DEEL VIJF: DE ZONDVLOED
Uit een in brand geschoten schip, dat,
Slechts door verdrinking aan het vuur ontkwam,
Sprongen wat mannen, doch kwam een man
Nabij een vijands schip, dan klonk een schot:
Zo moesten allemaal het leven laten,
Wie niet verdronk in 't brandend schip
Verbrandde in het water.
JOHN DONNE, Burnt Ship
IX - Slecht van vertrouwen
49
-
De zondvloed daalde op hen neer tijdens de droogste juli die iedereen zich kon herinneren, maar er is tenslotte geen revisionistische droom van Armageddon compleet zonder contradictie. Bliksemschichten die aan een heldere hemel verschijnen, lichamen die in zout veranderen, de volgzamen die de aarde erven, het zijn allemaal onvoorstelbare fenomenen.
In die julimaand waren er echter geen spectaculaire veranderingen, geen hemelse lichten tegen de wolken. Geen regen van salamanders of kinderen. Als de engelen die maand kwamen en gingen - als de verwachte Zondvloed uitbrak - dan was het een beeldspraak, net als het werkelijke Armageddon. Er zijn natuurlijk wel eens vreemde dingen gebeurd, dat is waar, maar de meeste gebeuren op achteraf plekjes, in slecht verlichte gangen, in gemeden stukken land tussen verregende dijken en tussen de as van oude vreugdevuren. Ze zijn plaatselijk, bijna persoonlijk. Hun schokgolven - op z'n best - een beetje geroddel. Maar de meeste wonderen - spellen, regens en verlossingen -werden met zo'n handigheid achter de façade van het gewone leven verborgen dat alleen zij die het beste zagen of zij die het ongewone zochten, een glimp konden opvangen van de openbaring die zijn pracht laat zien aan een zo door zon overgoten stad.
50
-
De stad verwelkomde Marty niet met open armen, maar hij was blij om voorgoed uit het huis weg te zijn en de oude man en zijn krankzinnigheid de rug toegekeerd te hebben. Wat de consequenties van zijn vertrek uiteindelijk ook zouden zijn - en hij moest er goed over nadenken of hij zichzelf nu wel of niet zou aangeven - hij had tenminste weer ruimte om adem te halen, tijd om de zaken te overdenken.
Het toeristenseizoen was aangebroken. Londen was vol bezoekers die de bekende straten onbekend maakten. De eerste paar dagen wandelde hij alleen maar wat rond en wende aan het gevoel vrij en ongebonden te zijn. Hij had slechts een klein beetje geld over, maar hij kon werk aannemen als hij dat wilde. Met de zomer op zijn hoogtepunt hadden ze altijd wel bouwvakkers nodig. De gedachte aan eerlijk werk, geld verdiend in het zweet zijns aanschijns, was aantrekkelijk. Als het nodig was, zou hij de Citroen verkopen die hij van het heiligdom had meegenomen in een laatste en vermoedelijk onverstandig gebaar van rebellie. Na twee dagen vrijheid keerden zijn gedachten terug naar het oude liedje: Amerika. Hij had het op zijn armen getatoeëerd als een herinnering aan zijn gevangenisdromen. Nu was misschien de tijd aangebroken om het te verwezenlijken. In zijn fantasie wenkte Kansas hem; de graanvelden strekten zich uit zo ver het oog reikte en er was niets te bespeuren dat met mensen te maken had. Daar zou hij veilig zijn. Niet alleen voor de politie en Mamoulian, maar voor het verleden, voor verhalen die steeds weer verteld werden zonder dat er ooit een eind aan kwam. In Kansas zou er een nieuw verhaal zijn, een verhaal waar hij het eind nog niet van kende. En was dat niet wat onder vrijheid werd verstaan, onbedorven door Europese handen en Europese zekerheid?
Om niet steeds op straat te hoeven zwalken, huurde hij een kamertje in Kilburn waar hij zijn vlucht kon voorbereiden, een sjofele zitslaapkamer met twee etages lager een toilet dat door nog zes andere mensen werd gedeeld, zoals de eigenaar hem had verteld. Er waren minstens vijftien bewoners in de zeven kamers van het huis, waaronder een familie van vier personen in één kamer. Het gehuil van het jongste kind hield hem uit zijn slaap, dus stond hij vroeg op en ging de hele dag het huis uit om zijn plannen te beramen en hij kwam pas terug wanneer de kroegen al gesloten waren en dan nog met tegenzin. Maar, stelde hij zichzelf gerust, het zou niet voor lang zijn. Er waren echter wel problemen in verband met zijn vertrek en een daarvan was een paspoort met een visum erin. Zonder dat zou hij geen stap op Amerikaanse bodem kunnen zetten. En het zou een snelle operatie moeten worden om deze documenten te verkrijgen. Hij had geen idee of zijn vertrek bij Whitehead gerapporteerd was of niet, ongeacht wat voor verhalen Marty zou kunnen vertellen. Misschien waren de autoriteiten al bezig de straten naar hem af te zoeken.
Op de derde dag in juli, anderhalve week nadat hij het landgoed had verlaten, besloot hij de koe bij de horens te vatten en naar Toys huis te gaan. Ondanks dat Whitehead had beweerd dat Bill dood was, hoopte Marty tegen beter weten in toch dat dit niet het geval was. Pappa had wel vaker gelogen, waarom dit keer ook niet? Het huis stond wat achteraf in een chique buurt in Pimlico, een weg van gesloten façades en dure auto's die aan weerskanten van de smalle trottoirs stonden. Hij belde een keer of zes aan, maar er was geen teken van leven. De jaloezieën voor de ramen waren naar beneden getrokken en er zat een dikke stapel post in de brievenbus, hoofdzakelijk reclames.
Hij stond op de stoep en keek wazig naar de deur in de wetenschap dat die niet open zou gaan, toen een vrouw uit de deur ernaast te voorschijn kwam. Niet de eigenares van het huis, dat was duidelijk, eerder de werkster. Haar gebruinde gezicht - wie was niet bruin in deze hete zomer - had de gelukkige uitdrukking van iemand die slecht nieuws te vertellen heeft.
'Neemt u me niet kwalijk, maar kan ik u helpen?' vroeg ze hoopvol.
Hij was plotseling blij dat hij een jasje had aangedaan en een das om had voor hij naar het huis was gegaan; deze vrouw zag eruit of ze bij de minste of geringste aanleiding tot achterdocht naar de politie zou hollen. 'Ik zocht Bill. Meneer Toy.'
Ze verborg haar afkeuring niet, van hem of van Toy, dat was nog niet duidelijk.
'Hij is er niet,' zei ze.
'Weet u toevallig waar hij naar toe is?'
'Niemand weet het. Hij heeft haar gewoon in de steek gelaten. Gewoon ervandoor.'
'Wie in de steek gelaten?'
'Zijn vrouw. Nou ja. .. vriendin. Ze is een paar weken geleden gevonden, heeft u dat niet gelezen? Het stond in alle kranten. Ze hebben mij nog ondervraagd. Ik heb nog tegen ze gezegd dat hij helemaal niet zo knap was, absoluut niet.'
'Ik moet eroverheen gekeken hebben.'
'Het heeft in alle kranten gestaan. Ze zoeken hem op het moment.'
'Meneer Toy?'
'Afdeling Moordzaken.'
'Echt waar?'
'Bent u een verslaggever?'
'Nee.'
'Ik ben bereid om mijn verhaal te vertellen, weet u, als de prijs hoog genoeg is. Ik zou u dingen kunnen vertellen...'
'Werkelijk?'
'Ze moet eruitgezien hebben...'
'Wat bedoelt u?'
Met haar hoofd vol ideeën over hoe ze er iets aan kon verdienen, had de dame niet veel zin om hem de details mee te delen, als ze die al wist, wat Marty betwijfelde. Maar ze was wel bereid een tipje van de sluier op te lichten. 'Ze was verminkt,' beloofde ze, 'onherkenbaar, zelfs voor haar directe omgeving.'
'Weet u dat zeker?'
De vrouw keek beledigd door deze twijfel aan haar kennis. 'Ze heeft het of zelf gedaan of anders heeft iemand het voor haar gedaan en haar vervolgens daar opgesloten gehouden tot ze was doodgebloed. Dagen en dagen lang. De stank toen ze de deur openmaakten...'
De klank van de waterige, verloren stem die door de telefoon had geklonken kwam in Martys herinnering boven en hij wist zonder enige twijfel dat Toys vriendin al dood was geweest toen ze met hem had gesproken. Verminkt en dood, maar weer tot leven gewekt als telefoniste om de schijn nog een nuttig tijdje op te houden. De woorden klonken weer in zijn oren: 'Wie is dit?' had ze gevraagd. Ondanks de hitte en het licht van een schitterende julidag begon hij te rillen. Mamoulian was hier geweest. Hij was deze drempel over gegaan op zoek naar Toy. Hij had nog iets met Bill af te rekenen, zoals Marty nu wist. Wat kon een man als represaille op een dergelijk geweld niet uitbroeden terwijl de vernederingen door zijn hoofd spookten? Marty zag dat de vrouw hem aanstaarde.
'Gaat het?' vroeg ze.
'Dank u. Ja.'
'U heeft slaap nodig. Ik heb hetzelfde probleem. Op hete nachten zoals nu word je rusteloos.'
Hij bedankte haar en haastte zich van het huis weg zonder om te kijken. Het was te gemakkelijk om je de afschuwelijke dingen voor te stellen; ze kwamen zonder waarschuwing uit het niets opzetten. En ze zouden niet weggaan. Nu niet. De herinnering aan Mamoulian was bij hem, dag en nacht en iedere rusteloze nacht weer. Hij werd zich bewust (was het gewoon zijn droomleven dat niet de gelegenheid kreeg om in zijn slapeloze nachten te komen en dat zich nu overdag deed gelden?) van een andere wereld die zich achter de façade van de werkelijkheid bevond. Er was geen tijd voor uitvluchten. Hij moest weg, Whitehead en Carys en de wet vergeten. Op de een of andere manier dit land uit zien te komen, weg naar een plek waar echt echt was en dromen onder je oogleden bleven, waar ze ook thuishoorden.
51
-
Raglan was een expert in de verfijnde kunst van vervalsingen. Het kostte twee telefoontjes om hem op te sporen en Marty sloot een overeenkomst met de man. De benodigde visa zouden tegen een bescheiden beloning in een paspoort worden gezet. Als Marty voor een foto kon zorgen, kon het werk in een dag, hooguit twee dagen klaar zijn.
Het was de vijftiende juli, de maand blakerde en was nog maar een paar graden van het kookpunt af. De radio die uit de kamer ernaast kwam, had een dag met een strakblauwe hemel voorspeld, net als de dag tevoren en de dag daarvoor. Niet eens blauw, maar wit. De hemel was intens wit die dagen.
Marty ging al vroeg op weg naar het huis van Raglan, vooral om de ergste hitte te ontlopen, maar ook omdat hij haast had met de vervalsing, zijn ticket te kopen en weg te wezen. Hij kwam echter niet verder dan Kilburn High Road Tube Station. Daar las hij op de voorpagina van The Daily Telegraph de krantekop: Kluizenaarmiljonair thuis dood aangetroffen. En daaronder een foto van Pappa, een jongere Whitehead zonder baard die op het hoogtepunt van zijn carrière en zijn uiterlijk was gemaakt. Hij kocht de krant en twee andere die het verhaal op hun voorpagina hadden afgedrukten las het terwijl hij midden op het trottoir stond en haastige forenzen hem heen en weer duwden terwijl ze de trappen naar het station afliepen.
De dood van Joseph Newzam Whitehead, het hoofd van de Whitehead Corporation, werd vandaag bekendgemaakt. De farmaceutische fabrieken behoorden, tot recente moeilijkheden, tot een van de meest succesvolle in West-Europa. De heer Whitehead, 68, werd gisteren in de vroege ochtenduren in zijn verscholen gelegen landgoed in Oxfordshire gevonden door zijn chauffeur. De vermoedelijke doodsoorzaak is waarschijnlijk een hartaanval. De politie heeft verklaard dat er geen verdachte omstandigheden zijn. Overlijdensbericht: zie bladzijde zeven.
Het overlijdensbericht was het gebruikelijke mengsel van informatie, vergaard uit bladzijden van Who's Who met een korte schets van de rijkdommen van de Whitehead Corporation, plus een vluchtige schets die zich voornamelijk bezighield met de recente financiële problemen van de onderneming. Er was een beknopte levensloop over Whitehead, hoewel de eerste jaren er bekaaid van afkwamen alsof er enige onzekerheid over de details waren. De rest van het verhaal was compleet, hoewel sobertjes. Het huwelijk met Evangeline, de spectaculaire stijging in de voorspoedige jaren vijftig, de jaren van fusies en prestaties en dan, na de dood van Evangeline, de terugtrekking in een geheimzinnige en duistere stilte.
Hij was dood.
Ondanks alle dappere verhalen, al het verzet, alle minachting voor de intriges van de Europeaan was de strijd verloren. Of het inderdaad een natuurlijke dood was, zoals de kranten zeiden, of het werk van Mamoulian, kon Marty alleen maar raden. Maar het viel niet te ontkennen dat hij er nieuwsgierig naar was. En meer dan nieuwsgierig: hij was verdrietig. Dat hij verdrietig om de dood van de oude man kon worden, kwam als een schok en misschien was die schok nog wel erger dan het verdriet zelf. Hij had geen rekening gehouden met het pijnlijke gevoel van verlies dat hem trof. Hij zei de ontmoeting met Raglan af en ging terug naar zijn kamer om de kranten nog eens uitgebreid te bestuderen en iedere druppel informatie die er over Whiteheads dood in stond, eruit te persen. Er waren natuurlijk maar weinig aanwijzingen; alle verhalen waren geschreven in de eentonige en formele stijl van dergelijke kranteartikelen. Toen hij het geschreven woord had uitgespeld, ging hij naar de buren en vroeg of hij hun radio mocht lenen. De jongedame die de kamer bewoonde, vermoedelijk een studente, had enige overreding nodig, maar uiteindelijk gaf ze toe. Hij luisterde vanaf halverwege de ochtend ieder half uur naar de nieuwsberichten terwijl het steeds warmer werd in zijn kamer. Het verhaal stond tot het middaguur in het middelpunt van de belangstelling, maar daarna waren de gebeurtenissen in Beiroet en het onderscheppen van drugs in Southampton belangrijker en het verslag van de dood van Whitehead gleed meer en meer van het belangrijkste nieuws naar een onderdeel van het korte overzicht van het nieuws en daarna, tegen het eind van de middag, was het geen nieuws meer.
Hij gaf de radio terug, sloeg een kopje thee af bij het meisje en haar kat - in die nauwe kamers hing de geur van ongegeten eten als een dreigend onweer - en ging terug naar zijn eigen kamer om daar te zitten nadenken. Als Mamoulian Whitehead inderdaad had vermoord, en hij twijfelde er geen moment aan dat de Europeaan ertoe in staat was om dat te doen zonder dat de beste patholoog daarachter kon komen, dan was dat indirect zijn schuld. Misschien, als hij in het huis was gebleven, zou de oude man nog in leven zijn. Maar het was onwaarschijnlijk. Het was veel waarschijnlijker dat ze dan allebei dood zouden zijn. Maar het schuldgevoel bleef knagen.
De volgende paar dagen deed hij niet veel; de chaos had lood in zijn lichaam gelegd. Zijn gedachten draaiden in een cirkeltje rond; het werd bijna een obsessie. Op het kleine schermpje van zijn schedel draaide hij telkens de thuisfilms af die hij daar had opgeslagen. Vanaf die eerste onzekere kijkjes in het privé-leven van macht tot zijn latere herinneringen die bijna te scherp waren, te gedetailleerd, van de man alleen in de kooi met glas, van de honden en de duisternis. In de meeste, maar niet in alle, zag hij ook het gezicht van Carys, soms grappig, soms nonchalant, vaak afgesloten voor hem, terwijl ze tussen de tralies van haar neergeslagen wimpers naar hem tuurde alsof ze jaloers op hem was. 's Avonds laat, wanneer de baby in de flat onder hem in slaap was gevallen en het enige geluid dat van het verkeer op High Road was, liet hij de intieme momenten tussen hen nog eens afspelen. Ogenblikken die te kostbaar waren om zomaar te voorschijn te roepen uit angst dat hun kracht om te herleven zou tanen als hij het te vaak deed.
Hij had een tijdje geprobeerd haar te vergeten, dat was gemakkelijker. Nu hing hij aan het beeld van dat gezicht en voelde zich beroofd. Hij vroeg zich af of hij haar ooit weer zou zien. De zondagskranten hadden allemaal een compleet verslag over de dood. De Sunday Times had een terugblik op de voorpagina met een profielschets over 'Engelands meest mysterieuze miljonair', door Lawrence Dwoskin, 'de jarenlange partner en vertrouweling van Engelands Howard Hughes'. Marty las het stuk twee keer door en was niet in staat de gedrukte woorden te lezen zonder Dwoskins innemende stem in zijn oren te horen... .. hij was op velerlei manieren een voorbeeld,' stond er, .. hoewel het bijna kluizenaarsbestaan in zijn latere jaren onvermijdelijk aanleiding gaf tot geroddel en geklets, wat voor een man die zo gevoelig was als Joseph vaak kwetsend was. In al zijn jaren van actief maatschappelijk leven, waarin hij blootgesteld was aan de pers die niet altijd even plezierig was, is hij nooit kritisch, suggestief of specifiek geworden. Voor de weinigen die hem beter kenden, toonde hij een karakter dat gevoeliger was voor speldeprikken dan zijn onverschillige houding naar buiten zou doen vermoeden. Toen hij merkte dat er verhalen in omloop waren over wangedrag of excessen, deed hem dat pijn; vooral sinds de dood in 1965 van zijn geliefde vrouw Evangeline was hij de meest puriteinse man op het gebied van seks en moraal.' Marty kreeg een bittere smaak in zijn mond bij het lezen van deze huicheltaal. De heiligverklaring van de oude man was al begonnen. Weldra zouden de biografieën zijn leven in een serie vleiende sprookjes veranderen en zo zou hij de herinnering ingaan. Het proces maakte hem misselijk. Terwijl hij de gemeenplaatsen in Dwoskins verhaal las, merkte hij dat hij heftig en onvoorspelbaar verdedigend werd ten opzichte van de grillen van de oude man, alsof alles wat hem uniek had gemaakt hem echt had gemaakt en nu gevaar liep weggevaagd te worden.
Hij las Dwoskins artikel tot aan het sentimentele einde en legde het neer. Het enige detail dat interessant was, was de opmerking over de begrafenisdienst die de volgende dag in een kerkje in Minster Lovell zou worden gehouden. Het lichaam zou daarna gecremeerd worden. Hoewel het gevaarlijk was, voelde Marty de noodzaak om ernaar toe te gaan en de laatste eer te bewijzen.
52
-
De dienst trok zoveel publiek, van toevallige toeschouwers tot fanatieke sensatiezoekers, dat Martys aanwezigheid volkomen onopgemerkt bleef. De hele situatie had iets onwezenlijks, alsof het allemaal in elkaar was gezet om de hele wereld te laten weten dat de grote man dood was. Er waren, afgezien van het stel uit Fleet Street, correspondenten en fotografen vanuit heel Europa en onder de rouwenden waren verschillende bekende gezichten uit het sociale leven: politici, opmerkelijke gezagdragers, fabrieksdirecteuren en zelfs een paar filmsterren wier enige aanspraak op beroemdheid, beroemdheid was. De aanwezigheid van zoveel bekendheden bracht nogal wat nieuwsgierigen op de been. Het kerkje, de begraafplaats eromheen en de weg rondom waren overvol. De dienst zelf werd via luidsprekers uitgezonden naar hen die buiten stonden, een vreemd ontwrichtend detail. De stem van de geestelijke klonk blikkerig en melodramatisch door het geluidscircuit; zijn loftuitingen werden geaccentueerd door gehoest en geschuifel.
Marty hield er niet van de dienst zo bij te wonen, net zo min als hij de toeristen kon waarderen die slecht gekleed waren voor de begrafenis en op grafstenen of in het gras rondhingen en met nauwelijks verholen ongeduld wachtten op het eind van de vermoeiende interruptie in hun gestaar naar de beroemdheden. Whitehead had in Marty een sluimerende mensenhaat aangemoedigd die nu een plaats in zijn kijk op de wereld had. Terwijl hij de begraafplaats rondkeek naar die verhitte, verveelde mensenmassa voelde hij minachting in zich opkomen. Hij popelde om het hele ratjetoe de rug toe te draaien en weg te gaan. Maar zijn verlangen om de laatste scène helemaal tot het eind te zien, was sterker dan zijn verlangen om weg te gaan, dus bleef hij in de menigte wachten terwijl de wespen rond de kleverige hoofden van de kinderen zoemden en een vrouw die sterke gelijkenis met een bezemsteel vertoonde vanaf een grafsteen met hem zat te flirten.
Iemand las nu uit het Oude Testament. Een toneelspeler, te oordelen naar de toon. Het werd aangekondigd als een passage uit de Psalmen, maar Marty herkende het niet.
Toen het voorlezen bijna achter de rug was, kwam er een auto bij de hoofdingang aangereden. Hoofden draaiden zich om en camera's klikten toen er twee gestalten uitstapten. Er klonk gemompel door de menigte; mensen die hadden gelegen, stonden weer op om te zien wat er te doen was. Iets wekte Marty ook uit zijn lethargie en hij ging op zijn tenen staan om een glimp van de laatkomers op te vangen, die een hele entree maakten. Hij tuurde tussen de hoofden van de menigte om een blik op te vangen, zag wie het was, verloor het zicht weer en zei zachtjes 'nee' tegen zichzelf; hij kon het niet geloven. Toen werkte hij zich door de menigte en probeerde gelijke tred te houden met Mamoulian die een gesluierde Carys aan zijn zij had; hij gleed over het pad van de ingang naar het portaal en verdween in de kerk.
'Wie was dat?' vroeg iemand hem. 'Weet u wie dat was?'
De hel, had hij willen antwoorden. De duivel in eigen persoon. Mamoulian was hier! Op klaarlichte dag met de zon in zijn nek en met Carys aan zijn arm of ze man en vrouw waren en hij liet de camera's klikken om zich voor de editie van morgen te laten fotograferen. Hij had blijkbaar niets te vrezen. Deze late verschijning, zo uitgerekend, zo ironisch, was een laatste gebaar van minachting. En waarom speelde zij zijn spel mee? Waarom gooide ze zijn hand niet van zich af en beschuldigde ze hem niet openlijk van het onnatuurlijke iets dat hij was? Omdat ze gewillig in zijn gevolg was getreden, zoals Whitehead hem had verteld. Op zoek waarnaar? Iets om dat spoor van nihilisme in haar te vieren, om haar op te leiden in de fijne kunst van het sterven? En wat zou ze hem daarvoor in ruil geven? Aha, dat was een netelige vraag.
Eindelijk was de dienst afgelopen. Plotseling, tot verrukking en woede van de gemeente, verbrak een hese saxofoon de plechtigheid en een jazzvertolking van 'Fools Rush In' scheurde door alle luidsprekers. Whiteheads laatste grap vermoedelijk. Het bracht gelach teweeg; sommigen applaudisseerden zelfs. Vanuit de kerk klonk het geluid van mensen die uit hun bank opstonden. Marty rekte zich uit om beter naar het kerkportaal te kunnen kijken en toen dat niet lukte, liep hij terug door het gedrang naar een grafsteen die hem een beter zicht verschafte. Er waren vogels in de door de hitte lijdende bomen en hun achtervolgingen leidden hem af. Toen hij weer terugkeek, was de lijkkist bijna tegenover hem, onder andere gedragen door Ottaway en Curtsinger. De eenvoudige kist werd bijna onfatsoenlijk tentoongesteld. Hij vroeg zich af wat ze de oude man voor kleren hadden aangetrokken, of ze zijn baard nog hadden gefatsoeneerd en zijn oogleden hadden gesloten.
De stoet rouwenden volgde de baardragers op de voet, een zwarte rouwstoet die zich van de kleurige stroom toeristen onderscheidde. Links en rechts klikten de lenzen en een of andere sufferd riep: 'Kijk eens naar het vogeltje.' De jazz speelde verder. Het was allemaal op een prettige manier belachelijk. De oude man zou in zijn kist glimlachen, dat wist Marty zeker.
Eindelijk kwamen Carys en Mamoulian uit de schaduw van het portaal in de felle zonneschijn en Marty wist zeker dat het meisje de menigte voorzichtig afzocht, bang dat haar metgezel het zou merken. Ze zocht hem, dat wist hij zeker. Ze wist dat hij ergens zou zijn en ze zocht hem. Zijn gedachten wervelden en struikelden over elkaar. Als hij haar een teken gaf, hoe subtiel ook, was er een goede kans dat Mamoulian dat ook zou zien en dat zou voor hen beiden gevaarlijk zijn. Het was beter om zich te verbergen, ook al was het nog zo pijnlijk om haar niet aan te kijken. Met tegenzin stapte hij van zijn grafsteen af toen de groep rouwenden voor hem langsliep en keek toe vanuit de bescherming van de massa. De Europeaan keek nauwelijks op vanuit zijn gebogen houding en van wat Marty kon zien tussen de bewegende hoofden door had Carys haar speurtocht ook opgegeven: misschien dacht ze dat hij er toch niet was. Toen de lijkkist en zijn zwarte staart de begraafplaats hadden verlaten, dook Marty uit de menigte weg en klom over de muur om de gebeurtenissen vanuit een beter uitzichtspunt te kunnen gadeslaan.
Op straat sprak Mamoulian tegen een paar rouwenden. Er werden handdrukken uitgewisseld en Carys werd gecondoleerd. Marty keek ongeduldig. Misschien zouden zij en de Europeaan elkaar in de menigte kwijtraken en dan zou hij de kans krijgen, al was het maar even, om haar gerust te stellen wat betreft zijn aanwezigheid. Maar een dergelijke gelegenheid deed zich niet voor. Mamoulian was de perfecte begeleider en hield Carys steeds vlak bij zich. Er werden groeten uitgewisseld, toen stapten ze weer achter in de donkergroene Rover en reden weg. Marty rende naar de Citroen. Wat er ook mocht gebeuren, hij moest haar nu niet kwijtraken; dit was misschien zijn laatste kans om haar te pakken te krijgen. De achtervolging was moeilijk. Toen ze eenmaal van de smalle landweggetjes af waren en op de grote weg reden, ging de Rover er met een onbeschaamde snelheid vandoor. Marty achtervolgde zo discreet als tactiek en opwinding hem toestonden.
-
Achter in de auto gezeten had Carys een vreemde, telkens weer oplaaiende gedachte. Als ze haar ogen open- of dichtdeed, zag ze een gestalte: de hardloper. Ze herkende hem binnen een paar seconden: het grijze pak, een wolk van adem die onder de capuchon vandaan kwam; ze had hem al een naam gegeven voor ze zijn gezicht ooit had gezien. Ze wilde over haar schouder kijken om te zien of hij inderdaad ergens achter hen zat, maar ze wist wel beter. Mamoulian zou vermoeden dat er iets aan de hand was, als hij dat nog niet had gedaan.
De Europeaan keek haar aan. Ze was een geheimzinnig wezen, dacht hij. Hij wist nooit wat ze eigenlijk dacht. Wat dat betreft was ze een kind van haar moeder. Hij had in de loop der tijd geleerd om Josephs gezicht te kunnen lezen, maar het gezicht van Evangeline had maar zelden blijk van haar werkelijke gevoelens gegeven. Hij had een paar maanden gedacht dat zijn aanwezigheid in het huis haar onverschillig liet; alleen de tijd had het werkelijke verhaal van haar intriges tegen hem verteld. Hij verdacht Carys soms van dezelfde voorwendsels. Was ze niet te volgzaam? Zelfs nu lag er een spoor van een glimlach op haar gezicht.
'Heb je je vermaakt?'
'Wat?'
'De begrafenis.'
'Nee,' zei ze luchtig. 'Nee, natuurlijk niet.'
'Je glimlachte.'
Het spoortje verdween en haar gezicht ontspande zich. 'Het had wel een groteske waarde, denk ik,' zei ze met monotone stem, 'om te zien hoe ze allemaal voor de camera speelden.'
'Geloof je niet in hun verdriet?'
'Ze hielden nooit van hem.'
'En jij wel?'
Ze leek de vraag af te wegen. 'Houden van...' zei ze en liet de woorden voor zich in de hete lucht drijven om te kijken wat het zou worden. 'Ja. Ik geloof van wel.'
Ze maakte het Mamoulian moeilijk. Hij wilde een betere greep op de gedachtengang van het meisje, maar ze weigerde al zijn pogingen. Angst voor de illusies die hij kon oproepen hadden haar zeker een vernisje van onderworpenheid gegeven, maar hij vroeg zich af of ze werkelijk een slaaf van haar hadden gemaakt. Angsten waren een nuttige drijfveer, maar dan werd de wet van de afnemende meeropbrengsten van toepassing; iedere keer dat ze tegen hem in opstand kwam, was hij verplicht om iets nieuws, iets ergers te vinden en dat putte hem uit.
En nu, om het allemaal nog erger te maken, was Joseph dood. Hij was, volgens wat er op zijn begrafenis was gezegd, vredig in zijn slaap gestorven. Niet eens doodgegaan, die vulgaire uitdrukking was uit de woordenschat van alle belanghebbenden geschrapt. Hij was overleden, of heengegaan, of hij was in zijn slaap gestorven. Maar nooit doodgegaan. De huicheltaal die de dief in zijn graf gevolgd was, stond de Europeaan tegen. Maar hij had een nog grotere afkeer van zichzelf. Hij had Whitehead laten gaan. Niet één keer, maar twee keer, geruïneerd door zijn eigen verlangen om het spel te beëindigen met de nodige aandacht voor detail. Dat en zijn belang om de dief te overtuigen gewillig in het vacuüm te komen. Uitvluchten hadden zijn onttakeling bewezen. Terwijl hij gedreigd had en met geestverschijningen had gejongleerd, was die ouwe geit ertussendoor geglipt.
Dat had nog niet het eind van het verhaal hoeven te zijn. Tenslotte had hij de mogelijkheid om Whitehead in zijn dood te volgen en hem er weer uit te brengen, als hij maar bij het lichaam had kunnen komen. Maar de oude man was te handig geweest. Zijn lichaam was uit het zicht gehouden, zelfs voor zijn directe nabestaanden. Het was opgeborgen geweest in een bankkluis (hoe toepasselijk) en dag en nacht bewaakt, tot vreugde van de sensatieblaadjes die genoten van zulke excentriciteiten. Tegen de avond zou hij niet meer zijn dan as en Mamoulians laatste mogelijkheid voor een definitieve reünie zou verloren zijn. En toch.. .
Waarom had hij het gevoel dat de spelletjes die hij al deze jaren had gespeeld, de verleidingsspelletjes, de onthullende spelletjes, de afstotingsspelletjes en duivelsspelletjes niet helemaal voorbij waren? Zijn intuïtie verminderde, evenals zijn kracht, maar hij wist zeker dat er iets niet klopte. Hij dacht aan de manier waarop de vrouw naast hem had geglimlacht, aan het geheim op haar gezicht.
'Is hij dood?' vroeg hij plotseling.
De vraag bleek haar in de war te brengen. 'Natuurlijk is hij dood,' antwoordde ze.
'Echt waar, Carys?'
'We zijn net op zijn begrafenis geweest, verdorie.' Ze voelde zijn gedachten, een stevige aanwezigheid in haar nek. Ze hadden dit de afgelopen weken wel honderd keer gespeeld -het proces van kracht tussen hun wil - en ze wist dat hij iedere dag zwakker werd. Niet zo zwak om er geen rekening meer mee te hoeven houden; hij kon nog steeds gruwelen oproepen als hij daar zin in had.
'Vertel me wat je denkt...' zei hij, '.. .zodat ik je gedachten niet hoef uit te graven.'
Als ze geen antwoord zou geven en hij haar met geweld zou binnendringen, zou hij de hardloper zeker zien.
'Alsjeblieft,' zei ze met gespeelde lafheid, 'doe me geen pijn.' De geest trok een beetje terug.
'Is hij dood?' vroeg Mamoulian weer.
'De nacht waarop hij doodging. . .' begon ze. Wat kon ze anders vertellen dan de waarheid? Geen leugen zou voldoende zijn; hij zou het toch te weten komen. '.. .de nacht waarop ze zeiden dat hij doodging, heb ik niets gevoeld. Er was geen verandering. Niet zoals toen Mamma doodging.'
Ze wierp Mamoulian een geïntimideerde blik toe om de illusie van onderdanigheid overeind te houden.
'Wat maak je daaruit op?' vroeg hij.
'Ik weet het niet,' zei ze heel eerlijk.
'Wat denk je?'
Weer eerlijk: 'Dat hij niet dood is.'
Er verscheen een glimlach, de eerste die Carys ooit op het gezicht van de Europeaan had gezien. Het was er maar een flauw aftreksel van, maar hij was er wel. Ze voelde hem zijn voelhorens terugtrekken en tevreden in zichzelf peinzen. Hij zou haar niet verder ondervragen. Er waren te veel plannen te maken.
'O pelgrim,' zei hij zachtjes bij zichzelf terwijl hij de onzichtbare vijand als een innig geliefd, maar zondigend kind berispte, 'je had me bijna te pakken.'
Marty volgde de auto van de grote weg af en door de stad naar het huis in Caliban Street. Het was vroeg in de avond toen aan de achtervolging een eind kwam. Op een redelijke afstand geparkeerd keek hij hoe ze uit de auto stapten. De Europeaan betaalde de chauffeur en toen, na een kort oponthoud, maakte hij de voordeur open en hij en Carys liepen naar binnen, het huis in waar de smerige kanten gordijnen en het afbladderende verfwerk niets vreemds suggereerden in een straat waar alle huizen dringend aan renovatie toe waren. Op de eerste etage ging een licht aan en er werd een scherm neergelaten.
Hij bleef meer dan een uur in de auto zitten en hield het huis in het oog, hoewel er niets gebeurde. Ze verscheen niet aan het raam, er werden geen brieven, gewikkeld om stenen, naar buiten gegooid en kusjes naar haar wachtende held geworpen. Maar dergelijke tekens had hij niet echt verwacht; dat was fantasie en dit was werkelijkheid. Vieze stenen, vieze ramen, vieze gruwelen verscholen zich daar.
Hij had niet meer fatsoenlijk gegeten sinds het bekend worden van de dood van Whitehead en nu voelde hij voor het eerst weer een gezonde honger. Terwijl hij het huis in de vallende schemering achterliet, ging hij op weg om iets eetbaars te halen.
53
-
Luther stond in te pakken; het waren drukke dagen geweest sinds de dood van Whitehead en hij was er duizelig van. Met zoveel geld in zijn zakken kwam er ieder moment een andere mogelijkheid bij hem op, een fantasie die werkelijkheid werd. Om te beginnen zou hij voor een lange vakantie terug naar huis naar Jamaica gaan. Hij was weggegaan toen hij acht was, negentien jaar geleden, en hij zag zijn herinneringen aan het eiland door een roze bril. Hij wist dat hij teleurgesteld kon worden, maar als hij het er niet prettig vond, dan gaf dat niets. Een man met zijn rijkdommen had geen omschreven plan nodig; hij kon verder trekken. Naar een ander eiland of een ander continent.
Hij was bijna klaar voor zijn vertrek toen een stem hem van beneden riep. Het was geen stem die hij kende. 'Luther? Ben je daar?'
Hij liep naar de trap. De vrouw waar hij dit huisje ooit mee had gedeeld was weg; ze was zes maanden geleden met de kinderen vertrokken. Het huis zou leeg moeten zijn. Maar er was iemand in de gang, niet een, maar twee mannen. Zijn gesprekspartner, een lange, indrukwekkende man, staarde naar boven en het licht van de overloop viel op zijn brede, gladde voorhoofd. Luther herkende het gezicht. Van de begrafenis misschien? Achter hem in de schaduw stond een zwaardere gestalte.
'Ik wilde je even spreken,' zei de eerste.
'Hoe bent u hier binnengekomen? Wie bent u trouwens?'
'Even maar. Over je werkgever.'
'U bent van de pers, hè? Hoor eens, ik heb alles verteld wat ik wist. Ga hier nou verdorie weg voor ik de politie bel. U hebt geen enkel recht om hier in te breken.'
De tweede man kwam uit de schaduw te voorschijn en keek naar boven. Zijn gezicht was opgemaakt; dat was zelfs van een afstand duidelijk. De huid was gepoederd, er zat rouge op de wangen en hij zag eruit als een pantomimedame. Luther deed een stap terug en dacht snel na.
'Je hoeft niet bang te zijn,' zei de eerste man en de manier waarop hij dat zei, maakte Luther nog banger. Wat stak er achter een dergelijke beleefdheid?
'Als je hier niet binnen tien seconden vandaan bent.. .' waarschuwde hij.
'Waar is Joseph?' vroeg de beleefde man.
'Dood.'
'Weet je dat zeker?'
'Natuurlijk weet ik dat zeker. Ik heb je op de begrafenis gezien, hè? Ik weet niet wie je bent...'
'Ik heet Mamoulian.'
'Nou, je bent daar ook geweest, is het niet? Je hebt het zelf gezien.
Hij is dood.'
'Ik heb een kist gezien.'
'Hij is dood, man,' hield Luther vol.
'Jij bent degene die hem gevonden heeft, begreep ik,' zei de Europeaan en liep een paar passen door de gang naar de trap.
'Dat klopt. In bed,' antwoordde Luther. Misschien waren ze toch van de pers. 'Ik heb hem in bed gevonden. Hij is in zijn slaap gestorven.'
'Kom eens hier. Beschrijf het eens als je wilt.'
'Ik sta hier goed.' De Europeaan keek naar het gefronste gezicht van de chauffeur en voelde eens aarzelend aan diens nek. Er was hier te veel hitte en rommel; hij was niet veerkrachtig genoeg voor een onderzoek. Er waren echter ruwere manieren. Hij maakte een gebaar naar de Scheermesjes-Eter, wiens Sandalwood-aanwezigheid vlak bij hem was.
'Dit is Anthony Breer,' zei hij. 'Hij heeft in zijn tijd kinderen en honden - herinner je je de honden nog, Luther? - met bewonderenswaardige efficiëntie de genadeslag gegeven. Hij is niet bang voor de dood. Hij voelt zich er zelfs uitzonderlijk verwant mee.' Het pantomimegezicht keek het trappenhuis in met verlangende ogen.
'Nou, alsjeblieft,' zei Mamoulian, 'in ons beider belang: de waarheid.'
Luthers keel was zo droog dat hij de woorden er nauwelijks uit kreeg. 'De oude man is dood,' zei hij. 'Meer weet ik niet. Als ik meer wist, zou ik het je vertellen.'
Mamoulian knikte; de blik op zijn gezicht toen hij sprak was meelevend, alsof hij wat er nu moest gebeuren echt vervelend vond. 'Je vertelt me iets dat ik wil geloven en je zegt het met zo'n overtuiging dat ik het ook bijna geloof. In principe kan ik tevredengesteld vertrekken en jij kunt verder gaan met jouw zaken. Maar. . .' hij zuchtte zwaar, 'ik geloof je niet helemaal.'
'Luister, dit is verdomme mijn huis!' blufte Luther en hij voelde dat hier buitengewone maatregelen vereist waren. De man die Breer genoemd werd, had zijn jack opengemaakt. Hij droeg er geen overhemd onder. Er waren vleespennen door het vet op zijn borst heen gestoken die zijn tepels overdwars doorboorden. Hij reikte ernaar en trok er twee uit; er kwam geen bloed te voorschijn. En gewapend met deze stalen naalden schuifelde hij naar de trap.
'Ik heb niets gedaan,' smeekte Luther.
'Dat zeg jij.'
De Scheermesjes-Eter begon de trap op te lopen. De ongepoederde borsten waren kaal en gelig.
'Wacht!'
Breer stond stil toen Luther schreeuwde.
'Ja?' zei Mamoulian.
'Haal hem weg.'
'Als je iets te vertellen hebt, doe dat dan. Ik ben bijzonder geïnteresseerd.'
Luther knikte. Op Breers gezicht lag teleurstelling. Luther slikte hevig voor hij sprak. Er was hem een klein kapitaal betaald om niet te zeggen wat hij nu op het punt stond om te vertellen, maar Whitehead had hem niet verteld dat het zo zou zijn. Hij had een horde vragende verslaggevers verwacht, misschien zelfs een lucratief aanbod om zijn verhaal in de zondagskrant te krijgen, maar dit niet, niet deze mensenetende reus met zijn poppengezicht en zijn wonden zonder bloed. Er was een grens aan de stilte die geld kon kopen, verdomme.
'Wat heb je te vertellen?' vroeg Mamoulian.
'Hij is niet dood,' antwoordde Luther. Kijk eens aan, het was niet eens zo moeilijk. 'Het is allemaal opgezet. Er zijn maar een paar mensen die het weten en ik ben er een van.'
'Waarom jij?'
Daar was Luther ook niet zeker van. 'Ik denk dat hij me vertrouwde,' zei hij en haalde zijn schouders op.
'Aha.'
'Bovendien moest iemand het lichaam vinden en ik was daar de meest geloofwaardige kandidaat voor. Hij wilde er gewoon tussenuit knijpen. En opnieuw beginnen waar hij nooit gevonden kan worden.'
'En waar is dat?'
Luther schudde zijn hoofd. 'Ik weet het niet, man. Ergens, denk ik, waar niemand zijn gezicht kent. Hij heeft het me nooit verteld.'
'Hij moet iets gezegd hebben.'
'Nee.'
Breer vrolijkte op bij Luthers terughoudendheid.
'Nou, vooruit,' moedigde Mamoulian hem aan. 'Je hebt me de belangrijkste feiten verteld, wat geeft het als je de rest ook vertelt?'
'Er is geen rest.'
'Waarom maak je het zo moeilijk voor jezelf?'
'Hij heeft het me nooit verteld, man.' Breer stapte een tree naar boven en toen nog een paar.
'Hij moet toch iets hebben gezegd,' zei Mamoulian. 'Denk na!
Denk na! Je zei dat hij je vertrouwde.'
'Niet zó erg! Hé, hou hem bij me weg, wil je?'
De pennen glinsterden.
'Haal hem in godsnaam weg!'
-
Er waren verschillende jammerlijke feiten. De eerste was dat de ene mens in staat was tot zulk glimlachend grof geweld tegen een ander. De tweede dat Luther inderdaad niets wist. Zijn bron van informatie was, zoals hij had gezegd, bijzonder summier geweest. Maar tegen de tijd dat de Europeaan zeker was van Luthers onwetendheid, was de man niet meer te redden. Hoewel, dat was niet helemaal waar. Wederopstanding was best mogelijk. Maar Mamoulian had wel wat beters te doen met zijn afnemend uithoudingsvermogen en bovendien: de man dood te laten liggen waar hij lag, was de enige manier waarop hij de chauffeur kon vergoeden voor wat hij tevergeefs had doorstaan.
-
'Joseph. Joseph. Joseph,' berispte Mamoulian hem. En de duisternis begon te vallen.