XIII - Hotel Pandemonium

67

-

De hel wordt door iedere generatie anders gezien. Hij wordt op belachelijkheden onderzocht en opnieuw gevormd. De verschrikkingen worden nader bekeken en indien nodig weer uitgevonden om het huidige klimaat aan verschrikkingen kloppend te maken; de architectuur wordt aangepast om het oog van de moderne verdoemden af te schrikken. In vroeger tijden stond Pandemonium, de eerste stad in de hel, op een heuvel van lava terwijl bliksemschichten uit de wolken erboven schoten en vuurtorens op de muren brandden om de gevallen engelen op te roepen. Dit soort beelden hoort thuis in Hollywood. Het beeld van de hel is aan verandering onderhevig. Geen bliksemschichten, geen vuren. Op een afgelegen stuk land een paar honderd meter van een viaduct over de grote weg is de nieuwste versie: armoedig, gedegenereerd en verlaten. Maar hier, waar uitlaatgassen de atmosfeer verstikken, krijgen kleine verschrikkingen nieuwe waarden. De hemel bij nacht zou alle opstellingen van de hel kunnen hebben. En het Orpheus Hotel, dat van nu af aan Pandemonium wordt genoemd, niet minder.

-

Eens was het een indrukwekkend gebouw geweest en dat zou het weer kunnen worden als de eigenaren erin zouden willen investeren. Maar het herbouwen en opknappen van zo'n groot en ouderwets hotel was vermoedelijk financieel niet haalbaar. Enige tijd geleden had er een brand gewoed die zowel de begane grond als de eerste en tweede etage had uitgebrand voor hij geblust had kunnen worden. De derde etage en de volgende waren aangetast door de rook en er was niet veel meer over van de vroegere glamour. De grillen van het departement voor stadsvernieuwing hadden hun verdere tol geëist van de kansen van het gebouw op restauratie. Zoals Halifax had beschreven, was het land aan beide zijden van het hotel al ontgonnen voor een nieuw bouwproject. Maar er was nog niets ondernomen. Het hotel stond schitterend geïsoleerd met aanvoerwegen naar en van de M1 op niet meer dan driehonderd meter van een van de drukste trajecten van beton en asfalt in het zuiden van Engeland. Duizenden autorijders wierpen er iedere dag even een blik naar, maar de armoedige grootsheid was nu zo bekend dat ze het vermoedelijk nauwelijks meer registreerden. Handig, dacht Marty, om je op zo'n eenvoudige plek te verstoppen. Hij parkeerde de auto zo dicht mogelijk bij het hotel, toen glipte hij door een gat in het ijzeren hek dat om het geheel heen stond en liep over de verlaten vlakte. De instructies op het hek met 'Verboden toegang' en 'Geen vuil storten', werden opvallend genegeerd. Zwarte plastic zakken vol rommel lagen op grote hopen tussen de rotzooi en de resten van oude vreugdevuren. Veel van die zakken waren door kinderen of honden opengescheurd. Er puilde van alles uit: huishoudelijk en fabrieksvuil, en overal lagen oude kledingstukken en andere rommel verspreid, rottend eten, de alomtegenwoordige blikjes, kussens, lampekappen en automotoren, allemaal achtergelaten op een bed van gruis, stof en grijs gras.

Sommige honden - Marty dacht dat het wilde honden waren -keken op van hun bezigheden toen hij naderde; ze zagen er smerig uit en hun ogen glommen in de schemering. Hij dacht aan Bella en haar glanzende familie; deze straathonden leken nauwelijks tot dezelfde soort te behoren. Toen hij naar hen keek, lieten ze hun kop hangen en keken hem gluiperig, als onbekwame spionnen aan.

Hij ging naar de hoofdingang van het hotel. Boven de deur stond nog steeds duidelijk leesbaar het woord ORPHEUS, aan weerszijden van de ingang stonden namaak Dorische zuilen en er lagen mooie tegels bij de drempel. Maar tegen de deur zelf waren borden getimmerd en waarschuwingen voor straffen als iemand zich op verboden terrein zou begeven. Er leek weinig kans op. De eerste drie etages waren dichtgetimmerd met dezelfde grondigheid als de deur beneden en de begane grond was helemaal dichtgemetseld. Aan de achterkant van het gebouw was een deur die niet was dichtgetimmerd, maar aan de binnenkant was afgesloten. Hier was Halifax het gebouw vermoedelijk binnengegaan, maar dan moest Whitehead hem binnengelaten hebben. Zonder in te breken was er met geen mogelijkheid binnen te komen. Pas toen hij voor de tweede keer om het hotel liep, bekeek hij de branduitgang eens wat beter. Die liep zigzag rond de oostkant van het gebouw, een indrukwekkend staaltje van gevlochten ijzerwerk dat nu behoorlijk aan het roesten was. Het was verder vernield door een of andere ondernemende bergingsfirma die brood zag in het verroeste metaal en was begonnen de nooduitgang van de muur te halen, maar het werk bij de eerste etage had opgegeven. De eerste trap was dus verdwenen; de afgeknotte noodtrap hing zo'n meter of drie, vier boven de grond. Marty bestudeerde het probleem. De deuren van de nooduitgangen waren dichtgetimmerd, maar een op de derde etage zag eruit of eraan geknoeid was. Was dit de manier waarop de oude man binnen was gekomen? Hij zou er wel hulp bij nodig hebben gehad. Misschien van Luther. Marty bekeek de muur onder de nooduitgang. Hij zat vol graffiti, maar was volkomen glad. De eerste paar meter om naar de trap te komen, was er geen enkele kans op een houvast. Hij keek weer naar de vlakte en wachtte op inspiratie. Na een paar minuten zoeken zag hij in de steeds dieper wordende duisternis op de berg weggegooide meubels een tafel met drie poten die nog wel bruikbaar was. Hij sjouwde hem terug naar de brandtrap en legde een stapel vuilniszakken op de plek waar de vierde poot ontbrak. Het was een wankele stellage en zelfs toen kwam hij nog niet bij de onderste treden van de brandtrap, dus moest hij een sprong nemen. Bij de vierde poging had hij een stuk staal te pakken, maar toen was hij nog altijd een armlengte van de onderste tree vandaan. Een regen van roestige deeltjes daalde op zijn gezicht en haar neer. De brandtrap kraakte. Hij verzamelde al zijn moed, trok zichzelf de laatste paar centimeters op en strekte toen zijn linkerhand uit om zich aan de hogere tree vast te houden. Zijn schoudergewrichten protesteerden, maar hij trok zich naar boven, hand over hand, tot hij zijn been hoog genoeg kon optillen om zijn hele lichaam op de trappen te hijsen.

Het eerste deel lag achter hem en hij bleef even op de brandtrap staan om op adem te komen. Toen ging hij verder. Het was bepaald geen stabiele constructie; de bergingsmensen waren duidelijk hard aan het werk geweest om hem van de muur los te krijgen. Bij iedere stap die hij deed, leek een raspend geluid de overgave van de trap aan te kondigen.

'Hou vol,' fluisterde hij en probeerde zo licht mogelijk de trap op te lopen. Zijn moeite werd beloond op de derde etage. Zoals hij al had gedacht, was de deur vrij recent nog geopend en hij stapte opgelucht van de dubieuze veiligheid van de brandtrap het hotel zelf binnen.

Het stonk er nog naar de grote brand die er had gewoed, de bittere geur van verbrand hout en verkoolde resten. Met het weinige licht dat door de open deur naar de brandtrap kwam, kon hij onder zich de uitgebrande vloeren zien. De muren waren verschroeid; de verf op de leuningen zat vol brandplekken. Maar een paar stappen verderop was het vuur opgehouden.

Marty liep de trap naar de vierde verdieping op. Er lag een lange gang voor hem met aan beide zijden kamers. Hij liep de gang door en keek oppervlakkig iedere kamer in waar hij langsliep. De genummerde deuren lieten lege ruimtes zien; alle meubels en verdere inrichting waren jaren geleden al weggehaald. Het kwam misschien door de geïsoleerde positie en de moeilijke manier van binnenkomen dat het gebouw niet vernield was en door vandalen met rust was gelaten. De kamers waren belachelijk schoon en hun hoogpolig beige tapijt - het was blijkbaar te veel moeite geweest om ook dat te verwijderen - was nog net zo veerkrachtig onder zijn voeten als het altijd geweest was. Hij keek iedere kamer op de vierde verdieping na voor hij terugliep naar de trap en de volgende verdieping opging. Het was hier hetzelfde beeld, hoewel er minder kamers waren. Maar die waren wel groter, misschien aanbevolen vanwege een mooi uitzicht, en het tapijt was als het enigszins kon nog weelderiger. Het was vreemd om vanuit de verkoolde diepten van het hotel op deze zuivere en schone plek te komen. In de gangen beneden waren misschien wel mensen omgekomen, gestikt of gebraden in hun kamerjassen. Maar hier was geen spoor van een tragedie doorgedrongen. Er was nog maar één etage over om na te kijken. Toen hij de laatste trap opliep, werd de verlichting plotseling sterker, tot het bijna daglicht leek. De bron van het licht was de snelweg en het vond zijn weg door de dakramen en onvoldoende afgesloten vensters. Hij doorzocht het labyrint van kamers zo snel mogelijk en stond alleen even stil om uit een raam te kijken. Ver beneden zich kon hij de auto geparkeerd zien staan bij het hek; de honden waren druk bezig met een massaverkrachting. In de tweede kamer zag hij plotseling iemand die naar hem keek, maar toen besefte hij dat dat uitgeputte gezicht zijn eigen spiegelbeeld was in een spiegel die langs de muur stond.

De deur van de derde kamer op deze laatste etage was op slot. De eerste afgesloten kamer die Marty was tegengekomen. Dat bewees wel dat hij in gebruik was.

Inwendig juichend klopte Marty op de deur. 'Hallo? Meneer Whitehead?'

Er klonk geen antwoord of beweging van binnen. Hij klopte weer, harder nu, en bekeek de deur ondertussen om te zien of het mogelijk was in te breken, maar hij zag er te stevig uit om gemakkelijk in te kunnen duwen. Als het nodig was, zou hij terug moeten naar de auto om gereedschap te halen.

'Ik ben Strauss, meneer Whitehead. Ik ben Marty Strauss. Ik weet dat u daar binnen bent. Antwoord eens.' Hij luisterde. Toen er geen antwoord kwam, klopte hij voor de derde keer, dit keer met zijn vuist in plaats van met zijn vingers. En plotseling kwam er een antwoord, schrikbarend dichtbij. De oude man stond aan de andere kant vlak achter de deur; dat had hij vermoedelijk de hele tijd al gedaan.

'Loop naar de hel,' zei de stem. Het klonk een beetje onduidelijk, maar het was ontegenzeglijk de stem van Whitehead. 

'Ik moet u spreken,' antwoordde Marty. 'Laat me binnen.'

'Hoe heb je me verdomme gevonden?' wilde Whitehead weten. 'Klootzak die je bent.'

'Ik heb wat navraag gedaan, dat is alles. Als ik u kan vinden, kan iedereen dat.'

'Niet als je je verdomde bek dichthoudt. Je wilt natuurlijk geld? Je bent voor geld gekomen, hè?'

'Nee.'

'Je kunt het krijgen. Je kunt krijgen zoveel als je wilt hebben.'

'Ik wil geen geld.'

'Dan ben je een grote stommeling,' zei Whitehead en lachte in zichzelf, een vreugdeloze giechel. De man was dronken.

'Mamoulian zit achter je aan,' zei Marty. 'Hij weet dat je nog in leven bent.'

Het lachen hield op.

'Hoe dan?'

'Door Carys.'

'Heb je haar gezien?'

'Ja. Ze is in veiligheid.'

'Tja. .. ik heb je onderschat.' Hij zweeg even en er klonk een zacht geluid, alsof hij tegen de deur aan leunde. Na een tijdje sprak hij weer. Hij klonk uitgeput.

'Waarom ben je hier gekomen als het niet voor geld was? Ze heeft nogal dure gewoontes, weet je.'

'Ja, dankzij jou.'

'Ik ben ervan overtuigd dat je het net zo gemakkelijk zult vinden als ik op den duur. Ze doet alles voor haar drugs.'

'Je bent een smeerlap, weet je dat?'

'Maar je bent toch gekomen om me te waarschuwen.' De oude man sprong als de weerlicht op de paradox af, als de kippen erbij om een man op zijn zwakke punt te grijpen. 'Arme Marty...' de onduidelijke stem stierf weg, verstikt in zelfmedelijden. Toen, haarscherp: 'Hoe heb je me gevonden?'

'De aardbeien.'

Vanuit de kamer klonk het geluid van een gedempt verslikken en dat was weer Whiteheads lachje, dit keer om zichzelf. Het kostte hem even om weer bij te komen. 'Aardbeien. ..' mompelde hij. 'Lieve help. Je moet wel aanhoudend geweest zijn. Heb je zijn armen gebroken?'

'Nee. Hij verstrekte de informatie zelf. Hij wilde je niet zien verschrompelen en doodgaan.'

'Ik ga niet dood!' snauwde de oude man. 'Mamoulian gaat dood. Dat zul je zien. Hij heeft niet veel tijd meer. Ik moet alleen maar wachten. En dat kan net zo goed hier als waar dan ook. Ik heb het hier goed naar mijn zin. Afgezien van Carys dan. Ik mis haar. Waarom stuur je haar niet naar me toe, Marty? Dat zou ik een aardig gebaar vinden.'

'Je zult haar nooit meer zien.'

Whitehead zuchtte. 'O jawel,' zei hij, 'ze komt wel weer terug als ze genoeg van jou heeft. Wanneer ze iemand nodig heeft die haar stenen hart werkelijk waardeert. Dat zul je zien. Tja. .. leuk dat je even langskwam, welterusten Marty.'

'Wacht even.'

'Ik zei welterusten.'

'. . .ik heb vragen. . .' begon Marty.

'Vragen, vragen. ..' de stem verdween al langzaam. 

Marty ging dichter tegen de deur aan staan om zijn laatste troef uit te spelen. 'We hebben uitgevonden wie de Europeaan is, wat hij is!' Maar er kwam geen antwoord. Whitehead had geen belangstelling meer voor hem. Het was zinloos en hij wist het. Er viel hier geen wijsheid te halen, alleen maar een dronken oude man die zijn oude machtsspelletjes herhaalde. Ergens diep in het gebouw ging een deur dicht. Alle contacten tussen de twee mannen waren verbroken.

Marty daalde de twee trappen weer af naar de open nooduitgang en verliet het gebouw op dezelfde manier als hij er was binnengekomen. Na de geur van het gedoofde vuur binnen was zelfs de geur van de snelweg fris en schoon.

Hij stond een paar minuten op de brandtrap en keek hoe het verkeer op de snelweg langsreed, zijn aandacht plezierig afgeleid door het schouwspel van inhalende forenzen. Niemand kon het wat schelen of er potentaten vielen of niet. De automobilisten niet en de honden ook niet, waarom zou hij zich er dan druk over maken? Whitehead was net als het hotel een verloren zaak. Hij had zijn best gedaan de oude man te redden en hij was er niet in geslaagd. Nu moesten hij en Carys samen ergens een nieuw leven opbouwen en Whitehead zijn eigen eind laten regelen. Laat hem maar in een vlaag van berouw zijn polsen doorsnijden of in zijn slaap stikken in zijn braaksel. Het kon Marty niet meer schelen. Hij klom de brandtrap af en klauterde op de tafel. Toen liep hij over de verlaten vlakte naar de auto en keek nog een keer om, om te zien of Whitehead stond te kijken. Onnodig te zeggen dat de bovenste ramen leeg waren.

68

-

Toen ze bij Caliban Street aankwamen, was het meisje nog steeds zo high van haar zo laat gekregen drugs dat het moeilijk was om door haar chemisch geprikkelde zintuigen met haar te communiceren. De Europeaan liet de evangelisten alles schoonmaken en verbranden, zoals hij Breer had gezegd te doen, en begeleidde Carys naar de kamer op de bovenste verdieping. Daar begon hij aan te dringen dat ze snel haar vader zou zoeken. Eerst glimlachte ze alleen maar tegen hem, nog helemaal onder invloed van de drugs. Zijn frustratie begon in woede te veranderen. Toen ze om zijn dreigementen begon te lachen, die langzame ontheemde lach die zo op de lach van de pelgrim leek alsof ze een grap kende over hem die ze hem niet vertelde, liet zijn zelfbeheersing hem in de steek en hij liet zo'n afschuwelijk visioen op haar los dat de walgelijkheid ervan hem bijna net zo erg ontstelde als hij haar angst aanjoeg. Ze staarde vol ongeloof naar dezelfde smeerboel die hij in de badkamer te voorschijn had gehaald en die nu uit haar eigen lichaam stroomde. 

'Haal het weg,' zei ze tegen hem, maar hij maakte het visioen alleen maar erger, tot haar schoot wemelde van de monstruositeiten. En opeens barstte haar drug-luchtballon. Er verscheen een blik van waanzin in haar ogen toen ze in elkaar gedoken in de hoek van de kamer zat terwijl uit al haar lichaamsopeningen dingen kwamen die worstelden om eruit te komen en zich vervolgens aan haar vastklampten met alle mogelijke door hem bedachte ledematen. Ze was op het randje van krankzinnigheid, maar hij was te ver gegaan om zijn aanval nu nog af te breken, ook al stond de verdorvenheid hem nog zo tegen. 

'Zoek de pelgrim,' zei hij tegen haar, 'en dit verdwijnt allemaal.'

'Ja, ja, ja,' smeekte ze, 'wat je maar wilt.' Hij stond te kijken hoe ze aan zijn verlangens gehoorzaamde terwijl ze zichzelf in dezelfde bochten wrong als toen ze Toy moest zoeken. Maar het duurde langer voor ze de pelgrim had gevonden, zo lang dat de Europeaan begon te denken dat ze alle contacten met haar lichaam had verbroken en het liever aan zijn listen overliet dan er weer in terug te keren. Maar eindelijk kwam ze terug. Ze had hem gevonden in een hotel nog geen half uur rijden van Caliban Street. Mamoulian was niet verbaasd. Het lag niet in de aard van vossen om ver van hun natuurlijke woonplaats te trekken.

Uitgeput door de reis en de angst werd Carys door Chad en Tom de trap afgedragen en de wachtende auto in. De Europeaan liep nog één keer door het huis om te kijken of ieder spoor van zijn aanwezigheid verwijderd was. Het meisje in de kelder en de smeerboel van Breer konden op zo'n korte termijn niet meer worden opgeruimd, maar dat was een aardigheidje. Laat hen die na hen kwamen maar denken wat ze wilden van de foto's op de muur en de flessen parfum die daar zo liefdevol gerangschikt stonden. Alles wat werkelijk belangrijk was, de bewijzen van zijn bestaan, dat van de Europeaan, hier of waar dan ook, moest zorgvuldig worden uitgewist. Weldra zou hij weer een gerucht zijn, roddels onder achtervolgde mensen.

Tijd om te gaan,' zei hij en sloot de deur. 'De zondvloed is bijna over ons.'

-

Onder het rijden begon Carys weer op krachten te komen. Door het open voorraampje streek warme lucht over haar gezicht. Ze deed haar ogen even open en keek in de richting van de Europeaan. Hij keek niet naar haar, maar staarde uit het raampje. Zijn aristocratische profiel stond minzamer dan ooit door zijn vermoeidheid.

Ze vroeg zich af hoe het haar vader zou vergaan in de naderende slotfase. Hij was oud, maar Mamoulian was veel ouder. Was leeftijd in deze confrontatie een voordeel of een nadeel? Stel dat ze aan elkaar gewaagd waren. Deze gedachte kwam voor het eerst in haar op. Stel dat het spel dat ze speelden zonder verlies of overwinning aan een van beide kanten zou eindigen? Gewoon een conclusie uit de twintigste eeuw: allemaal tweeslachtigheid. Dat wilde ze niet; ze wilde klaarheid.

Hoe het ook zou gaan, ze wist dat er maar een kleine kans bestond dat zij de komende zondvloed zou overleven. Alleen Marty kon de weegschaal nog in haar voordeel laten doorslaan, maar waar was hij nu? Als hij naar Kilburn was teruggegaan en het verlaten had gevonden, zou hij dan niet denken dat ze uit eigen beweging bij hem was weggegaan? Ze kon niet voorspellen wat hij zou doen. Het was een schok geweest dat hij in staat was om haar met de heroïne te chanteren. Er bleef maar één wanhopige manoeuvre over: ze kon zich naar hem toe denken en hem vertellen waar ze was en waarom. Er waren risico's aan een dergelijke zet verbonden. Loslopende gedachten van hem opvangen was één ding, dat was niet meer dan een trucje, maar om te proberen in zijn hoofd te komen en bewust met hem te converseren zou nogal wat geestelijke spierkracht vergen. En stel dat ze de kracht had om het te doen, wat zouden de consequenties van een dergelijke indringing voor Marty zijn? Ze overpeinsde het dilemma in een waas van ongerustheid, in de wetenschap dat de minuten voorbij tikten en dat het weldra te laat zou zijn voor een vluchtpoging, hoe wanhopig ook.

-

Marty reed in zuidelijke richting naar Cricklewood toen hij plotseling pijn in zijn nek kreeg. Het verspreidde zich weldra door zijn hele schedel en escaleerde binnen twee minuten tot een hoofdpijn van ongekende intensiteit. Zijn instinct zei hem vaart te meerderen en zo snel mogelijk naar Kilburn terug te gaan, maar Finchley Road was één grote verkeerschaos en hij kon alleen maar met de file meerijden terwijl de pijn iedere tien meter erger werd. Zijn bewustzijn, dat zich voortdurend intensiever met de omhoog draaiende spiraal van pijn bezighield, concentreerde zich steeds sterker op steeds kleinere en kleinere deeltjes informatie en zijn waarnemingen vernauwden zich tot een speldeprik. Voor de Citroen uit was de weg een mist. Hij was bijna blind van pijn en een botsing met een grote koelwagen werd alleen maar voorkomen door de behendigheid van de andere chauffeur. Hij begreep dat verder rijden fataal zou zijn, dus wrong hij zich zo goed en zo kwaad als het ging uit de file. Overal om hem heen toeterden auto's toen hij slordig langs de kant van de weg parkeerde en daar de auto uit strompelde om wat frisse lucht te krijgen. Volkomen gedesoriënteerd liep hij midden tussen het verkeer door. De lichten van het tegemoetkomende verkeer waren een muur van flitsende kleuren. Hij voelde zijn knieën onder zich dubbelslaan en kon maar net voorkomen dat hij voor de auto's in elkaar zakte door zich aan het open autoportier vast te houden en zichzelf aan de voorkant van de Citroën op te hijsen en zich zo naar de relatieve veiligheid van het trottoir te bewegen.

Er viel een druppel regen op zijn hand. Hij tuurde ernaar en concentreerde zich om het duidelijk te zien. Maar het was geen regen, het was bloed. Hij legde zijn hand tegen zijn gezicht. Zijn neus bloedde behoorlijk. De warmte rolde langs zijn arm en in de opgerolde mouwen van zijn overhemd. Hij greep in zijn zak en haalde een zakdoek te voorschijn die hij onder zijn neus duwde, toen strompelde hij over het trottoir naar de pui van een winkel. Hij zag zichzelf in de etalageruit. Er zwommen vissen achter zijn ogen. Hij vocht tegen de zinsbegoocheling, maar de briljant gekleurde exotische dingen, de bellen in zijn hoofd bleven. Hij ging een beetje bij het glas vandaan staan en las de woorden die erop geschilderd stonden: Cricklewood Aquariumbenodigheden. Hij draaide zijn rug naar de guppies en de goudvissen en ging op het smalle kozijn zitten. Hij begon te trillen. Dit was het werk van Mamoulian, begreep hij. Als ik eraan toegeef, sterf ik. Ik moet vechten. Ten koste van alles vechten.

-

Carys sprak, het woord was van haar lippen voor ze het kon tegenhouden. 'Marty.'

De Europeaan keek haar aan. Droomde ze? Er stond zweet op haar gezwollen lippen, ja, ze droomde. Over een intiem samenzijn met Strauss natuurlijk. Daarom sprak ze zijn naam ook zo gebiedend. 'Marty.'

Ja, ze was beslist aan het dromen over de pijl en de wond. Kijk maar hoe ze trilde. Kijk hoe haar handen tussen haar benen bewogen, het was een schandelijke vertoning. 'Hoelang nog?' vroeg hij St.-Tom die de kaart bekeek. 

'Vijf minuten,' antwoordde de jongen. 

'Het is er een goede nacht voor,' zei Chad.

-

Marty?

Hij keek op en kneep zijn ogen halfdicht om een beter beeld van de straat te krijgen, maar hij kon zijn ondervrager niet zien. De stem was in zijn hoofd. Marty?

Het was de stem van Carys die afschuwelijk verdraaid klonk. Toen ze in zijn schedel sprak, leek hij te kraken en zijn hersens opgeblazen te worden tot de afmetingen van een meloen. De pijn was ondraaglijk. Marty?

Hou je mond, wilde hij zeggen, maar ze was er niet om het te kunnen horen. Bovendien was zij het niet, hij was het, de Europeaan. De stem werd nu vervangen door het geluid van iemand die ademde, niet hijzelf. Het was een walgelijk gehijg, op een slaperig ritme. De vage mist van de straat werd donkerder; de pijn in zijn hoofd was hemel en aarde geworden. Hij wist dat als hij geen hulp kreeg, hij zou sterven.

Hij stond blindelings op. Er klonk een gefluit in zijn oren dat al het geluid van het verkeer op een afstand hield. Hij struikelde naar voren. Er stroomde nog meer bloed uit zijn neus. 'Kan iemand me helpen. ..'

Een anonieme stem kwam door de chaos in zijn hoofd. De woorden die werden gesproken waren onbegrijpelijk voor hem, maar hij was tenminste niet alleen. Een hand raakte zijn borst aan, een ander hield zijn arm vast. De stem die hij had gehoord, raakte in paniek. Hij wist niet zeker of hij een antwoord had gegeven. Hij wist niet eens zeker of hij stond of viel. Wat gaf het ook? Blind en doof wachtte hij op iemand die hem zou vertellen dat hij dood mocht gaan.

-

Ze reden een straat in vlak bij het Orpheus Hotel. Mamoulian stapte uit en liet het aan de evangelisten over om Carys mee te brengen. Hij had gemerkt dat hij haar kon ruiken, die rijpe geur die hij met menstruatie associeerde. Hij liep vooruit, door het kapotte hek het niemandsland op dat rondom het hotel lag. De afgelegen plek deed hem goed. De puinhopen, de bergen afgedankte meubels en dat alles gezien tegen het ziekelijke licht van de snelweg straalde een zekere bekoring uit. Het was een prima plaats om de laatste riten op uit te voeren. De pelgrim had goed gekozen.

'Is dit het?' vroeg Chad die hem volgde. 

'Ja. Wil jij een ingang voor ons zoeken?'

'Natuurlijk.'

'Maar doe het wel zachtjes, hè?'

De jongeman liep over de grond vol kuilen en stopte alleen om een stuk verbogen metaal op te pakken waarmee hij zich met geweld toegang zou kunnen verschaffen. Die Amerikanen waren bijzonder behulpzaam, peinsde Mamoulian terwijl hij achter Chad aan liep, geen wonder dat ze de wereld regeerden. Hulpvaardig, maar niet subtiel. Chad trok de planken bij de voordeur weg zonder veel aandacht aan de verrassingsaanval te schenken. Kun je het horen? dacht hij tegen de pelgrim. Weet je dat ik hier ben, eindelijk zo dicht bij je?

Hij keek met zijn koude ogen naar de bovenkant van het hotel.

Zijn maag deed pijn van de spanning, er lag een laagje zweet over zijn voorhoofd en het water stond in zijn handen. Wat vreemd dat een romance op deze manier zou eindigen, zonder dat een normaal mens de laatste delen zou kunnen zien. Wie zou het weten als het eenmaal voorbij was, wie zou het vertellen? De Amerikanen niet. Zij zouden de volgende uren geestelijk gezien niet overleven. En Carys ook niet, zij zou het helemaal niet overleven. Er zou niemand zijn die het verhaal zou kunnen navertellen, en om de een of andere onduidelijke reden vond hij dat jammer. Was dat wat hem tot Europeaan maakte? Om zijn verhaal nog eens een keer verteld te hebben, doorgegeven aan een andere geïnteresseerde luisteraar die in zijn tijd de les zou negeren en zijn eigen lijden zou herhalen? O, hij hield toch zo van traditie. De voordeur was opengeslagen. St.-Chad stond er grinnikend en zwetend bij in zijn pak met das.

'Ga jij maar voorop,' stelde Mamoulian voor. De enthousiaste jongeling ging naar binnen, de Europeaan volgde en Carys en St.-Tom vormden het staartstuk. Binnen hing een geur van verwachting. Associaties waren een van de vloeken van het ouder worden. In dit geval riepen de geur van verkoold hout en de rommel voor hun voeten herinneringen op aan tientallen steden waar hij had rondgezworven, maar vooral aan één. Was dat de reden waarom Joseph hierheen was gegaan, vanwege de rookgeur en de klim de steile trap op, wekten die herinneringen op aan de kamer bij het Muranowskiplein? De handigheden van de dief hadden die nacht niet voor de zijne ondergedaan. Er was iets gezegends aan die jongeman met de glinsterende ogen, de vos die zo weinig ontzag toonde, gewoon aan tafel ging zitten en zijn leven op het spel zette om te spelen. Mamoulian had gedacht dat de pelgrim Warschau was vergeten toen hij steeds rijker was geworden, maar deze klim de verbrande trappen op was een positief bewijs dat dit niet het geval was. Ze klommen de duisternis in met St.-Chad voorop om de weg te wijzen en naar achteren te roepen dat hier een leuning was verdwenen en daar een traptrede weg was. Tussen de derde en de vierde etage, waar het vuur niet verder was gekomen, hield Mamoulian even een pauze en wachtte tot Carys en Tom er ook waren. Toen ze er waren, wilde hij dat het meisje bij hem werd gebracht. Het was hier een beetje lichter. Mamoulian zag een verloren uitdrukking op het gezicht van het meisje liggen. Hij raakte haar even aan, niet omdat hij dat prettig vond, maar hij had het gevoel dat het toepasselijk was.

'Je vader is hier,' vertelde hij haar. Ze gaf geen antwoord en haar trekken bleven verdrietig staan. 'Carys... luister je?' Ze knipperde even met haar ogen. Hij veronderstelde dat hij contact met haar had.

'Ik wil dat je met je vader spreekt. Begrijp je me? Ik wil dat je hem zegt dat hij de deur voor me moet opendoen.' Ze schudde voorzichtig haar hoofd.

'Carys,' berispte hij haar. 'Je weet nu toch wel dat je mij niets moet weigeren.'

'Hij is dood,' zei ze.

'Nee,' antwoordde de Europeaan onbewogen, 'hij is hier, een paar etages boven ons.'

'Ik heb hem vermoord.'

Wat was dit voor visioen? 'Wie?' vroeg hij scherp. 'Wie heb je vermoord?'

'Marty. Hij geeft geen antwoord. Ik heb hem vermoord.'

'Sst.. . sst...' De koude vingers streken langs haar wang. 'Is hij toch dood? Nou, dan is hij dood. Meer kunnen we er niet over zeggen.'

'... ik heb het gedaan.. .'

'Nee, Carys. Jij niet. Het was iets dat gedaan moest worden, maak je niet druk.'

Hij nam haar bleke gezicht tussen zijn handen. Hij had haar hoofd vaak zo gewiegd toen ze nog een kind was, trots dat zij een afstammelinge van de pelgrim was. In die omhelzingen had hij de krachten gelegd waar ze mee was opgegroeid; hij had gevoeld dat er een tijd zou komen waarin hij haar nodig zou hebben. 'Maak de deur open, Carys. Zeg hem dat je hier bent en hij zal hem voor jou openmaken.'

'Ik wil hem. . . niet zien.'

'Maar ik wel. Je zou me een grote dienst bewijzen. En als het voorbij is, hoef je nooit meer ergens bang voor te zijn. Dat beloof ik je.'

Ze leek dit in te zien.

'De deur...' hield hij aan.

'Ja.'

Hij liet haar gezicht los en ze draaide zich om en liep de trap op. Whitehead hoorde niets in de comfortabele kamer waar de jazz op de draagbare hifi speelde die Luther zes etages voor hem had opgesleept. Hij had alles wat hij nodig had. Drinken, boeken, platen en aardbeien. Een man kon hier de zondvloed uitzitten en er niet de minste hinder van ondervinden. Hij had zelfs een paar schilderijen meegenomen: de vroegere Matisse uit zijn studeerkamer, Reclining Nude, Quai St.-Michel, een Miro en een Francis Bacon. Die laatste was een fout geweest. Het was te suggestief en morbide met de suggestie van een gevild lichaam en hij had het omgekeerd tegen de muur aan gezet. Maar de Matisse was een genot, zelfs bij kaarslicht. Hij staarde ernaar, als altijd onder de indruk van het nonchalante gemak, toen er geklopt werd. Hij stond op. Het was uren geleden sinds Strauss hier was geweest, dacht hij. Was hij teruggekomen? Hij had geen idee van tijd meer. Een beetje duizelig van de wodka slingerde Whitehead door het halletje van de suite en luisterde bij de deur. 

'Pappa...'

Het was Carys. Hij gaf haar geen antwoord. Het was vreemd dat ze er was.

'Ik ben het, Pappa. Ben je daar?'

Haar stem was zo aarzelend en klonk weer net als vroeger. Was het mogelijk dat Strauss had gedaan wat hij hem had gevraagd en het meisje naar hem toe had gestuurd of was ze op eigen initiatief naar hem toe gekomen, net als Evangeline na een ruzie? Ja, dat was het. Ze was gekomen, net als haar moeder; ze kon er niets aan doen. Hij begon met onwillige vingers van de spanning de deur open te maken. 

'Pappa...'

Eindelijk kreeg hij de deur open. Ze was er niet. Er was niemand, althans, dat was zijn eerste gedachte. Maar toen hij terugliep in het halletje van de suite werd de kamerdeur wijd opengegooid en hij werd door een jongeman die hem met zijn handen bij zijn hals en kruis pakte plat tegen de muur geduwd. Hij liet de fles wodka uit zijn handen vallen en gooide zijn handen omhoog om zich over te geven. Toen hij de aanval van zijn hoofd had afgeweerd, keek hij over de schouder van de jongeman en zijn waterige blik viel op de man die de jongeman was gevolgd. Zachtjes en zonder enige waarschuwing begon hij te huilen.

-

Ze lieten Carys in de kleedkamer naast de slaapkamer achter. Hij was leeg op een ingebouwde klerenkast en een stapel gordijnen na die van de ramen waren weggehaald en vervolgens vergeten. Ze maakte het zich er gemakkelijk op en ging liggen. Er speelde maar één gedachte door haar hoofd: Ik heb hem vermoord. Ze had zijn weerstand gevoeld bij haar onderzoek, voelde de spanning groter worden in hem. En toen, niets meer.

De kamer die een kwart van de bovenste etage in beslag nam, had twee uitkijkpunten. De een was de snelweg, een fel lint van koplampen. De ander was duisterder en liep langs de oostkant van het hotel. Het kleedkamertje gaf uitzicht op dit laatste: een stuk land, dan een hek en daarachter de stad. Maar als ze op de grond lag, kon ze het niet zien. Ze kon alleen maar de hemel zien waar een jet met flikkerende lichtjes langs kroop. Ze keek naar zijn cirkelende daling en dacht Martys naam.

-

'Marty.'

Ze droegen hem een ambulance in. Hij voelde zich nog steeds doodziek, alsof hij zo uit de achtbaan kwam. Hij wilde niet bij bewustzijn komen, want dan werd hij weer misselijk. Het fluitende geluid in zijn oren was gelukkig verdwenen en zijn gezichtsvermogen was ook nog in orde.

'Wat is er gebeurd? Aangereden en doorgereden?' vroeg iemand hem.

'Hij viel gewoon,' antwoordde een getuige. 'Ik zag het gebeuren. Hij viel midden op het trottoir neer. Ik kwam net uit de kiosk toen ik.

'Marty.'

'... en daar was hij...'

'Marty.'

Zijn naam klonk in zijn hoofd, helder als een belletje op een lenteochtend. Er kwam weer een druppel bloed uit zijn neus, maar dit keer zonder pijn. Hij tilde zijn hand op om de stroom tegen te houden, maar er was al een hand, deppend en vegend. 

'Het komt wel goed,' zei een mannenstem. Marty voelde dat dit absoluut waar was, hoewel het niets te maken had met wat de man bedoelde. De pijn was weg en de angst ook. Carys had in zijn hoofd gesproken. Dat was het de hele tijd geweest. Nu was er misschien met geweld een muur in hem gebroken. Het had pijn gedaan, maar het ergste was voorbij; ze dacht zijn naam in zijn hoofd en hij ving haar gedachte op als een opgegooide tennisbal. Zijn oorspronkelijke gedachte was wel een beetje naïef geweest. Het was heel eenvoudig om die gedachte op te vangen als je het eenmaal kon.

-

Ze voelde hem wakker worden.

Ze lag even op het bed van gordijnen terwijl de jet langs het raam knipperde en durfde niet goed te geloven wat haar instinct haar vertelde. Dat hij haar hoorde, dat hij leefde. Marty? dacht ze. Dit keer trof het woord zijn doel in plaats van ergens tussen zijn geest en de hare in de duisternis verloren te gaan. Hij was niet in staat een antwoord te vormen, maar dat was op het ogenblik onbelangrijk. Zolang hij kon horen en begrijpen, kon hij komen.

Het hotel, dacht ze. Begrijp je het, Marty? Ik zit met de Europeaan in een hotel. Ze probeerde zich de naam te herinneren die ze boven de deur had zien staan. Orpheus dat was het geweest. Ze wist geen adres, maar ze deed haar best om het gebouw voor hem in kaart te brengen in de hoop dat hij er iets van zou begrijpen.

-

Hij kwam overeind in de ambulance.

'Maakt u zich maar geen zorgen. Er wordt voor de auto gezorgd,' zei de broeder en duwde met een hand tegen zijn schouder zodat hij weer zou gaan liggen. Ze hadden een vuurrode deken om hem heen gewikkeld. Rood, zodat het bloed niet zo duidelijk te zien was, schoot het door hem heen terwijl hij de deken van zich afgooide.

'U kunt niet opstaan,' zei de broeder. 'U bent in een veel te slechte conditie.'

'Ik mankeer niets,' zei Marty en duwde de bezorgde hand weg. 'U bent geweldig geweest. Maar ik heb een belangrijke afspraak.' De chauffeur was bezig de dubbele deuren aan de achterkant van de ambulance dicht te doen. Door de steeds kleiner wordende spleet kon Marty een kring van sensatiezoekers zien die hun best deden een laatste blik van dit schouwspel op te vangen. Hij dook naar de deuren.

De omstanders waren ontevreden om Lazarus weer te zien herrijzen en nog erger, om te zien hoe hij verontschuldigend en glimlachend als een gek te voorschijn kwam uit het voertuig. Had de man geen gevoel voor verhoudingen?

'Ik ben weer in orde,' zei hij tegen de chauffeur terwijl hij zich door de menigte wrong. 'Ik zal wel iets verkeerds hebben gegeten.' 

De chauffeur keek hem niet-begrijpend aan. 'Je bent stapel,' kon hij er nog uit krijgen. 

'Ik heb me nooit beter gevoeld,' antwoordde Marty en in zekere zin was dat ook zo, ondanks de vermoeidheid die hij voelde. Ze was hier in zijn hoofd en er was nog tijd om de zaken in orde te krijgen als hij voortmaakte. De Citroen stond een paar meter verder; er lagen bloedspatten van hem op de straat ernaast. De sleutels zaten nog in het contact. 'Wacht op me, meisje,' zei hij en reed weer terug naar het Pandemonium Hotel.

69

-

Het was niet voor het eerst dat Sharon was buitengesloten terwijl haar moeder een man ontving die het meisje nog nooit eerder had gezien en ook nooit meer zou zien, maar vanavond kwam het buitensluiten al bijzonder slecht uit. Ze voelde een zomerverkoudheid opkomen en ze wilde in huis zijn en voor de tv zitten in plaats van na donker nog op straat te zijn terwijl ze tevergeefs probeerde nieuwe springtouwspelletjes te bedenken. Ze liep een eindje door de straat en begon alleen te hinkelen, maar ze hield bij vijf al op. Ze stond net voor nummer tweeëntachtig. Het was een huis waar haar moeder haar voor had gewaarschuwd. Op de begane grond woonde een Aziatische familie die met z'n twaalven in één bed sliepen, althans dat had mevrouw Lennox aan Sharons moeder verteld, en in het huis heersten smerige, misdadige toestanden. Maar ondanks de reputatie was nummer tweeëntachtig de hele zomer een grote teleurstelling geweest. Vandaag had Sharon wat mensen in en uit zien lopen. Er waren mensen in een grote auto gekomen en ze hadden een vrouw meegenomen die er ziek uitzag. En nu, terwijl ze langzaam voort hinkelde, was er iemand achter een van de ramen van de middelste etage, een grote, schaduwachtige figuur die haar wenkte.

Sharon was tien jaar. Het zou nog een jaar duren voor ze haar eerste menstruatie zou krijgen en hoewel ze er via haar halfzuster wel een flauw vermoeden van had wat er zich tussen mannen en vrouwen afspeelde, vond ze het maar raar geklets. De jongens die op straat voetbalden, sloegen schunnige taal uit en waren groezelige figuren; ze kon zich nauwelijks voorstellen dat ze ooit moeite zou doen om hun aandacht te trekken.

Maar de verlokkende gestalte bij het raam was mannelijk en hij maakte iets los in Sharon dat een rots kon doen omrollen. En daaronder waren de eerste bewegingen van iets dat nog niet genoeg levenskracht bezat om echt te ontluiken. Ze voelde het binnen in zich en ze kreeg er kriebelige benen van. Het was om die kriebel te laten ophouden dat ze ieder verbod in verband met nummer tweeëntachtig negeerde en het huis in glipte toen de voordeur werd opengedaan, en ze liep naar boven waar ze wist dat de vreemdeling zou zijn.

'Hallo?' zei ze terwijl ze op de overloop buiten de kamer stond. 

'Je mag wel binnenkomen,' zei de man.

Sharon had de dood nog nooit eerder geroken, maar ze wist het instinctief. Introducties waren overbodig. Ze stond in de deuropening en keek naar de man. Als ze wilde, kon ze nog steeds weglopen, dat wist ze. Ze was wel veiliger doordat hij aan het bed zat vastgebonden. Dat kon ze zien, hoewel de kamer donker was. Haar nieuwsgierige geest vond daar niets vreemds aan; volwassenen speelden spelletjes, zoals kinderen dat ook deden. 

'Doe het licht eens aan,' stelde de man voor. Ze reikte naar het knopje naast de deur en draaide het aan. Het zwakke gloeilampje wierp een vreemd licht op de gevangene; hij zag er zieker uit dan Sharon ooit eerder iemand had gezien. Hij had het bed blijkbaar door de kamer naar het raam gesleept waardoor de touwen die hem vastbonden in zijn grijze huid waren gegroefd zodat er een glanzende bruine vloeistof, dat eigenlijk geen bloed was, over zijn handen en broek was gelopen en op de grond en zijn voeten was gespetterd. Zijn gezicht glansde ook en vertoonde eveneens zwarte vlekken.

'Hallo,' zei hij. Zijn stem klonk scherp alsof hij door een goedkope radio sprak. Het vreemde sprak haar wel aan. 

'Hallo,' zei ze ook.

Hij gaf haar een scheve grijns en het peertje verlichtte zijn vochtige ogen die zo diep in zijn hoofd lagen dat ze ze nauwelijks kon zien. Maar als ze bewogen, zoals nu, bibberde de huid eromheen. 'Het spijt me dat ik je van je spelletje moest weghalen,' zei hij. Ze treuzelde bij de deur, niet zeker of ze zou blijven of weg zou gaan. 

'Ik mag hier eigenlijk niet komen,' plaagde ze. 

'O. ..' zei hij en rolde zijn ogen omhoog zodat het wit te zien kwam. 'Ga alsjeblieft niet weg.'

Ze vond dat hij er gek uitzag met zijn bevlekte jasje en zijn rollende ogen. 'Als Marilyn wist dat ik hier was geweest...'

'Is dat je zuster?'

'Mijn moeder. Dan zou ze me slaan.'

De man keek bedroefd. 'Dat zou ze niet moeten doen,' zei hij. 

'Ze doet het toch.'

'Dat is akelig,' antwoordde hij verdrietig.

'O, ze zal er niets van merken,' stelde Sharon hem gerust. De man raakte meer van streek door haar gepraat over slaan dan ze had bedoeld. 'Niemand weet dat ik hier ben.'

'Mooi,' zei hij. 'Ik zou niet willen dat je iets naars overkwam vanwege mij.'

'Waarom zit je helemaal vastgebonden?' vroeg ze. 'Is dat een spelletje?'

'Ja. Dat is het. Vertel me eens hoe je heet.'

'Sharon.'

'Je hebt helemaal gelijk, Sharon, het is een spelletje. Alleen, ik wil niet meer spelen. Het begint pijn te doen. Dat kun je wel zien.'

Hij tilde zijn handen zover mogelijk op om te laten zien hoe diep de banden insnoerden. Een zwerm vliegen die in hun leg gestoord waren, zoemden om zijn hoofd.

'Ben jij goed in knopen uithalen?' vroeg hij haar.

'Niet erg.'

'Wil je het proberen? Voor mij?'

'Ik denk van wel,' zei ze.

'Ik voel me alleen erg moe. Vooruit Sharon, doe de deur dicht.' Ze deed wat er van haar verlangd werd. Er was geen dreiging, gewoon een raadsel (of misschien wel twee: de dood en mannen) en ze wilde meer weten. Bovendien was de man ziek; hij kon haar in zijn huidige toestand geen kwaad doen. Hoe dichter ze bij hem kwam, hoe erger hij eruitzag. Zijn huid vervelde en op zijn gezicht zaten druppels van iets dat op zwarte olie leek. Onder de geur van zijn bijzonder sterke parfum rook ze iets bitters. Ze wilde hem niet aanraken, ook al had ze nog zo'n medelijden met hem. 

'Alsjeblieft. ..' zei hij en bood zijn gebonden handen aan. De vliegen zwermden geïrriteerd rond. Er waren er veel en ze waren allemaal in hem geïnteresseerd, in zijn ogen en zijn oren. 

'Ik zal een dokter halen,' zei ze, 'u bent ziek.'

'Daar is geen tijd voor,' zei hij. 'Haal die knopen er nou maar uit, dan ga ik zelf wel een dokter zoeken en dan hoeft niemand ooit te weten dat je hier bent geweest.'

Ze knikte, want ze zag de logica daarvan in, en ze liep door een wolk van vliegen naar hem toe om de belemmeringen op te heffen. Haar vingers waren niet sterk en ze had haar nagels tot op het leven toe afgebeten, maar ze werkte vastbesloten aan de knopen met een charmante frons op haar volmaakt gevormde voorhoofdje. Haar pogingen werden belemmerd door een golf gelige vloeistof die uit zijn kapotte huid kwam en alles verknoeide. Af en toe keek ze hem met haar lichtbruine ogen aan en hij vroeg zich af of ze het verrottingsproces voor zich registreerde. Als dat zo was, dan was ze te bezig met de uitdaging van de knopen om weg te gaan, of ze maakte hem uit vrije wil los terwijl ze besefte wat voor macht ze intussen op hem uitoefende.

Eén keer liet ze iets van angst blijken. Dat was toen er iets in zijn borst het leek te begeven, een stuk van de interne machinerie dat in een meer rond zijn darmen viel. Hij kuchte en ademde een lucht uit waarbij vergeleken het riool naar sleutelbloemen rook. Ze wendde haar hoofd af en trok een gezicht. Hij verontschuldigde zich beleefd en ze vroeg hem dat niet weer te doen. Toen ging ze verder met waar ze mee bezig was. Hij wachtte geduldig in de wetenschap dat iedere poging om haar te haasten alleen maar haar concentratie zou verbreken. Maar uiteindelijk kwam ze eruit en de banden begonnen losser te zitten. Zijn huid, die nu de consistentie van zachte zeep had, slipte van het bot van zijn polsen toen hij zijn handen lostrok.

'Dank je,' zei hij. 'Dank je wel. Dat was erg aardig van je.' Hij boog zich voorover om de touwen aan zijn voeten los te maken terwijl zijn adem, of wat daarvoor doorging, een ratelend geluid in zijn borst veroorzaakte.

'Ik ga weg,' zei ze.

'Nog niet, Sharon,' antwoordde hij. Zijn spraak klonk nu eentonig. 'Ga alsjeblieft nog niet weg.'

'Maar ik moet naar huis.'

De Scheermesjes-Eter keek naar haar roomachtige gezichtje; ze zag er zo kwetsbaar uit zoals ze daar onder het licht stond. Ze had zich toen de knopen eenmaal waren losgehaald uit zijn directe omgeving teruggetrokken, alsof de oorspronkelijke onrust weer was teruggekomen. Hij probeerde te glimlachen om haar gerust te stellen dat alles in orde was, maar zijn gezicht wilde niet gehoorzamen. Het vet en de spieren dropen gewoon van zijn schedel, zijn lippen voelden dwaas aan. Hij wist dat de woorden weldra niet meer zouden willen komen. Het zouden van nu af aan tekens moeten worden. Hij ging op een puurdere wereld af - een met symbolen en rituelen - een wereld waar Scheermesjes-Eters werkelijk thuishoorden.

Zijn voeten waren los. Hij kon in een paar tellen de kamer door zijn naar de plek waar zij stond. Zelfs als ze zich zou omdraaien en wegrennen zou hij haar nog kunnen vangen. Er was niemand te zien of te horen en al was dat wel zo, waar zouden ze hem mee kunnen straffen? Hij was een dode man.

Hij liep de kamer door naar haar toe. Het kleine ding stond in zijn schaduw en deed niet de minste poging om aan hem te ontkomen. Had ze haar kansen berekend en de nutteloosheid van een jacht ingezien? Nee, ze vertrouwde hem gewoon. Hij strekte een stinkende hand uit om haar over het hoofd te aaien. Ze knipperde even met haar ogen en hield haar adem in bij zijn nabijheid, maar ze deed geen poging om het contact te ontvluchten. Hij verlangde naar een aanraking met zijn vingers, om haar glans te voelen. Ze was zo volmaakt, wat zou het heerlijk zijn om een stukje van haar in hem te stoppen als bewijs van liefde aan de poorten van het paradijs.

Maar haar blik was voldoende. Die zou hij met zich meenemen en zichzelf ermee tevredenstellen, alleen haar zwaarmoedige zoetheid als een herinnering, als munten in zijn ogen om zijn overtocht mee te betalen.

'Dag,' zei hij en liep met onzekere gang naar de deur. Ze liep voor hem uit, maakte de deur voor hem open en leidde hem de trap af. In een van de aangrenzende kamers huilde een kind, het schreeuwen van een baby die weet dat er niemand zal komen. Op de drempel van de voordeur bedankte Breer het meisje nogmaals en ze gingen uit elkaar. Hij zag hoe ze naar huis rende. Wat hem betrof wist hij niet precies, althans niet bewust, waar hij nu heen zou gaan of waarom. Maar toen hij de trap was afgedaald en op het trottoir stond, sloegen zijn benen een richting in die hij nog nooit was opgegaan en hij verdwaalde niet, ook al bevond hij zich al spoedig op bijzonder onbekend terrein. Iemand riep hem. Hem, zijn kapmes en zijn wazige grijze gezicht. Hij liep zo snel hij kon, als een man die door het verleden wordt geroepen.

70

-

Whitehead was niet bang om te sterven, hij was alleen bang om wanneer hij doodging tot de ontdekking te komen dat hij niet voldoende had geleefd. Daar had hij zich zorgen over gemaakt toen hij Mamoulian in het halletje van de suite aankeek en dat gevoel knaagde nog steeds aan hem toen ze in de zitkamer met het geluid van de snelweg op de achtergrond waren gaan zitten. 

'Er wordt niet meer weggelopen, Joe,' zei Mamoulian. Whitehead zei niets. Hij pakte een grote schaal met aardbeien van Halifax uit de hoek van de kamer en liep ermee terug naar zijn stoel. Hij zocht even met kenners vingers in de schaal en koos een bijzonder lekkere aardbei uit waar hij van begon te eten. De Europeaan keek naar hem en liet niets van zijn gedachten blijken. De jacht was voorbij. En nu hoopte hij voor het eind kwam dat ze nog even over de goede oude tijd konden praten. Maar hij wist niet waar hij moest beginnen.

'Vertel eens,' zei Whitehead terwijl hij het vruchtvlees opat, 'heb je ze meegebracht?' Mamoulian staarde hem aan. 'Kaarten, geen honden,' grapte de oude man.

'Natuurlijk,' antwoordde de Europeaan, 'altijd.'

'En spelen deze aardige jongens ook?' Hij gebaarde naar Chad en Tom die bij het raam stonden.

'Wij zijn voor de zondvloed gekomen,' zei Chad.

Er verscheen een frons op het voorhoofd van de oude man. 'Wat heb je ze verteld?' vroeg hij de Europeaan.

'Dat hebben ze allemaal zelf gedaan,' antwoordde Mamoulian.

'Het einde van de wereld is nabij,' zei Chad en kamde zijn haar met een toewijding die veel van een obsessie weg had. Hij staarde naar de snelweg, zijn rug naar de twee oude mannen gekeerd.

'Wist u dat niet?'

'Is dat zo?' zei Whitehead.

'De onrechtschapenen zullen worden weggevaagd.'

De oude man zette zijn schaal met aardbeien neer. 'En wie zal dat beoordelen?' vroeg hij.

Chad liet zijn kapsel met rust. 'De Heer in de Hemel,' zei hij. 

'Kunnen we er niet om spelen?' antwoordde Whitehead. Chad draaide zich verward naar de oude man om. De vraag was echter niet voor hem bedoeld, maar voor de Europeaan. 

'Nee,' antwoordde Mamoulian.

'Vanwege de goede oude tijd,' hield Whitehead aan, 'gewoon een spelletje.'

'Je gewiekstheid zou indruk op me maken, pelgrim, als het niet zo duidelijk een uitsteltactiek was.'

'Wil je dus niet spelen?'

Mamoulians ogen flikkerden. Hij glimlachte bijna toen hij zei: 'Ja. Natuurlijk wil ik wel spelen.'

'Hiernaast in de slaapkamer staat een tafel. Wil je een van die schooiers sturen om hem te halen?'

'Het zijn geen schooiers.'

'O nee?'

'Het zijn beiden godvruchtige mannen. En dat kan van jou niet gezegd worden.'

'Dat is altijd mijn probleem geweest,' zei Whitehead die de steek met een grinnik in ontvangst nam. Het was net als vroeger, dit uitwisselen van ironische opmerkingen, de zoetzure snedige repliek, de wetenschap dat als ze samen waren de woorden een diepte verhulden die een dichter zou beschamen.

'Wil je de tafel halen?' vroeg Mamoulian aan Chad. Hij bewoog zich niet. Hij ging te veel op in het gevecht wie van de twee oude mannen de sterkste wil had. Veel van de betekenis ging voor hem verloren, maar de spanning in de kamer was onmiskenbaar. Er lag iets ontzagwekkends te wachten. Misschien een golf, misschien niet.

'Ga jij maar,' zei hij tegen Tom; hij wilde zijn ogen geen seconde van deze twee strijders afwenden. Tom, die blij was om zijn gedachten even van zijn twijfels af te wenden, gehoorzaamde. 

Chad maakte zijn das los en dat was voor hem het toppunt van naaktheid. Hij grinnikte stralend tegen Mamoulian. 'Je gaat hem vermoorden, hè?' zei hij. 

'Wat dacht je?' antwoordde de Europeaan. 

'Wat is hij? De Antichrist?'

Whitehead moest lachen om het absurde idee. 'Wat heb je ze verteld. ..' berispte hij de Europeaan.

'Is hij dat?' hield Chad aan. 'Vertel het me. Ik kan de waarheid verdragen.'

'Ik ben nog erger, jongen,' zei Whitehead. 

'Erger?'

'Wil je een aardbei?' Whitehead pakte de schaal op en bood het fruit aan. Chad keek even naar Mamoulian. 'Hij heeft ze niet vergiftigd,' stelde de Europeaan hem gerust. 'Ze zijn vers. Neem maar. Ga naar hiernaast en laat ons met rust.' Tom was met een tafeltje teruggekomen. Hij zette het midden in de kamer neer.

'Als je naar de badkamer gaat,' zei Whitehead, 'dan zul je daar voldoende drank vinden. Hoofdzakelijk wodka. En ook een beetje cognac, denk ik.'

'Wij drinken niet,' zei Tom.

'Maak eens een uitzondering,' antwoordde Whitehead. 

'Waarom niet?' zei Chad met zijn mond vol aardbeien terwijl het sap langs zijn kin liep. 'Waarom verdomme ook niet. Het is toch het einde van de wereld, nietwaar?'

'Inderdaad,' zei Whitehead en knikte. 'Ga nu weg, eet en drink en speel maar zoet met elkaar.'

Tom staarde naar Whitehead die hem spottend berouwvol aankeek.

'Het spijt me, mogen jullie ook al niet masturberen?' Tom maakte een walgend geluid en verliet de kamer. 

'Je collega is niet gelukkig,' zei Whitehead tegen Chad. 'Vooruit, neem de rest van het fruit. En ga hem verleiden.' Chad was er niet van overtuigd of hij belachelijk werd gemaakt of niet, maar hij pakte de schaal en liep achter Tom aan naar de deur. 'Je gaat sterven,' zei hij bij wijze van afscheid tegen Whitehead. Toen deed hij de deur dicht.

Mamoulian legde een pak kaarten op tafel. Het was niet het pornografische pak kaarten, dat was in Caliban Street vernietigd, samen met zijn paar boeken. De kaarten op tafel waren eeuwen ouder dan het andere pak; de tekeningen op de aaskaarten waren verbleekt.

'Moet ik?' vroeg Whitehead in antwoord op Chads laatste opmerking.

'Moet je wat?'

'Sterven?'

'Alsjeblieft, pelgrim...'

'Joseph. Noem me Joseph, zoals je vroeger altijd deed.'

'.. .spaar ons beiden.'

'Ik wil leven.'

'Natuurlijk wil je dat.'

'Wat er tussen ons is gebeurd, heeft jou toch geen kwaad gedaan?' Mamoulian bood Whitehead de kaarten aan om ze te schudden en te couperen. Toen het aanbod werd genegeerd, deed hij het zelf terwijl hij de kaarten met zijn ene goede hand hanteerde. 'Nou?'

'Nee,' antwoordde de Europeaan. 'Nee, niet echt.'

'Nou dan. Waarom moet je mij dan wel kwaad doen?'

'Je begrijpt mijn motieven verkeerd, pelgrim. Ik ben hier niet uit wraak gekomen.'

'Waarom dan?'

Mamoulian begon de kaarten te delen voor een spelletje blackjack. 'Om onze overeenkomst na te komen natuurlijk. Is dat zo moeilijk te begrijpen?'

'Ik heb geen overeenkomst.'

'Je hebt me op velerlei gebied beduveld, Joseph. Je hebt me weggegooid en laten verrekken toen je me niet langer nodig had. Ik heb je dat allemaal vergeven. Het is verleden tijd. Maar de dood, Joseph' - hij was klaar met schudden - 'dat is de toekomst. De nabije toekomst. En ik wil niet alleen zijn als ik ernaar toe ga.'

'Ik heb mijn verontschuldigingen aangeboden. Als je een acte van berouw wilt, zeg het dan.'

'Niets.'

'Wil je mijn ballen? Mijn ogen? Neem ze maar!'

'Speel het spel, pelgrim.' 

Whitehead stond op. 'Ik wil niet spelen!'

'En je vroeg er zelf om.'

Whitehead staarde neer op de kaarten die op de ingelegde tafel lagen. 'Zo heb je me hier gekregen,' zei hij zachtjes. 'Dat verdomde spel.'

'Ga zitten, pelgrim.'

'Je hebt me de kwellingen van de verdoemden laten ondergaan.'

'Heb ik dat?' zei Mamoulian terwijl er bezorgdheid in zijn stem klonk. 'Heb je echt geleden? Als dat zo is, dan spijt me dat werkelijk. De reden van de verleiding is zeker dat sommige goederen hun prijs waard zijn.'

'Ben je de duivel?'

'Je weet best dat ik dat niet ben,' zei Mamoulian, gepijnigd door dit nieuwe melodrama. Tedere man is zijn eigen Mefistofeles, dacht je niet? Als ik niet langs was gekomen, had je een handeltje gesloten met een ander soort macht. En je zou je kapitaal gekregen hebben en je vrouwen en je aardbeien. Al die kwellingen die ik je heb aangedaan.'

Whitehead luisterde hoe hij deze ironieën uitlegde. Natuurlijk, hij had niet geleden, hij had een leven vol verrukkingen gehad. Mamoulian las de gedachte van zijn gezicht.

'Als ik je echt had willen laten lijden,' zei hij heel langzaam, 'dan had ik die twijfelachtige eer al jaren geleden kunnen hebben en dat weet je.'

Whitehead knikte. De kaars die de Europeaan nu op tafel zette naast de uitgedeelde kaarten, flikkerde.

'Wat ik nu van je wil, is veel permanenter dan lijden,' zei Mamoulian. 'Speel nou. Mijn vingers jeuken.'

71

-

Marty stapte uit de auto en keek even naar de donkere massa van het Hotel Pandemonium. Het was niet helemaal in duisternis gehuld. Er schitterde een vaag lichtje achter een van de ramen van het penthouse. En zo liep hij vandaag voor de tweede keer trillend over de verlaten vlakte. Carys had geen contact meer met hem opgenomen sinds hij zijn tocht hiernaar toe was begonnen. Hij vroeg zich niet af wat die stilte betekende, er waren te veel redenen voor en niet een ervan was plezierig.

Toen hij naderbij kwam, zag hij dat de voordeur van het hotel was geforceerd. Hij zou er tenminste via een gemakkelijker weg kunnen komen dan via de brandtrap te moeten klauteren. Hij stapte over her en der verspreide planken en door de indrukwekkende deur de foyer in en stond even stil om zijn ogen aan de duisternis te laten wennen voor hij zijn voorzichtige weg naar boven de verbrande trappen op begon. In de duisternis klonk ieder geluid dat hij maakte als een kanonsschot op een begrafenis. Afschuwelijk hard. En ook al probeerde hij nog zo zachtjes te lopen, de trap verborg zoveel obstakels dat volslagen stilte onmogelijk was. Hij was ervan overtuigd dat de Europeaan iedere stap zou horen en hij stond klaar om de moordende leegheid weer in te ademen. Toen hij de plek had bereikt waar hij met de brandtrap naar binnen was gekomen, werd het gemakkelijker. Pas toen hij bij het gestoffeerde gedeelte aankwam, besefte hij glimlachend dat hij zonder een wapen of plan was gekomen. Hij had er geen seconde over gedacht hoe hij Carys zou meenemen. Hij kon alleen maar hopen dat ze geen belangrijk punt meer was op de agenda van de Europeaan, dat ze een paar belangrijke ogenblikken niet in het oog gehouden zou worden. Toen hij de laatste trap opliep, zag hij zichzelf in een van de spiegels in de gang: mager en ongeschoren, met bloedsporen op zijn gezicht en overhemd. Hij zag eruit als een idioot. Het beeld reflecteerde zo exact de manier waarop hij zichzelf zag, wanhopig en barbaars, dat het hem moed verschafte. Hij en zijn weerkaatsing waren het eens; hij was stapelgek.

-

Voor de tweede keer sinds hun lange bondgenootschap zaten ze weer tegenover elkaar aan een tafeltje en speelden ze blackjack. Het was geen spannend spel; het leek wel of ze nog meer aan elkaar gewaagd waren dan zo'n veertig jaar geleden op het Muranowskiplein. En terwijl ze speelden, zaten ze te praten. Het gesprek was kalm en niet dramatisch: over Evangeline, over hoe de markt de laatste tijd was ingestort of over Amerika, en zelfs toen het spel verder ging, over Warschau. 

'Ben je er ooit nog terug geweest?' vroeg Whitehead. 

De Europeaan schudde zijn hoofd. 'Ze hebben er verschrikkelijke dingen gedaan.'

'De Duitsers?'

'De stadsplanners.'

Ze speelden verder. De kaarten werden geschud en weer verdeeld, geschud en verdeeld. Het vlammetje van de kaars flikkerde door de tocht die hun bewegingen veroorzaakte. Het spel was dan weer in het voordeel van de een en dan weer van de ander. De conversatie hield langzaam op en begon weer opnieuw: over ditjes en datjes, bijna banaal. Het was alsof ze in deze laatste minuten samen, nu ze zoveel te zeggen hadden, er niets van enige betekenis konden uitbrengen uit angst dat ze de dammen zouden openen. Eén keer liet het gesprek zijn ware gedaante zien; het escaleerde binnen een paar seconden uit een gewone opmerking over metafysica.

'Ik denk dat je vals speelt,' zei de Europeaan luchtig.

'Dan zou je het weten. Alle trucjes die ik gebruik, heb ik van jou geleerd.'

'Ach, schei toch uit.'

'Het is waar. Alles wat ik van bedriegen weet, heb ik van jou geleerd.'

De Europeaan keek haast gevleid. 

'Zelfs nu,' zei Whitehead. 

'Zelfs nu wat?'

'Je bedriegt nog steeds, hè? Jij zou op jouw leeftijd niet meer moeten bestaan.'

'Dat is waar.'

'Je ziet er nog net zo uit als in Warschau, een enkel litteken daargelaten. Hoe oud ben je? Honderd? Honderdvijftig?'

'Ouder.'

'En wat heb je eraan gehad? Je bent banger dan ik ben. Je hebt iemand nodig die je hand vasthoudt wanneer je doodgaat en je hebt mij uitgekozen.'

'Samen hadden we nooit hoeven doodgaan.'

'O?'

'We hadden werelden kunnen stichten.'

'Dat betwijfel ik.'

Mamoulian zuchtte. 'Het was dus allemaal begeerte? Van het begin af aan?'

'Hoofdzakelijk.'

'Je hebt er nooit enige zin van ingezien?'

'Zin? Er is geen zin. Dat heb je me zelf verteld, de eerste les. Het is allemaal geluk.'

De Europeaan gooide zijn kaarten neer, want hij had verloren '.. .ja,' zei hij.

'Nog een spelletje?' bood Whitehead aan. 

'Nog één. Dan moeten we echt gaan.'

-

Marty stond boven aan de trap stil. De deur van de kamer van Whitehead stond een eindje open. Hij had geen idee van de ligging van de kamers daarachter. De twee vertrekken die hij op deze verdieping had onderzocht, waren volkomen anders geweest; aan de hand van deze kamers kon hij de ligging van die van Whitehead niet voorspellen. Hij dacht aan hun gesprek eerder die dag. Toen het voorbij was, had hij het gevoel gehad dat de oude man een eindje gelopen had voor er een deur daarbinnen werd dichtgedaan en een eind aan hun gesprek had gemaakt. Misschien een hal die vermoedelijk wel schuilplaatsen zou kunnen bieden. Het had geen zin om het nog langer uit te stellen. De nerveuze spanning die hij voelde, werd er alleen maar door verhevigd. Hij moest handelen.

Bij de deur stond hij weer stil. Binnen klonk een gemompel van stemmen, maar gedempt, alsof de sprekers zich achter gesloten deuren bevonden. Hij legde zijn vingers op de deur van de kamer en duwde zachtjes. Hij ging een eindje verder open en hij tuurde naar binnen. Zoals hij al had gedacht, was er een leeg gangetje dat naar de kamer zelf leidde. Er kwamen vier deuren op uit. Drie waren dicht; een stond een eindje open. Van achter een van de gesloten deuren klonken de stemmen die hij had gehoord. Hij concentreerde zich om iets van het gemompel op te vangen, maar hij kon niet meer dan een enkel woord verstaan. Hij herkende de sprekers echter wel, de een was Whitehead, de ander Mamoulian. En de toon van hun gesprek was heel beschaafd zo te horen. Niet voor het eerst wenste hij de mogelijkheid te bezitten om naar Carys te gaan op de manier zoals zij naar hem was gegaan, om alleen via zijn geest uit te zoeken waar ze zat en zo de beste manier van vluchten te bespreken. Maar zoals de situatie nu was, moest hij het er, zoals gewoonlijk, op wagen.

Hij liep door de gang naar de eerste gesloten deur en maakte die voorzichtig open. Hoewel het slot enig geluid maakte, werden de stemmen in de kamer die het verst weg lag niet gealarmeerd door zijn aanwezigheid en praatten gewoon door. De kamer waar hij nu in tuurde, was gewoon een garderobe. Hij deed de deur weer dicht en liep een paar meter verder over het tapijt in de gang. Door de open deur kon hij beweging horen en ook het geluid van glas. Een schaduw die door een kaars werd veroorzaakt bewoog tegen de muur. Hij stond heel stil, vol tegenzin om zich nu hij zover was gekomen, weer terug te trekken. Uit de aangrenzende kamer klonken stemmen.

'Verdomme, Chad,' de spreker klonk of hij op het punt stond in tranen uit te barsten. 'Wat doen we verdomme hier? Ik kan niet eens meer behoorlijk nadenken.'

Het probleem werd met gelach ontvangen. 'Je hoeft niet meer te denken. We zijn hier met Gods werk bezig, Tommy. Neem nog een slok.'

'Er gaat iets verschrikkelijks gebeuren,' zei Tom.

'Ja zeker,' antwoordde Chad. 'Waarom dacht je dan dat we hier waren? Nou, drink door.'

Marty had de identiteit van het stel snel begrepen. Ze waren hier om Gods werk uit te voeren, inclusief moord. Hij had ze ijs zien kopen in de middagzon terwijl hun bloedige messen nog in hun zak zaten. Angst overschaduwde echter de zin op wraak. Het zou moeilijk genoeg zijn om hier levend uit te komen. Er was nog een deur over om te onderzoeken, direct tegenover de kamer die door de jonge Amerikanen werd bezet. Om die te kunnen bekijken, moest hij langs de open deur lopen. De luie stem begon weer. 'Je ziet eruit alsof je wilt kotsen.'

'Waarom laat je me niet met rust?' antwoordde de ander. Hij leek wat opzij te schuiven, of hoopte hij dat alleen maar? Toen kwam het onmiskenbare geluid van kokhalzen. Marty hield zijn adem in. Zou de ander zijn vriend te hulp komen? Hij bad erom. 'Gaat het, Tommy?' De stem was van klank veranderd toen de spreker bewoog. Ja, hij liep van de deur weg. Marty greep zijn kans en liep snel van de muur vandaan, deed de laatste deur open en meteen weer achter zich dicht.

De kamer die hij nu was binnengekomen, was niet zo groot maar wel donker. Bij het weinige licht dat er was, zag hij een gedaante opgekruld op de grond liggen. Het was Carys. Ze sliep en haalde gelijkmatig adem.

Hij liep naar de plaats waar ze lag. Hoe moest hij haar nu wakker maken? Dat was een probleem. De Europeaan zat vlak naast hem, dat was maar een deur verder. Als hij haar wekte en ze zou ook maar het minste of geringste geluid maken, dan zou hij het beslist horen. En als hij het al niet hoorde, dan de Amerikanen wel. Hij hurkte neer, legde voorzichtig een hand over haar mond en schudde haar toen bij haar schouder. Ze verzette zich tegen het wakker worden. Ze fronste haar wenkbrauwen in haar slaap en mompelde iets. Hij boog zich dichter naar haar toe en riskeerde het om zijn naam in haar oor te fluisteren. Dat werkte. Haar ogen vlogen als bij een verbaasd kind wijd open en haar mond vormde een kreet tegen zijn handpalm. Ze herkende hem voor ze geluid maakte.

Hij haalde zijn hand weg. Er was geen glimlach ten teken van welkom; haar gezicht stond bleek en grimmig maar ze raakte wel even zijn lippen met haar vingertoppen aan. Hij stond op en bood haar zijn hand aan.

Er was plotseling ruzie uitgebroken naast hen. De zachte stemmen waren heftiger geworden, er werden beschuldigingen over en weer gemaakt en meubels werden omvergegooid. Mamoulian schreeuwde om Chad. In antwoord daarop kwamen donderende voetstappen vanuit de badkamer.

'Verdomme.' Er was geen tijd om tactisch na te denken. Ze moesten het erop wagen en nemen wat de kans bood, of dat nu juist was of niet. Hij trok Carys overeind en liep naar de deur. Toen hij de knop omdraaide, keek hij over zijn schouder om te zien of Carys achter hem aankwam. Ze keek hem geschrokken aan. Hij keerde zich om en zag wat de reden daarvan was: St.-Thomas stond direct buiten hun deur, met een glimmende kin van het overgeven. Hij was blijkbaar net zo van Martys verschijning geschrokken als andersom. Gebruik makend van de situatie liep Marty de gang in en gaf Tom een duw tegen zijn borst. De Amerikaan viel achterover, het woord 'Chad!' ontsnapte aan zijn lippen terwijl hij de open deur aan de overkant in struikelde en onderweg een schaal aardbeien omver trapte. Het fruit rolde alle kanten op. Marty dook door de deur van de kleedkamer de gang in, maar de Amerikaan hervond snel zijn evenwicht en greep hem bij zijn overhemd. De poging was voldoende om Marty af te remmen en toen hij zich omdraaide om de hem tegenhoudende hand weg te slaan, zag hij de tweede Amerikaan uit de kamer van de oude mannen komen. Er was een angstaanjagende serene blik in de ogen van de jongeman toen hij Marty naderde. 

'Rennen!' was alles wat hij tegen Carys kon schreeuwen, maar de blonde god hield haar tegen toen ze de gang in glipte en duwde haar met een zacht 'nee' terug in de richting waar ze vandaan was gekomen voor hij verder op Marty afliep. 

'Hou haar vast,' zei hij tegen zijn metgezel terwijl hij Marty van hem overnam. Tom verdween uit het zicht en ging naar Carys. Er klonken vechtgeluiden, maar Marty had weinig tijd om uit te zoeken wat hij hoorde, want hij was dubbelgeslagen door een stomp van Chad in zijn maag. Marty was te verbaasd door de plotselinge actie om op de pijn verdacht geweest te zijn. Hij kreunde en viel achterover tegen de achterkant van de voordeur, die dichtsloeg. De blonde jongen volgde hem de gang door en door zijn ogen vol tranen zag Marty de volgende slag aankomen voor hij hem voelde. De derde en de vierde zag hij niet. Er was geen tijd tussen de stompen en schoppen om overeind te komen en adem te halen. Het uit de klei getrokken lichaam was lenig en sterk en absoluut Martys meerdere. Hij verweerde zich tevergeefs tegen de regen van slagen; hij was zo verdomd moe en misselijk. Zijn neus begon weer te bloeden en die serene ogen bleven hem maar aankijken terwijl de vuisten zijn lichaam bont en blauw sloegen. Die ogen waren zo kalm dat het wel een gebed leek. Maar het was Marty die op zijn knieën viel en Martys hoofd dat achterover werd getrokken in een geforceerde ten hemel heffing terwijl de blonde jongen hem bespuwde. En het was Marty die zei: 'Help me,' of iets dat daarop leek voor hij in elkaar zakte.

Mamoulian liep de speelkamer uit terwijl hij de pelgrim aan zijn tranen overliet. Hij had gedaan wat de oude man had gevraagd; ze hadden een paar spelletjes gespeeld als herinnering aan vroeger. Maar nu was de toegeeflijkheid voorbij. En wat moest die chaos in de gang voorstellen, die wirwar van ledematen bij de voordeur, al dat bloed tegen de muur? Aha, het was Strauss. Op de een of andere manier had hij een late aankomst op de viering wel verwacht, maar wie het zou zijn, had hij niet voorzien. Hij liep door de gang om te zien wat er voor schade was toegebracht en keek met een zucht op het misvormde, bespuwde gezicht neer. St.-Chad zweette een beetje en zijn vuisten zaten onder het bloed. De jonge leeuw rook zoet.

'Hij was er bijna vandoor,' zei de heilige.

'Zo, zo,' antwoordde de Europeaan, en maakte een gebaar dat de jongen uit de weg moest.

Vanuit zijn in elkaar gezakte houding op de grond staarde Marty naar de Laatste Europeaan. De lucht tussen hen scheen geladen. Marty wachtte. De dodelijke slag zou beslist snel komen. Maar er kwam niets, behalve de starende, nietszeggende ogen. Zelfs in zijn gebroken staat kon Marty de tragedie geschreven zien staan op het masker dat het gezicht van Mamoulian vormde. Hij was er niet langer bang voor; hij werd erdoor geboeid. Deze man was de bron van het niets dat hij nauwelijks had overleefd in Caliban Street. Lag er niet een beetje grijze mist in zijn oogkassen die naar zijn neusvleugels en mond liep, alsof er een vuur in zijn schedel smeulde?

Whitehead liep onopvallend naar het tijdelijke bed in de kamer waar hij en de Europeaan hadden gespeeld. De gebeurtenissen in de gang hadden hem op een gunstig moment afgeleid. Hij gleed met zijn hand onder het kussen en pakte de revolver die daar verborgen had gelegen, toen kroop hij naar de aangrenzende kleedkamer en gleed achter de klerenkast uit het zicht. Vanuit zijn positie kon hij St.-Tom en Carys in de gang naar de gebeurtenissen bij de voordeur zien staan kijken. Beiden waren te druk bezig met de gladiatoren om hem in de donkere kamer te zien. 

'Is hij dood...?' vroeg Tom van een afstand. 

'Wie weet?' hoorde Whitehead Mamoulian antwoorden. 'Breng hem maar naar de badkamer, daar ligt hij niet in de weg.'

Whitehead keek toe hoe de onbeweeglijke massa van Strauss langs de deur naar de kamer aan de overkant werd gesleept om naar de badkamer gebracht te worden. Mamoulian kwam naar Carys toe. 

'Jij hebt hem hier gebracht,' zei hij eenvoudig. Ze gaf geen antwoord. De hand van Whitehead met daarin de revolver jeukte. Vanwaar hij stond, was Mamoulian een gemakkelijk doelwit, alleen stond Carys in de weg. Als hij een kogel op haar rug afvuurde, zou die dan door haar heen de Europeaan raken? De gedachte, hoe afschuwelijk ook, moest toch overwogen worden want het ging hier om overleven. Maar door dat ene moment van aarzeling was zijn kans verkeken. De Europeaan begeleidde Carys naar de speelkamer en hij was buiten schot. Nou ja, de kust was nu veilig in ieder geval.

Hij glipte uit zijn schuilplaats en haastte zich naar de kleedkamer. Toen hij de gang inliep, hoorde hij Mamoulian zeggen: 'Joseph?' Whitehead rende de paar meter naar de voordeur in de wetenschap dat de kans op ontsnapping zonder geweld uitzonderlijk klein was. Hij greep de deurknop en draaide hem om. 'Joseph,' zei de stem achter hem.

Whiteheads hand verkrampte toen hij onzichtbare vingers in zijn nek voelde. Hij negeerde de spanning en draaide de deurknop om. Hij gleed door in zijn bezwete vingers. De gedachte die in zijn nek ademde en zich om zijn bovenste wervel klemde, was een onmiskenbare dreiging. Vooruit, dacht hij, de keus is niet meer aan mij. Hij liet de deurknop los, draaide zich helemaal om en keek de kaartspeler aan. Hij stond aan het eind van de gang die steeds donkerder leek, net een tunnel die uit Mamoulians ogen scheen te komen. Het was een krachtig visioen. Maar dat was dan ook alles, meer dan visioenen waren het niet. Hij kon er lang genoeg weerstand aan bieden om hun vervalser om te brengen. Whitehead hief de revolver op en richtte hem op de Europeaan. En zonder de kaartspeler nog een seconde te geven om zich te verbazen, vuurde hij. Het eerste schot raakte Mamoulian in de borst, het tweede in zijn buik. De Europeaan keek verbaasd. Het bloed uit de wonden verspreidde zich over zijn overhemd, maar hij viel niet. In plaats daarvan zei hij met een stem, zo effen alsof de schoten niet afgevuurd waren: 'Wil je naar buiten, pelgrim?' Achter Whitehead was de deurknop gaan rammelen. 'Wil je dat?' vroeg Mamoulian,'wil je naar buiten?'

'Ja.'

'Ga dan.'

Whitehead deed een stap opzij van de deur toen die met zo'n kracht openvloog dat de deurknop een afdruk in de muur van de gang achterliet. De oude man wendde zich van Mamoulian af om een ontsnapping te wagen, maar voor hij een stap kon zetten, was de gang achter de deur weggezogen in een pikzwarte duisternis en tot zijn wanhoop realiseerde Whitehead zich dat het hotel achter de drempel was weggevaagd. Er waren geen karpetten meer, geen spiegels en geen trappen naar de buitenwereld. Alleen een wildernis waar hij een half leven geleden in had gelopen: een plein en een hemel vol trillende sterren.

'Ga maar,' nodigde de Europeaan hem uit. 'Het heeft al die jaren op je liggen wachten. Ga maar! Ga!'

De grond onder Whiteheads voeten leek glibberig te worden; hij voelde zichzelf naar het verleden glijden. Zijn gezicht werd gewassen door de buitenlucht toen die door de gang blies om hem te ontmoeten. Het rook naar voorjaar, naar de Weichsel die op een afstand van tien minuten lopen hiervandaan naar zee stroomde, en ook naar bloesem. Wat hij voor sterren had aangezien, waren bloemblaadjes geweest, witte bloemblaadjes die door een briesje werden opgetild en naar hem toe werden geblazen. Het beeld van de blaadjes was te overtuigend om te negeren; hij liet zich door hen terugleiden naar die glorieuze nacht toen de wereld hem een paar glanzende uren lang had beloofd van hem te zijn. Zijn zintuigen gingen terug naar die nacht dat de boom was verschenen, even indrukwekkend als hij zo vaak had gedroomd, terwijl hij met zijn witte hoofd lichtjes in de wind zwaaide. Iemand loerde in de schaduw onder de overladen takken waarvan de minste of geringste beweging een nieuwe waterval van bloesem veroorzaakte. Zijn in vervoering geraakte geest deed een laatste poging naar de realiteit van het hotel en hij stak zijn hand uit om de deur van de kamer aan te raken, maar in de duisternis miste hij en er was geen tijd om nog eens te kijken. De obscure toeschouwer kwam onder de bescherming van de takken vandaan. Het gevoel dat hij dat al eerder had gezien beving Whitehead, behalve dat hij toen hij hier voor het eerst was geweest, slechts een glimp van de man onder de boom had opgevangen. Dit keer verbrak de terughoudende schildwacht zijn dekking. Luitenant Konstantin Vasiljev vertoonde zijn verbrande gezicht aan de man die een bezoek vanuit de toekomst kwam brengen en glimlachte hem toe. Vanavond zou de luitenant niet wegschuifelen voor een rendez-vous met een dode vrouw, vanavond zou hij de dief omhelzen die behaard was geworden en een baard had laten groeien, maar op wiens aanwezigheid hij een leven lang had gewacht.

'We dachten al dat je nooit zou komen,' zei Vasiljev. Hij duwde een tak opzij en stapte in het dode licht van zijn fantastische nacht. Hij was blij om zichzelf te tonen hoewel zijn haar compleet was afgebrand, zijn gezicht zwart en rood was en zijn lichaam vol gaten zat. Zijn broek stond open en zijn lid stond overeind. Misschien zou hij naderhand met de dief samen naar zijn maîtresse gaan en als goede oude vrienden wodka drinken. Hij grinnikte tegen Whitehead. 'Ik heb hun verteld dat je uiteindelijk zou komen. Ik wist dat dat zou gebeuren. Om ons weer te zien.' 

Whitehead hief de revolver die hij nog in zijn hand had en vuurde op de luitenant. Het visioen hield niet op door dit geweld, maar werd er zelfs heviger door. Geschreeuw in het Russisch weerschalde vanachter het plein.

'Kijk eens wat je gedaan hebt,' zei Vasiljev. 'Nu komen de soldaten.'

De dief zag zijn fout in. Hij had nooit meer een revolver gebruikt na de avondklok. Het was een uitnodiging om gearresteerd te worden. Hij hoorde vlak bij gelaarsde voeten komen aanrennen. 'We moeten opschieten,' drong de luitenant aan, de kogel die hij tussen zijn tanden had opgevangen, nonchalant uitspuwend. 

'Ik ga niet met je mee,' zei Whitehead.

'Maar we hebben al zo lang gewacht,' antwoordde Vasiljev en schudde aan de tak om een teken te geven dat het volgende bedrijf kon beginnen. De boom hief zijn takken als een bruid en liet zijn trousseau van bloesem vallen. Binnen een paar tellen was de lucht vol van een sneeuwjacht van bloemblaadjes. Terwijl ze vielen en hun pracht op de grond lieten neerdalen, begon de dief bekende gezichten te herkennen onder hen die tussen de takken stonden te wachten. Mensen die de afgelopen jaren naar deze woestenij waren gekomen, naar deze boom, en zich er samen met Vasiljev onder hadden verzameld om weg te rotten en te huilen. Evangeline bevond zich onder hen; de wonden die zo tactvol waren verborgen toen ze in haar kist had gelegen, waren nu in hun volle omvang te zien. Ze glimlachte niet, maar ze strekte haar armen naar hem uit om hem te omhelzen; haar mond vormde zijn naam 'Jojo' terwijl ze een stap naar voren deed. Bill Toy stond in avondkleding achter haar, alsof hij op het punt stond naar de Academy te gaan. Zijn oren bloedden. Achter hem stond een vrouw in een nachtjapon wier gezicht van haar lippen tot aan haar wenkbrauwen openlag. Er waren ook anderen, sommigen herkende hij, velen niet. De vrouw die hem naar de kaartspeler had geleid, was er ook, met blote borsten, net zoals hij zich haar herinnerde. Haar glimlach was net zo angstaanjagend als altijd. Er waren ook soldaten, anderen die van Mamoulian hadden verloren zoals Vasiljev. Eén droeg behalve zijn kogelgaten een rok. Tussen de plooien door verscheen een snoet. Saul met zijn vernielde karkas besnuffelde zijn oude meester en gromde.

'Zie je nu hoelang we hebben gewacht?' zei Vasiljev.

De verloren gezichten keken allemaal met open mond naar Whitehead. Er kwam geen geluid uit.

'Ik kan jullie niet helpen.'

'We willen ermee ophouden,' zei de luitenant.

'Ga je gang.'

'Niet zonder jou. Hij wil niet dood zonder jou.' Eindelijk begreep de dief het. Deze plek waar hij in de sauna van het heiligdom al een glimp van had opgevangen, bestond in de Europeaan. Deze geesten waren wezens die hij had verslonden. Evangeline! Zelfs haar. Ze wachtten, de verscheurde resten van hen in dit niemandsland tussen lichaam en dood, tot Mamoulian genoeg had van het bestaan, zou gaan liggen en sterven. Tot die tijd zouden hun gezichten die geluidloze O naar hem maken, een melancholieke smeekbede. De dief schudde zijn hoofd. 'Nee,' zei hij.

Hij wilde zijn adem niet opgeven. Nog niet voor een boomgaard vol bomen, nog niet voor een land vol wanhopige gezichten. Hij draaide zijn rug naar het Muranowskiplein en zijn klagende geesten. De schreeuwende soldaten waren nu vlak bij; ze zouden er weldra zijn. Hij keek om naar het hotel. De gang van het penthouse was er nog als je de drempel van een gebombardeerd huis overliep, een surrealistisch decor van ruïne en luxe. Hij liep er door het puin naar toe en negeerde de bevelen van de soldaten om te blijven staan. Het geschreeuw van Vasiljev werd nog harder. 'Klootzak,' gilde hij. 

De dief sloot de vloeken buiten en liep over het plein terug naar de warmte van de gang, onderwijl zijn revolver heffend. 'Oud nieuws,' zei hij, 'daar maak je mij niet bang mee.' Mamoulian stond nog steeds aan de andere kant van de gang; de minuten die de dief op het plein had doorgebracht, waren hier niet onopgemerkt gebleven. 'Ik ben niet bang,' schreeuwde Whitehead. 'Hoor je me, zielloze klootzak? Ik ben niet bang!' Hij vuurde weer, dit keer op het hoofd van de Europeaan. Het schot raakte zijn wang. Er kwam bloed te voorschijn. Voor Whitehead weer kon vuren, nam Mamoulian wraak.

'Er zijn geen grenzen aan mijn kunnen,' zei hij met trillende stem.

Zijn gedachten grepen de dief bij de keel en draaiden rond. De ledematen van de oude man schokten krampachtig, de revolver vloog uit zijn hand en zijn blaas en darmen begaven het. Achter hem begonnen de geesten op het plein te applaudisseren. De boom schudde zo heftig dat het beetje bloesem dat hij nog droeg, de lucht in werd geblazen. Sommige vlogen naar de deur en smolten als sneeuwvlokken op de drempel van verleden en heden. Whitehead viel tegen de muur. Uit zijn ooghoek zag hij Evangeline die bloed naar hem spuwde. Hij begon langs de muur te glijden; zijn lichaam schokte alsof hij een grand mal doormaakte. Door zijn klapperende kaken sprak hij één woord. Hij zei: 'Nee!' Op de grond van de badkamer hoorde Marty hoe hij deze ontkenning uitjammerde. Hij probeerde zichzelf te bewegen, maar zijn bewustzijn was traag en zijn geslagen lichaam deed van top tot teen pijn. Hij pakte zich vast aan het bad en hees zichzelf op zijn knieën. Het was duidelijk dat ze hem vergeten waren. Hij probeerde op te staan, maar zijn onderste ledematen lieten hem in de steek; ze sloegen dubbel onder hem en hij viel weer waarbij hij iedere blauwe plek voelde.

In de gang was Whitehead weer op zijn hurken gezakt, zijn mond onwijs open. De Europeaan kwam naar hem toe voor de coup de grace, maar Carys kwam tussenbeide. 'Laat hem,' zei ze.

Afgeleid wendde Mamoulian zich naar haar. Het bloed op zijn wang liet een smal spoor naar zijn kaak achter. 'Jij ook,' mompelde hij. 'Er zijn geen grenzen.' Carys liep terug naar de speelkamer. De kaars op tafel flakkerde. Er was energie los in de kamer en de sputterende vlam profiteerde er vet en wit van. De Europeaan keek met hongerige ogen naar Carys. Er lag begeerte in, een instinctieve reactie op zijn bloedverlies, en alles wat hij in haar kon zien, was voedsel. Net als de dief: begerig naar nog een aardbei, hoewel zijn buik vol genoeg zat.

'Ik weet wie je bent,' zei Carys en liet zijn blik op zich afketsen. Vanuit de badkamer hoorde Marty haar zet. Stom om hem dat te vertellen, dacht hij. 'Ik weet wat je hebt gedaan.'

De ogen van de Europeaan verwijdden zich en werden besmookt. 'Je bent niemand,' begon het meisje. 'Je bent gewoon een soldaat die een monnik is tegengekomen die je in zijn slaap hebt gewurgd. Wat heb je helemaal om zo trots op te zijn?' Haar woede was als een klap in zijn gezicht. 'Je bent niemand. Niemand en niets!' Hij deed een uitval naar haar. Ze ontweek hem door een keer rond de kaarttafel te lopen, maar die gooide hij omver; het spel vloog op de grond en hij kreeg haar te pakken. Zijn greep voelde aan alsof er een bloedzuiger op haar arm zat die haar bloed wegzoog en alleen maar leegte en doelloze duisternis teruggaf. Hij was weer de Architect van haar dromen.

'God, help me,' fluisterde ze. Haar zintuigen krompen in elkaar en het grijze stroomde naar binnen om hun plaats in te nemen. Hij trok haar met één brute zwaai uit haar lichaam, verslond haar en liet haar huls op de grond naast het omgegooide tafeltje vallen. Hij veegde zijn mond met de rug van zijn hand af en keek naar de evangelisten. Ze stonden in de deuropening naar hem te staren. Hij was misselijk van begerigheid. Ze was in hem, helemaal in één keer, en dat was te veel. En de heiligen maakten het nog erger door naar hem te kijken alsof hij iets walgelijks was, waarbij de donkere zijn hoofd schudde. 

'Je hebt haar vermoord,' zei hij. 'Je hebt haar vermoord.'

De Europeaan weerde de beschuldigingen af terwijl zijn lichaam overkookte en leunde met zijn elleboog en onderarm tegen de muur, als een dronkeman die op het punt staat over te geven. Haar aanwezigheid in zijn lichaam was een kwelling. Ze wilde niet stil zijn; ze woedde en tierde in hem. En haar onstuimigheid maakte nog meer los. Strauss die zijn darmen doorboorde, de honden aan zijn hielen die bloed en rook ontketenden. En toen terug, terug achter die verschrikkelijke paar maanden naar andere beproevingen, binnenplaatsen met sneeuw en licht van de sterren, vrouwen en honger, altijd honger. En nog steeds voelde hij de starende ogen van de christenen in zijn rug.

Een van hen sprak, de blonde jongen die hij misschien eens had kunnen begeren. Hij en zij en alle anderen. 'Is dit alles?' wilde hij weten. 'Is dit alles, verdomde leugenaar? Je hebt ons de zondvloed beloofd.'

De Europeaan hield zijn hand voor zijn mond om de ontsnappende rook tegen te houden en zag een afbeelding van een golf die over het hotel sloeg, over de stad, neerkomend om Europa weg te spoelen.

'Leid me niet in verzoeking,' zei hij.

-

In de gang werd Whitehead zich met zijn gebroken nek vaag bewust van een parfum in de lucht. Vanwaar hij lag, kon hij de overloop zien. Het Muranowskiplein met zijn fatale boom was allang vervaagd en had alleen de spiegels en de tapijten achtergelaten. En nu hij uitgespreid op de grond lag, hoorde hij iemand de trap opkomen. Hij ving een glimp op van een gedaante die in de schaduwen bewoog, dat was de geparfumeerde. De nieuwkomer naderde langzaam maar gestaag; hij aarzelde alleen even bij de drempel voor hij over Whiteheads in elkaar gezakte gedaante stapte en naar de kamer liep waar de twee mannen hadden zitten kaarten. Er was een tijd geweest terwijl ze tijdens het spel hadden zitten babbelen dat de oude man dacht een nieuwe overeenkomst met de Europeaan te kunnen sluiten, nog een paar jaar zou kunnen ontsnappen aan de onafwendbare ramp. Maar het was allemaal verkeerd gelopen. Ze hadden ruzie gemaakt over een kleinigheid, zoals minnaars doen, en door een of andere onbegrijpelijke wending van het lot was het geëscaleerd tot dit: de dood. Hij rolde zichzelf om zodat hij de andere kant op kon kijken. Door de gang naar de speelkamer. Carys lag op de grond tussen de verspreid liggende kaarten. Hij kon haar lichaam door de open deur zien. De Europeaan had haar verslonden. De nieuwkomer bedierf zijn uitzicht toen hij in de deuropening verscheen. Vanwaar hij lag, had Whitehead het gezicht van de man niet kunnen zien. Maar hij zag het kapmes aan zijn zij glanzen.

-

Tom zag de Scheermesjes-Eter voor Chad hem in de gaten kreeg. Zijn onrustige maag protesteerde tegen de vermengde geur van Sandalwood en verrotting. Hij had een heel eind moeten afleggen en het waren zware kilometers geweest, maar hij was er. Mamoulian stond recht overeind tegen de muur en keek Breer aan.

Hij was niet erg verbaasd om dat rottende gezicht te zien, hoewel hij niet zeker wist waarom. Kwam het omdat zijn geest zijn greep op de Scheermesjes-Eter niet helemaal had losgelaten en dat Breer hier op de een of andere manier in zijn opdracht was? Breer staarde door de heldere lucht naar Mamoulian, alsof hij op nieuwe instructies wachtte voor hij weer in actie kwam. De spieren in zijn gezicht waren zo vergaan dat iedere beweging van zijn oogballen de huid van de oogrand dreigde af te scheuren. Hij zag eruit als een man die tot de rand toe vol vlinders zat, dacht Chad die compleet high was van de cognac. Hun vleugels sloegen tegen de huls van zijn lichaam aan, zijn beenderen in hun hartstocht verpulverend. Weldra zou hun onophoudelijke beweging hem laten openbarsten en de lucht zou er vol van zijn. De Europeaan keek naar het kapmes dat Breer bij zich had. 'Waarom ben je gekomen?' vroeg hij.

De Scheermesjes-Eter probeerde te antwoorden, maar zijn tong protesteerde daartegen. Er klonk alleen een zacht woord dat 'goed' of 'God' kon zijn, maar het niet was. 

'Ben je gekomen om vermoord te worden? Is dat het?' 

Breer schudde zijn hoofd. Hij had dergelijke plannen niet en dat wist Mamoulian. De dood was zijn probleem niet. Hij hief het mes aan zijn zij om zijn bedoeling kenbaar te maken. 

'Ik kan je zo vernielen,' zei Mamoulian.

Weer schudde Breer zijn hoofd. 

'Ei,' zei hij, maar Mamoulian vertaalde het en herhaalde het als 'dood'. 

'Dood. ..' peinsde Chad. 'Heer in de hemel, die man is dood.' De Europeaan mompelde een bevestiging. Chad glimlachte. Misschien zouden ze hun vernietigende golf niet te zien krijgen. Misschien waren de berekeningen van de dominee fout en zou de zondvloed de eerste paar maanden nog niet komen. Wat gaf het? Hij had werkelijk geweldige verhalen te vertellen. Zelfs Bliss met al zijn gepraat over demonen in de ziel van de hemisfeer had niets over dit soort situaties geweten. De heilige keek en likte vol spanning zijn lippen af.

In de gang had Whitehead het voor elkaar gekregen zichzelf drie of vier meter verder van de voordeur te slepen en hij kon Marty zien die nu overeind stond. Leunend op de lateibalk van de badkamerdeur voelde Marty de ogen van de oude man op zich gevestigd. Whitehead wenkte hem. Duizelig strompelde Marty de gang in waarbij zijn aanwezigheid door de spelers in de speelkamer werd genegeerd. Het was hier donker; het licht in de speelkamer, dat duivelse kaarslicht, werd praktisch tenietgedaan door de gedeeltelijk dichte deur.

Marty knielde naast Whitehead neer. De oude man pakte zijn overhemd beet.

'Je moet haar halen,' zei hij met een bijna onverstaanbare stem. Zijn ogen puilden uit; er zat bloed in zijn baard en bij ieder woord kwam er meer, maar hij hield hem stevig vast. 'Haal haar, Marty,' siste hij.

'Waar heb je het over?'

'Hij heeft haar,' zei Whitehead. 'In zich. Haal haar in godsnaam of ze zal daar voor eeuwig zijn, net als de anderen.' Zijn ogen gingen in de richting van de overloop en herinnerden zich het bezoek aan het Muranowskiplein. Was ze daar al? Een gevangene onder de boom met Vasiljevs begerige handen overal op haar? De lippen van de oude man begonnen te trillen. 'Kan. . . hem haar niet laten hebben, jongen,' zei hij. 'Hoor je me? Wil niet dat hij haar heeft.'

Marty vond het moeilijk om het geheel aan elkaar te knopen. Stelde Whitehead voor dat hij ook zijn weg in Mamoulian zocht om Carys te halen? Dat was onmogelijk. 'Dat kan ik niet,' zei hij.

De oude man toonde afkeer en liet Marty met een vies gebaar los. Pijnlijk wendde hij zijn hoofd af.

Marty keek naar de speelkamer. Door de kier van de deur kon hij Mamoulian zien die naar de onmiskenbare gestalte van de Scheermesjes-Eter toe ging. Er lag kwetsbaarheid op het gezicht van de Europeaan. Marty bestudeerde het even en keek toen naar de voeten van de Europeaan. Daar lag Carys met een geschrokken gezicht en een helder glanzende huid. Hij kon niets doen; waarom liet Pappa hem niet met rust zodat hij kon weglopen en in stilte zijn wonden kon gaan likken? Hij kon helemaal niets doen. Maar als hij wegrende, als hij een plek vond om zich te verstoppen en zijn wonden te likken, zou hij dan ooit de geur van deze lafheid kwijtraken? Zou dit ogenblik waarop de wegen zich splitsten en nog eens splitsten, niet voor eeuwig in zijn dromen branden? Hij keek om naar Pappa. Behalve de zwakke beweging van zijn lippen leek hij wel dood. 'Haal haar,' zei hij nog steeds, een catechismus die herhaald werd tot zijn adem het begaf. 'Haal haar. Haal haar.'

Marty had iets dergelijks van Carys verlangd, om in het hoofd van de gek te kruipen en terug te komen met een verhaal. Hoe kon hij die dienst nu niet terugbetalen? Haal haar. Haal haar. Pappa's woorden vervaagden met iedere hartslag. Misschien was ze nog te redden, dacht Marty, ergens in de maalstroom van Mamoulians lichaam. En zo niet, zo niet, zou het dan zo erg zijn om te sterven in een poging haar te halen en een eind te maken aan splitsende wegen en keuzen die in as veranderden?

Maar hoe? Hij probeerde zich te herinneren hoe zij het had gedaan, maar de voorbereidingen waren te ingewikkeld - het wassen, de stilte - en hij had maar een geringe mogelijkheid om zijn reis te maken voor de omstandigheden veranderden. Zijn enige hoop lag in het feit van zijn bloedige overhemd, de manier zoals hij zich had gevoeld op zijn weg hierheen. Het gevoel dat Carys een barrière in zijn hoofd had neergehaald en dat nu de vernieling eenmaal was aangericht, die ook permanent zou zijn. Misschien kon zijn geest door de wond die zij had gemaakt naar haar toe gaan, haar spoor achterna gaan zoals zij bij hem had gedaan. Hij sloot zijn ogen, sloot de gang en Whitehead en het lichaam dat aan de voeten van de Europeaan lag buiten. Zicht was een val, had ze eens gezegd. Inspanning ook. Hij moest het overlaten. Zich door instinct en fantasie laten meenemen naar plaatsen waar verstand en intellect dat niet konden.

Hij riep haar zonder enige moeite op, zette het akelige feit van haar lichaam uit zijn hoofd en riep in plaats daarvan een levendige glimlach op. In zijn geest sprak hij haar naam en ze kwam op tientallen momenten bij hem: lachend, naakt, piekerend, berouwvol. Maar hij liet de speciale dingen schieten en alleen haar werkelijke aanwezigheid bleef in zijn pijnlijke hoofd achter. Hij droomde haar. De wond was open en deed pijn toen hij er weer aankwam. Er liep bloed in zijn open mond, maar het gevoel was als een verre waarneming. Het had weinig te maken met zijn tegenwoordige conditie, die steeds losser werd. Hij voelde zich alsof hij van zijn lichaam loskwam. Het was overtollig, verspilling. Het gemak van de handeling verbaasde hem; zijn enige angst was dat hij te haastig was geweest, hij moest zijn vreugde bedwingen uit angst dat hij ontdekt zou worden.

Hij kon niets zien, niets horen. De staat waarin hij zich bewoog - bewoog hij zich? - was niet ontvankelijk voor zijn zintuigen. En ook al had hij geen bewijs van ontvangst, hij wist zeker dat hij zich aan zijn lichaam had onttrokken. Het lag achter hem, onder hem, een onbewoonde schelp. Voor hem was Carys. Hij zou zich een weg naar haar dromen.

En toen, net toen hij dacht dat hij plezier ging beleven aan deze buitengewone reis, ging de hel voor hem open...

-

Mamoulian was te druk met de Scheermesjes-Eter bezig om de binnendringende Marty te voelen. Breer deed een halve stap naar voren, hief het kapmes en mikte een slag op de Europeaan. Hij deed precies op tijd een stap opzij, maar Breer draaide met een schrikbarende vaart om voor de tweede slag en dit keer, meer door geluk dan wijsheid, gleed het kapmes langs de arm van Mamoulian en schoot in zijn donkergrijze pak.

'Chad,' zei de Europeaan zonder zijn ogen van Breer af te houden.

'Ja?' antwoordde de blonde jongen. Hij stond nog steeds naast de deur tegen de muur geleund met de houding van een trage held. Hij had de verborgen voorraad sigaren van Whitehead gevonden, er een paar in zijn zak gedaan en er een opgestoken. Hij blies een wolk stoffige blauwe rook uit en keek door een waas van dronkenschap naar de gladiatoren. 'Wat wil je?'

'Zoek de revolver van de pelgrim.'

'Waarom?'

'Voor onze gast.'

'Doe het zelf,' antwoordde Chad nonchalant, 'dat kun je best.' Mamoulians geest walgde van de gedachte om een dergelijk verteerd lichaam aan te raken. Een kogel was beter. Het zou van zo dichtbij niet moeilijk zijn om de Scheermesjes-Eter te raken. Zonder hoofd konden zelfs de doden niet lopen. 

'Haal de revolver!' verlangde hij.

'Nee,' antwoordde Chad. De dominee had altijd gezegd dat duidelijk spreken het beste was.

'Er is nu geen tijd voor spelletjes,' zei Mamoulian en schonk een seconde geen aandacht aan Breer om Chad aan te kijken. Dat was een fout. De dode man zwaaide weer met het kapmes en dit keer kwam de slag op Mamoulians schouder terecht en bleef in de spier vlak bij zijn hals vastzitten. De Europeaan gaf geen kik, hij gromde alleen iets toen de slag viel en nog een keer toen Breer het mes uit zijn nis trok.

'Stop,' zei hij tegen zijn overvaller.

Breer schudde zijn hoofd. Hier was hij voor gekomen, nietwaar? Dit was het voorspel van de daad waar hij zo lang op had gewacht om uit te kunnen voeren.

Mamoulian legde zijn hand op de wond in zijn schouder. Kogels kon hij ontvangen en overleven maar een traumatischer aanval, een die schade aan de samenhang van zijn lichaam toebracht, dat was gevaarlijk. Hij moest Breer afmaken en als de heilige de revolver niet wilde halen, moest hij de Scheermesjes-Eter maar met zijn blote handen vermoorden.

Breer scheen zijn plannen aan te voelen. 'Je kunt mij geen pijn doen,' probeerde hij te zeggen; de woorden kwamen er als een mengelmoesje uit. 'Ik ben dood.'

Mamoulian schudde zijn hoofd. 'Aan stukken,' mompelde hij. 'Als het moet. Stuk voor stuk.'

Chad grinnikte toen hij de belofte van de Europeaan hoorde. Lieve god, dit was dus de manier waarop de wereld aan zijn eind zou komen, dacht hij. Een wirwar van kamers, auto's die zich voor de laatste keer op de snelweg naar huis haastten, de doden en de bijna doden die slagen bij kaarslicht uitdeelden. De dominee had het mis gehad. De zondvloed was geen golf. Die bestond uit blinde mannen met bijlen, de groten op hun knieën smekend om niet te hoeven sterven in de handen van de idioten, het verlangen van de irrationelen dat tot een epidemie uitgroeide. Hij keek toe en dacht erover na hoe hij de dominee deze scène het best zou kunnen beschrijven en voor de eerste keer in zijn negentien jaar voelde zijn mooie hoofd iets van echt plezier.

-

Marty had zich niet gerealiseerd hoe plezierig de ervaring van reizen was geweest - een passagier op pure gedachten - tot hij in Mamoulians lichaam plonsde. Hij voelde zich als een gevilde man die in kokende olie terechtkwam. Hij ging tekeer; zijn wezen schreeuwde om een eind aan deze hel van het lichaam van een andere man te maken. Maar Carys was hier. Die gedachte hield hij bijna als leidend licht voor ogen.

In deze maalstroom hadden zijn gevoelens voor haar bijna de puurheid van wiskunde. De vergelijkingen, ingewikkeld maar elegant in hun bewijsvorming, boden een nauwkeurigheid die op de waarheid leek. Hij moest aan die herkenning vasthouden. Als hij die eenmaal losliet, was hij verloren.

Hoewel zonder zintuigen, voelde hij deze nieuwe staat worstelen om een beeld van zichzelf op hem te projecteren. In de hoeken van zijn blinde ogen vlamde licht op dat binnen een seconde aan- en weer uitging; zonnen dreigden boven hem te ontbranden en werden weer gedoofd voor ze warmte of verlichting konden geven. Iets irriterends nam bezit van hem, een vlaag waanzin. Kriebel me, zei het, dan hoef je niet meer te zweten. Hij bedwong de verleiding met gedachten aan Carys.

Weg, zei de kriebel, dieper dan jij zou durven gaan. Zoveel dieper. Dat was misschien wel waar. Hij had haar helemaal opgeslokt en haar naar beneden genomen waar hij zijn lievelingsdingen bewaarde. Naar de plaats waar de bron van het nul lag waar hij in Caliban Street mee had geknoeid. En in het zicht van een dergelijk vacuüm zou hij in elkaar schrompelen en dit keer zou er geen respijt zijn. Wat een plek, zei de kriebel, wat een verschrikkelijke plek. Wil je die zien? Nee.

Kom kijken! Kijk en beef! Kijk en hou ermee op! Je wilde weten wat hij was, nou, je staat op het punt een kijkje te kunnen nemen. Ik luister niet, dacht Marty. Hij duwde door en hoewel er geen boven of naar beneden was, geen naar voren of naar achteren, net als in Caliban Street, had hij toch het gevoel dat hij afdaalde. Was het alleen maar de beeldspraak die hij bij zich droeg, die hem de hel deed zien als een put? Of kroop hij door het inwendige van de Europeaan naar de darmen waar Carys verborgen was? Je komt er natuurlijk nooit meer uit, glimlachte de kriebel. Niet als je daar eenmaal bent. Er is geen weg terug. Hij zal je nooit uitpoepen. Je blijft daar voor altijd en eeuwig opgesloten. Carys was eruit gekomen, redeneerde hij.

Ze zat in zijn hoofd, hielp de kriebel hem herinneren. Ze bladerde door zijn bibliotheek. Jij bent begraven in de mesthoop en diep, o ja, mijn beste man, heel diep. 

Nee!

Ja zeker wel. 

Nee!

-

Mamoulian schudde zijn hoofd. Het zat vol vreemde pijnen en hij hoorde ook stemmen. Of was dat alleen maar het verleden dat tegen hem babbelde? Ja, het verleden had de afgelopen weken harder dan ooit in zijn oor gezoemd en geroddeld. Zodra zijn geest in rust was, was de zwaartekracht van het verleden gekomen en was hij weer terug op de binnenplaats van dat klooster met de vallende sneeuw en de bibberende tamboerijn rechts naast hem en de parasieten die de afkoelende lijken verlieten. Tweehonderd jaar leven waren uit die ogenblikken voortgekomen. Als het schot dat de beul had gedood een paar seconden later was gekomen, was de bijl gevallen, dan had zijn hoofd gerold en hij zou de eeuwen die hij had geleefd niet hebben meegemaakt, noch zij hem. En waarom kwam deze gedachtencirkel nu terug terwijl hij naar Anthony aan de andere kant van de kamer keek? Ze waren duizenden kilometers en zeventien decennia van die gebeurtenis verwijderd. Ik ben niet in gevaar, berispte hij zichzelf, dus waarom moet ik zo trillen? Breer stond op het punt voorgoed in elkaar te zakken; hem afmaken was een eenvoudige, zij het walgelijke taak. Hij bewoog plotseling, zijn goede hand greep Breer bij de hals voor de ander de kans had om iets te beseffen en terug te slaan. De slanke vingers van de Europeaan drongen door de brijachtige massa heen en sloten Breers slokdarm af. Toen begon hij hard te trekken. Een behoorlijk deel van Breers hals kwam los in een gespetter van vet en vloeistof. Er klonk een geluid of er stoom ontsnapte.

Chad applaudisseerde met een sigaar in zijn mond. In de hoek waar hij in elkaar was gezakt was Tom opgehouden met jammeren en keek eveneens naar deze verminking. Een man vocht voor zijn leven, de ander voor zijn dood. Hallelujah! Heiligen en zondaars allemaal samen.

Mamoulian wierp een vuistvol rommel van zich af. Ondanks zijn enorme verwonding stond de Scheermesjes-Eter nog steeds overeind. 'Moet ik je aan stukken trekken?' vroeg Mamoulian. Zelfs terwijl hij sprak, kriebelde er iets in hem. Vocht het meisje nog steeds tegen haar opsluiting? 'Wie is daar?' vroeg hij zachtjes.

-

Carys gaf antwoord. Niet aan Mamoulian, maar aan Marty. Hier, zei ze. Hij hoorde haar. Nee, hij hoorde haar niet, hij voelde haar. Ze riep hem en hij volgde.

De kriebel in Marty was in de zevende hemel. Het is te laat om haar te helpen, zei hij, het is nu overal te laat voor. Maar hij was vlak bij, dat wist hij; haar aanwezigheid duwde zijn paniek terug. Ik ben bij je, zei ze. We zijn nu met z'n tweeën. De kriebel was er niet van onder de indruk. Hij grijnsde bij de gedachte aan ontsnappen. Je zit voor eeuwig opgesloten, zei hij, je kunt het maar beter accepteren. Als zij er niet uit kan, waarom zou jij het dan wel kunnen?

Er zijn er nu twee, zei Carys. We zijn nu met z'n tweeën. Een fractie van een seconde begreep hij de bedoeling van de woorden. Ze waren samen en samen waren ze meer dan de som van hun delen. Hij dacht aan hun sluitende lichamen, de fysieke daad die een metafoor was voor hun eenheid. Hij had het tot nu toe nooit begrepen. Zijn geest jubelde. Ze was met hem en hij met haar. Ze waren een ondeelbare gedachte die elkaar verbeeldden. 

Ga!

De hel scheidde hen en hij had geen keus. Het gebied brak in stukken terwijl ze zich uit de greep van de Europeaan werkten. Ze beleefden als één geest een paar uitzonderlijke ogenblikken, toen eiste de zwaartekracht of welke wet in deze staat van toepassing was, zijn portie. Er kwam een deling, een ruwe uitstoting uit dit kortstondige Eden, daarna werden ze weer in hun eigen lichamen teruggegooid; het was voorbij.

Mamoulian voelde hun ontsnapping als een grotere verwonding dan de trauma's die Breer hem had toegebracht. Hij legde een vinger op zijn mond en op zijn gezicht verscheen een blik van armzalig verlies. De tranen kwamen en verdunden het bloed op zijn gezicht. Breer voelde hier een aanwijzing in: zijn ogenblik was aangebroken. In zijn vloeibaar wordende brein was een beeld verschenen zoals van de korrelige foto's in zijn boek met oorlogsmisdaden, behalve dan dat dit beeld bewoog. Er viel sneeuw en er waren dansende vlammen van een stoof.

Het kapmes werd elk moment zwaarder in zijn hand; het leek steeds meer op een bijl. Hij hief het op en de schaduw viel over het gezicht van de Europeaan.

Mamoulian keek naar Breers vernielde trekken en herkende hem, zag hoe alles naar dit ogenblik had geleid. Hij boog onder het gewicht van de jaren en viel op zijn knieën. Terwijl hij dat deed, opende Carys haar ogen. Het was een akelige, rumoerige terugtocht geweest, erger nog voor Marty dan voor haarzelf die wel aan dit soort sensaties gewend was. Maar het was nooit echt plezierig om spieren en vet om je geest te krijgen. Ook Marty had zijn ogen geopend en keek naar het lichaam waar hij in zat. Het was zwaar en muf. Er was zoveel van, de huidlagen, het haar, de nagels, het was allemaal dood materiaal. De substantie stond hem tegen. Deze staat was een bespotting op de vrijheid die hij zojuist had geproefd. Hij kwam met een kreet van afkeer uit zijn in elkaar gezakte houding overeind, alsof hij wakker was geworden en zijn lichaam krioelend van insekten had aangetroffen.

Hij keek naar Carys om geruststelling, maar haar aandacht was gevangen door een beeld dat Marty niet kon zien door de gedeeltelijk gesloten deur.

Ze keek naar een schouwspel dat ze eerder had gezien. Maar de hoek van inval was anders en het duurde even voor ze de scène kon plaatsen: de man op zijn knieën, zijn ontblote nek, zijn armen uit elkaar van zijn lichaam, de vingers gespreid in het algemene gebaar van overgave. De beul hief met een wazig gezicht de bijl om het willige slachtoffer te onthoofden en vlak bij lachte iemand. De laatste keer dat ze dit had gezien, had ze zich achter Mamoulians ogen bevonden, een soldaat die op een besneeuwde binnenplaats de slag afwachtte waarmee zijn jonge leven tot een eind zou komen. Een slag die nooit was gekomen, of liever gezegd, die tot nu toe was uitgesteld. Had de beul zo lang gewacht, alleen in een lichaam gewoond om het voor een ander af te danken en Mamoulian te achtervolgen, decennium na decennium tot het lot eindelijk de delen van een reünie verzameld had? Of had de Europeaan dit allemaal zelf gedaan? Had zijn wil Breer opgeroepen om een verhaal af te maken dat per ongeluk generaties geleden onderbroken was?

Ze zou het nooit weten. De daad die nu voor de tweede keer begon, zou niet weer worden uitgesteld. Het wapen sloeg neer en scheidde het hoofd bijna in één slag van de nek. Een paar koppige pezen hielden het nog schommelend met de neus op de borst vast aan het lichaam tot twee opeenvolgende slagen het scheidden en het tussen de benen van de Europeaan rolde en voor de voeten van

Tom tot rust kwam. De jongen trapte het weg. Mamoulian had geen geluid gemaakt, maar nu, zonder hoofd, ontluchtte zijn lichaam zich. Met het bloed kwam er geluid uit de wond. Het leek wel of er uit iedere porie klachten kwamen. En met het geluid rezen rokerige geesten van ongemaakte tekeningen uit hem op. Bittere dingen verschenen en vluchtten, misschien dromen of fragmenten uit het verleden. Het was nu allemaal voorbij. Dat was het eigenlijk altijd geweest. Hij was ontstaan uit een gerucht, hij de legende, hij de onvormbare, hij wiens naam een leugen was. Maakte het iets uit of zijn biografie die in het niets vluchtte als fictie werd genomen?

Breer, nog niet gekalmeerd, begon de open wond in de hals van het lichaam met het kapmes te bewerken. Eerst sneed hij naar beneden en toen opzij in een poging de vijand in kleinere en nog kleinere stukjes te snijden. Hij kapte zonder vorm van proces een arm af en pakte hem op om de hand van de pols en de onderarm van de bovenarm te scheiden. In een paar ogenblikken veranderde de kamer, die tijdens de executie bijna sereen was geweest, in een abattoir.

Marty strompelde net op tijd naar de deur om Breer Mamoulians andere arm eraf te zien slaan.

'Moet je hem zien!' zei de Amerikaan en toostte met Whiteheads wodka naar het bloedbad.

Marty keek ernaar zonder terug te deinzen. Het was voorbij. De Europeaan was dood. Zijn hoofd lag onder het raam; het leek klein en rudimentair.

Carys die tegen de muur aangedrukt stond, pakte Martys hand. 'Pappa?' zei ze. 'Wat doen we met Pappa?' Toen ze sprak, viel Mamoulians lichaam vanuit zijn knielende houding naar voren. De geesten en de herrie die eruit waren gekomen, waren opgehouden. Nu kwam er alleen donker bloed uit gespetterd. Breer boog zich voorover om verder slagerswerk te verrichten en sneed de buik met twee halen open. De urine spoot uit de aangesneden blaas.

Carys, walgend bij het gezicht hiervan, glipte de kamer uit. Marty bleef nog even hangen. Het laatste wat hij zag voor hij Carys volgde, was dat de Scheermesjes-Eter het hoofd als een exotische vrucht bij het haar oppakte en er een zijdelingse snee in aanbracht.

In de gang knielde Carys bij haar vader neer, Marty kwam bij haar. Ze streelde de wang van de oude man. 'Pappa?' zei ze. Hij was nog niet dood, maar hij was ook niet meer echt in leven. Er was een slappe pols, maar verder niets. Zijn ogen waren dicht. 

'Het heeft geen zin..zei Marty toen ze de oude man aan de schouder trok, 'hij is zo goed als weg.'

In de speelkamer gilde Chad van het lachen. De slachthuisscènes bereikten blijkbaar nieuwe hoogten van absurditeit. 

'Ik wil hier niet meer zijn wanneer hij zich gaat vervelen,' zei Marty. Carys bewoog zich niet. 'We kunnen niets meer voor de oude man doen,' zei hij.

Ze keek hem aan, verward door het dilemma. 

'Hij is weg, Carys. En wij zouden ook moeten gaan.' Er was een stilte gevallen in het abattoir. En dat was in feite erger dan het gelach of het geluid van Breers werk. 'We kunnen hier niet langer blijven,' zei Marty. Hij trok Carys ruw overeind en duwde haar naar de voordeur van het appartement. Ze maakte alleen oppervlakkige bezwaren. Toen ze naar beneden vluchtten, begon de blonde Amerikaan ergens boven hen weer te applaudisseren.

72

-

De dode man was nog een hele tijd bezig. Lang nadat het verkeer op de snelweg was afgenomen en er alleen nog maar af en toe een auto voorbijkwam en slechts het zware vrachtverkeer naar het noorden ronkte. Breer hoorde daar niets van. Zijn oren hadden hun taak allang opgegeven en zijn gezichtsvermogen, dat eens zo scherp was geweest, kon nauwelijks meer iets onderscheiden van het bloedbad dat overal rondom hem lag. Maar ook al zou zijn gezichtsvermogen helemaal ontbreken, hij had nog wel enig gevoel over en dat gebruikte hij om zijn taak af te maken. Hij deelde en onderverdeelde het lichaam van de Europeaan tot het onmogelijk was geworden om te zeggen welk deel had gesproken en welk deel geplast had.

Chad had allang voor dit punt bereikt was, genoeg van de voorstelling. Hij maakte zijn tweede sigaar met zijn hak uit en slenterde eens rond om te kijken hoe de zaken er verder voor stonden. Het meisje was weg en de held ook. God houdt van hen, dacht hij. De oude man lag nog in de gang, de revolver die hij op een bepaald moment voor den dag had gehaald in zijn hand. Zijn vingers bewogen af en toe nog spastisch, maar meer was er niet. Chad ging de bloedige kamer weer in waar Breer op zijn knieën tussen het lichaam en de kaarten in zat en nog steeds aan het snijden was.

Hij hees Tom overeind. De jongen was volslagen lusteloos, zijn lippen waren bijna blauw en het kostte nogal wat moeite om enige beweging in hem te krijgen. Maar Chad was een geboren bekeerder en na een kort gesprek kwam er weer enig enthousiasme in hem. 'Er is nu niets meer dat we niet kunnen,' zei Chad tegen hem. 'We zijn herboren mannen. Ik bedoel, we hebben alles gezien, of niet soms? Er is niets in de hele wijde wereld waar de duivel ons nu nog mee kan verslaan, want we zijn er al geweest. Is dat niet zo?'

Chad voelde zich bijzonder gelukkig met zijn nieuw verworven vrijheid. Hij was van plan zijn gelijk te bewijzen en hij had een uitstekend idee. 'Dit zul je een goeie vinden, Tommy.' Hij wilde zich ontlasten op de borst van de oude man. Tom kon het niet schelen wat er gebeurde en hij keek toe hoe Chad zijn broek liet zakken om het smerige karwei te verrichten. Maar zijn darmen gehoorzaamden hem niet. En hij begon overeind te komen toen Whiteheads ogen opengingen en de revolver afging. De kogel miste op een haar na Chads testikels, maar hij liet wel een verschroeide rode streep op de melkwitte binnenkant van zijn dij achter en floot langs zijn gezicht om vervolgens in het plafond te schieten. Toen werkten Chads darmen wel, maar de oude man was dood, hij was gestorven door het schot dat bijna Chads mannelijkheid eraf had geschoten.

'Dat scheelde niet veel,' zei Tom; zijn catatonie was gebroken door de bijna verminking van Chad.

'Ik denk dat ik geluk heb gehad,' antwoordde de blonde jongen. Toen namen ze zo goed als ze konden wraak en gingen weg.

-

Ik ben de laatste van de soort, dacht Breer. Als ik weg ben, zullen de Scheermesjes-Eters iets uit het verleden zijn. Hij hees zichzelf uit het Pandemonium Hotel in de wetenschap dat de samenhang van zijn lichaam snel verminderde. Zijn vingers konden nauwelijks de petroleumkan meer vasthouden die hij uit een auto had gestolen voor hij naar het hotel was gekomen en voor deze laatste rite in de foyer had laten staan. Het was net zo moeilijk om zijn gedachten erbij te houden als om zijn vingers te laten werken, maar hij deed zijn best. Hij kon de dingen die aan zijn karkas snuffelden niet meer benoemen toen hij tussen de rommel neerhurkte, hij kon zich zelfs niet meer herinneren wie hij was, behalve dat hij eens mooie en schitterende dingen had gezien. Hij draaide de dop van de petroleumkan los en goot de inhoud zo goed mogelijk over zich heen. Het meeste van de vloeistof kwam terecht in een plasje om hem heen. Toen liet hij de kan vallen en zocht blindelings naar lucifers. De eerste en de tweede werkten niet, de derde wel. De vlammen sloegen hem tegemoet. In de vuurzee krulde zijn lichaam op en nam weer de boksershouding aan die gewoon is onder geofferde slachtoffers; de gewrichten werden korter terwijl ze kookten en trokken armen en benen op in een verdedigingshouding.

Toen de vlammen eindelijk doofden, kwamen de honden om te kijken wat er nog over was. Meer dan een liep jankend weg, hun gehemelte opengesneden door een mondvol vlees waarin verborgen als parels in een oester de scheermesjes zaten die Breer als een fijnproever had opgeslokt.