60

Het kostte hem een aantal uren om het hele verhaal op te schrijven. Hij schreef alles onverkort op aan het bureau in de muziekkamer waar Ralph zijn opera’s componeerde, die vrijwel geen van alle ooit waren uitgevoerd, hoewel een aantal instrumentale gedeelten op cd waren gezet. Die had Sam in een wandrek aangetroffen. Hij draaide er een paar en vond ze wel interessant maar veel te opvallend beïnvloed door andere componisten om echt gedenkwaardig te zijn.

Hij bepeinsde, misschien niet al te aardig, dat het het werk was van iemand die, ook al had hij niet genoeg talent om ervan te kunnen leven, rijk genoeg was om te doen wat hij het liefst wilde.

Maar hij schreef niets over de muziek, want hij vond het niet nodig om de man te beledigen die naar alle waarschijnlijkheid degene zou zijn die het rapport zou vinden en lezen.

Pas toen kwam het bij Sam op om zich af te vragen of alles wat hij had opgeschreven, was gedaan met het oog op zijn naderende dood, of het een soort afscheidsbrief was. Het drong tot hem door dat dat inderdaad het geval was.

Hoewel hij niet voetstoots aannam dat hij dood zou gaan (hij nam niets meer zomaar aan), zag hij niet in hoe hij in de staat waarin hij momenteel verkeerde, nog voor onbepaalde tijd zou kunnen blijven voortbestaan. Zes mensen van de groep waren dood, en Joanna – zijn Joanna – was in een andere wereld beland, een wereld waarin hij zich nu ook bevond, een curieus gebied tussen leven en dood.

Hij speculeerde niet verder over zijn eigen lot, maar schreef gewoon het hele verhaal op, met alle bijzonderheden die hij zich nog kon herinneren, te beginnen met het lezen van Joanna’s onthullende artikel in Around Town over het Sterrenkamp en de cynische handelwijze van Ellie en Murray Ray. Hij schreef over de eerste keer dat hij Joanna had ontmoet, in een televisiestudio, en later op Sixth Avenue na de zenuwschokkende botsing met Ellie. Hij schreef over hoe de gedachte aan het experiment was ontstaan, en hoe zijn relatie met Joanna in gelijke mate was gegroeid. In vlot en eenvoudig proza schreef hij alles op wat zich had afgespeeld tussen toen en nu, bijna twaalf maanden later in wat een andere wereld leek.

‘Wat bedoel ik daarmee?’ schreef hij, ‘met “een andere wereld”? Denk ik dan aan parallelle werelden? En als dat het geval is, wat betekent dat dan wel? Het is maar een gedachte, een manier, één van de vele manieren, om te beschrijven hoe merkwaardig vreemd de natuur is wanneer we haar van dichtbij bestuderen. We weten dat er in waarheid maar één wereld is: de wereld waarin wij leven. We weten ook dat woorden als tijd en ruimte alleen in ons bewustzijn bestaan, dat het geen dingen zijn die “daarbuiten” bestaan zonder dat wij er iets mee te maken hebben.

Men zegt dat fysici een hoge prijs hebben moeten betalen voor het begrijpen van de werking van de natuur: ze zijn hun houvast aan de werkelijkheid kwijtgeraakt. Daarbij ging het natuurlijk wel om een “werkelijkheid” die door nuchter verstand werd bepaald: een transactie tussen “daarbuiten”, waar de wereld zich bevond, en “hierbinnen”, waar wij ons bevonden. Nu is dat onderscheid weggevallen: het nuchtere verstand dat het als vanzelfsprekend had aangenomen, bleek een onbetrouwbare bondgenoot. Er is geen houvast meer overgebleven dat we nog kunnen kwijtraken. Het houvast en degene die zich vasthoudt, zijn een en dezelfde, waarnemer en waargenomene zijn niet meer dan een deel van een spectrum, geen van beiden kan zonder de ander bestaan.

In de natuurkunde moeten we een taal leren, die zowel de precisie van onze kennis als de daardoor aan het licht gebrachte tweeslachtigheid weerspiegelt. Bijvoorbeeld: een elektron is niet een partikel of een golf, maar beide. Het bevindt zich in een superpositie van condities, maar alleen tot aan het moment waarop wij, om het te kunnen meten, willen dat het het een of het ander is. En dan toont het zich inschikkelijk.

Het universum waarin wij leven, en omgekeerd, is een kwestie van wederzijdse voorstelling. Het is duidelijk dat simpele regels als oorzaak en gevolg niet langer van kracht zijn.

Niels Bohr heeft causaliteit omschreven als niets anders dan een methode waarmee we onze gevoelsindrukken reduceren tot een zekere mate van ordelijkheid.

Niemand betwist de realiteit van deze eigenaardigheid op microscopisch niveau. De enige vraag is geweest of het zich zou kunnen uitbreiden tot de macroscopische wereld van ons dagelijks leven. In toenemende mate en eigenlijk wel in overweldigende mate krijgen we bewijs op bewijs dat dat inderdaad kan.

Ikzelf, hier achter dit bureau, ben daarvan het levende bewijs.’

Hij legde zijn pen neer, leunde achterover en keek naar het plafond, dat buiten de lichtkring van de lamp op het bureau nauwelijks was te zien. Tijdens het schrijven was het donker geworden. Hij zocht naar een afsluitende, samenvattende zin, die alles wat hij had geprobeerd te zeggen, zou verduidelijken en modelleren.

Dat was natuurlijk een hopeloze opdracht. Een laatste woord bestond gewoon niet.

‘Het levende bewijs’, las hij, en hij pakte zijn pen, maar hij zette niets meer op papier.

Want op dat moment hoorde hij haar stem. Heel duidelijk, ook al klonk het niet hard. Hij wist eigenlijk ook niet waar de stem vandaan was gekomen.

Hij stond stil op, alsof het minste geluid haar zou kunnen afschrikken, waardoor hij haar zou kwijtraken, en dit keer dan misschien wel voorgoed.

‘Joanna?’ riep hij zachtjes.

Er kwam geen antwoord. Pas toen drong het tot hem door dat hij dan wel haar stem had gehoord, maar dat hij er geen idee van had wat ze had gezegd. Had hij haar echt gehoord?

Of had hij het zich verbeeld?

Hij liep naar de overloop en bleef in het duister staan luisteren. Het was stil in huis. Het enige dat hij hoorde, was het gedempte lawaai van het verkeer buiten. Hij riep haar weer.

‘Joanna?’

Nog steeds geen reactie. En toen hoorde hij ergens van boven heel kort een zwak geluid, alsof iemand snel en lichtvoetig over een losse vloerplank was gelopen.

De duisternis rondom hem verdichtte zich toen hij een bocht in de trap nam, en het enige licht dat van de muziekkamer beneden kwam, verdween. Hij bleef staan en riep bijna fluisterend weer haar naam.

‘Ben jij dat, Joanna?’

Opnieuw hoorde hij haar stem, dit keer dichterbij, en net zo fluisterend als hijzelf. Er was geen twijfel aan dat het haar stem was, maar hij kon nog steeds niet verstaan wat ze zei.

‘Joanna? Waar ben je?’

In het donker tastte hij naar een lichtschakelaar, en hij slaakte een kreet van schrik toen hij in aanraking kwam met een warme, stevige huid. Haar onzichtbare vingers vlochten zich door de zijne en hielden hem stijf vast.

‘Ik ben hier,’ zei ze. Haar stem was nu goed verstaanbaar en zo dichtbij dat hij haar adem kon voelen. Haar lichaam drukte zacht en warm tegen hem aan. Hij hield haar naakt in zijn armen, en in het donker vond haar mond de zijne.

Hij voelde haar hand over zijn borstkas bewegen en besefte dat ze zijn overhemd losknoopte. Hij schoof haar vingers weg en het leek alsof hij in een vloeiende beweging zijn kleren uittrok. Hij probeerde niet om iets te zeggen, want hij wist dat hij dat niet zou kunnen. Zijn hart leek als een moker in zijn borst te kloppen toen ze hem blindelings door het donker meetrok, totdat hij het bed tegen zijn benen voelde.

Ze vielen neer en verslonden elkaar met een heftigheid en een passie die onuitputtelijk en eindeloos leek. Het enige geluid dat ze voortbrachten, waren hijgende kreetjes van verlangen, lust en bevrediging, totdat ze uiteindelijk verzadigd en in elkaar verstrengeld stilletjes bleven liggen.

‘Ik ben zo gelukkig,’ fluisterde ze. ‘Ik wist dat je zou komen. We hoeven nu nergens meer bang voor te zijn.’

Hij trok haar naar zich toe, en toen hij haar tegen zich aan drukte, voelde hij de zwelling van haar borsten, de lijn van haar buik en dijen, en het laagje zweet dat haar huid bedekte. Hij kon haar voelen, maar hij kon haar niet zien. Hij wist dat de dansende lijnen en contouren die hij tijdens hun liefdesspel van tijd tot tijd had gezien, alleen het resultaat waren van zijn verbeelding die uit het sensuele contact van hun lichamen beelden in zijn geest schiep.

‘Ik wil je zien,’ zei hij. ‘Ik moet je zien.’

‘Ja, dat weet ik.’ Haar stem had een zachtheid die deed vermoeden dat haar woorden samen met een liefdevolle glimlach werden uitgesproken. Haar hand gleed over de omtrek van zijn gezicht. ‘Het is goed. Je kunt het licht aandoen.’

Hij stak zijn hand uit naar de plek waar hij, dacht hij, een bedlampje had zien staan, en zijn vingers zochten het snoer.

Hij vond het – maar om de een of andere reden die hij niet helemaal doorgrondde, aarzelde hij.

‘Niet bang zijn,’ zei ze.

Hij drukte.

Er volgde een verschroeiende, withete lichtflits, een uitbarsting van licht. Maar erger dan de pijn die zijn ogen leek te verschroeien, was het verscheurende, verstikkende lawaai: een hels loeiend geluid dat zich om hem heen wikkelde, dat alles verteerde en waarvan de hitte tot in zijn hersenen doordrong.

Hij wist niet hoe lang het aanhield, maar toen de verblindende, helle gloed wegtrok en de stilte geleidelijk aan terugkeerde, volgde er een vreemde leegte en een afwezigheid van elke vorm van gevoel.

Ergens hoorde hij iemand brullen van pijn en angst. Het was zijn stem, dat wist hij wel, maar die leek niet langer deel van hem uit te maken.

Hij hoorde haar stem weer, geruststellend, beheerst, alsof ze had geweten dat dit zou gebeuren en hem erdoor zou helpen.

‘Het is al goed, mijn liefste. Wees niet bang, je bent nu veilig…’

Hij schreeuwde het uit van schrik en woede. ‘Ik kan niets zien, waar ben ik?’

Zijn gevoel keerde abrupt terug, net als na een verwonding, waarbij het lichaam door de schok tijdelijk verdoofd is geraakt. Maar hij voelde nu geen pijn, hij had alleen het gevoel dat hij rechtop stond, en dat hij, met uitgestrekte armen om onzichtbare obstakels te vermijden, als een blinde voorwaarts strompelde.

Hij hoorde haar stem weer, nu van zo dichtbij dat het leek alsof ze in zijn hoofd zat.

‘Kom mee, kom met me mee…’

Hij voelde haar hand op de zijne, zo licht dat het nauwelijks waarneembaar was. Hij zette nog een paar stappen vooruit en toen leek het ineens alsof de grond onder zijn voeten wegzakte.

Maar hij viel niet. Het was alsof het huis, de stad en de wereld om hem heen zich naar de eindeloze ruimte openden.

Hij voelde dat hij vloog, dat hij omhoog werd getild door een mysterieuze, almachtige en allesomvattende kracht. Hij wist dat ze bij hem was, maar hij wist niet precies hoe hij dat wist.

En toen kwam de gedachte bij hem op dat ze niet bij hem was, maar dat ze op de een of andere manier deel van hem uitmaakte. Dat idee leek zo onomstotelijk en zo onvermijdelijk waar te zijn, dat hij het niet eens aanvocht, of zich afvroeg hoe dat dan kon, of waar ze naartoe gingen.

Hij ontspande zich, en liet alles gewoon over zich heen komen, totdat het leek alsof het eeuwig zo zou doorgaan…

Geestkracht
i_ed994164011062c6_split_000.html
Section0001.xhtml
Section0002.xhtml
i_ed994164011062c6_split_001.html
i_ed994164011062c6_split_002.html
i_ed994164011062c6_split_003.html
i_ed994164011062c6_split_004.html
i_ed994164011062c6_split_005.html
i_ed994164011062c6_split_006.html
i_ed994164011062c6_split_007.html
i_ed994164011062c6_split_008.html
i_ed994164011062c6_split_009.html
i_ed994164011062c6_split_010.html
i_ed994164011062c6_split_011.html
i_ed994164011062c6_split_012.html
i_ed994164011062c6_split_013.html
i_ed994164011062c6_split_014.html
i_ed994164011062c6_split_015.html
i_ed994164011062c6_split_016.html
i_ed994164011062c6_split_017.html
i_ed994164011062c6_split_018.html
i_ed994164011062c6_split_019.html
i_ed994164011062c6_split_020.html
i_ed994164011062c6_split_021.html
i_ed994164011062c6_split_022.html
i_ed994164011062c6_split_023.html
i_ed994164011062c6_split_024.html
i_ed994164011062c6_split_025.html
i_ed994164011062c6_split_026.html
i_ed994164011062c6_split_027.html
i_ed994164011062c6_split_028.html
i_ed994164011062c6_split_029.html
i_ed994164011062c6_split_030.html
i_ed994164011062c6_split_031.html
i_ed994164011062c6_split_032.html
i_ed994164011062c6_split_033.html
i_ed994164011062c6_split_034.html
i_ed994164011062c6_split_035.html
i_ed994164011062c6_split_036.html
i_ed994164011062c6_split_037.html
i_ed994164011062c6_split_038.html
i_ed994164011062c6_split_039.html
i_ed994164011062c6_split_040.html
i_ed994164011062c6_split_041.html
i_ed994164011062c6_split_042.html
i_ed994164011062c6_split_043.html
i_ed994164011062c6_split_044.html
i_ed994164011062c6_split_045.html
i_ed994164011062c6_split_046.html
i_ed994164011062c6_split_047.html
i_ed994164011062c6_split_048.html
i_ed994164011062c6_split_049.html
i_ed994164011062c6_split_050.html
i_ed994164011062c6_split_051.html
i_ed994164011062c6_split_052.html
i_ed994164011062c6_split_053.html
i_ed994164011062c6_split_054.html
i_ed994164011062c6_split_055.html
i_ed994164011062c6_split_056.html
i_ed994164011062c6_split_057.html
i_ed994164011062c6_split_058.html
i_ed994164011062c6_split_059.html
i_ed994164011062c6_split_060.html
i_ed994164011062c6_split_061.html
i_ed994164011062c6_split_062.html
i_ed994164011062c6_split_063.html
i_ed994164011062c6_split_064.html
i_ed994164011062c6_split_065.html