercitie. Je moet niet te veel nadenken over wat er is gebeurd en wat er nog staat te gebeuren, want dan verlies je de moed. Leef in het moment en benader het stap voor stap.
Sinds de zondagavond ervoor hadden we in totaal maar drie of vier uur slaap gehad. De droomwereld begon zich te vermengen met de reële wereld en we waren aan het hallucineren. Toen we in de kantine zaten te eten, terwijl de hoofden van de jongens steeds midden in hun bord zakten en hun ogen naar boven wegrolden door slaapgebrek, zei een instructeur: ‘Wasdin, ik wil dat je met dit botermesje dat hert daar in de hoek doodsteekt.’
Ik ontwaakte langzaam uit mijn havermoutdommel, draaide me om en, het was nog waar ook, er stond een bok in de kantine. Ik vroeg me niet af waarom dat dier in de kantine stond en hoe het daar verzeild was geraakt. Ik moet mijn missie volbrengen, spookte door mijn hoofd. Ik sloop ernaartoe met mijn Rambo-mes en bereidde me voor op de dodelijke sprong.
Instructeur Stoneclam riep: ‘Wasdin, wat ben je aan het doen?’
‘Ik moet dit hert doodsteken, instructeur Stoneclam.’
‘Kijk dan, dat is een serveerwagen. Daarmee rijden ze de bladen de keuken in en uit.’
Hè? Hoe kan hij nou in een serveerwagen zijn veranderd?
‘Ga zitten, idioot, en eet je bord leeg,’ zei instructeur Stoneclam.
De instructeurs lachten zich rot.
Later roeiden Mike H., Bobby H. en de rest van onze groep van het Naval Special Warfare Center zuidwaarts naar Silver Strand State Park. Het leek wel of we naar Mexico roeiden, maar het was maar 10 km. Roeien, in slaap vallen, roeien, in slaap vallen… Plotseling schreeuwde Bobby: ‘Aahh!’ en begon hij op de bodem van de boot te slaan.
‘Verdomme, wat is er?’ vroeg ik.
‘Een slang!’ riep Bobby.
We hielpen hem de slang dood te slaan. ‘Een slang!’
Een van ons hield op. ‘Het is het boegtouw.’ We stonden op het touw te meppen waarmee je de voorkant van de boot aan de wal vastmaakt.
We keken allemaal naar het touw en kwamen weer bij zinnen.
Vijf minuten later riep Mike: ‘Aahh!’
‘Is die slang er weer?’ vroeg ik.
De lucht gloeide van de stadsverlichting. ‘Ik zag daarnet het gezicht van mijn vader in de wolken,’ zei Mike.
Ik keek omhoog en inderdaad hing daar het gezicht van zijn vader in de wolken. Ik had zijn vader nog nooit gezien en wist niet hoe hij eruit zag, maar ik zag het gezicht van Mike’s vader in de wolken.
Een andere jongen in onze groep, Randy Clendening, was kaal. Overal: hoofd, wenkbrauwen, wimpers, oksels, balzak – als een slang. Als kind had hij een keer een paar rode bessen gegeten waarna hij zo’n hoge koorts had gekregen dat al zijn haarfollikels waren afgestorven. (Toen hij bij SEAL Team Two terechtkwam, noemde iemand hem Kemo – een afkorting voor chemotherapie. Die bijnaam beklijfde.) Tijdens Hell Week liep hij voortdurend te hijgen en te proesten.
‘Gaat het, Randy?’ vroeg ik.
‘De instructeurs hebben me net verteld dat ik een vieze carburator heb.’
‘Jeetje, dat moet vervelend zijn, een vieze carburator.’ Het kwam niet bij me op dat Randy vocht in zijn longen had. De instructeurs overwogen hem over te plaatsen naar een lagere groep, zodat hij kon herstellen, maar dat zou betekenen dat hij Hell Week nog een keer moest doen – en we waren zo dicht bij de finish.
Op vrijdag moesten we in de felle branding staan. In de ijskoude zee stonden we met ons gezicht naar de horizon, onze armen in elkaar gehaakt om niet uit elkaar gedreven te worden. Instructeur Stoneclam stond op het strand tegen onze ruggen te praten. ‘Dit is de zwakste groep die we ooit hebben gezien. Jullie hebben niet eens de officieren in jullie groep kunnen behouden.’ Officieren en gewone soldaten trainen bij BUD/s met elkaar. ‘Jullie hebben ze niet geholpen. Jullie hebben ze niet gedekt. Het is jullie schuld dat er geen officieren meer zijn. Bij deze laatste exercitie hadden jullie de langzaamste tijd in de geschiedenis. We hebben net toestemming gekregen van kapitein Bailey om Hell Week met een dag te verlengen.’
Ik keek naar mijn zwemmaatje Rodney. Hij leek hetzelfde te denken als ik: Godverdomme, nóg een dag. Goed dan, jullie zijn nu al zo lang met ons aan het kloten, er kan nog wel een dag bij.
Iemand anders, ik weet niet meer wie, wilde niet nog een dag. Hij gooide liever de handdoek in de ring. Gelukkig was dat niet nodig.
‘Draai je om en kijk me aan als ik tegen jullie praat!’ zei instructeur Stoneclam.
Als een peloton zombies maakten we rechtsomkeert.
Daar stond onze commandant, kapitein Larry Bailey. Hij had een van de eerste pelotons van SEAL Team Two in Vietnam geleid. Hij had ook geholpen bij de ontwikkeling van de SEAL Team Assault Boat die in Vietnam werd gebruikt. ‘Gefeliciteerd, mannen. Jullie hebben Hell Week volbracht.’
Sommige jongens begonnen te springen van blijdschap – bij mij deed alles daarvoor te veel pijn. Randy Clendening huilde van opluchting; hij had het gehaald met een longontsteking. Ik stond daas om me heen te kijken. Wat doe ik hier? Waar is iedereen gebleven, dacht ik. We waren begonnen met tien of twaalf boten met teams die uit zes tot acht mannen bestonden. Nu hadden we nog maar vier of vijf bemanningen over. Waarom zijn die jongens met Hell Week begonnen als ze wisten dat ze dit niet wilden? Ze wisten niet dat ze het niet wilden.
Medische assistenten namen Randy meteen mee naar de ziekenboeg om hem aan de beademing te leggen. Ze onderzochten de rest van ons. Sommige jongens hadden huidontstekingen – de infecties waren vanuit hun wonden diep de huid in gedrongen. Anderen hadden hun bekkenbanden en de gewrichtsbanden van hun heupen en knieën beschadigd. Sommigen hadden een lopersknie. Allemaal waren we opgezwollen. De arts bukte zich en kneep in mijn kuiten. Toen hij zijn handen weghaalde, zag ik de afdruk van zijn vingers in mijn been staan. Ze onderzochten ons ook op ‘vleesetende bacteriën’ (eigenlijk eet de bacterie geen vlees maar scheidt ze giftige stoffen uit die huid en spieren vernietigen). Omdat we van top tot teen onder de wonden zaten, waren we een feestmaal voor deze dodelijke bacterie.
Ik douchte en nam een energiedrankje. Op mijn bed in de barak lag mijn bruine T-shirt. Een vriend had het me gegeven ter ere van het einde van Hell Week. We kochten ons eigen ondergoed met het kleedgeld dat we kregen, maar alleen de jongens die Hell Week hadden volbracht mochten bruine T-shirts dragen. Ik was dolgelukkig dat ik het had bemachtigd. Ik ging liggen en viel in slaap. Terwijl we sliepen, werden we in de gaten gehouden om te voorkomen dat we door de vermoeidheid onze tong inslikten, in ons speeksel stikten of simpelweg ophielden met ademhalen.
De volgende dag rolde ik naar de rand van mijn bed en sprong naar beneden, zoals ik gewend was, maar mijn benen deden het niet. Ik klapte met mijn gezicht op de grond en had een bloedneus en een open lip. Ik probeerde een collect call naar Laura te maken om haar te laten weten dat ik Hell Week had overleefd, maar toen de telefoniste aan de lijn kwam, had ik geen stem. Het duurde een paar uur voordat ik weer kon praten.
Een chauffeur bracht ons in een busje naar de kantine. We werden uit het busje geholpen en hobbelden naar binnen, waar alle ogen op ons gericht leken te zijn. Wij waren de mannen die zojuist ‘de Week’ hadden overleefd. Het was de koudste week in 23 jaar geweest; het had zelfs even gehageld. Tijdens het eten keek ik naar de tafels waar de jongens zaten die tijdens Hell Week waren afgevallen. Ze vermeden oogcontact.
Ik had een van hen gesmeekt niet de bel te luiden, maar hij liet Mike en mij toch in de steek, waardoor we de boot met z’n tweeën hadden moeten tillen. Je had op z’n minst kunnen wachten tot we die boot weer naar de barak hadden gebracht, dacht ik. Hij kwam naar mijn tafel. ‘Het spijt me, man. Ik weet dat ik jullie in de steek heb gelaten, maar ik kon gewoon niet meer.’
Ik hief mijn ogen op en keek hem aan: ‘Donder op.’
De training kwam langzaam weer op gang. We begonnen met een heleboel stretchoefeningen en daarna steeg het tempo. Tijdslimieten werden krapper, afstanden groter. We moesten vaker zwemmen, hardlopen en de O-course afleggen. Ook onze kennis werd getest. Voor Hell Week hadden we ons beziggehouden met onderwerpen als EHBO en boten besturen. Nu richtten we ons op hydrografische metingen. Gewone soldaten, zoals ik, moesten 70 procent of hoger scoren. En voor officieren – die wij niet meer hadden – gold een minimumscore van 80 procent.
En er was een nieuwe fysieke test: 50 meter onder water zwemmen. Bij het zwembad zei instructeur Stoneclam: ‘Jullie moeten allemaal 50 meter onder water zwemmen. Je gaat met een koprol het water in – dus niemand begint met een duik –, je zwemt 25 meter naar de overkant. Tikt daar aan en zwemt 25 meter terug. Als je op enig moment boven komt, heb je de test niet gehaald. Denk eraan dat je dicht bij de bodem blijft; de extra druk op je longen helpt je je adem langer in te houden, zodat je verder komt.’
Ik ging bij het tweede groepje van vier staan. We moedigden het eerste groepje aan. ‘Op naar de black-out,’ riepen sommigen van ons. Dat was een nieuwe manier van denken die onze toekomstige activiteiten zou beïnvloeden – het lichaam tot de rand van bewusteloosheid brengen.
Toen ik aan de beurt was, begon ik te hyperventileren om het kooldioxidegehalte in mijn lichaam op te voeren en zo de drang om adem te halen te verminderen. Bij de koprol vanaf de kant ontsnapte er wat lucht. Ik oriënteerde me en zwom zo laag ik kon. Ik bereikte de andere kant en bij het keren raakte mijn voet de muur, maar het lukte me niet om me goed af te zetten.
Ik begon te kokhalzen omdat mijn longen naar zuurstof snakten. Op naar de black-out, ging het door mijn hoofd. Ik zwom zo snel ik kon, maar mijn lichaam vertraagde. De randen van mijn blikveld werden grijs en uiteindelijk keek ik door een zwarte tunnel naar mijn bestemming. Toen ik merkte dat ik het bewustzijn begon te verliezen, voelde ik me eigenlijk heel vredig. Zo ik al gedachten aan verdrinken had gekoesterd, waren die nu verdwenen. Ik probeerde me op de muur te concentreren. Eindelijk raakte mijn hand hem aan. Instructeur Stoneclam greep me bij de tailleband van mijn zwembroek en hielp me het water uit. Ik was geslaagd. Niet iedereen had dat geluk. Twee jongens haalden het ook bij de herkansing niet en ze werden weggestuurd. (Nota bene: ga onder water zwemmen of je adem inhouden thuis niet oefenen, want je kunt er dood aan gaan!)
Een andere belangrijke nieuwe exercitie na Hell Week was knopen leggen onder water. Gekleed in niets anders dan de onderbroek van ons gevechtstenue, klom mijn groep via de buitentrap naar de top van de duiktoren en gingen naar binnen. Daar liet ik me in het warme water zakken. Het was 15 meter diep. Ik moest duiken tot 4,5 meter diepte en vervolgens vijf knopen leggen: schootsteek, paalsteek, mastworp, mastworp met voorslag en platte knoop. Een paar van deze knopen zouden we moeten gebruiken voor explosieven. De schootsteek en de platte knoop kun je bijvoorbeeld gebruiken om het einde van een detonatiekoord ergens aan vast te maken. We hadden deze knopen geoefend in de paar pauzes die we hadden, dus leverden ze op zich geen probleem op. Maar dit was de eerste keer dat ik het 4,5 meter onder water moest doen.
We mochten kiezen: vijf keer duiken en per keer een knoop leggen – maar vijf keer duiken leek mij te vermoeiend –, een keer duiken en vijf knopen tegelijk leggen – ik verwachtte niet dat mijn longen dat zouden aankunnen –, of elke andere combinatie die we wilden. Ik begroette instructeur Stoneclam, die een duikpak aan had. ‘Verzoek om toestemming de schootsteek, paalsteek en mastworp te leggen.’ Hij stak zijn duim naar beneden ten teken dat hij toestemming gaf om te duiken. Ik herhaalde zijn gebaar om duidelijk te maken dat ik hem had begrepen. Stoneclam gaf nog een keer hetzelfde teken en ik dook naar 4,5 diepte, waar ik de knopen moest leggen aan een lijn die aan de muren was bevestigd. Ik legde de drie knopen en gaf de instructeur het oke-teken dat ik klaar was. Hij controleerde de knopen en gaf mij het oke-teken. Ik maakte de knopen los en stak mijn duimen op. Hij reageerde door zelf zijn duimen op te steken, wat betekende dat ik naar boven mocht.
Ik dook nog een keer, legde de laatste twee knopen en gaf de instructeur het oké-teken. Hij keek niet eens naar de knopen, maar staarde me recht aan. Ik zag dat hij het me lastig ging maken. Ik stak mijn duimen op om toestemming te vragen op te stijgen, maar hij bleef me aanstaren. Ik voelde de druk van het water op mijn borst en mijn lichaam snakte naar lucht. Ik wist wat hij wilde, en ik was niet van plan hem zijn zin te geven. De SEAL instructeurs hadden me goed getraind. Ik kan zelf opstijgen of je kunt mij naar boven brengen als ik bewusteloos ben. Wat je wilt. Hij glimlachte en voordat ik in de buurt kwam van bewusteloosheid, gebaarde hij dat ik naar boven mocht. Ik wilde het liefst als een raket naar boven schieten, maar ik mocht geen blijk geven van paniek, en bovendien is zo snel opstijgen niet tactisch. Dus ging ik zo langzaam mogelijk. Geslaagd. Dat gold niet voor al mijn groepsgenoten, maar zij zouden een tweede kans krijgen.
In de Tweede Fase richtten we ons op oorlogvoering op het land. We leerden geheime infiltratie, wachtposten uitschakelen, omgaan met agenten en gidsen, informatie vergaren, een vijand ontvoeren, opsporingsacties uitvoeren, omgaan met gevangenen, schieten, voorwerpen opblazen enzovoort. Als kind had ik geleerd op de details te letten – door ervoor te zorgen dat er niet één pecannoot meer lag als mijn vader thuiskwam, voorkwam ik een pak op mijn donder. Met diezelfde aandacht voor details kon ik nu voorkomen dat ik in mijn donder werd geschoten of werd opgeblazen. Mijn aandacht voor details is er de oorzaak van dat ik nooit problemen heb met mijn parachute.
Wij werden de eerste bewoners van de nieuwe kazerne, vlak bij het strand van de peperdure Coronado-appartementen. Op een zaterdagmiddag zat ik in mijn kamer mijn junglekisten te poetsen met Calisto, een van de twee Peruaanse officieren die in onze groep de BUD/s-training volgden. Zij beschikten over ons trainingsschema, compleet met dagen en tijden. Allebei hadden ze in Peru de BUD/s-training doorlopen, die bijna identiek was aan onze training. Calisto en zijn kameraad waren al bijna tien jaar werkzaam als SEAL’s en hadden ook echte missies meegemaakt. Ze konden ons veel vertellen over de training.
Ik vroeg hem: ‘Als je al een Peruaanse SEAL bent, waarom doe je dit dan nog een keer?’
‘Moet hierheen voor SEAL-instructeur in Peru worden.’
‘Ik begrijp het, dan krijg je meer respect en zo…’
‘Niet respect. Geld.’ Zijn gezin was met hem meegekomen en hij bracht de weekenden bij hen door in een appartement in de stad. Ze kochten een heleboel spijkerbroeken en stuurden die naar huis. Hij legde uit dat het geld dat hij zou verdienen hun leven zou veranderen.
Zij waren de enige officieren die nog over waren in onze groep, maar omdat ze geen Amerikaanse staatsburgers waren, mochten ze ons niet leiden. Mike H., die onderofficier was, leidde de groep. Hij en ik hadden dezelfde rang, maar hij was ouder dan ik. We hadden geen ‘taarteters’ (marineofficieren) in ons midden. Dat beviel de dienstplichtige instructeurs wel.
Op het eiland San Clemente, eigendom van de Amerikaanse marine, had ik de leiding over mijn groep. Op een keer leidde ik die naar het verkeerde doelwit. De volgende keer nam Calisto de leiding, die uitblonk in navigatie op het land. We overvielen de instructeurs toen ze rond het kampvuur zaten te ouwehoeren. We waren zo snel dat ze niet eens tijd hadden om hun M60’s te pakken. Ze waren niet blij. De instructeurs veranderden onze exfiltratieroute: hij liep nu door een cactusveld. Naderhand moest de hospik met een tang de naalden uit onze benen trekken.
Tijdens de debriefing legden de instructeurs uit: ‘Het spijt ons dat jullie langs een andere weg moesten, maar de exfiltratieroute was niet meer veilig.’ De instructeurs trokken altijd aan het langste eind.
Op de even dagen moesten we voor iedere maaltijd een stuk hardlopen. Op de oneven dagen moesten we ons voor iedere maaltijd negentien keer optrekken. Maar een van die dagen moesten we ons twintig keer optrekken in plaats van negentien. Blijkbaar had ik een hersenscheet in mijn kop, want na negentien keer optrekken sprong ik van de rekstok.
‘Wasdin, waar denk je dat je mee bezig bent?’ vroeg een instructeur.
‘Dat waren er maar negentien.’
Ik begreep niet wat hij bedoelde.
‘Je moet je twintig keer optrekken. Om er zeker van te zijn dat je tot twintig kunt tellen, wil ik dat je je twintig keer opdrukt.’
Ik deed twintig push-ups.
‘En nu terug naar de rekstok en trek je twintig keer op.’
Dat zat er niet in. Ik wist er misschien vier of vijf uit te persen voordat mijn armen het opgaven.
‘Pak je MRE en ga de branding in.’
In de koude oceaan moest ik mijn koude MRE (Meal Ready to Eat) eten. Randy Clendening en een paar anderen kwamen erbij. We trilden als jonge hondjes.
Randy had een glimlach op zijn gezicht.
‘Wat valt er in godsnaam te lachen?’ vroeg ik. ‘We zitten tot aan onze tepels in ijskoud water onopgewarmde MRE’s te eten.’
‘Probeer dit maar eens iedere dag.’ Randy was bij het hardlopen altijd binnen de tijd, maar ging de mist in bij het optrekken. Om de dag zat hij tot aan zijn borst in de oceaan zijn koude MRE’s te eten – ontbijt, lunch en diner. Hij was nog gemotiveerder dan ik.
Vanaf dat moment bracht ik mezelf in gevaar door op de oneven dagen eten voor hem de barak in te smokkelen. Ook de andere jongens gaven hem stiekem eten. Ik had groot respect voor jongens als Randy, die harder werken dan wie dan ook en met pijn en moeite de BUD/s-training voltooien. Meer respect dan voor de gazellen die altijd vooraan rennen, meer dan voor de vissen die altijd voorop zwemmen, meer dan voor de apen die zich met gemak door de O-course slingeren – deze underdogs waren de echte bikkels.
Een van de beroemdste underdogs was Thomas Norris, uit groep 45 van BUD/s. Norris wilde bij de FBI maar werd in plaats daarvan opgeroepen door het leger. Hij ging bij de marine om piloot te worden, maar zijn ogen waren niet goed genoeg. Daarom meldde hij zich vrijwillig aan voor de SEAL-training, waar hij vaak achterbleef bij het hardlopen en het zwemmen. De instructeurs overwogen hem weg te sturen. Norris gaf niet op en werd een SEAL in Team Two.
In Vietnam stortte in april 1972 een verkenningsvliegtuig neer in vijandelijk gebied, waar meer dan 30.000 soldaten van het Noord-Vietnamese leger (NVA, North Vietnamese Army) bezig waren met de voorbereiding van een paasoffensief. Slechts een bemanningslid overleefde het. Dat was het startsein voor de duurste reddingsoperatie in de Vietnamoorlog, waarbij veertien mensen sneuvelden, acht vliegtuigen neerstortten, twee leden van de reddingsploegen gevangen werden genomen en twee andere leden in vijandelijk gebied strandden. Er werd besloten dat redding via de lucht onmogelijk was.
Luitenant Norris leidde een patrouille van vijf Vietnamese SEAL’s. Hij wist een van de gestrande mannen op te sporen en naar de Forward Operating Base (FOB) te brengen, de uitvalsbasis. Als vergelding voerde het Noord-Vietnamese leger een raketaanval uit op de FOB, waarbij twee van de SEAL’s en nog een paar mannen sneuvelden.
Norris en zijn drie overgebleven Vietnamese SEAL’s ondernamen een vergeefse poging de piloot van het verkenningsvliegtuig te redden. Omdat het een onmogelijke opgave leek, weigerden twee van zijn SEAL’s mee te werken aan een volgende reddingspoging. Norris besloot met SEAL Nguyen Van Kiet nog een poging te wagen – opnieuw mislukte de actie.
Op 12 april, ongeveer tien dagen nadat het vliegtuig was neergeschoten, kreeg Norris informatie over de locatie van de piloot. Hij en Kiet vermomden zich als vissers en roeiden met hun sampan door de mist van de nacht de rivier op. Bij zonsopkomst vonden ze de piloot op de rivieroever, verscholen onder het gebladerte. Ze hielpen hem de boot in en bedekten hem met bamboe en bananenbladeren. Ze werden gezien door een groep vijandelijke soldaten op het land, maar voordat zij zich een weg hadden gebaand door de jungle, waren Norris en zijn SEAL al weg geroeid. Toen het trio in de buurt van de FOB kwam, werden ze opgemerkt door een NVA-patrouille, die hen onmiddellijk zwaar onder vuur nam. Norris vroeg om luchtsteun, die de vijandelijke soldaten moest tegenhouden, en een rookgordijn om ze te verblinden. Norris en Kiet namen de piloot mee naar de FOB, waar Norris hem eerste hulp bood, zodat hij kon worden geevacueerd. Luitenant Thomas Norris kreeg de Medal of Honor. Kiet kreeg het Navy Cross, de hoogste onderscheiding die de marine aan een buitenlander kan geven. Maar het verhaal van Norris was nog niet ten einde.
Een maand of zes later stond hij weer oog in oog met het gevaar. Luitenant Norris koos onderofficier Michael Thornton (SEAL Team One) uit voor een missie. Thornton wilde twee Vietnamese SEAL’s mee, Dang en Quan. Er werd ook een wat onbetrouwbare Vietnamese officier aan het team toegewezen, die Tai heette. Ze trokken zwarte pyjama’s aan, net als de VC, en namen AK-47’s en een heleboel patronen mee. Het team voer met een jonk van de Zuid-Vietnamese marine (er waren geen schepen van de Amerikaanse marine beschikbaar) de Zuid-Chinese Zee op, ging met een rubberboot aan land en voerde een patrouille uit om informatie te verzamelen. Norris ging voorop, Thornton sloot de rij en de Vietnamese SEAL’s liepen tussen hen in. De jonk had ze te ver naar het noorden gebracht, en onderweg drong het tot hen door dat ze in Noord-Vietnam zaten. Toen ze in positie lagen, gaf de Vietnamese SEAL-officier, zonder overleg met Norris of Thornton en zonder degelijke voorbereiding, de twee Vietnamese SEAL’s het bevel twee patrouillerende vijandelijke soldaten gevangen te nemen. De Vietnamese SEAL’s raakten met de twee in gevecht.
Thornton rende ernaartoe en sloeg met de kolf van zijn geweer een van de twee soldaten bewusteloos om te voorkomen dat hij het nabijgelegen dorp kon waarschuwen. De ander ontsnapte en waarschuwde een peloton van ongeveer zestig Noord-Vietnamese soldaten. Thornton zei: ‘We zitten in de nesten.’ De SEAL’s boeiden de bewusteloze soldaat en toen hij bijkwam, ondervroeg Dang hem.
Norris en Dang namen de naderende vijand onder vuur. Tussen het schieten door vroeg Norris via de radio op de rug van Dang om vuursteun. Hij meldde de coördinaten, posities, het soort artillerie dat gewenst was enzovoort. De verantwoordelijke marineman (wiens schip ook onder vuur lag in een ander gevecht) leek nieuw te zijn en was niet bekend met vuursteun voor grondtroepen. Norris legde de hoorn neer om te kunnen schieten. Toen hij hem weer oppakte, bleek hij te zijn doorverbonden met een ander schip, dat ook onder vuur lag – en niet in staat was hulp te bieden. Al schietend begonnen Norris en Dang zich terug te trekken.
Thornton zette de Vietnamese luitenant in de achterste positie; Dang en hijzelf bewaakten de flanken. Thornton schoot een aantal soldaten van het NVA neer, zocht dekking, kwam op een andere plaats weer tevoorschijn en schoot er nog een paar neer. Thornton wist dat de vijand iedere keer op dezelfde plaats zou opduiken, maar zij wisten niet waar Thornton zou opduiken of hoeveel mannen hij bij zich had. Achteruit lopend schoot Thornton door de zandduin waar de vijanden zaten weggedoken, en schakelde ze uit.
Na een gevecht van ongeveer vijf uur kreeg Norris contact met een schip dat bijstand kon bieden, de Newport News.
De vijand gooide een granaat van Chinese makelij naar Thornton. Thornton gooide hem terug. De vijand gooide dezelfde granaat nog een keer. Thornton gooide hem terug. Toen de granaat opnieuw terugkwam, dook Thornton weg. De granaat ontplofte en zes scherven boorden zich in zijn rug. Hij hoorde Norris roepen: ‘He, Mike, Mike!’ Thornton hield zich dood. Toen er vier vijandelijke soldaten naar hem toe kwamen gerend, schoot hij ze allemaal neer – twee vielen er boven op hem en de andere twee vielen achterover. ‘Niks aan de hand!’ riep Thornton. ‘Een paar scherfjes!’
De vijand was opeens stil. Ze hadden nu de hulp van het 283ste NVA-bataljon en probeerden de SEAL’s te omsingelen.
De SEAL’s trokken zich sprongsgewijs terug. Terwijl Norris dekking gaf, trokken Thornton, Quan en Tai zich terug. Daarna deden Thornton en zijn team hetzelfde terwijl Norris en Dang zich terugtrokken. Norris had juist een licht antitankwapen (LAW) schietklaar gemaakt toen hij door een AK-47 van de NVA in het gezicht werd geschoten. Hij viel van een zandduin, probeerde overeind te komen om terug te schieten, maar verloor het bewustzijn.
Dang rende naar Thornton. Twee kogels troffen de radio die Dang op zijn rug droeg.
‘Waar is Tommy?’ vroeg Thornton.
‘Hij dood.’
‘Weet je het zeker?’
‘In hoofd geschoten.’
‘Weet je het zeker?’
‘Zag hem vallen.’
‘Blijf hier. Ik ga Tommy halen.’
‘Nee, Mike. Hij dood, NVA komt.’
‘Jullie blijven allemaal hier.’ Thornton rende door een regen van vijandelijke kogels 450 meter naar de plek waar Norris lag. Er liepen een paar NVA-soldaten naar het lichaam van Norris toe. Thornton maaide ze neer. Toen hij bij Norris kwam, zag hij dat de kogel aan de zijkant het hoofd van Norris was binnengedrongen en er aan de voorkant weer uit was geschoten. Hij was dood. Thornton gooide het lichaam over zijn schouders, in de brandweergreep, en pakte de AK van Norris. Hij had al acht granaten en al zijn LAW-raketten gebruikt. Hij had nog maar een of twee magazijnen met munitie over. Het zag ernaar uit dat ook voor hem het einde nabij was.
Plotseling flitste de eerste granaat van de Newport News als een mini-Volkswagen door de lucht. Door de kracht van de explosie viel Thornton van een IO meter hoge duin af. Het lichaam van Norris schoot over Thornton heen. Hij kwam overeind en liep naar Norris om hem weer op te pakken.
‘He, Mike,’ zei Norris.
‘Godverdomme, klootzak. Je leeft nog!’
Thornton voelde een nieuwe golf van energie, pakte Norris op, legde hem over zijn schouders en begon te rennen. Dang en Quan gaven dekking.
Het artillerievuur van de Newport News had ze wat extra tijd gegeven, maar nu was die tijd op. De vijandelijke kogels vlogen de SEAL’s weer om de oren.
Thornton bereikte Dang en Quan. ‘Waar is Tai?’
Toen Thornton was teruggegaan om Norris te halen, was de onbetrouwbare Vietnamese luitenant in het water verdwenen.
Thornton keek de twee Vietnamese SEAL’s aan. ‘Als ik “één” roep, geeft Quan dekking. Als ik “twee” roep geeft Dang dekking en op “drie” geef ik dekking. Zo gaan we sprongsgewijs naar het water.’
Toen Thornton al schietend en zich terugtrekkend de oever bereikte, viel hij neer, maar hij had niet door dat hij door zijn linkerkuit was geschoten. Hij pakte Norris op en droeg hem onder zijn arm mee. Eenmaal in het water begon Norris te spartelen: hij lag met zijn hoofd onder water. Thornton bracht het hoofd van zijn vriend boven water. Norris had zijn zwemvest aan zijn been gebonden, een vast gebruik in Team Two. Dus pakte Thornton zijn eigen vest, deed het Norris om en gebruikte het om hen beiden drijvend te houden.
Quan maaide met zijn armen door het water: de rechterkant van zijn heup was weggeschoten. Thornton greep hem vast en zorgde ervoor dat hij zich kon vasthouden aan Norris’ vest. Dang kwam te hulp, en zo zwommen ze trappend met hun benen de zee in. Thornton zag de kogels door het water Schieten en hij bad in stilte: Lieve Heer, zorg alstublieft dat ik niet geraakt word.
Norris kwam bij kennis. Hij zag de Vietnamese officier niet. ‘Is iedereen er?’ Hij drukte zich omhoog – waarbij hij Thornton onder water duwde –, zag de Vietnamese officier, die ver voor hen in zee zwom, en verloor weer het bewustzijn.
Toen ze buiten bereik van de vijand waren, zagen Thornton en de twee Vietnamese SEAL’s de Newport News. En toen zagen ze het schip wegvaren, ongetwijfeld ervan overtuigd dat de SEAL’s dood waren.
‘We zwemmen naar het zuiden,’ zei Thornton. Hij bracht twee snelverbanden aan op het hoofd van Norris, maar ze bedekten niet de hele wond. Norris raakte in shock.
Een ander SEAL-team, dat in een jonk op zoek was naar hun kameraden, vond de Vietnamese luitenant en ondervroeg hem. Daarna vonden ze Thornton, Norris, Dang en Quan. Thornton maakte radiocontact met de Newport News en vroeg het schip hen op te pikken.
Eenmaal aan boord van het schip droeg Thornton Norris naar de ziekenboeg. Het medische team lapte Norris zo goed mogelijk op, maar de artsen zeiden: ‘Die haalt het niet.’
Norris werd naar Da Nang gebracht en vandaar naar de Filippijnen gevlogen.
Voor zijn daden kreeg Thornton de Medal of Honor. Dat was de enige keer dat een Medal of Honor-drager een andere Medal of Honor-drager heeft gered. Jaren later hielp Thornton bij de oprichting van Team Six en was hij een van de leidinggevenden.
Tegen de verwachting van de artsen in bleef Norris in leven. Hij werd overgebracht naar het marinehospitaal in Bethesda, Maryland. In de volgende paar jaar moest hij een aantal ingrijpende operaties ondergaan, want hij miste een stuk van zijn schedel en een oog. De marine stuurde Norris met pensioen, maar ‘gisteren was de enige gemakkelijke dag’. Norris keerde terug naar zijn jongensdroom: FBI-agent worden. In 1979 vroeg hij om een vrijstellingsregeling vanwege zijn handicap. FBI-directeur William Webster zei: ‘Als je slaagt voor de tests die alle andere sollicitanten moeten doen, zorg ik voor die vrijstelling.’ Natuurlijk slaagde Norris.
Later, toen hij voor de FBI werkte, wilde hij lid worden van het nieuwe Hostage Rescue Team (HRT) van de FBI, een team dat zou worden ingezet voor de bevrijding van gijzelaars, maar de cententellers en pennenlikkers wilden geen man met één oog in het team. Danny Coulson, oprichter van het hrt, zei: ‘Als hij wordt toegelaten, moeten we misschien nog een Medal of Honor-drager met één oog zoeken, maar dat risico neem ik op de koop toe.’ Norris kreeg de leiding over een aanvalsteam. Na twintig jaar bij de FBI ging hij met pensioen. Bij de BUD/s-training was hij altijd de laatste bij het hardlopen en het zwemmen en toen hij naar de FBI-academie ging, had hij maar één oog, maar hij had vuur in zijn donder.
Sommige legendes komen ook de BUD/s-rekruten ter ore, maar het verhaal van Norris vernam ik pas nadat ik een SEAL was geworden. In zo’n kleine, hechte gemeenschap gaan verhalen over SEAL’s, positief dan wel negatief, als een lopend vuurtje rond. Je begint al met het vestigen van je reputatie bij BUD/s. Norris bleef de underdog gedurende zijn hele carrière bij de SEAL Teams en de FBI. Nu moest ik mijn eigen reputatie vestigen.
Bij een van onze hardlooptrainingen, halverwege onze periode op het eiland, renden we achter een truck aan waar muziek uit kwam. Ik zag een beeld van mezelf met het embleem van de drietand van de SEAL’s op mijn borst. Of ik ga naar huis in een doodskist of met de drietand op mijn borst. Ik maak hoe dan ook deze training af, dacht ik toen. Ik had het gevoel dat een visioen zich aan mij openbaarde. Het was de eerste en enige keer dat ik een runner’s high bereikte. Sommige jongens overkomt dat heel vaak. Voor mij bleef het hardlopen een kwelling.
In de derde trainingsfase, de duikfase, leerden we navigeren onder water en technieken om schepen te saboteren. Een paar van mijn groepsgenoten hadden moeite met de fysiologische aspecten van het duiken en met pool competency, waarin je leert in het water te overleven onder extreme omstandigheden. Ik was niet goed in vijf minuten watertrappen met zuurstoftanks op de rug, waarbij we onze vingers boven water moesten houden. De instructeurs riepen steeds: ‘Steek die andere vinger omhoog, Wasdin!’ En dat deed ik.
BUD/s leert ons erop te vertrouwen dat we de missie kunnen volbrengen – en nooit op te geven. Geen enkele SEAL is ooit krijgsgevangene geweest. Het enige waarin we bij BUD/s expliciet worden getraind, is op elkaar passen – niemand achterlaten. Een groot deel van de tactische training wordt besteed aan terugtrekkingsacties, ontsnappingen en omtrekkende bewegingen. We maken onszelf mentaal sterker door zo vaak te trainen dat onze spieren automatisch reageren – en nu ik erop terugkijk, besef ik dat mijn mentale krachttraining al op jonge leeftijd was begonnen. We leren bijzonder nauwkeurig te plannen, en dat blijkt uit onze briefings. Van alle eenheden van de landmacht, marine, luchtmacht en mariniers heb ik alleen Delta Force net zulke goede briefings zien houden als wij.
De rotsvaste overtuiging van een SEAL dat zijn missie zal slagen, overwint interne en externe obstakels die anderszins zijn succes in de weg zouden staan. Wij SEAL’s denken vaak dat we onsterfelijk zijn. We blijven altijd optimistisch. Ook als de vijand in de meerderheid is wat betreft man- en vuurkracht, denken we nog steeds dat we kans maken het er levend vanaf te brengen – en op tijd thuis te zijn voor het eten.
Maar soms kan een SEAL de weg naar Moedertje Zee niet meer terugvinden en moet hij kiezen tussen vechten tot de dood of overgave. Veel dappere strijders kiezen ervoor zich over te geven, zodat ze misschien de kans krijgen verder te vechten. SEALS hebben veel respect voor die krijgsgevangenen. Maar voor ons SEAL’s is overgave hetzelfde als opgave, en opgave is geen optie. Ik zou niet door de vijand als troef willen worden ingezet bij onderhandelingen met de Verenigde Staten. Ik zou niet in een kooi willen verhongeren of de kans lopen dat mijn hoofd wordt afgehakt voor een video die op internet aan de hele wereld wordt getoond. Mijn instelling is: als de vijand me wil doden, moet hij dat nu doen. Wij hebben een bloedhekel aan de dictatortjes die macht over ons willen uitoefenen – SEAL’s staan aan het roer van hun eigen lot. Onze wereld is een meritocratie waaruit we kunnen vertrekken wanneer we maar willen. Onze missies zijn vrijwillig; ik kan niet een missie bedenken waarbij dat niet zo was. We hebben een ongeschreven code: je kunt beter met een knal de dood ingaan dan wegkwijnen – en met onze laatste ademstoot nemen we zo veel mogelijk vijanden met ons mee.
Laura en Blake, die nog maar een peuter was, kwamen naar me toe voor de diploma-uitreiking. Blake luidde de bel voor me. Ik zei tegen hem: ‘Nu hoef je nooit naar BUD/s, want je hebt de bel al geluid.’ Als tiener zou hij een SEAL willen worden, maar dat zou ik hem uit het hoofd praten. Een paar mensen in mijn geboorteplaats zouden kinderen krijgen die de BUD/s-training wilden doen, maar ik zou ze allemaal ompraten. Als ik het iemand uit zijn hoofd kan praten, bespaar ik hem een hoop tijd, want dan wilde hij het niet echt. Als ik het diegene niet uit zijn hoofd kan praten, wil hij het misschien wel echt.
Na BUD/s gingen we rechtstreeks naar de paratraining in Fort Benning, Georgia, waar de luchtmacht- en infanterieopleidingen gevestigd waren. Het was die zomer zo heet dat ze ons twee of drie keer per dag onder de sprinklers door moesten laten lopen om ons af te koelen. Toch vielen er nog mensen uit met een zonnesteek of uitputting door de hitte. Sommigen dachten dat dit de zwaarste training was die er bestond. Ze dachten dat ze deel zouden gaan uitmaken van een elite-eenheid. Maar na BUD/s was de paratraining een makkie.
‘Dit stelt toch niets voor,’ zei ik. ‘Er zijn zelfs vrouwen die het volhouden.’ Ik had het gevoel dat wij hun twee weken ‘intensieve training’ in twee dagen hadden kunnen doen.
Volgens de regels mochten de instructeurs ons niet dwingen meer dan tien keer push-ups te doen. Een van onze instructeurs was een ‘goeie ouwe kerel’ die altijd een plukje pruimtabak in zijn mond had. Wij rekruten daagden hem altijd uit als hij meer push-ups wilde.
‘Tien keer, SEAL’s,’ riep hij.
We drukten ons tien keer op en kwamen weer overeind.
‘O nee.’ Hij spoog zijn tabak uit. ‘Veel te gemakkelijk.’
We lieten ons vallen en drukten ons nog eens tien keer op.
‘O nee. Veel te gemakkelijk.’
En we deden er nog tien.
’s Nachts hingen we tot laat in de kroeg. Voor ons was de parachutetraining een vakantie.
West Point liet zijn ouderejaars kiezen welke legeropleiding ze in de zomer wilden volgen. Sommige officierskandidaten kozen voor de paratraining. Twee of drie van hen poetsten onze laarzen als we ze verhalen over BUD/s vertelden. Ik voelde me een ster. Achteraf gezien is dat vreemd. Deze aanstaande officieren van de meest prestigieuze legeropleiding poetsten mijn onderofficierslaarzen in ruil voor mijn verhalen over BUD/s. Terwijl ik nog niet eens een SEAL was en nog nooit een echte missie had meegemaakt. De jongens van West Point hingen aan onze lippen. Al snel waren onze kamers te klein en moesten we uitwijken naar een andere ruimte, omdat er zoveel jongens waren die ons wilden horen.
Aan het einde van de paratraining hadden we vijf automatischeopeningsprongen gemaakt, waarbij de parachute automatisch opengaat bij het verlaten van het vliegtuig zonder dat je aan het touwtje moet trekken. Het was echt en we hadden lol – maar nu zou de echte lol beginnen.