43
Een kwartiertje later betaalde ze de taxi die haar op Beekman Place had afgezet. Ze zag dat de portier niet op zijn post stond, wat betekende dat hij ergens in het gebouw met een klusje bezig was. Daarom tikte ze de code in die haar toegang gaf tot de lobby, en ze nam de lift naar haar appartement. Ze trok met opzet de rolgordijnen omlaag voordat ze het licht aandeed. Ze was zich ervan bewust dat ze dat anders nooit deed. Waar verstop ik me eigenlijk voor? vroeg ze zich af.
Ze vroeg zich ook af wat Roger aan het doen was, en hoopte dat hij nog maar één drankje had genomen en al op weg was naar huis in de auto die zij voor hem had geregeld.
Toen vroeg ze zich af waarmee ze zich bezig zou houden totdat Sam kwam. Ze had geen zin om iemand te bellen, en ze kon zich niet genoeg concentreren om te gaan lezen of naar muziek te luisteren of tv te kijken. Ze voelde een akelige onrust, die alleen weggewerkt kon worden door een lange wandeling of een stevige work-out. Maar ze wilde niet naar buiten, waar ze onbeschermd zou zijn, waar iedereen haar zou kunnen zien. Hier, in de vertrouwde omgeving, voelde ze zich tenminste nog relatief veilig. Ze zette een kopje kruidenthee voor zichzelf en ging languit op de bank liggen om de New York Times van vandaag te lezen, die ze nog niet eens had opengeslagen, en ze dwong zichzelf om de woorden te begrijpen die voor haar ogen leken te dansen.
Na een paar minuten zoemde de intercom. Ze stond snel op en liep er met een gevoel van opluchting en in de verwachting Sams stem te horen, naartoe om hem op te nemen.
‘Joanna, ik sta beneden. De portier is er niet, kun jij me binnenlaten?’
Het was niet Sams stem, het was die van Ralph Cazaubon.
‘Joanna? Ben je daar nog? Hallo?’
Ze verstijfde en kon geen woord uitbrengen.
‘Ik ben het, Joanna. Ralph.’
Ze hing op, maar miste de haak, waardoor de hoorn met veel lawaai tegen de muur kletterde en aan het uiteinde van de kabel heen en weer bleef slingeren. Ze kon nog steeds zijn stem in de verte horen, en hij klonk als Pete’s stem een tijdje geleden. Ze stak haar hand uit naar het ding, en aarzelde alsof ze half en half bang was dat het haar een elektrische schok zou bezorgen. Maar eindelijk greep ze hem toch op en legde hem met een rotklap op de haak.
Dit keer viel hij er niet af, maar nu ging de zoemer weer over, en dat bleef maar doorgaan. Ze week naar achteren, maar haar blik bleef op het apparaat gericht, en ze had de grootste moeite om het toenemende paniekgevoel onder controle te houden. Allerlei gedachten vlogen door haar hoofd, de ene nog krankzinniger dan de andere, en de krankzinnigste was wel dat er niets was om bang voor te zijn, dat er gewoon een man beneden stond die langs was gekomen om haar op te zoeken, en dat ze zich hysterisch gedroeg.
Maar ze had hem nog maar twee dagen geleden leren kennen. En in een stad als New York belde je niet aan bij iemand die je nauwelijks kende, en je verwachtte al helemaal niet zomaar te worden binnengelaten. Misschien had hij wel een speciale reden. Ze had het hem niet eens gevraagd. Wat was er zo vreselijk aan het feit dat een man vroeg op de avond bij haar aanbelde, een man die ze had leren kennen en die zich in elk opzicht charmant, hoffelijk en normaal had gedragen? Was ze bezig gek te worden? Wat zou ze vervolgens gaan doen, op de vlucht slaan voor haar eigen schaduw?
Toch had niets ter wereld haar kunnen overhalen om de intercom weer op te pakken en met hem te praten. Ze liep eromheen alsof het een kwaadaardige kettinghond was. Het snerpende gezoem, dat maar door bleef gaan, werd met de seconde onverdraaglijker.
Ze rende naar de deur en controleerde de sloten. Ze was veilig, maar ze zat wel in de val. Wat kon ze nog doen? Ze kon de lobby bellen om te kijken of de portier al terug was van zijn klusje.
Of zou ze de politie bellen? Wat moest ze dan zeggen? Ze had toch eigenlijk op dit moment geen enkele reden om de politie al te bellen?
Of zou ze Sam bellen? Ja, ze zou Sam bellen, dat leek een goed idee. Sam zou begrijpen waarom ze doodsbang was.
Ze drukte het nummer in van zijn draagbare telefoon en ze bad in stilte dat hij die bij zich had. Misschien was hij op dit moment al naar haar appartement onderweg en zou hij elk ogenblik kunnen arriveren. Ze moest hem waarschuwen dat er mogelijk gevaar dreigde van wie of wat er beneden op straat stond te wachten.
Het geluid van de intercom hield op. In de daaropvolgende stilte kon ze alleen haar eigen adem horen en haar eigen hart horen slaan. Ze besefte dat ze nog maar halverwege Sams nummer was gekomen en niet meer wist hoeveel cijfers ze had ingedrukt, en daarom verbrak ze de verbinding.
Ze luisterde naar de stilte. Was hij weggegaan? Hij wist dat er iemand in het appartement was, omdat ze de intercom had opgenomen, maar ze had niets gezegd. Het had ook een vriend kunnen zijn die de hoorn had opgepakt, of een collega, of de schoonmaker, of wie dan ook.
Behoedzaam liep ze naar de zijkant van een van haar ramen, ze trok het gordijn een stukje opzij en gluurde naar buiten. Er was niemand buiten te zien. Vanaf deze plek kon ze de voordeur niet zien, dus hij kon er nog steeds zijn, maar in elk geval probeerde hij niet langer om binnen te komen.
Tenzij de portier natuurlijk terug was gekomen en de deur voor hem had opengedaan. Maar de portier zou hem nooit binnenlaten zonder haar eerst te bellen. Dat waren de regels, die duidelijk op een bord in de lobby stonden vermeld: ‘Alle bezoekers moeten worden aangekondigd.’
‘Joanna…?’
Ze draaide zich met een verschrikte kreet om. De stem had vlak achter haar geklonken. Zijn stem. Hier in de kamer.
Het eerste ogenblik zag ze niemand, en ze zei tegen zichzelf dat ze aan het hallucineren was. Maar toen bewoog er een schaduw in de gang achter de openstaande deur van haar woonkamer. Ralph Cazaubon stapte naar binnen.
‘Wil je me alsjeblieft vertellen wat er aan de hand is, Joanna?’
Zijn gezicht stond ernstig, zijn stem klonk bezorgd. En afgezien van het feit dat hij nu wat formeler gekleed was, zag hij er precies zo uit als een paar dagen geleden. Toch was er iets in zijn manier van doen veranderd. Er lag een zekere mate van vertrouwelijkheid in, van intimiteit zelfs, wat tussen hen beiden niet paste.
‘Hoe ben je binnengekomen?’ wist ze met een trillende stem uit te brengen.
Hij keek nog bezorgder en zette een stap naar haar toe.
‘Wat is er toch, Joanna…?’
Ze week achteruit. Ze stootte haar heup aan de hoek van een tafeltje, waardoor een lamp omviel en met een klap op de grond belandde.
‘Blijf uit m’n buurt!’ Ze tastte zoekend achter zich of er iets lag waarmee ze zich zou kunnen verdedigen… of om verdere botsingen te voorkomen, dat wist ze eigenlijk zelf niet.
‘Wil je daar nu mee ophouden!’ Er lag nu een spoortje boosheid in zijn stem, en door de manier waarop hij haar bij de schouder wilde grijpen, leek het alsof hij van plan was om dat onzinnige gedoe uit haar te rammelen.
Ze draaide zich met een ruk van hem af en rende naar haar bureau. Daar lag ergens een briefopener met een lang stalen lemmet dat in een punt uitliep. Haar vingers grabbelden tussen de verspreid liggende boeken en paperassen totdat ze zich om het kunstig gesneden, ivoren handvat sloten. Ze hield hem als een dolk voor zich.
‘Kom niet bij me in de buurt. Als het nodig is, gebruik ik dit ding.’
Hij zag er nu geschrokken uit en stak zijn handen op. ‘Best, best, ik blijf al staan, rustig maar… vertel me alleen wat er aan de hand is, laat me je helpen… alsjeblieft, Joanna…’
Haar ademhaling kwam met horten en stoten, rasperig, bijna snikkend. Ze deed een poging zich in de hand te krijgen, haar angst terug te drijven, de teugels in handen te houden.
Ze hield de briefopener voor zich, klaar om toe te stoten, en schoof langzaam als een krab zijwaarts, naar het gangetje, maar ze wendde geen moment haar blik van hem af.
Hij draaide zich om en volgde haar bewegingen. Hij had nog steeds de handen in de lucht, maar nu niet zozeer als een teken van overgave maar klaar om zich te verdedigen, en haar aan te vallen als hij ook maar even haar concentratie zou zien verslappen.
Maar dat gebeurde niet. Ze veegde met haar vrije hand over haar gezicht en ontdekte dat ze baadde in het zweet. Ze knipperde met haar ogen en sperde ze toen wijd om de vertroebeling te verdrijven. En al die tijd bleef ze, de ene behoedzame stap na de andere, doorschuiven naar de, deur van haar appartement en naar haar ontsnapping. Toen ze de laatste paar stappen achteruitliep, kwam hij achter haar aan, maar hij bleef staan toen ze de opener dreigend een paar centimeter hoger hield.
‘Ik heb je gewaarschuwd, blijf bij me uit de buurt.’
Ze moest het mes van de ene hand in de andere nemen om de sloten te openen. Eerst het hoofdslot, toen het onderste.
Ze zaten nog precies zo als toen ze net was binnengekomen.
Haar ogen vlogen heel even opzij om de knop te zoeken zodat ze de deur kon opentrekken. Uit haar ooghoek zag ze hem in beweging komen.
‘Nee!’
Hij bevroor.
‘Alsjeblieft, Joanna, dit is te gek voor woorden. Wat is er toch gebeurd? Ben je ziek? Hoe kun je nu denken dat ik je pijn zou willen doen?’
Haar vingers vonden de knop en ze trok. ‘Hoe ben je binnengekomen?’
‘Op de gebruikelijke manier. Wat is er toch met je aan de hand?’
Ze gaf geen antwoord en drong niet verder op een antwoord aan, ze trok gewoon de deur open om naar buiten te stappen.
‘Als je achter me aan komt, roep ik om hulp en haal ik er de politie bij.’
Ze stond nu in de hal, bij de deuren van de drie andere appartementen op haar verdieping. Ze trok haar eigen deur dicht en rende snel de laatste paar meter naar de lift. Ze duwde op de knop maar zag dat het lampje brandde. Van ver weg kon ze de motor horen zoemen. Hij stopte, waarna de liftdeuren opengleden.
Ze had er geen moment over nagedacht hoe ze op een buitenstaander zou overkomen die haar onder deze omstandigheden zou aantreffen, maar ineens werd ze zich ervan bewust dat er iemand uit de lift kwam. Voordat ze zich kon omdraaien om te kijken, hoorde ze: ‘Jezuschristus, Joanna, wat is hier aan de hand?’
Ze draaide zich met een ruk om. Sam sprong achteruit om het lemmet van de briefopener te ontwijken, maar toen ze zag dat hij het was, liet ze zich in zijn armen vallen. De tranen en de spanningen die ze had weten te onderdrukken, kwamen in een lange, bevende snik naar buiten.
‘Wat is er? Wat is er gebeurd? Ik wil weten wat er is.’
Hij nam haar voorzichtig de briefopener af.
Ze wees bevend naar haar appartement. ‘Hij zit daarbinnen.’
‘Wie?’
‘Ralph Cazaubon.’
‘Wat…?’
Hij wilde naar de deur lopen, maar ze hield hem tegen.
‘Nee, wacht. Ga hulp halen.’
‘Daar hebben we geen tijd voor…!’
Toen drong het ineens tot haar door. ‘Ik heb geen sleutel. We kunnen niet naar binnen.’
Hij dacht even na. ‘Heeft de portier een sleutel?’
Ze knikte. ‘Ja.’
‘Ga die dan halen. Ik blijf hier wachten.’
‘Nee, ik wil niet dat jij…’
‘Doe het nou, Joanna, alsjeblieft.’ Hij stak de briefopener omhoog. ‘Maak je geen zorgen, als hij daarbinnen zit, komt hij niet langs me heen.’
De lift was al naar een andere verdieping onderweg. Ze kon aan het lichtje zien dat hij naar boven ging, dus nam ze de trap, en ze rende totdat ze in de lobby was. Ze zag Frank Flores achter de balie zitten waar niemand had gezeten toen zij thuis was aangekomen. Hij keek op toen ze naar binnen kwam rennen en toonde zich verbaasd over haar radeloze verschijning.
‘Er zit iemand in mijn appartement, Frank, je kunt maar beter mee naar boven komen. Geef me alsjeblieft de reservesleutels.’
Hij stak zijn hand onder de balie. ‘Iemand in uw appartement? Meneer Towne is zojuist naar boven gegaan. Hebt u hem gezien?’
‘Ja. Heb je eerder een andere man naar boven zien gaan? Lang, met donker haar?’
‘Zolang ik hier zat, is niemand anders naar boven gegaan. Ik was even beneden de stookketel aan het controleren, maar de voordeur zat toen op slot. Niemand kon naar binnen komen, tenzij hij een sleutel had of iemand hem via de deuropener heeft binnengelaten.’
Hij gaf haar de reservesleutels. ‘Moet ik de politie bellen?’
‘Ik denk het niet. Kom nu maar met me mee.’
Ze namen de trap. Frank, een grote man, gespierd maar een beetje te zwaar, was buiten adem toen ze boven kwamen.
Sam stond er nog steeds. Hij gaf aan dat er niets was gebeurd.
‘Goed, u kunt me nu maar beter vertellen wat hier aan de hand is,’ zei Frank, die weer in de rol verviel van de man die verantwoordelijk was voor de veiligheid van het gebouw. ‘Is er daarbinnen iemand ziek, of dronken, of is er iemand die van plan is iemand anders kwaad te doen of schade aan te brengen?’
‘Nee, niets van dat alles, denk ik.’
‘Kent u deze persoon?’
‘Ik wel, een beetje,’ zei ze. ‘Meneer Towne kent hem helemaal niet.’
‘Juist,’ zei Frank, die dacht het wel te begrijpen, en die een speculerende blik naar Sam wierp voordat hij zich weer tot haar richtte. ‘En u hebt deze persoon gevraagd te vertrekken, klopt dat, mevrouw Cross?’
Ze antwoordde bevestigend.
‘En dat heeft hij geweigerd.’
‘Ja.’
Frank wreef over zijn kin. ‘Is die man, voor u weet, gewapend?’
Ze keek hem bij die vraag verbaasd aan. ‘Nee… nee, ik weet zeker van niet…’
‘Zijn er wapens aanwezig in het appartement? Een vuurwapen, een mes?’
‘Niets. Behalve…’
Frank volgde haar blik naar de briefopener die Sam nog steeds vasthield. ‘Als u het niet erg vindt, zal ik die maar nemen, meneer Towne.’
Sam aarzelde.
‘Het is in orde, meneer, ik ben een veteraan, ik kan er wel mee omgaan.’
Sam wierp een blik op Joanna alsof hem dat niet overtuigd had, maar gaf toch het mes af.
‘Wilt u me die sleutels teruggeven, mevrouw Cross?’ zei Frank terwijl hij het mes achter de leren koppel van zijn uniform stak.
Ze gaf hem de sleutels die hij haar beneden had gegeven. Hij gebaarde dat ze achter hem moesten blijven, en hij gooide de deur met een snel en beslist gebaar open. Hij ging tegen de zijkant van de deuropening staan zodat hij tot in de zitkamer kon kijken, en riep: ‘Veiligheidsdienst. Wilt u alstublieft hier komen, meneer?’
Er kwam geen geluid of beweging uit het appartement. Sam zag dat Franks hand, hoewel hij geen vuurwapen droeg, vlak bij de knuppel lag die aan zijn koppel hing.
Frank keek Joanna aan. ‘Weet u zeker dat er iemand binnen is, mevrouw Cross?’
‘Er was wel iemand,’ zei ze met een steeds groter gevoel van onbehagen.
‘Goed,’ sprak Frank in de richting van het appartement, ‘ik vraag u naar buiten te komen, anders zal ik genoodzaakt zijn de politie erbij te halen.’
‘Naar de bliksem met de politie,’ zei Sam, die zijn geduld verloor en zich langs hem heen wrong, ‘als hij daarbinnen zit, wil ik hem zien.’
‘Alstublieft, laat mij dit afhandelen, meneer Towne…’
Franks tegenwerpingen haalden niets uit. Sam liep met grote stappen het appartement in en ging snel van kamer naar kamer.
‘Cazaubon? Ralph Cazaubon, ik wil je zien! Waar zit je?’
Een paar minuten later stonden ze met hun drieën midden in de zitkamer. Het was duidelijk dat er buiten hen niemand meer in het appartement was. Het enige dat buiten het normale viel, was de lamp die Joanna had omgegooid. Ze pakte hem op en zette hem terug.
‘Alles lijkt nu weer in orde, mevrouw Cross,’ zei Frank terwijl hij haar onzeker aankeek.
‘Dat lijkt wel zo… hij moet zijn weggeglipt nadat ik was weggegaan, en… en voordat meneer Towne arriveerde.’ Ze keek Sam aan. ‘Hij zou er net tijd genoeg voor hebben gehad, denk je ook niet?’
‘Dat denk ik wel,’ loog Sam.
‘Dan is hij misschien nog steeds in huis,’ zei Frank, en hij klonk weer gejaagd. ‘Ik ga het nakijken.’
Ze probeerden geen van beiden hem ervan te overtuigen dat het nutteloos zou zijn. Joanna bedankte hem voor de moeite en deed de deur achter hem dicht. Toen ze terugkwam, stond Sam bij haar bureau naar iets te kijken.
‘Hij was hier wel,’ zei ze alsof ze bang was dat hij haar niet zou geloven.
Sam scheurde een blaadje af van het opschrijfboekje dat bij haar telefoon lag. ‘Hier zijn het telefoonnummer en het adres dat je vanochtend hebt opgeschreven.’ Hij pakte de hoorn van de haak en drukte het nummer in, wachtte even en schudde vervolgens het hoofd. ‘Geen antwoord.’ Hij hing op en stopte het papiertje in zijn zak. ‘Ik zal morgen dit nummer laten natrekken.’
Ze zette een stap naar hem toe. ‘Zeg me dat je me gelooft, Sam. Zeg me dat je gelooft dat hij hier was.’
Hij sloot haar in zijn armen. ‘Ik geloof je,’ zei hij.
‘Natuurlijk geloof ik je.’