Als je de boezem van Eloise vol noemde, dan deed je haar ernstig te kort. Overdadig, uiterst weelderig en zelfs heuvelachtig waren juistere termen. Ik kan het weten, want ik werd tegen haar borst platgedrukt op het moment dat ik de wasserette in liep. Stocker, die achter me naar binnen liep, zag het toneel geamuseerd aan. 'Och, arme ziel. Het moet vreselijk geweest zijn. Gewoon vreselijk. Je moet doodsbang geweest zijn. Maar je had niet weg hoeven rennen, je had bij mij kunnen komen. Ik had je beschermd. Dokter Boddie en ik hebben het er de hele week over gehad en we hadden het allemaal al voor je bedacht, hoe je je 's nachts bij mij had kunnen verbergen en overdag in de fotostudio had kunnen blijven, en hoe we daar een tv voor je hadden neergezet en zo. Och, arme ziel, arme ziel.'

Eloise zwaaide heen en weer bij elk 'och, arme ziel' en wierp me daarbij bijna omver. Stocker giechelde. Mijn privé-detective had een merkwaardig gevoel voor humor.

'Eloise,' onderbrak ik haar ten slotte, 'waar heb je het over?' Ik duwde me van haar af, met mijn hand tegen haar middenrif. Ik voelde tot mijn schrik staal tegen mijn handpalm, maar misschien kon alleen het sterkste metaal ter wereld Eloises buik in bedwang houden.

'Hoe bedoel je: "waar heb je het over?" Ik heb het over de man die hier in de stad kwam om je te kidnappen. Ik heb het over de man die je oom en tante bedreigde. Ik heb het over de kwade machten uit de buitenwereld die hier in Khoury een voet aan de grond proberen te krijgen.' Eloise citeerde pater Alcede. Het leek erop dat ik het onderwerp van de preek van afgelopen zondag was geweest. 'Daar heb ik het over. Wie is dat?'

Het klonk als een beschuldiging en Eloise duwde me achter zich bij wijze van bescherming. Het leek een tamelijk veilige plek. Kogels die door staal heen drongen hadden me misschien kunnen treffen, maar verder weinig.

'Dit is R.T. Stocker, Eloise, een privé-detective die ik heb ingehuurd. En ze is een vriendin.'

'O.' Ik werd weer naar voren gegooid en voelde me als een lappenpop waarover twee kinderen aan het vechten waren. Hoewel Stocker zo van de voorstelling genoot, dat ik betwijfel of ze een vinger naar me zou hebben uitgestoken om me te verdedigen. Ze stak haar arm uit.

'Mijn vrienden noemen me Stocker. Een vriendin van Bonnie hier is ook een vriendin van mij. We hebben ons in New Orleans ook zorgen om haar gemaakt. Het is echt een genoegen om te ontdekken dat ze hier in Khoury zulke fijne bondgenoten heeft.' Nu was het mijn beurt met mijn ogen te rollen. Stocker vertrok even haar lippen voordat ze verder ging met haar toespraakje. Ze zou een geweldige politicus geweest zijn.

'Er zijn wat problemen geweest in New Orleans, mensen die Bonnie volgden, dat soort dingen, en ik zou het werkelijk op prijs stellen als u me zou inlichten over de problemen hier in Khoury. Ik weet zeker dat uw inlichtingen me zouden helpen Bonnie hier te beschermen tegen de eh... kwade machten, en dat willen we toch allemaal, nietwaar? Dat Bonnie veilig en gelukkig is.' Eloise, die kleren aan het vouwen was toen we verschenen, sjokte naar de etalage van de wasserette en draaide het bordje dat daar hing met een tikje van haar hand van 'bediening' naar 'zelfbediening'. 'Komen jullie maar mee naar achteren. We moeten serieus met elkaar praten.' Eloise keek me ernstig aan, met ogen als blauwe spleten tussen de pafferige oogleden. 'Weet je zeker dat je dit kunt hebben, Bonnie? Ben je klaar om de onopgesmukte waarheid te horen?'

'Jawel, Eloise. Zeker.' Ik had geen idee waar Eloise het over had, maar als het bij haar gevoel voor melodrama paste, dan was ik het ermee eens. Ik zou het met de meeste dingen eens zijn geweest om de waarheid over mezelf te ontdekken.

'Kom mee jullie twee. Ik zal achter een pot koffie maken.' We volgden Eloise naar het kantoor, een donker hok zonder ramen achter in de wasserette met een kleuren-tv, een beduimelde bank, een kleine koelkast en een magnetron. Op een kastje met twee laden naast de tv stond een Mr. Coffee-koffieautomaat met een stapel koffiebekertjes ernaast. Ik was vaak in deze kleine ruimte geweest om met Eloise te lunchen, met haar naar haar favoriete soap op tv te kijken en naar haar roddels te luisteren. Het was vertrouwd, zoals de caravan geweest had moeten zijn, maar niet was. Stocker, de koffieverslaafde, maakte zich vertrouwd met de kof- fieautomaat, terwijl Eloise me op de versleten bank duwde. Ooit was het een bank met een rood, zachtpaars en lichtgroen bloemmotief geweest. Nu was hij vuil, versleten en door de zon gebleekt; het stiksel op de naden werd zichtbaar en het schuimrubber kwam door de kussens heen. Het was zo'n bank die je aan de kant van de weg kon zien liggen of die in de bayou kon zijn geworpen bij een geliefde visstek, een nuttig voorwerp waarop meervallen eieren konden leggen. Ik zakte diep weg in de hoek. Als er al veren in de bank gezeten hadden, dan waren die allang verdwenen en aan het gewicht van Eloise ten prooi gevallen.

Ze sloot de deur van het kantoor en ging midden in de kleine ruimte staan met haar vuisten op haar heupen en haar kaak naar voren gestoken. 'Weetje zeker datje deze vrouw kan vertrouwen?' 'Stocker?' Ik grijnsde toen de privé-detective zich met opgetrokken wenkbrauwen omdraaide. 'Ze bezit de allerbeste aanbevelingen.' Stocker richtte haar aandacht weer op de koffieautomaat en paste maatschepjes af.

'Nou, de dag nadat je vertrokken was... en God weet dat ik je gemist heb, kind.' Ze liet zich naast me op de bank vallen en nam me weer in een van haar heerlijke omhelzingen. Terwijl ik de geur van haarlak en goedkoop parfum inademde, realiseerde ik me dat ik sinds de laatste omhelzing van Eloise niet werkelijk aangeraakt was. De dag dat ik van huis vertrok. Eloise duwde me weg en veegde haar ogen af.

'Maar goed, de dag dat je vertrok, kwam er een man in de stad die allemaal vragen stelde over hoe hij je kon vinden. Hij stopte bij het gemeentehuis en vroeg aan Miriam Moncada, je weet wel, die daar als ambtenaar werkt, in elk geval, hij vroeg aan Miriam hoe hij je kon vinden, en ze vertelde hem dat hij dan met de boot moest gaan, naar het huis van de Sarvaunts aan de Bayou Negre. Dus ze wijst die man de richting, het is echt een jonge knappe man en zij zegt dat ze een heilige nog wel uit zijn broek gekregen zou hebben, maar Miriams hoofd is altijd nogal gemakkelijk op hol te brengen.

Maar goed, ze stuurt hem naar Elred bij de steiger, maar Elred was jou aan het helpen met pakken en daarom ging hij naar de caravan en daar sprak hij met Elred, en Elred vertelde hem dat hij direct naar de steiger zou komen om hem een boot te verhuren. Hij wist op dat moment niet dat de man jou wilde vinden. En jij zat de hele tijd in de caravan je spullen in te pakken en ik wist het niet, en o, kind, ik heb je zo gemist. Gaat het een beetje? Ben je veilig in die grote stad? Pater Alcede heeft zondag ontzettend lang gebeden voor jouw bescherming en natuurlijk ook voor de veiligheid van je ziel. En hij zei maar steeds hoe verdorven die stad is, en hoe makkelijk het voor een jong meisje als jijzelf is, met geen familie om je te leiden en te beschermen, om in prostitutie of naaktdansen of pornografie of zoiets te vervallen, en we waren allemaal zo bezorgd en...'

Uiteindelijk haalde ik diep adem en viel haar in de rede. 'Eloise!' Ze stopte, haar roze lippen geopend, die vochtig waren van het vele spreken en de zorgen. 'Ja?'

Ik pakte haar hand. Stocker liep de kleine ruimte door en ging tegen de deur geleund staan terwijl het hete water in de koffieauto- maat pruttelde. Onder haar losse hemd was een bobbel zichtbaar. Ik realiseerde me dat ze een pistool droeg. 'Ja?' herhaalde Eloise.

'Ah, ja. Vertel me wat er gebeurde op de dag dat ik vertrok.' 'Nou, je hebt wat ik zag gebeuren, en wat ik hoorde gebeuren en eh... dan heb je nog de rest,' zei Eloise blozend. Het was wonderbaarlijk hoe Eloise bloosde; de blos begon bij haar dikke enkels en zette zich via de vetrollen voort over haar enorme boezem en haar enorme decolleté, waarna die haar appelwangen nog roder maakte en uiteindelijk in haar haarlijn verdween. Als Eloise bloosde, betekende dat slechts één ding. Eloise voelde zich ergens schuldig over.

'Begint u maar bij het begin, mevrouw Eloise,' zei Stocker bij de deur.

Eloise wendde haar ogen af. 'Nou, goed.' Ze begon nog meer te blozen.

'Goed, nadat je vertrokken was - en ik stel het echt op prijs dat je langskomt, kind, terwijl je in zulk gevaar was, en ik wist dat toen allemaal niet - gingen Elred en die jongeman de bayou op. Hij, de man, vroeg Elred om hem naar het huis van de Sarvaunts te brengen, en je kunt je Elreds verrassing wel voorstellen. Maar je kent Elred. Hij vroeg niet waarom de man daarheen wilde. Zo attent is die jongen. Hij bemoeit zich nooit met andermans zaken.' Elred was in zijn hele leven nog nooit attent geweest. Als hij zijn mond dichthield, was dat omdat de vreemdeling Elred te veel betaalde om hem mee de bayou op te nemen en Elred het geld wilde. Ik wist zeker dat hij de tijd genomen had om de boot van Tee Dom op dezelfde tocht mee terug te slepen om zo een mooie winst te maken. Maar dat zei ik niet. Een neutraal 'hmm' volstond. 'Toen ze dus bij het huis van je familie kwamen en de man de aanlegsteiger op stapte, begon alles nogal vreemd te worden, Terwijl Elred de motorboot vastbond, kon hij ze binnen allemaal horen praten, en alles leek goed te gaan tot de man jouw naam noemde en je oom gek werd. Gewoon gek.

Tee Dom pakte een geweer van de muur en joeg die man het huis uit en de steiger af. En daar stond hij in het Frans tegen Elred en de man te schreeuwen en hij schoot de hele tijd met dat geweer over hun hoofd terwijl ze de bayou afvoeren. Elred zei dat de man woedend was en lijkwit zag.' Haar hoofd bewoog nadrukkelijk heen en weer, waardoor er extra dubbele kinnen ontstonden, die tussen de knikken door weer verdwenen.

'Hij zei niet veel op de tocht terug naar de steiger, maar toen Elred de boot afmeerde, begon die man hem allemaal vragen over jou te stellen, zoals waar je was en hoe je eruitzag en zo. Natuurlijk werd Elred ziedend, je weet dat hij altijd een zwak voor je gehad heeft. Hij zei geen woord. Hij pakte alleen de telefoon en belde de sheriff. En toen de man wegreed, is Elred hem gevolgd.' Eloise begon nu werkelijk hartstochtelijk te praten. Haar borst ging op en neer en haar gezicht was even rood als de verweerde bekleding van de bank. 'Hij is hem door de hele stad heen gevolgd. En die... die... die man vertrok uiteindelijk uit de stad omdat Elred niet toestond dat hij iemand iets over je vroeg. Telkens als de man die mooie wagen parkeerde en met iemand over je probeerde te praten, zei Elred tegen hem dat hij geen antwoord moest geven omdat je oom hem met een geweer had verjaagd.' Stocker gaf ons allemaal bekers met zwarte koffie terwijl Eloise haar gezicht en decolleté met een papieren zakdoekje depte dat ze uit haar zak haalde. 'Arm kind.' Ze nam een slok koffie. Stocker dronk de hare. Ik zette mijn kop weg.

'Eloise, je had het over een mooie auto. Wat voor soort mooie auto?'

'Het was een rode Jaguar.' Er trok een koude rilling over mijn schouders. Een rode Jaguar. 'Een oude volgens Elred. Hij heeft het nummer genoteerd. Ik heb het, en ook de brief die ik van je familie kreeg voordat ze de ochtend daarop uit de stad vertrokken. Hier. Ik zal die spullen even pakken, schat.'

Eloise zette haar koffiebeker neer en richtte zich op van de bank. Het kussen van de bank vulde zich weer met lucht, alsof het meubilair opgelucht ademhaalde. Eloise liep traag naar de ladenkast onder de koffieautomaat en boog zich vanuit haar heupen voorover, waarbij ze ons een mooi zicht gaf op een ruimvallende gestippelde jurk, gevuld met enorme heupen en een immense derrière. Toen ze zich omdraaide, hield ze een envelop in haar hand, terwijl ze op haar lip beet. Haar handen trilden en de blos stond weer op haar gezicht. Toen ik naar de envelop keek, wist ik waarom. Hij was aan de zijkant opengescheurd. Eloise had de brief geopend en gelezen.

Eloise was altijd een roddeltante geweest, die haar dikke neus in ieders zaken stak. Wat ze niet van iemand te weten kon komen door de gesprekken van haar klanten af te luisteren of door directe vragen te stellen, stelde ze samen door haar eigen conclusies te trekken en hun wasgoed nauwkeurig te bestuderen. Maar dit was de eerste keer dat ze met de post gerotzooid had, voorzover ik wist.

Ik probeerde te besluiten of ik boos moest zijn, maar de boosheid werd door een lach overstemd en beroofde die van haar energie. Eloise keek zo droevig als een overvoerde pup die een plasje had gedaan op het kleed. De lach verdween. Eloise begon nog meer te blozen terwijl ze de brief gaf. Ik hield mijn adem in. De brief was gericht aan Carin Colleen DeVillier.

Het tintelen waar ik de hele dag tegen gevochten had, vocht in alle overweldigende hevigheid terug. Het is de emotie, redeneerde het kalmere deel van mezelf. Deze keer verzette ik me tegen de gevolgen van hyperventilatie en paniek, en richtte me op dat wat ik jarenlang van mevrouw Taussig geleerd had om de paniek te beheersen die bezit van me wilde nemen. Ik kon haar stem horen, haar mooie Franse accent dat zo verschilde van het harde provinciale Cajun-accent van mijn oom en tante. Het klonk zo duidelijk alsof ze bij me in de kamer was.

'Luister, Bonnie, het lichaam raakt bij jonge meisjes gemakkelijk in paniek en dan worden de zelfbeheersing en het verstand door de hysterie overmeesterd. Zoiets moet je altijd proberen te vermijden. Je moet naar evenwicht in emoties en gedachten streven.' Op dat moment had ze me tegen het hoofd getikt om de kern van de zaak te vertellen. 'De ademhaling brengt de zelfbeheersing terug. Langzame, diep ontspannen ademhaling. Langzaam en diep.' Toen ik haar stem in mijn herinnering hoorde, werd ik naar een plek diep in me gevoerd, ergens waar ik een restje kalmte vond. Tot mijn verrassing was het een plek die ik herkende. De nestelplaats van de reigers, donker en vredig, in het zilveren licht van een bijna volle maan badend. 'Zie je?' leek haar stem te vragen. 'Zie je? Het is er altijd geweest, dat heerlijke plekje. Het bleef wachten.'

Carin Colleen DeVillier.

Ik opende de gescheurde enveloppe en trok de opgevouwen blaadjes eruit. Ze waren uit een notitieboekje met spiraalband gescheurd, en de kapotte randen waren verfomfaaid. Tante Ilenes onbeholpen handschrift staarde me vanaf de bladzijden aan. Ze had de lagere school nooit afgemaakt en was van school gegaan om voor haar moeder te zorgen, die jong gestorven was aan een niet-gediagnostiseerde slepende ziekte. Daarom was haar schrijfvaardigheid gering. De meeste woorden waren fonetisch gespeld. Ik streek met koude vingers over de aanhef.

Liefe Bonnie,

Je wou altijt over je naam wete. Carin Colleen DeVillier zo hep je moeder je genoemt. Maar ze werd door haar moeder nageze- te. Die ouwe vrouw had iets slegts met haar gedaan. Je moeder zei dat ze je moes verberge. Elizabeth verloor toen haar bebie, en dus gafen ze jouw die naam van die dooie bebie. Elizabeth ging dood toen jij klein was, en je moeder heb haar naam genome. Ze heb ons geld belooft om je veilig te versorge. Je was zo een lief meissie met van die grote ogen en zagt haar. Tee Dom en ik houden van jouw. Het huis aan de bayou is van jouw. Je moeder hep het gebout voordat Elizabet doodging en julie heb met ze drieen daar gewoont. Toen Elizabeth doodging sei je mama er is weer gevaar dus ze vertrok. Ze is nooit teruggekomme.

Ze zulle je nu wel weer vinde. Je mamaas moeder heb een man gestuurt om je te finde. Tee Dom en ik we hebbe hem wegge- jaagt. Maar nou vertrekke we. We sijn tog al van plan te vertrek- ke maar nou gaan we snel. Tee Dom die heb een zus, daar gaan we heen. Jij bent veilig. We houden van jouw.

Tante Ilene

Ik streek de blaadjes glad in mijn hand. Misschien had ik moeten huilen. Misschien had ik opluchting of blijdschap moeten voelen omdat ik het verhaal van mijn verleden bevestigd vond. Ik had zoveel, misschien...

De stille plek, de nestelplaats van de reigers in de nacht, verdween. De paniek die ik dagenlang in mijn binnenste had meegedragen, verdween ook. Ik voelde me alleen een beetje leeg. Een beetje bedroefd. Ik had al dagen geweten dat Bonnibelle Sarvaunt dood was. Dit was alleen weer een nieuwe bevestiging. Het enige nieuwe stukje informatie was mijn naam. Carin Colleen DeVillier. Ik had al die jaren gelijk gehad. Het scenario dat ik al die jaren voor me had gezien sinds ik voor het eerst de overlijdensakte van Bonnibelle Sarvaunt had gezien, bleek niet veel van de eenvoudige waarheid af te wijken.

Een zus. Ik had nooit geweten dat Tee Dom een zus had. Ik had Tee Dom helemaal nooit gekend. En nu waren ze weg. Ik voelde een koude rilling. Als tante Ilene een koude rilling voelde die niets met het weer te maken had, zei ze altijd: 'D'r loopt iemand over mijn graf.' En dan knikte ze langzaam, ontsteld en in primitieve ontzetting, voordat ze verder ging met haar haakwerk.

Ik wist nu wat ze bedoelde. Deze koude rilling was hetzelfde, een fluisterstemmetje van de dood.

Ik gaf de blaadjes aan Stocker en keek even of ze het handschrift van tante Ilene kon lezen. Daarna glipte ik uit het kantoortje het enige toilet in.

Boven de wastafel hing een ronde antieke spiegel, die wel schoon was, maar vol zat met zwarte stippen op plekken waar de coating mat geworden was. Ik bekeek mijn gezicht, dat vertrouwd was maar plotseling ook vreemd. Ik stak mijn arm uit en raakte mijn gezicht aan. De spiegel voelde koel aan, als een lijk bij een van de rouwdiensten van pater Alcede. Bonnibelle Sarvaunt was dood. Ik had dat natuurlijk al geweten sinds ik vijftien was. En alle informatie die Stocker in de loop van haar onderzoek boven water had gekregen, had die wetenschap alleen maar bevestigd. En toch werd het pas waar nu ik het van tante Ilene gehoord had. Ik was Bonnibelle niet. Was haar nooit geweest.

'Carin Colleen DeVillier.' De woorden proefden vreemd en bitter op mijn tong. 'Ik ben Carin Colleen DeVillier.' De tranen verzamelden zich in mijn ooghoeken. Vreemde tranen. Ik keek onbewogen toe hoe ze opkwamen en oplichtten... Langzaam verdwenen ze weer.

Bonnibelle Sarvaunt was dood. Tee Dom en tante Ilene waren weg. Ik was nu werkelijk alleen. Mijn hele leven was een leugen. Met droge ogen liep ik van het toilet terug naar het kantoor.

De Grande Dame boog zich naar voren en deed de zilveren haar voorzichtig terug in de haarwrong. Zo dicht bij de spiegel kon ze bij de hoeken van de donkere ogen en rond haar volle lippen een enkele rimpel ontdekken. En dan het vage litteken in de haarlijn... Ze fronste haar voorhoofd toen ze de onvolkomenheden zag, maar ze was ook al over de zestig. Misschien was het tijd om te laten zien dat ze ouder werd.

Ze had een volmaakte huid, zo prachtig olijfkleurig als die van een pasgeboren baby, en ogen als zwarte diamanten. Ze was een van die uitzonderlijke vrouwen die nooit oud lijken te worden, het type bij wie de foto's zelfs na tien jaar nog hetzelfde zijn. Als ze haar haar geverfd had toen het grijs begon te worden, dan had ze gemakkelijk voor een vouw van in de dertig door kunnen gaan. Zelfs nu nog had ze voor vijfenveertig door kunnen gaan, maar dat zou nodeloze ijdelheid geweest zijn. Ze bezat veel liever macht dan schoonheid. Ze was tenslotte de Grande Dame. Ze maakte een zware platina armband rond haar linkerpols vast, stond op en streek haar zijden jurk glad. De kleur paste precies bij de armband en haar haar en alleen de zwarte ogen en de lichtroze mond trokken nog de aandacht van een toeschouwer. Ze voelde hem voordat hij bij haar deur was. Een beschadigd aura, onzeker en onvolledig, afgestompt door pijn en de medicijnen die hij innam om die te bestrijden. Verder geremd door de drank die hij nuttigde om te kunnen slapen. Een kreupele in lichaam, geest en ziel. Maar hij was alles wat ze had om mee te werken. Hij kon het. De laatste operatie had hem dat tenminste teruggegeven. Weliswaar had ze niet zijn genen willen gebruiken, maar bij gebrek aan beter moest ze het ermee doen. En ze had andere plannen voor McCallum. Ze wilde van zijn speciale talenten en zijn unieke genen op een andere wijze gebruik maken. Nee, er was geen andere keus dan Marcus.

Snel opende ze de deur, waarmee ze hem deed opschrikken. Met wijd open ogen trok hij zijn knokkels terug, nu een klop niet meer nodig was. Ze lachte. De prachtige lach. De lach waarmee ze een plaats in de geschiedenis van Louisiana verkregen had. De lach die ze had gebruikt om een rijke man voor zich te winnen en een dynastie te creëren. De lach die haar macht had gegeven in een mannenwereld. De lach die generaties had verleid. Hij had die in jaren niet van haar gezien en knipperde enkele malen met zijn ogen, die hij ten slotte op haar lippen richtte. Toen hij begon te spreken, klonken de woorden slepend, door de drank en door iets dat verlangen leek te zijn. 'Moeder.' 'Marcus.'

'Mag ik u naar het diner vergezellen.' Dezelfde zin die hij al maanden had uitgesproken. Meestal antwoordde ze niet en liep ze hem alleen met snelle pas voorbij; met zijn elektrische rolstoel kon hij haar dan niet bijhouden. Maar nu ze een nieuw gebruiksdoel voor hem had, wachtte ze.

'Ja, Marcus. Ik denk dat dat erg prettig zou zijn.' Marcus trok zijn wenkbrauwen op toen haar woorden doordrongen tot zijn door de medicijnen benevelde geest. 'Echt?' Er klonk onzekerheid en wantrouwen in de woorden. 'Ja.' Ze legde een hand op zijn schouder en trok de deur dicht terwijl hij naar achteren manoeuvreerde, haar verbaasd aankijkend. 'Kom mee, Marcus.' Ze gingen rustig de gang door, terwijl de elegante vrouw haar pas aan de rolstoel aanpaste. Het geluid van haar stappen en de rubberen wielen werd gedempt door het tapijt, dat in de jaren dertig in Sjanghai met de hand geweven was. Ze wachtte terwijl Marcus de koperen lift uit de jaren veertig binnenging, en ze sloot met een klap de deur voordat ze weer wat zei. Als je

macht wilde, moest je verstand hebben van timing. En er gebruik van maken. 'Marcus?' 'Jawel, mevrouw?'

Hij was verward. Dat was goed. En een beetje dronken. Dat was nog beter. Een enigszins dronken Marcus zou waarschijnlijk niet twijfelen aan haar verandering van ideeën. De lift begon met een hortende motor te zakken. Ze boog zich dicht naar zijn hoofd toe zodat hij haar warme adem tegen zijn oor zou voelen als ze fluisterde. 'Ik heb een cadeau voor je.' Ze wachtte even om de zin tot hem door te laten dringen. Ze liet de aloude woorden hun geheimzinnige uitwerking hebben op haar kneedbare zoon. Ze slikte. 'Ze is jong, Marcus, en bijzonder.'

Hij ademde eenmaal snel in, leek plotseling bijna nuchter. 'Maar Mi...'

'Die is niet hier, Marcus,' fluisterde ze in zijn haar. Dat had een lichte geur van shampoo, sigaren en pas genuttigde sterkedrank. 'Alleen jij en ik. En je cadeau. Als compensatie, omdat je zo lang genegeerd bent.'

Marcus pakte haar hand met een wanhopige blik op zijn gezicht. Wanhopig en ongelovig. 'Jong?'

'Heel jong. Ze zal je bevallen, Marcus. Ze is de jongste van Ri- chard, van een leuke kleine kleurlinge. Het kind heeft groene ogen en kroezend asbruin haar.' Er verscheen zweet op Marcus' huid. Een lichte glans. 'Ik wil datje haar neemt voordat hij thuiskomt. Je hebt dus niet veel tijd.'

Marcus lachte op een meer sluwe dan blije manier zijn tanden bloot en plaatste een kus in de palm van haar hand, terwijl zijn lippen even op de geparfumeerde huid bleven rusten en daar bewogen terwijl hij sprak. Zijn ogen zochten de hare. 'Ik heb misschien uw hulp nodig, met deze stoel.'

'Als het juiste moment is aangebroken, zal ik de zaken regelen, dat weetje. Dat doe ik toch altijd? Ze zal bij bewustzijn zijn, maar ze zal niet tegenstribbelen. Dat beloof ik je.' 'Ik wilde dat ik tijd had om het op de juiste manier voor je te doen.' Zijn ogen stonden dof en vochtig terwijl hij haar hand losliet. De lift bereikte met een zachte schok de grond. 'Ik wilde...' 'De volgende keer kun je het op de juiste manier doen. Dat zou ik prettig vinden. Maar ditmaal moet het gewoon gebeuren. Ik wil een kind van haar in negen maanden. Vlak na Mardi Grass. Ik heb de sterren geraadpleegd, Marcus, en de tijd ontbreekt om het op de juiste manier te doen.'

Marcus kuste haar hand weer voordat hij de bronzen kooi opende zodat ze naar buiten konden. 'Zoals u wilt, moeder.'

'Marcus?' Zijn ogen troffen de hare weer. 'Noem me geen moeder.' Ze beende weg, waardoor hij haar alleen maar kon volgen in zijn mechanische tempo.

Stocker was gefascineerd door Elred. Ik weet niet of het de tweeslachtige fascinatie van een beschaafde, ontwikkelde persoon voor een ruwe, onbeschaafde, humeurige, onbeschaamde zuiderling was, of dat ze gewoon nooit een man had ontmoet die een volstrekte afkeer van zeep had. Niet dat Elred zich nooit waste. Het kwam gewoon doordat water alleen niet voldoende was om de stank weg te wassen van de uitlaatgassen en de vis die Elred voor de vissende toeristen schoonmaakte, gecombineerd met de lucht van het menselijk lichaam.

Ik had al lang geleden geleerd Elreds geur te negeren, en om geen acht te slaan op de grote schilfers die voortdurend van zijn schedel op zijn schouders neerdwarrelden. Het was vermakelijk om de man door haar ogen te zien.

En Elred was op zijn best, zelfgenoegzaam en wellustig. Elred had de hele stad willen laten weten dat hij de veiligheid en eer van zijn beoogde liefde verdedigd had. Mij. Nog belangrijker voor de man was dat ik dat moest weten. Zonder veel aan te dringen hoorden Stocker en ik het gehele, traag vertelde verhaal tweemaal, waarbij zelfs het kleinste detail zorgvuldig in het anders zo trage brein van Elred gegrift stond.

Hij genoot ervan het verhaal te vertellen en spuwde ter benadrukking lange stromen tabakssap uit het raam, op het pad naast de hengelsportwinkel. Het was waarschijnlijk voor het eerst sinds jaren dat hij zijn brein vermoeide met iets anders dan het memoreren van de beste visstekken, en daarom was er voldoende ruimte voor allerlei bijzonderheden.

Gezeten in een tuinstoel, met mijn voeten tegen de toonbank van de hengelsportzaak, luisterde ik met gemengde gevoelens naar het verhaal. Onzekere emoties. Ik wist niet meer wat ik moest voelen. Wat ik moest denken. Bonnibelle was dood. Ik was Carin Colleen. Ik hoorde hier niet thuis in Khoury, had hier nooit thuisge- hoord.

Elred gaf een beeldend en levendig verslag van de man die mij had willen vinden, van zijn auto en van de route die hij genomen had toen hij probeerde de bewoners te ondervragen. Hij herinnerde zich elke vraag die hij gehoord had, elk terloops verzoek. Niet dat Miles erin geslaagd was een hoop van zijn vragen helemaal te stellen, met een woedende Elred achter zich aan. En het was Miles, daar was geen twijfel over mogelijk.

'Het komt er dus op neer dat deze man wilde weten waar Bonnie was, hoe lang ze daar geleefd had, wie haar ouders waren, wie de Sarvaunts waren en hoe hij met Bonnie in contact kon treden,' zei Stocker, terwijl ze opzij ging om een straal bruin sap te ontwijken. Elred nam een zak tabak en vouwde het papier met langzame bewegingen open. Hij staarde naar de bobbels in Stockers hemd, alle drie.

'Dat is het wel zo'n beetje. Ben je van de politie?' 'Nee, ik ben niet van de politie.' 'Ben je privé-detective?' 'Ja, klopt. Ik...'

'Die ander was volgens mij ook een privé-detective.'

Stocker zweeg even. Ze keek hem aandachtig aan en haar koele

ogen vernauwden zich. 'Welke ander?'

'De andere man die naar Bonnie op zoek was. Twee dagen nadat ik de eerste weggejaagd had.'

De tinteling was er weer, maar nu anders. Nu was het een verwachtingsvolle spanning. Stocker kneep haar ogen nog meer samen, zoals een slang die een dikke, sappige kikker ziet. 'Waarom zegje dat, dat hij een detective geweest moet zijn?' 'Hij had een pistool.' Elred spuwde de geheel uitgekauwde tabakspruim in een vuile plastic beker vol bruine vlekken, maakte zijn mond schoon en nam een nieuwe pluk. Hij bewoog de zachte geurige bladeren met twee vuile vingertoppen in zijn mond heen en weer. Stocker wachtte. 'Hij reed in een bruine Dodge met zo'n autotelefoon, geen gewone politieradio. Hij was beter gekleed dan een politieman. Maar hij deed alsof hij er een was, begrijp je?' 'Kun je hem beschrijven?'

'Nog beter. Ik heb een foto.' Hij sprak het laatste woord nadrukkelijk uit. Zonder dat we aandrongen, boog Elred zich naar voren, pakte een stapeltje polaroids van achter de toonbank vandaan en gaf die aan Stocker. Ze waren vettig, en de ooit witte randen zaten vol olieachtige vingerafdrukken, alsof Elred ze urenlang bekeken had.

'Van de eerste zou ik ook wel een foto gemaald hebben als ik een camera had gehad. Ik heb een toerist betaald om deze te nemen. Ik heb zijn vis gratis schoongemaakt. Zeven meervallen, maar zo klein als je nog nooit gezien hebt. Vooral graten. Tijdverspilling om die te bakken.' Elred stopte weer een vinger in zijn mond en duwde tegen de tabak. 'Wat wilde hij?'

'Hetzelfde als de eerste. Maar hij was niet oké.'

'Hoe bedoel je: hij was niet oké?' vroeg Stocker terwijl ze naar een

foto van de auto van de man keek. De kentekenplaat was duidelijk zichtbaar.

'De eerste man was gewoon normaal, alleen nieuwsgierig. Maar die tweede man, die was gemeen. Hard. Hij probeerde me geld te geven om hem mee te nemen naar het huis van de Sarvaunts.' 'Probeerde?'

'Ik heb nog nooit geweigerd om gids te zijn, maar deze...' - hij zette een vochtige vinger op het gezicht van de man op een van de foto's - 'deze was slecht.' 'Hoe weetje dat?' hield Stocker aan.

Elred sloeg zijn armen over elkaar en keek nog nadrukkelijker naar de voorzijde van het hemd van Stocker, maar nu hoger dan de bobbel met het pistool op haar middel. 'Ik heb hier van alles langs zien komen. Van die zakenlui die willen vissen. Van die olielui die olie willen. Stropers, drankhandelaren, drugskoeriers. Ooit zelfs een moordenaar. Ik wist het toen hij terugkwam met bloed op zijn kleren, terwijl het windscherm van de boot weggeschoten was en zijn vispartner verdwenen was. Ik weet waar ik naar moet zoeken in de ogen van een man. En dit was een slechte.' 'En je hebt hem dus niet meegenomen naar Bonnie's Tee Dom en tante Ilene?'

'Nee. Ik heb gezegd dat ze verhuisd waren. Alle drie. Ik heb hem naar Baton Rouge gestuurd, naar State Street 150.' 'Wat is daar, in State Street 150?'

'Weet ik niet. Misschien is er wel geen State Street. Ik ben nooit in Baton Rouge geweest.' Elred grijnsde en liet een stel donkerbruine tanden in gezwollen rood tandvlees zien. Hij dacht dat het slim was om de man met een kluitje in het riet te sturen. Misschien was dat ook zo. 'Die komt niet terug.'

'Mogen we deze hebben?' vroeg Stocker, met haar vinger op de vettige foto's tikkend.

Elred stak zijn hand uit om ze terug te pakken, bekeek ze en haalde er een uit. Het was een opname van de achterkant van de bruine Dodge en de man zelf die naar de bestuurderskant liep. 'Deze houd ik, voor de sheriff. Voor het geval hij terugkomt.' De blik in Elreds ogen was puur vals, alsof hij een manier gevonden had om de man te beletten naar mij te zoeken. Elred had in de loop der jaren voor een aantal onfrisse types gewerkt. Geruchten over smokkel, van drank en drugs tot illegale vreemdelingen, hadden hem jaren achtervolgd. Ik kon me indenken dat Elred smokkelwaar op de man of in zijn auto zou verbergen om 'm vervolgens snel te smeren naar de dichtstbijzijnde telefoon. Elred D. McArdle, de verantwoordelijke burger.

Hij spuwde een lange straal bruin sap uit het raam, die precies op het pad buiten terechtkwam. Elred was vals, maar hij kon goed richten.

'Ligt Tee Doms boot nog hier, Elred? Ik wil naar de keet gaan.' De woorden verrasten me. Ik had zo lang als ik me kon herinneren uit de keet willen vertrekken, omdat ik de geuren, de schimmel, de beverratten en de kakkerlakken hartstochtelijk haatte. Het enige goede aan de keet was de locatie geweest, zo dicht bij alle duistere thema's in mijn kunst.

Maar mijn moeder had de keet gekocht. Hij was van mij. Wiens naam stond er op de koopakte, vroeg ik me af. Wie had er al die jaren onroerend-goedbelasting betaald?

'Je oom heeft hem voor je hier gelaten. Hij zei dat de boot van jou was.' Een nieuwe verrassing. Ik knikte. 'Zit er benzine in?' 'Ja.'

Ik liet mijn voeten van de toonbank op de grond zakken en stond op. 'Bedankt, Elred.' Stocker volgde me met haar stampende laarzen naar de deur. Ik schoof mijn zonnebril op mijn neus om mijn ogen en mijn privacy te beschermen.

'Ik ga maandag terug naar LaRoque om te zien wat er in het kadaster staat over dat stuk land datje bezit,' zei Stocker, die zorgvuldig haar best deed op neutrale toon te spreken. Ik knikte weer en liep op de steiger af.

De motorboot lag er nog precies zoals ik hem had achtergelaten. Oud, verweerd en moeilijk aan de praat te krijgen. Bij de derde keer trekken kwam de motor sputterend tot leven. Ik moest bijna de hele tocht naar de keet weerstand bieden aan het verlangen te gaan huilen. Mijn gekwelde ademhaling ging verloren in het geraas van de motor. Stocker bestudeerde afwisselend het landschap en mijn gezicht, maar ze probeerde niet boven het lawaai uit te praten.

Het leek een langere tocht dan gewoonlijk. De omgeving veranderde te langzaam van bewoonde huizen in verlaten huizen en vervolgens in woeste, ongerepte natuur, waar de bomen over het zwarte water hingen alsof ze de bayous eer bewezen. We voeren langs de verspreid liggende huizen, langs de Heilige Geest Kerk van de Madonna, waar pater Alcede lui op de steiger zat te vissen. Hij stak zijn hand op toen we langsvoeren. En even later draaiden we plotseling de Bayou Negre op en dreigden de tranen die ik dacht overwonnen te hebben, weer te komen. De luiken voor de ramen waren gesloten en de zware houten voordeur zat op slot. De deur zat nooit op slot, behalve in de periode tussen de herfst, als we afsloten, en het begin van de lente, als we hem voor het eerst weer openden. Het leek vreemd, als een grafkist die te snel afgesloten was, nog voor het rouwen kon beginnen.

Ik liet de boot vaart minderen, legde vrijwel zonder gebonk aan en bond hem vast. Bekende dingen. Gewone dingen. Bittere, eenzame dingen. Ik had een sleutel van de deur, hoewel ik die nooit gebruikt had. En hoewel het slot goed werkte, was de deur door de regen van de laatste tijd gaan klemmen. Dat was ooit eens eerder gebeurd, en toen hadden Tee Dom en ik onze schouders tegen het hout gezet en geduwd. Wij samen.

Ik raakte het hout van de deur aan en voelde me vreemd. Lang geleden was de deur donkergroen geschilderd; sporen van de afgesleten verf waren nog altijd vaag zichtbaar in de nerven. Stocker zette haar schouder op de plek waar ooit die van Tee Dom had gerust en we duwden. De deur ging open met een gekreun en geknars van gepijnigd hout. De hitte die zich dagenlang had opgebouwd, rolde in een warme dampgolf over ons heen. Toen we binnen waren, openden we twee luiken en de achterdeur, zodat de lucht erdoorheen kon stromen, maar het werd er niet veel koeler door. Stocker stond met een schouder tegen de muur geleund en wachtte tot haar ogen zich aangepast hadden. Ik zette mijn zonnebril af en bewoog me langzaam voort in het duister. Elk meubelstuk stond op zijn plaats. De servieskast. De lange tafel en de banken. De zachte beklede stoel die Tee Dom als de zijne beschouwde. Tante Ilenes schommelstoel. De kasten. De bultige koffer die aan de voorkant onder het raam lag. De tapijten, oude gevlochten dingen die tante Ilene tweemaal per week naar buiten had gedragen en met een roeispaan had geklopt, lagen opgerold in een hoek, precies op de manier waarop we ze altijd neerlegden als we in de herfst afsloten.

Ik raakte Tee Doms stoel aan en voelde voor het eerst hoe versleten de bekleding was. Ik liet mijn vingers langs de armleuning van de schommelstoel van tante Ilene glijden. Ik liet hem langzaam schommelen op de ongelijke vloerplanken. Het vertrouwde zachte gebonk klonk hol en leeg.

Toen mijn ogen zich aangepast hadden, zag ik dat er een paar dingen weg waren. Het linnengoed van het bed in hun kamer. Het de- kenrek. Het geweer, de gekoesterde .30 kaliber van Tee Dom, was uit het rek verdwenen.

Er was maar één ding bij gekomen. Er lag een boek in het midden van de lange tafel. De stoffen omslag was versleten. Het was een goedkoop boek geweest en de bladzijden waren nog opmerkelijk gaaf voor zo'n oud boek. Het was niet gemaakt van het goedkope, moderne papier dat na een paar jaar uit elkaar viel; de pagina's waren maar heel weinig vergeeld, en ze waren dichtbeschreven in een klein, keurig handschrift.

Ik bladerde het langzaam door, op de data boven aan de bladzijden lettend. Het was een dagboek. Met een gevoel van onderdrukte opwinding sloeg ik het begin van het dagboek op en streek de eerste bladzijde vlak. Op het midden van de bladzijde stond in hetzelfde nette handschrift een naam. Elizabeth Diane Sarvaunt.

Mijn opwinding ebde weg. Het was niet het dagboek van mijn moeder. Er stond geen DeVillier.

Zonder een woord te zeggen sloeg ik het dagboek dicht en sloot ik de keet af, waarmee ik het licht buitensloot en de hitte opsloot. Ik gaf het dagboek aan Stocker, maakte de boot los en duwde af in de zwakke stroming. De tranen waren nu verdwenen, net als in het kleine toilet in de wasserette. Verflauwd.

Bonnibelle Sarvaunt was dood. En Carin Colleen DeVillier was alleen.