48
Pas toen ze in een boekhandel om wisselgeld vroeg, merkte ze dat de man uit haar kantoor haar vijftig dollar had gegeven: een zo royaal gebaar dat ze nu wenste dat ze hem nadrukkelijker had bedankt. Maar het zou nog beter zijn als ze hem helemaal geen dank was verschuldigd.
Ze vond een telefooncel en probeerde opnieuw Wards nummer te draaien. Er werd nog steeds niet opgenomen.
Vervolgens belde ze het laboratorium. Peggy nam op.
‘Peggy, met mij, met Joanna.’
‘Joanna?’
‘Ik vroeg me af of je het laatste halve uur iets van Sam hebt gehoord.’
‘Sam is er op dit moment niet. Ik weet eigenlijk niet precies waar hij uithangt. Kan ik hem een boodschap doorgeven?’
‘Nee, ik… zeg hem maar dat ik nog wel bel.’
‘Goed, Joanna, ik zal een briefje neerleggen.’
De manier waarop ze Joanna had gezegd, klonk niet goed.
Zo sprak je niet tegen een vriendin, en zelfs niet tegen een kennis. Peggy had de voornaam van de beller uit beleefdheid gebruikt, niet omdat ze haar kende. ‘Joanna’ was gewoon een vrouw aan de telefoon, die onverschillig welke naam had kunnen opgeven.
Joanna slikte even en dwong zich de waarheid te accepteren.
‘Je weet niet wie ik ben, hè, Peggy?’
‘Het spijt me, maar ik kan je niet precies thuisbrengen. Zou je me willen vertellen waar we elkaar hebben leren kennen?’
‘Het doet er niet toe,’ wist ze nog uit te brengen voor ze ophing.
De telefoon was er een in een rij van telefoons in de ondergrondse bij Columbus Circle, en geen mens besteedde enige aandacht aan de vrouw die met het gezicht in de handen tegen de binnenkant van de cel leunde, alsof ze op het punt stond in elkaar te zakken. Een paar mensen wierpen bij het passeren even een blik op haar. Ze dachten wellicht dat ze zojuist een telefoontje had gepleegd en akelig nieuws te horen had gekregen – de dood van een geliefd iemand misschien, of de diagnose van een ziekte die veel ernstiger bleek dan ze had gedacht. Maar niemand nam de moeite om even te blijven staan, of om te vragen of ze hulp nodig had.
Niemand wilde er iets mee te maken hebben.
Joanna viste nog een paar muntjes uit haar zak en belde het nummer dat ze het meest vreesde. Haar moeder nam na drie keer overgaan op en zei op haar gebruikelijke vragende manier: ‘Hallo?’
‘Mam?’
Even was het stil, en toen klonk het aarzelend: ‘Joanna? Ben jij dat?’
Joanna besefte pas dat ze haar adem had ingehouden, toen die met een snik losbrak. ‘Mam… help me, mam. Ik weet niet wat er aan de hand is… jij bent de enige die weet wie ik ben… Ik moet je zien… ik kom nu meteen naar je toe…’
‘Met wie spreek ik?’
De woorden sneden als een mes door haar hoofd. ‘Je zei het net, mam… ik zei “mam” en jij zei “Joanna”.’
‘Ik zei: “Joanna, ben jij dat?”. Maar jij bent Joanna niet. Wie je ook bent, ik vind dit niet grappig. Bel niet nog eens.’
Toen hing ze op.