2

Eén schot, één… misser?

Een jaar eerder was ik ingelijfd bij SEAL Team Six in Virginia Beach, Virginia. Als ik stand-by was, had ik mijn haar langer dan de regels van de marine voorschreven, zodat ik ogenblikkelijk kon vertrekken naar een andere plek op de wereld zonder herkenbaar te zijn als militair. Meestal was mijn gezicht gladgeschoren. Toen ik met SEAL Team Two in Noorwegen zat, had ik een baard, maar doorgaans had ik liever geen gezichtsbeharing.

In de periodes dat ik oproepbaar moest zijn, trainde ik in een gebouw dat het ‘Kill House’ werd genoemd. Daar oefenden we ons in antiterreuracties in verstedelijkt gebied en trainden onze schietvaardigheden.

Na een stand-byperiode volgden drie maanden individuele training, waarin we naar school gingen: Bill Rogers’ schietschool, rijles, een cursus vrij klimmen of waar we ons ook maar voor opgaven – het mooie van SEAL Team Six was dat ik bijna altijd de beste opleiding kon kiezen, waar dan ook. De trainingsfase was ook een goed moment om verlof te nemen, bijvoorbeeld voor een vakantie met het gezin – vooral voor degenen die terugkwamen na een verblijf het buitenland. Daarna kwamen we bij elkaar voor drie maanden teamtraining: duiken, parachutespringen en schieten – elk onderdeel van de training werd gevolgd door een simulatieoefening waarin een beroep werd gedaan op de vaardigheid die we zojuist hadden getraind.

Op een avond zat ik in pizzeria Ready Room (de pizzeria waarvoor Charlie Sheen en Michael Biehn buiten op de stoep ruzie stonden te maken in de film Navy seals) met Blake, mijn zoon van zeven, en een vrolijke beer van een kerel met de bijnaam Smudge (Smeer) over golf te praten. Op de achtergrond hoorden we een nummer van Def Leppard op de jukebox. We propten onze pizza’s naar binnen – pepperoni, saucijsjes en uien, mijn favoriet. Als ik stand-by was, mocht ik niet meer dan twee biertjes drinken. In SEAL Team Six namen we deze limiet heel serieus.

Wij dronken altijd Coors Light, bier met minder alcohol. Als we met elkaar onderweg waren, deden mijn teamgenoten en ik alsof we bij het skydivingteam van Coors Light hoorden – zo konden we uitleggen waarom er een groep van dertig gespierde, over het algemeen aantrekkelijke jongens met Teva-teenslippers, een korte broek, een halterhemdje en een Spyderco-mes met bevestigingsclip in het borstzakje de bar binnenkwam. Als wij binnen waren, gingen alle mannen altijd over op Coors Light. En daarna begonnen ook de vrouwen Coors Light te bestellen. Coors zou ons moeten sponsoren. De dekmantel werkte uitstekend, want als mensen ons vragen stelden over skydiving, konden we die allemaal beantwoorden – en ons verhaal was te raar om niet waar te zijn.

Om ongeveer 19.30 uur, toen ik nog bezig was met mijn pizza en Coors Light, ging mijn pieper: T-R-I-D-E-N-T-O-I-OI. We hadden een code die betekende: ga naar de SEAL Team Six-basis. Er was een code die me vertelde bij welke poort ik me moest melden. Deze code betekende dat ik rechtstreeks naar het vliegtuig moest.

Mijn tassen zouden aan boord op me wachten. Elke tas was met tape verzegeld en had een kleurcode die aangaf bij welke missie hij hoorde. Als ik de tassen verkeerd inpakte, zou ik niet de spullen bij me hebben die ik nodig had. Iemand was een keer de hoes vergeten die hij om zijn slaapzak moest doen om hem waterdicht te maken. Zijn nachtrust stelde niet veel voor.

Als we stand-by waren, hadden we één uur de tijd. Waar ik ook was, binnen die tijd moest ik bij het vliegtuig zien te komen, aan boord gaan en klaar gaan zitten voor de briefing. De tijd tikte weg. Blake en ik sprongen in de auto, een zilveren Pontiac Grand Am, en reden naar ons huis, verderop in de straat. Mijn vrouw Laura vroeg: ‘Waar ga je naartoe?’

Ik haalde mijn schouders op: ‘Geen idee.’

‘Is het voor het echt?’

‘Ik weet het niet. En als ik het wel wist, zou ik het je toch niet vertellen. Tot later.’

Dat was een van de vele nagels aan de doodskist van ons huwelijk: plotseling moeten vertrekken zonder te weten wanneer ik terugkwam. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Ik was meer met het team getrouwd dan met haar.

Smudge haalde me thuis op en bracht me naar de marinevliegbasis, Naval Air Station Oceana. Mijn blik gleed over de C-130 met zijn verduisterde raampjes. Sommige vliegtuigen hebben JATO-flessen (JATO staat voor Jet Assisted Take Off) waarmee ze ook van korte startbanen kunnen vertrekken en veel sneller kunnen opstijgen – dat kan goed van pas komen als er mensen op je staan te schieten. Als ik JATO-flessen had gezien, had ik geweten dat de bestemming weinig goeds beloofde. Maar dit keer zag ik er geen.

Ik stapte ruim voor mijn deadline van 20.30 uur aan boord. Er kwam geen daglicht naar binnen. Onder een rode lamp keek ik of mijn tassen er waren en of het de goede waren. Vervolgens prentte ik me in waar ze stonden, zodat ik wist waar ik naartoe moest als ik me klaar moest maken.

Drie SEAL-snipers voegden zich bij me: Casanova, Little Big Man en Sourpuss (Zuurpruim). De meeste jongens in de Teams hadden een bijnaam. Sommigen noemden mij Waz-man. Anderen hadden geprobeerd me Howie te noemen, maar dat beklijfde niet omdat ik er niet op reageerde. Soms krijgt iemand een bijnaam omdat hij iets ontzettend doms heeft gedaan – de naam Drippy (Druiper) krijg je niet voor niets. Of een moeilijke naam als Bryzinski verandert in Alphabet. Een vriend van mij uit Team Two werd Tripod (Driepoot) genoemd.

Casanova was mijn schietmaatje. Al sinds de snipertraining in Quantico, Virginia, trokken we met elkaar op. Hij was de rokkenjager van ons tweeën. Er kwamen meer slipjes op zijn lichaam terecht dan op een slaapkamertapijt. Little Big Man leed aan een ernstige vorm van het kleinemannetjescomplex. Dat is waarschijnlijk de reden dat hij altijd dat enorme survivalmes op zijn heup droeg. Iedereen plaagde hem: ‘Klein kereltje, groot mes.’ Sourpuss was de oudste. Hij had hoegenaamd geen persoonlijkheid – de enige in de groep die niet van lol trappen hield. Hij wilde alleen maar zo snel mogelijk terug naar huis, naar zijn ‘schatteboutje’, zijn vrouw, en hij toonde weinig interesse in de operaties of in ons doen en laten. En hij was voortdurend aan het klagen. Niemand van ons vond hem erg aardig.

We gingen dicht bij de cockpit voor een flip-over zitten. We zijn maar met z’n vieren. Waarschijnlijk een echte missie en geen oefening, dacht ik. Ik had de man die de briefing deed nog nooit gezien – het was iemand van de Joint Special Operations Command (JSOC), waar de Amerikaanse commando-eenheden onder vallen. Hij was heel zakelijk. Soms wordt er wat geginnegapt tijdens een briefing. De briefer maakt bijvoorbeeld een grap over de jongen met de zwakke blaas: ‘Oké, we gaan hier ongeveer 3 km patrouilleren. Hier zal Jimbo voor het eerst pissen. En hier zal Jimbo voor de tweede keer pissen…’ Maar dit keer waren er geen grappen. We waren muisstil.

Na de mislukte poging in 1980 om 52 Amerikaanse gijzelaars te bevrijden uit de Amerikaanse ambassade in Iran, werd duidelijk dat het leger, de marine, de luchtmacht en de mariniers niet effectief samenwerkten bij speciale operaties. In 1987 bracht het ministerie van Defensie de commando-eenheden van alle krijgsmachtonderdelen – waaronder de beste eenheden, SEAL Team Six en Delta Force – onder één koepel. SEALS en Green Berets horen bij de elite, maar alleen de allerbesten daarvan bereiken de top: Team Six en Delta; JSOC was onze baas.

Mr. JSOC sloeg een vel om en er kwam een luchtfoto tevoorschijn. ‘Goed, heren, dit is een TCS-operatie.’ JSOC-commandant generaal-majoor William F. Garrison had ons opgeroepen voor een Task Conditions and Standards-operatie, een test om te zien of we niet uit ons nek kletsten. Konden we al onze beloften waarmaken? Op welk moment dan ook, in welke omstandigheden dan ook – dus ook iemand doodschieten van 700 meter afstand?

Mr. JSOC ging verder: ‘Jullie moeten ’s nachts een halo doen op een doelwit waarvan de locatie bekend is.’ Een halo, High Altitude Low Opening, is een parachutesprong waarbij je een vrije val maakt en pas vlak boven de grond je parachute opent. Een vliegtuig dat tot vlak bij het doelwit moet vliegen, is vanaf de grond gemakkelijk te zien of te horen. Bij een High Altitude High Opening (HAHO) spring je op een hoogte van bijvoorbeeld 28.000 voet – waardoor het vliegtuig minder snel zal worden ontdekt –, laat je je vijf seconden vallen voordat je je parachute opent en kun je wel 64 km verderop landen. Toen ik een keer een oefensprong maakte boven Arizona, leek het alsof Phoenix en Tucson, meer dan 150 km van elkaar verwijderd, vrijwel tegen elkaar aan lagen. Maar het vervelende van een HAHO is dat het op 28.000 voet hoogte zo verdomd koud is. En het blijft koud. Na de landing moest ik mijn handen in mijn oksels drukken om ze te ontdooien. Omdat het dit keer om een HALO ging, zou de kou een minder grote rol spelen.

Mr. JSOC toonde ons de route van het vliegtuig, het punt waar we zouden springen, en belangrijker nog, het punt waar we zouden landen – waar we onze parachutes moesten achterlaten. Hij vertelde ons wat we na de landing met de parachutes moesten doen. In vijandelijk gebied zouden we ze in een kuil begraven. Maar dit was een trainingsmissie en het zou zonde zijn parachutes van een paar duizend dollar per stuk te begraven.

‘Dit is de route die jullie zullen afleggen.’ Hij noemde het tijdstip waarop we een venster van tien minuten zouden hebben om ons doelwit uit te schakelen. Als we te laat waren en het venster zouden missen, of als ons schot zijn doel zou missen, was onze kans verkeken. Eén schot, één treffer.

We trokken onze burgerkleding uit. Net als alle andere SEAL’s die ik ken droeg ik geen ondergoed onder mijn gewone kleding. Bij sniperoperaties droeg ik altijd een blauwe onderbroek van polypropyleen die het zweet absorbeert – dit type werd ook vaak gebruikt bij gevechtsacties in de winter. We trokken onze groene camouflagehemden en -broeken aan. Ik droeg wollen sokken. Tijdens een oorlogstraining in de winter met SEAL Team Two leerde ik de waarde kennen van goede sokken en schafte ik het beste paar aan dat ik in gewone winkels kon vinden. Over de sokken trok ik junglekisten aan. In een van mijn zakken had ik een junglehoed voor de patrouille heen en terug. De hoed had een brede rand en lussen om de basis waarin je takken en bladeren kon steken als camouflage. In een holster aan mijn riem zat een Zwitsers legermes, het enige mes dat ik meenam op dit soort missies. Ik gebruikte een doosje camouflagecrème – dat eruitzag als een make-updoosje – om mijn gezicht donkeren lichtgroen te kleuren. Ik smeerde de crème ook op mijn handen voor het geval ik mijn pilotenhandschoenen moest uittrekken. De handschoenen hielden mijn handen warm. Ik had de duim en de wijsvinger van de rechterhandschoen al afgeknipt tot de eerste knokkel, zodat ik niet gehinderd werd als ik fijne vingerbewegingen moest maken, bijvoorbeeld bij het scherpstellen van mijn kijker, het laden van mijn geweer of het overhalen van de trekker.

Als handvuurwapen had ik een Sig Sauer P226 Navy 9 mm. Hij heeft een roestwerende fosfaatlaag aan de binnenkant, contrastzicht en een gegraveerd anker boven de loop. Er kunnen vijftien patronen in het magazijn. Het pistool is speciaal voor de SEAL’s ontworpen door de Schweizerische Industrie-Gesellschaft, en het is het beste handvuurwapen dat ik ooit in handen heb gehad – en ik heb bijna alle goede handwapens geprobeerd die er zijn. Ik deed één magazijn in het pistool en stak er twee in mijn riem. Mijn uitrusting bestond uit een kaart, een kompas, en een kleine zaklamp met een rood lensfilter. Bij een echte missie mochten we gps gebruiken maar in dit geval wilde generaal Garrison onze kaart- en kompasleesvaardigheden testen. We hadden ook een tasje met medische hulpmiddelen om er de ergste verwondingen mee te behandelen. Dat noemden we de bandenplakset.

Als het, zoals nu, ging om een missie buiten bewoond gebied, droegen we geen kogelwerende kleding en rekenden we erop dat we onzichtbaar waren. Als de missie plaatsvond in stedelijk gebied, droegen we wel kogelwerende vesten en helmen.

Ieder van ons had op zijn rug een waterzak met een buisje dat over de schouder liep en waaraan je (zonder je handen te gebruiken) kon zuigen als je vocht nodig hebt.

Het geweer dat we gebruikten was de .300 Win Mag. De wind heeft minder vat op de kogels, de baan die ze afleggen is vlak, het bereik is groot en hij is veel krachtiger dan andere geweren. Als je een hard doelwit moet raken, bijvoorbeeld het motorblok van een voertuig, zou ik een .50 kaliber kiezen, maar voor een menselijk doelwit is de .300 Win Mag het beste. Ik had al vier patronen geladen en als ik ter plekke was, zou ik nog een vijfde in de kamer doen. Op mijn lichaam droeg ik nog twintig patronen.

Als richtkijker had ik een Leupold 10 power. Power geeft hier aan hoeveel keer dichterbij het doelwit lijkt. Dus bij een 10 power lijkt het doelwit tien keer dichterbij. De puntjes en streepjes op het richtkruis – mildots – helpen je bij het inschatten van de afstand. De laserafstandsmeters die we gebruikten waren ongelooflijk nauwkeurig, maar die mochten we bij deze operatie niet gebruiken. Op de Leupold telescoopvizier plaatste ik een KN250-nachtkijker.

Hoewel de snipers van SEAL Team Six soms pantser doorborende brandmunitie gebruikten, maakten we voor deze missie gebruik van de extreem nauwkeurige match-kogels. Ze waren bijna vier keer zo duur als gewone .308-kogels en zaten in een merkloos, bruin doosje waarop MATCH stond. Deze kogels verschilden in het gebruik nauwelijks van de Win Mag-kogels van Winchester.

Op andere missies hadden we een gecodeerde satelliet-communicatieradio bij ons, de LST-5. Maar deze operatie zou maar één nacht duren en we hoefden niet te rapporteren. Erop af, doelwit uitschakelen en exfiltreren. Wij namen de MX 300-radio mee. De ‘X’ stond niet voor excellent; hij stond voor experimenteel. Onze radio’s bleven het doen in natte en koude omstandigheden. Ook als we heel zachtjes in de microfoon spraken, konden we elkaar haarscherp horen. SEAL Team Six probeerde altijd de nieuwste en spannendste snufjes uit.

Ik was de springleider in het vliegtuig en moest alle parachutes – van het type MTIX – controleren. Ook hier stond de x niet voor excellent.

‘Dertig minuten!’ riep de laadmeester.

Als ik moest plassen, was dit het moment om dat te doen – in het urinoir dat in de wand zat. Maar ik hoefde niet, dus ging ik weer slapen.

‘Tien minuten!’

Wakker.

‘Vijf minuten!’ De klep van de C-130 zakte naar beneden. Ik keek nog één keer alle parachutes na. We liepen naar de klep, maar gingen er nog niet op staan.

Nu de klep omlaag was, konden we elkaar niet meer horen door de herrie. We gebruikten alleen nog maar handgebaren. Drie minuten. Ik ging op mijn buik op de klep liggen. Met de luchtfoto van de briefing in mijn achterhoofd keek ik naar beneden om te checken of we boven het juiste gebied zaten.

‘Eén minuut!’ Alles op de grond zag er bekend uit. Ik had op de piloten kunnen vertrouwen maar het was al vaker voorgekomen dat ik een eind moest lopen, dus wilde ik zeker weten dat we niet verkeerd zaten.

‘Dertig seconden!’ Het vliegtuig was iets van de koers afgeweken. Met mijn linkerhand steunde ik op de klep, zodat ik met mijn rechterhand kon gebaren. Ik keek over mijn schouder het vliegtuig in en gaf de laadmeester een teken door vijf vingers op te steken en met mijn duim naar rechts te wijzen. De laadmeester gaf de piloot opdracht de neus van het vliegtuig vijf graden naar stuurboord te richten. Als ik twee keer vijf vingers had opgestoken, had hij de koers tien graden verlegd. Nooit was er een aanpassing van meer dan tien graden nodig. Bij sommige sprongen was er zelfs helemaal geen aanpassing nodig. Geweldig dat we zulke goede piloten hadden.

Het licht op de klep sprong van rood op groen. Nu was het aan mij om te beslissen of we zouden springen of niet. Het duurt ongeveer vijf seconden om iedereen het vliegtuig uit te krijgen, had ik berekend.

Ik gebaarde naar de jongens. Little Big Man stapte als eerste naar buiten – 12.000 voet boven de grond. Meestal hielden we bij het springen een volgorde van licht naar zwaar aan, zodat de zwaarste niet op een heel andere plek zou landen dan de rest. Sourpuss sprong als tweede en daarna Casanova. Ik sprong als laatste omdat ik als springleider moest nagaan of iedereen was gesprongen, eventueel iemand moest lossnijden die was blijven hangen enzovoort. Onze rugzakken hingen aan een koord aan onze borst vast. In mijn beginperiode dacht ik bij iedere sprong: Ik hoop dat dit rotding werkt. Zo ongeveer de eerste honderd sprongen smeekte ik: God, laat hem alstublieft opengaan. Maar inmiddels had ik er honderden vrije vallen op zitten en pakte ik mijn eigen parachute in. Bij sommige jongens weigerde de eerste parachute wel eens, zodat ze de reserveparachute moesten gebruiken, maar mij overkwam dat nooit. De mijne ging altijd open. In al die 752 sprongen heb ik nooit ook maar een teen verstuikt. Ik positioneerde mijn lichaam zo dat ik richting het landingsgebied zweefde. Na een vrije val van iets minder dan een minuut, trok ik op 3000 voet de parachute open. Op 2500 voet hing ik onder mijn scherm. Ik keek omhoog om me ervan de verzekeren dat mijn parachute in orde was en maakte de riemen van mijn rugzak wat losser omdat ze mijn bloedcirculatie afsneden. Mijn voeten ondersteunden het gewicht van mijn rugzak. Ik zette mijn nachtzichtkijker op. Aan de achterkant van al onze helmen gloeide een infrarood breaklight, in de burgerwereld bekend als gloeistaafjes. Het zijn plastic staafjes die je moet buigen tot het glazen buisje binnenin breekt, waardoor twee chemicaliën bij elkaar komen en licht produceren. Het infrarode licht was onzichtbaar voor het blote oog, maar met onze nachtzichtkijkers konden we ze wel zien. We hingen boven elkaar. Schuin boven Little Big Man kwam Sourpuss naar beneden, schuin boven Sourpuss hing Casanova en schuin boven Casanova daalde ik af. Onze parachutes vormden een trap terwijl we op ons doel af vlogen. Toen ik dicht bij de grond was, trok ik aan de lijnen, zodat mijn parachute vertraagde. Ik liet voorzichtig mijn rugzak zakken, zodat ik er bij de landing niet over zou struikelen. Little Big Man landde als eerste. Doordat de wind plotseling wegviel, stortte zijn parachute meteen ter aarde. Hij deed hem snel af en maakte zijn wapen schietklaar, terwijl Sourpuss landde. Ook Sourpuss ontdeed zich van zijn parachute en maakte zijn wapen klaar. Casanova en ik landden boven op de parachutes van Little Big Man en Sourpuss. We waren met z’n vieren geland op een stukje grond ter grootte van een woonkamer. Little Big Man en Sourpuss dekten ons rondom – allebei bestreken ze 180 graden – terwijl Casanova en ik onze parachutes afdeden. Toen we de parachutes hadden verborgen, moesten we op weg en ik ging aan kop. De controleurs van JSOC hielden in de gaten of we de kluit niet bedonderden. Vals spelen was verleidelijk – we hadden vijf minuten tijd kunnen winnen door alle vier tegelijk onze parachutes te verstoppen, zonder twee man op de uitkijk te zetten. Maar dan liepen we het risico betrapt te worden, en dat was het niet waard. We wisten dat we ons beter konden gedragen alsof we ons echt in vijandelijk gebied bevonden. Hoe meer je zweet in vredestijd, hoe minder je bloedt in oorlogstijd.

De wind blies de regen in ons gezicht. Ideaal weer om tactische zonden te begaan – een geluidje hier, een plotselinge beweging daar. We liepen iets minder dan 800 meter en stopten op een verzamelpunt. Little Big Man en Sourpuss dekten ons, terwijl Casanova en ik onze ghillie suits uit onze rugzakken haalden, camouflagekleding met losse repen canvas in camouflagekleuren die eruit zag als dicht gebladerte. We maakten onze pakken zelf en hadden er allemaal twee: een voor in een beboste omgeving en een voor in de woestijn. Dit keer gebruikten we de groene. Ik verruilde mijn gewone camouflagehoed voor mijn ghillie junglehoed. Het is belangrijk dat je kleding opgaat in de omgeving. In stedelijke omgevingen worden kleuren dicht bij de grond donkerder, dus werkt kleding met twee tinten daar het best: donkere junglebroeken en lichtere woestijncamouflageshirts.

Casanova en ik controleerden de oorlogskleuren op elkaars handen, nek, oren en gezicht. Bij het beschilderen van je huid, moet je erop letten dat je eruit komt te zien als het negatief van een mens: wat donker is moet licht worden en wat licht is donker. Dit betekent dat de delen van het gezicht die schaduwen vormen (bijvoorbeeld de oogkassen) lichtgroen worden en de delen die glimmen (voorhoofd, wangen, neus en kin) donkergroen. Als het gezicht van de sniper zichtbaar is, mag het niet lijken op een gezicht. Verdwijn en blijf onzichtbaar.

We splitsten ons in twee teams en namen twee verschillende routes naar ons doel. Als een van de teams in de problemen kwam, kon het andere de missie voltooien. Casanova en ik slopen door de nachtelijke duisternis naar onze bestemming. We trokken steeds langzaam een voet op en bewogen hem naar voren, waarbij we met onze tenen voelden of er obstakels lagen – takjes of andere dingen waar we op zouden kunnen stappen. Ik nam kleine stappen en liep op de buitenranden van mijn voeten waarbij ik mijn voet langzaam afrolde van de bal naar hiel en geleidelijk mijn gewicht naar voren bracht.

Op 900 meter van ons doel – volgens onze meting – kwamen we bij een halfopen terrein. Casanova en ik gingen plat op de grond liggen. We kropen naar voren en zorgden ervoor dat we op enige afstand van elkaar bleven, zodat we er niet als een bewegende massa uit zouden zien. We moesten heel langzaam bewegen om niet te worden gezien, maar snel genoeg om op tijd aan te komen. Ik waakte ervoor het uiteinde van mijn geweerloop in de grond te steken – daardoor zou het minder nauwkeurig worden – of in de lucht te steken – dat zou onze positie verraden. Ik trok me langzaam met mijn armen naar voren en zette me af met mijn voeten, waarbij ik zo laag mogelijk bleef, met mijn gezicht zo dicht bij de grond dat de modder eraan kleefde. 15 cm per keer. Ik werd één met Moeder Aarde en maakte mijn hoofd vrij van andere gedachten. Als ik zo over de grond kroop, zei ik vaak tegen mezelf: ‘Ik ben één met de grond. Ik maak deel uit van deze aarde.’

Als ik het doelwit of een bewakingspatrouille in het oog kreeg, zou ik er niet rechtstreeks naar kijken of mijn gedachten erop richten. Een hertenbok snuift en stampt op de grond omdat hij je wel ruikt maar niet ziet. Het snuiven en stampen hebben tot doel jou een beweging te laten maken, zodat hij kan zien waar je zit. Mensen hebben een minder goede reuk dan een hertenbok, maar ze hebben wel een zesde zintuig – ze merken het als ze worden bekeken. Sommigen zijn er gevoeliger voor dan anderen. Als je denkt dat je wordt bekeken en op het moment dat je je omdraait ontdekt dat er inderdaad iemand naar je kijkt, heb je dat zintuig gebruikt. Een sniper probeert te voorkomen dat dat zintuig wordt geprikkeld en daarom kijkt hij niet rechtstreeks naar zijn doelwit. Als het moment om te schieten is gekomen, kijk ik natuurlijk via mijn richtkruis naar het doelwit, maar zelfs dan concentreer ik me op het richtkruis.

Ik stopte even. En kwam weer in beweging.

Uiteindelijk arriveerden we bij de FFP (Final Firing Position, onze vuurpositie), naar onze schatting 450 meter van het doelwit. Tijd: 02.20 uur. Ik trok mijn groene gezichtsnet over mijn kijker om het silhouet dat werd gevormd door mijn hoofd en de nachtzichtkijker te doorbreken. Als je nog nooit in een modderpoel hebt gelegen met een drijfnat ghillie suit in de plenzende regen en huilende wind, terwijl je probeert je op je doel te blijven richten en je werk te doen, loop je een van de mooiste aspecten van het leven mis.

Voor ons stond een oud huis. Ergens daarbinnen bevond zich ons doelwit. Casanova en ik bespraken de afstand, de zichtbaarheid enzovoort. We gebruikten voor iedere zijde van het huis een kleurcode: wit voor de voorkant, zwart voor de achterkant, groen voor de rechterkant, gezien vanuit het gebouw zelf, en rood voor de linkerkant. Deze kleurcode komt uit de scheepvaart, waar groen licht wordt gebruikt voor de rechterzijde (stuurboord) en rood voor de linkerzijde (bakboord). Met het fonetische alfabet werden verdiepingen aangeduid: Alfa, Bravo, Charlie, Delta… Ramen werden genummerd van links naar rechts: een, twee, drie… Als er iemand bewoog bij het linkerraam aan de voorkant op de tweede verdieping, zou ik het raam aanduiden met: wit, Bravo, een. Zo hadden we maar weinig woorden nodig, waardoor de communicatie beknopt was en soepel verliep. Deze codes waren bij alle snipers van Team Six bekend, zodat we ook mensen met wie we nog niet eerder hadden gewerkt meteen begrepen.

We noteerden ook gegevens over de vijand: aantal, activiteit, locatie, soort eenheid, tijd, uitrusting, enzovoort. Deze informatie is belangrijk voor een aanvalsteam. Op basis daarvan kan het team bijvoorbeeld besluiten in de aanval te gaan zodra de vijandelijke patrouille het huis in is gegaan. Als de patrouille uit slechts twee mensen bestaat, kan het aanvalsteam besluiten ze tijdens hun patrouille gevangen te nemen. Of ze kunnen ervoor kiezen met drie snipers tegelijkertijd zowel de twee patrouillerende mannen als het doelwit in het huis uit te schakelen. In een gijzelingssituatie zouden we noteren waar de gijzelaars zaten, waar de terroristen zaten, wie de leider was, op welk tijdstip er werd gegeten en geslapen enzovoort. We waren doorweekt, koud en voelden ons ellendig, maar we hoefden het niet leuk te vinden; we moesten gewoon ons werk doen.

Ik richtte het dradenkruis met de mildots op het raam. Wetend dat een raam meestal 90 cm hoog is, vermenigvuldigde ik dat met 1000. Dat getal deelde ik door het aantal mildots in mijn kijker om de afstand te bepalen.

Een van de instructeurs kwam naar me toe. ‘Wat is de afstand tot het doelwit?’

‘550 meter,’ was mijn antwoord op basis van mijn nieuwe informatie.

Een gestalte met een bivakmuts op en een grote legerjas aan verscheen voor het raam – het doelwit was een paspop. Meestal schiet slechts een van de twee snipers in een team terwijl de ander de gegevens noteert, het doelwit lokaliseert en rondom dekking biedt. Maar dit keer zouden we alle vier vuren. Generaal Garrison wilde weten of we echt zo goed waren als we beweerden. Ik hoorde een van de andere twee schieten. We mochten allemaal maar één keer schieten – met koude loop. Het eerste schot is het moeilijkst omdat de kogel door de koude loop van het geweer gaat. Na die kogel is de loop opgewarmd waardoor het volgende schot nauwkeuriger is. Maar generaal Garrison gunde ons geen tweede schot. De vijand trouwens ook niet.

Een van de instructeurs controleerde het doelwit maar vertelde ons niet wat de uitslag was. Toen klonk het tweede schot. Ook dit keer kregen wij niets te horen over het resultaat.

Nu was het onze beurt. Casanova lag rechts van mij, zo dichtbij dat ik hem kon horen fluisteren, als dat nodig was. Zo dichtbij dat we samen de kaart konden bekijken. In zijn positie kon hij ook het dampspoor van de kogel volgen waardoor hij gemakkelijker kon zien waar hij insloeg en mij kon corrigeren bij het tweede schot – maar vandaag was het alles of niets. Nog maar zes uur geleden had ik met mijn zoon in het comfortabele Ready Room een warme pizza zitten te eten. En nu lag ik in een koud, vochtig bos in een afgelegen gebied om met een koude loop een schot te vuren. De meeste mensen hebben geen idee hoeveel training en toewijding er nodig zijn om het werk van een sniper te kunnen doen.

De kolf van het geweer rustte tegen het kuiltje van mijn rechterschouder. Mijn schiethand hield de kolfgreep stevig maar niet krampachtig vast en de trekkervinger lag lichtjes tegen de trekker. Ik balanceerde op mijn andere elleboog, legde mijn wang stevig tegen mijn duim die op de kolfgreep lag en ademde in. Na een gedeeltelijke uitademing, stopte ik met ademen – iets waar kikvorsmannen heel goed in zijn – om te voorkomen dat de beweging van mijn longen de kogel van richting zou veranderen. Ik moest lang genoeg mijn adem inhouden om mijn doel goed achter de kruisdraden te krijgen, maar niet zo lang dat ik wazig zou gaan zien en mijn spieren zouden verkrampen. Mijn vinger haalde de trekker over – pang.

Ik wist nog steeds niet of ik raak had geschoten. Het is niet zoals in de film, waar het schot het doel uiteen doet spatten – in werkelijkheid gaat de kogel zo snel door het lichaam dat mensen zich soms niet eens realiseren dat ze geraakt zijn, zoals ik later in Somalië een aantal keer zag gebeuren met de .223-kogels.

Na het schot van Casanova verlieten we kruipend het gebied. We namen een andere route dan op de heenweg – als iemand onze sporen had gevonden en ergens langs de route wachtte tot we terugkwamen, kon hij lang wachten. We trokken naar de landingsplaats en wachtten in de buurt daarvan tot de zon opkwam.

In de ochtend liepen we naar het punt waar de helikopter ons zou oppikken. Een instructeur gaf met een code te kennen dat de operatie officieel ten einde was: ‘Tuna, tuna, tuna.’ We konden ontspannen: rechtop staan, ons uitrekken, onze knokkels kraken, onze blaas legen en grappen maken.

Een Black Hawk-helikopter landde in het open veld en bracht ons naar een nabijgelegen vliegveld, waar we op een vliegtuig stapten.

Aangekomen op de basis van SEAL Team Six, mochten we nog niet naar huis. We moesten rapport uitbrengen en dan onze uitrusting schoonmaken, inspecteren en zo nodig repareren. Daarna moesten we alles gereedmaken voor de volgende oproep, hetzij een oefening, hetzij een echte missie. Dat proces nam drie uur in beslag.

Met z’n vieren meldden we ons om 11.00 uur voor de debriefing. We voelden ons als slappe vaatdoeken. Generaal Garrison, een sergeant-majoor van SEAL Team Six, de leider van Red Team dat was ingeschakeld om ons team te testen en nog zo’n acht of tien hoge officieren wachtten ons op. William F. Garrison had niet voor het leger gekozen; het leger had voor hem gekozen. Tijdens de Vietnamoorlog was hij in dienst gegaan en was twee keer naar Vietnam uitgezonden als officier, wat hem een Bronze Star opleverde voor getoonde moed en een Purple Heart voor verwondingen opgelopen in de strijd. Hij had deelgenomen aan het Phoenix Program dat tot doel had de infrastructuur van de Vietcong-leiders te ontmantelen. Van 1985 tot 1989 had hij bij de U.S. Army Intelligence Support Activity – dat tot taak heeft informatie te verzamelen voor andere speciale eenheden – en Delta Force gewerkt. Hij was een lange, slanke man met opgeschoren grijs haar en hij kauwde altijd op een halve, niet brandende sigaret die in zijn mondhoek hing. Nog nooit was iemand in het leger zo jong generaal geworden.

Onze sergeant-majoor woonde niet alle debriefings van oefenoperaties bij, maar met vader Garrison aan de eettafel wilde hij er zeker van zijn dat zijn bastaardmarinekinderen goed voor de dag kwamen – en belangrijker nog, niet werden overgeslagen bij het verdelen van de taart.

De leider van ons Red Team was Denny Chalker, bijgenaamd ‘Snake’, een voormalige para in de 82ste Luchtlandingsdivisie die een SEAL werd in de antiterreureenheid van Team One, Echo Platoon. Later was hij een van de leden van het eerste uur van SEAL Team Six.

We brachten rapport uit: over de briefing in het vliegtuig, de sprong – de hele operatie. De instructeurs hadden heimelijk de aangewezen landingsplaats in de gaten gehouden – ze hadden gezien dat twee van ons voor dekking zorgden terwijl de anderen hun parachutes verborgen. Gelukkig hadden we het geleerde in praktijk gebracht.

General Garrison zei: ‘Het goede nieuws is dat jullie op alle onderdelen uitstekend hebben gepresteerd: sluipen, navigeren, opgaan in de omgeving, positie innemen, waarnemen… En jullie hebben kunnen vuren. Maar daar heb je geen reet aan als jullie alle vier het doelwit missen! Jullie zeiden tegen de instructeur dat de afstand tot het doelwit 550 meter was. Maar het was 678 meter. Een van jullie schoot zo ver mis dat hij het kozijn raakte. Jullie enige hoop was dat de vijand van de schrik een fatale hartaanval kreeg…’

Wij keken elkaar aan en onze gezichten vertrokken alsof we net een klap in onze maag hadden gekregen.

Het gezicht van onze sergeant-majoor stond op onweer.

Maar generaal Garrison hield twee dingen voor ons verborgen. Het eerste was dat de snipers van het Gold Team de opdracht ook hadden verknald. Hun springleider bij de parachutesprong was er niet in geslaagd hen in het landingsgebied neer te laten komen. Ze hadden 13 km door het bos moeten ploeteren. Toen ze eindelijk bij het doel waren aangekomen, waren ze te laat: ze hadden het venster van tien minuten gemist en hadden niet eens de kans gekregen om te schieten.

Het tweede geheim: ook Delta Force, het team van de generaal zelf, was niet in de missie geslaagd.

En er was een meer algemeen probleem: SEAL Team Six en Delta Force functioneerden als twee afzonderlijke eenheden. Waarom zou SEAL Team Six een gegijzeld vliegtuig overmeesteren als Delta dat beter kon? Waarom zou Delta een schip op volle zee tot zinken brengen als SEAL Team Six dat beter kon?

Dat probleem werd het pijnlijkst duidelijk toen Delta een keer een ongeluk had met explosieven – wat wel vaker voorkwam. Een lid van Delta wilde met een springlading een deur die op slot zat open blazen. Hij gebruikte een Australian mouse – met een klap breng je de ontsteker tot ontploffing. De lichte explosie zet een tijdklok in gang die na vijf seconden de zwaardere springlading op de deur tot ontploffing brengt. Helaas blies de lichte explosie de tijdklok op, waardoor de zwaardere lading meteen explodeerde. De man raakte zijn vingers kwijt.

Hoewel niemand beter met explosieven kan omgaan dan SEAL Team Six – als je iets wilde weten over de nieuwste technische snufjes, moest je bij ons zijn (we hebben zelfs een eigen explosievenopruimingscommando) –, trainde en opereerde Team Six afzonderlijk van Delta.

Generaal Garrison begreep ook dat SEAL Team Six en Delta met een realistische blik naar zichzelf moesten kijken. Met zijn knauwende Texaanse accent zei hij: ‘Waar jullie zo nu en dan toe in staat zijn, interesseert me niet. Ik wil weten waar jullie altíjd toe in zijn, waar ook ter wereld, onder welke omstandigheden dan ook.’ Zo was Garrison.

SEAL Team Six en Delta moesten samen leren spelen en de realiteit onder ogen zien. Zeker als we een van de bloedigste oorlogen sinds Vietnam wilden overleven – en die oorlog zou niet lang op zich laten wachten.