II - De vos
-
Whitehead wist dat het woord asiel verraderlijk was. Het betekende in één adem zowel toevluchtsoord, een veilige plek, als gekkenhuis en plek waar kapotte geesten zich konden opbergen. Hij hielp zichzelf herinneren dat het niet meer dan een woordspeling was. Maar waarom bleef die dubbelzinnigheid dan zo in zijn hoofd hangen?
Hij zat in zijn veel te gemakkelijke stoel bij het raam waar hij nu al een seizoen lang iedere avond had gezeten om te zien hoe de avond over het grasveld viel en hij dacht, zonder veel vorm aan zijn overpeinzingen te geven, hoe het ene ding iets anders kon worden, hoe moeilijk het was iets vast te houden. Het leven was een willekeurige zaak. Die les had Whitehead al jaren geleden bij zijn baas geleerd en hij had het nooit vergeten. Of je nu voor je goede werk beloond of levend gevild werd, het was allemaal een kwestie van geluk. Het had geen zin je een weg te banen door een systeem van cijfers of goddelijke wezens, het verbrokkelde uiteindelijk toch allemaal. Het geluk behoorde toe aan de man die het waagde om alles in één keer te riskeren.
Hij had dat gedaan. Niet één keer, maar vele keren aan het begin van zijn carrière, toen hij de basis voor zijn rijk had gelegd. En dankzij dat uitzonderlijke zesde zintuig van hem, dat talent om de loop van de dobbelstenen te kunnen beïnvloeden, waren de risico's altijd de moeite waard geweest. Andere ondernemingen hadden hun virtuosen, computers die kansberekeningen tot in de tienden berekenden, adviseurs die hun oren bij de effectenmarkt te luisteren legden in Tokio, Londen of New York, maar Whiteheads instinct won het van hen allemaal. Als het erop aankwam het moment te weten, de samenkomst van tijd en mogelijkheid te weten zodat een goede beslissing een grootse werd, een gewone overname tot een meesterzet werd, dan was niemand beter dan de oude Whitehead en dat wisten alle handige jongens in de bestuurskamer van de onderneming ook. Nog altijd moesten de profetische adviezen van Joe gevraagd worden voor een uitbreiding van belang ondernomen werd of getekend kon worden. Hij vermoedde dat deze absolute autoriteit niet overal even welkom was. Er waren er ongetwijfeld die vonden dat hij moest loslaten en de mannen van de universiteit en hun computers hun gang moest laten gaan. Maar Whitehead had nu eenmaal deze vakkundigheid verworven, deze unieke voorspellende gave van gevaar. Het zou toch dom zijn om dat vergeten in een hoekje te laten liggen als het gebruikt kon worden om ergens de vinger op te leggen. Bovendien had de oude man een argument waar de jongeren niet tegenop konden: zijn methoden werkten. Hij had geen behoorlijke opleiding gehad; voordat hij beroemd werd, was zijn leven blank geweest, tot grote ellende van de journalisten, maar hij had Whitehead Corporation uit het niets opgebouwd. En het lot van de onderneming was nog steeds een bron van hartstochtelijke toewijding voor hem.
Maar zoals hij vanavond in zijn stoel bij het raam zat, was er geen tijd voor hartstocht. Het was een stoel om in te sterven, had hij wel eens gedacht. Vanavond was er alleen maar ongemak: die oudemannetjeskwaal.
Wat had hij een hekel aan zijn leeftijd! Het was nauwelijks op te brengen om zo beperkt te worden. Niet dat hij lichamelijk zwak was, er waren alleen allerlei kleine kwaaltjes die hem het leven lastig maakten zodat er nog maar zelden een dag voorbijging zonder irritaties. Een zweertje in zijn mond of een scheurtje tussen zijn billen dat verschrikkelijk jeukte. En dat soort dingen dwong hem zijn aandacht op zijn lichaam te richten terwijl de drang tot zelfbehoud hem ergens anders heen riep. Hij vond dat de vloek van de leeftijd ontspanning was en hij kon zich de luxe van slordig denken niet veroorloven. Er schuilde gevaar in het overpeinzen van een pijntje of een zweer. Zodra zijn geest zich had omgedraaid, vloog er iets naar zijn keel. Dat werd hem door dat ongemakkelijke gevoel in hem verteld. Kijk niet de andere kant op, denk niet dat je veilig bent, ouwe. Ik heb een boodschap voor je, het ergste moet nog komen.
Toy klopte een keer voor hij de studeerkamer binnenliep.
'Bill…'
Whitehead vergat even het grasveld en de naderende duisternis en keerde zich naar zijn vriend.
'. . je bent hier.'
'Natuurlijk zijn we hier, Joe. Zijn we laat?'
'Nee, nee. Geen problemen?' Alles is in orde.'
'Mooi zo.'
'Strauss is beneden.'
In het afnemende licht liep Whitehead naar de tafel en schonk zichzelf een zuinig glas wodka in. Hij had tot nu toe niet gedronken en hij wilde Toys veilige aankomst met een slok vieren. 'Wil je er ook een?'
Het was een rituele vraag met een ritueel antwoord. 'Nee, dank je.'
'Ga je straks terug naar de stad?'
'Nadat je Strauss hebt gezien.'
'Het is te laat voor die onzin. Waarom blijf je niet, Bill? Ga morgen terug als het weer licht is.'
'Ik heb nog zaken te doen,' zei Toy en glimlachte een beetje bij de laatste woorden. Dat was een ander ritueel, een van de vele tussen de twee mannen. Over Toys zaken in Londen werden nooit vragen gesteld, dat was altijd zo geweest en ze hadden niets met de onderneming te maken. Dat wist de oude man. 'Wat is jouw indruk?'
'Van Strauss? Hetzelfde als tijdens het eerste gesprek. Ik denk dat hij goed is. En als hij dat niet is, zijn er nog genoeg van zijn soort over.'
'Ik heb iemand nodig die niet gauw bang is. Het zou wel eens erg onplezierig kunnen worden.'
Toy bromde iets en hoopte dat het gesprek niet verder in die richting zou lopen. Hij was moe van een dag wachten en reizen en hij verlangde naar de avond. Dit was niet de juiste tijd om weer hierover te gaan praten.
Whitehead had zijn leeggedronken glas op het blad gezet en was weer naar het raam teruggegaan. Het werd nu snel donkerder in de kamer en toen de oude man met zijn rug naar Toy toe stond, werd hij door de schaduw samengevoegd tot iets monolitisch. Na dertig jaar bij Whitehead in dienst geweest te zijn, drie decennia waarin nauwelijks één boos woord was gesproken, was Toy nog steeds vervuld van ontzag voor Whitehead als voor een of andere absolute heerser met de macht over leven en dood wat hem betrof. Hij moest altijd even wachten om zijn evenwicht te herstellen voordat hij bij Whitehead binnenkwam, hij had nog steeds van tijd tot tijd de neiging te gaan stotteren, zoals hij had gedaan toen ze elkaar eerder hadden ontmoet. Het was een gerechtvaardigde reactie, vond hij. De man was kracht, meer kracht dan waarop hij ooit kon hopen of zelfs zou kunnen willen bezitten. En het lag met bedrieglijke luchtigheid op stevige schouders. In alle jaren van samenwerking, tijdens vergaderingen in de bestuurskamer, had hij Whitehead nooit naar het juiste gebaar of de juiste opmerking zien zoeken. Hij was eenvoudig de meest zelfverzekerde man die Toy ooit had ontmoet. Tot op zijn botten overtuigd van zijn eigen belang. Zijn kundigheden zodanig geslepen dat een man door één woord van hem te gronde gericht kon worden, vernietigd voor de rest van zijn leven, zijn eigendunk door de goot gespoeld en zijn carrière aan flarden. Toy had het ontelbare keren zien gebeuren en vaak bij mannen die hij als zijn meerderen had gezien. En dan kwam altijd weer de vraag naar boven - hij stelde hem ook nu weer terwijl hij naar het achterhoofd van Whitehead stond te staren - waarom verspilde de grote man zoveel tijd aan hem? Misschien was het gewoon het verleden. Was het dat? Het verleden en sentiment.
'Ik zit eraan te denken het zwembad te laten vullen.' Toy dankte de hemel dat Whitehead van onderwerp was veranderd. Geen gepraat over het verleden, vanavond tenminste niet. 'Ik zwem er niet meer, zelfs 's zomers niet.'
'Doe er dan vissen in.'
Whitehead draaide zijn hoofd een beetje om te zien of Toy glimlachte. Hij wist nooit wanneer er gekheid werd gemaakt; het was gemakkelijk om iemand te kwetsen als je lachte en er was niets grappigs bedoeld, wist Whitehead. Of als het andersom was. Toy glimlachte niet. 'Vissen?' vroeg Whitehead.
'Decoratieve goudvissen bijvoorbeeld. Heet dat niet Koi? Mooie dingen.'
Toy hield van het zwembad, 's avonds werd het van onder af verlicht en de oppervlakte bewoog in hypnotiserende kolkjes waarin het turkoois betoverend was. Als het weer wat afkoelde, hing er zo'n decimeter boven het water een laagje damp. Hij kwam graag bij het zwembad, ook al had hij een hekel aan zwemmen. Hij wist niet zeker of Whitehead dit wist of niet, vermoedelijk wel. Hij had wel eens gemerkt dat Pappa bijna alles wist, of hij het nu hardop had gezegd of niet.
'Je bent nogal op het zwembad gesteld,' stelde Whitehead vast.
Zie je wel: het bewijs.
'Ja.'
'Dan houden we het.'
'Nou, niet alleen omdat...'
Whitehead hield een hand op om een verdere discussie af te weren, hij was tevreden een cadeautje gegeven te hebben.
'We houden het,' zei hij. 'En jij mag hem met Koi vullen.' Hij leunde weer naar achteren in zijn stoel. 'Zal ik de lichten op het grasveld aandoen?'
'Nee,' zei Whitehead. Het stervende licht van het raam wierp een bronsachtige glans op zijn hoofd; hij leek wel een moderne De Medici met zijn diepliggende ogen en die zware oogleden, de witte baard en snor die tot vlak op de huid waren afgesneden. Het geheel leek te zwaar voor de kolom die het moest dragen. Toy schudde de matheid die de sfeer in de kamer met zich meebracht van zich af. Hij wist dat Joe zou voelen dat hij gespannen naar hem stond te kijken en daarom dwong hij zichzelf tot actie. 'Ja, zal ik Strauss dan maar halen, Joe? Je wilt hem toch zien?' Het leek of de woorden er een eeuwigheid over deden om door de steeds zwaarder wordende duisternis in de kamer te komen. En even wist Toy ook niet zeker of Whitehead hem wel gehoord had. Toen sprak het orakel. Geen voorspelling, maar een vraag. 'Zullen we het overleven, Bill?'
De woorden waren zo rustig gesproken, het leken wel stofjes die van zijn lippen zweefden. Het hart zonk Toy in de schoenen. Het oude onderwerp weer: hetzelfde schizofrene lied. 'Ik hoor steeds meer verhalen de ronde doen, Bill. Het kan niet allemaal verzonnen zijn.'
Hij keek nog steeds uit het raam. Zo'n kleine kilometer verderop cirkelden roeken boven het bos. Keek hij daarnaar? Toy betwijfelde het. Hij had Whitehead wel vaker zo meegemaakt als het laat werd, verzonken in zichzelf terwijl hij in zijn geest het verleden nauwkeurig onder de loep nam. Toy werd er nooit deelgenoot van gemaakt, maar hij kon de angsten van Joe wel vermoeden; tenslotte was hij er vroeger ook bij geweest. En hij wist ook dat al was hij nog zo op de oude man gesteld, er lasten waren die hij nooit zou kunnen of willen delen. Daar was hij niet sterk genoeg voor. Diep in zijn hart was hij nog altijd de bokser die Whitehead dertig jaar geleden als lijfwacht had aangesteld. Nu had hij natuurlijk een pak ter waarde van zo'n duizend gulden aan en zijn nagels waren net zo onberispelijk als zijn manieren. Maar zijn geest was hetzelfde gebleven, bijgelovig en breekbaar. De dromen van de groten waren niet de zijne. En hun nachtmerries evenmin. Weer stelde Whitehead de kwellende vraag: 'Zullen we het overleven?'
Dit keer voelde Toy zich genoodzaakt te antwoorden.
'Alles is in orde, Joe. Dat weet je toch. We draaien in de meeste sectoren met winst...'
Maar de oude man wilde geen ontwijkende antwoorden en dat wist Toy best. Hij liet de woorden in de lucht hangen en daardoor klonk de onafgemaakte zin nog onheilspellender. Toy staarde onafgebroken naar Whitehead en vanuit zijn ooghoeken begon de duisternis die nu ook in de kamer hing, te bewegen en rond te kruipen. Hij deed even zijn oogleden dicht, ze knarsten bijna over zijn ogen. Het duizelde hem (raderen, sterren en ramen) en toen hij zijn ogen weer opendeed, had de avond de kamer eindelijk helemaal in het duister gehuld.
Het bronzen hoofd bleef roerloos. Maar het sprak wel en de woorden leken van heel diep te komen, besmeurd met angst.'Ik ben bang, Willy,' zei hij. 'Ik ben in mijn hele leven nog nooit zo bang geweest als nu.'
Hij sprak langzaam, zonder de minste nadruk, alsof hij een hekel had aan de melodramatische woorden en weigerde om de uitwerking ervan sterker te maken dan hij al was. 'Alle afgelopen jaren heb ik zonder angst geleefd, ik was vergeten wat het ook weer was. Wat een handicap het kan zijn. Hoe het je wilskracht ondermijnt. Ik zit hier maar, dag in dag uit. Opgesloten met alle alarminstallaties, de hekken en de honden. Ik houd het grasveld en de bomen in het oog...' Hij hield ze in het oog.
' .. en vroeg of laat begint het licht langzaam te verdwijnen.' Hij zweeg: een lange diepe stilte op het geluid van de kraaien in de verte na.
'Ik kan wel tegen de nacht. Het is onplezierig, maar het is duidelijk. Met de schemering weet ik geen raad. Dan breekt het angstzweet me uit. Als het licht verdwijnt en alles even onwerkelijk lijkt. Dan zijn er alleen nog maar vormen. Dingen die eens een vorm hadden...'
Het was een winter vol van dat soort avonden geweest. Kleurloze druilregen die de verten had weggespoeld en het geluid had gedempt. Weken van vaag licht waarin een gekwelde dageraad een gekwelde schemering werd, zonder enig helder daglicht ertussenin. Er waren te weinig dagen geweest waarop het zoals vandaag hard had gevroren, alleen maar de ene trieste maand na de andere.
'Ik zit hier nu iedere avond,' zei de oude man. 'Het is een proef die ik mezelf heb opgelegd. Om hier te zitten en te kijken hoe de dingen wegspoelen. Ik daag het allemaal uit.' Toy kon zich de diepzinnigheden van Pappa's wanhoop wel indenken. Zo was hij vroeger niet geweest, zelfs niet na de dood van Evangeline.
Het was nu bijna helemaal donker, zowel binnen als buiten. Zonder de verlichting op het grasveld was het terrein inktzwart. Maar Whitehead zat nog steeds naar het zwarte raam te kijken en te wachten.
'Het is er natuurlijk allemaal,' zei hij.
'Wat?'
'De bomen en het grasveld. Wanneer de dageraad aanbreekt, ligt alles daar te wachten.'
'Ja, natuurlijk.'
'Weet je, als kind dacht ik dat er 's nachts iemand kwam die de wereld meenam en hem dan de volgende ochtend weer terugbracht.'
Hij bewoog zich in zijn stoel; zijn handen gingen naar zijn hoofd. Het was onmogelijk om te zien wat hij deed. 'De dingen die we als kinderen geloven, vergeten we nooit, hè? Ze liggen gewoon te wachten tot de tijd rijp is en wij het weer opnieuw beginnen te geloven. Het is steeds dezelfde oude plek, Bill. Weet je dat wel? Ik bedoel, we denken wel dat we verder gaan en sterker en wijzer worden, maar we blijven de hele tijd op dezelfde plek staan.'
Hij zuchtte en keek naar Toy. Het licht uit de gang viel door de deur die Toy een beetje had laten openstaan. En daardoor leken de ogen en wangen van Whitehead, zelfs aan de andere kant van de kamer, te glinsteren van tranen. 'Doe het licht maar aan, Bill,' zei hij.
'Ja.'
'En haal Strauss.'
Er klonk geen spoortje angst in zijn stem. Maar Joe was een expert in het verbergen van zijn gevoelens, dat wist Toy al jaren. Hij kon zijn ogen en zijn mond sluiten op een manier zodat zelfs een gedachtenlezer niet meer in staat was erachter te komen wat hij dacht. Het was een gave die hij in de bestuurskamer op een vernietigende manier gebruikte: niemand wist ooit wanneer de oude vos zou springen. Hij beheerste blijkbaar de techniek van het kaartspelen. En hij wist hoe hij moest wachten.
-
Toen ze door de elektrisch beveiligde hekken van het terrein van Whitehead waren gereden, waren ze in een andere wereld terechtgekomen. Aan beide zijden van de sepiakleurige oprijlaan lagen keurig onderhouden grasvelden met rechts in de verte een uitzicht op bossen dat achter een rij cipressen verdween toen ze een bocht naar het huis zelf toe maakten. Tegen de tijd dat ze aankwamen, was het laat in de namiddag, maar het zachte licht verhoogde de charme van het geheel en het plechtige verdween door de opkomende nevel die de scherpe randen van het grasveld en de boom wegnam.
Het hoofdgebouw was minder indrukwekkend dan Marty had verwacht. Gewoon een groot landhuis uit de tijd van koning George, stevig maar eenvoudig, met moderne bijgebouwen die uit het hoofdgebouw ontsproten. Ze reden langs de voordeur met de witte met pilaren ondersteunde poort naar de zij-ingang en Toy nodigde hem uit in de keuken.
'Zet je bagage neer en neem een kop koffie,' zei hij. 'Ik ga even naar boven naar de baas. Maak het je gemakkelijk.' Nu Marty voor het eerst sinds zijn vertrek uit Wandsworth alleen was, voelde hij zich niet op zijn gemak. De deur aan de achterkant was open, er zaten geen sloten op de ramen en er waren geen cipiers die door de gangen achter de keuken liepen. Het was paradoxaal, maar hij voelde zich onbeschermd, bijna kwetsbaar. Na een paar minuten stond hij op van tafel, draaide de tl-lamp aan (de avond viel snel en er waren hier geen lampen die automatisch aangingen), en schonk een mok zwarte koffie voor zichzelf in die op het koffiezetapparaat stond. Het was sterke koffie en hij smaakte een beetje bitter. Gezet en opgewarmd, vermoedde hij, niet het waterige spul waar hij aan gewend was. Het duurde vijfentwintig minuten voor Toy terugkwam en zich excuseerde voor het oponthoud. Hij vertelde hem dat de heer Whitehead hem nu wilde zien.
'Laat je bagage maar staan,' zei hij. 'Daar zorgt Luther wel voor.' Toy leidde hem de keuken uit, die deel uitmaakte van een van de bijgebouwen, en het hoofdgebouw in. De gangen waren halfdonker, maar Marty stond overal versteld van. Het gebouw leek wel een museum. Er hingen van onder tot boven schilderijen aan de muren, op de tafels en planken stonden vazen en voorwerpen van keramiek die glansden van de lak. Maar er was geen tijd om te treuzelen. Ze liepen door een doolhof van gangen en Martys gevoel voor richting raakte bij iedere bocht verder in de war, totdat ze bij de studeerkamer waren. Toy klopte, deed de deur open en liet Marty binnen.
Met weinig meer dan een slecht herinnerde foto van Whitehead had Marty een compleet verkeerd beeld van zijn nieuwe baas bij elkaar gefantaseerd. Waar hij zwakte had gedacht, zag hij stevigheid. Waar hij de excentriciteit van een kluizenaar had verwacht, vond hij een gerimpeld, subtiel gezicht dat hem nauwkeurig, efficiënt en vol humor bekeek toen hij de studeerkamer binnenkwam.
'Meneer Strauss,' zei Whitehead. 'Welkom.' Achter Whitehead waren de gordijnen nog open en door de ramen zag hij dat de schijnwerpers opeens aangingen en het doordringende groen van de tweehonderd meter lange grasvelden verlichtten. Het leek wel een goochelaarstruc, het plotselinge verschijnen van het zwaard, maar Whitehead negeerde het. Hij liep naar Marty toe. Hij was een grote man en veel van zijn massa was vet geworden, maar het totale gewicht scheen hem toch niet te hinderen. Er was geen spoor van onhandigheid. Zijn gracieuze gang, de bijna olieachtige soepelheid van zijn arm toen hij Marty een hand gaf, de lenigheid van de aangeboden vingers, alles wekte de suggestie van een man die zichzelf niet in de weg zat. Ze gaven elkaar een hand. Of Marty had het warm, of de andere man was koud. Marty nam direct aan dat de angst van hemzelf afkomstig was. Een man zoals Whitehead was beslist nooit te warm of te koud. Die had zijn temperatuur net zo goed onder controle als zijn financiën. Had Toy niet in de auto nog gezegd, tijdens de paar korte gesprekjes die ze hadden gevoerd, dat Whitehead in zijn hele leven nooit ernstig ziek was geweest? Nu Marty tegenover dit toonbeeld van kracht stond, geloofde hij het. Geen fluistering van een windje zou door de darmen van deze man durven gaan.
'Ik ben Joseph Whitehead,' zei hij. 'Welkom in het heiligdom.'
'Dank u.'
'Wil je iets drinken? Om het te vieren?'
'Ja, graag.'
'Wat zal het zijn?'
Plotseling wist Marty niet meer wat hij moest zeggen en hij stond met zijn mond vol tanden. Toy, de reddende engel, stelde voor: 'Whisky?'
'Ja, graag.'
'Voor mij het gebruikelijke,' zei Whitehead. 'Kom, ga zitten, meneer Strauss.'
Ze gingen zitten. De stoelen zaten prettig; ze waren niet antiek, zoals de tafels in de gangen. Het waren functionele moderne meubelen. De hele kamer was in deze stijl. Het was een werkomgeving, geen museum. De paar schilderijen aan de donkerblauwe muren leken, voor Martys ongeschoolde ogen, net zo modern als de meubels. Ze waren groot en nonchalant. Het meest in het zicht hing de meest representatieve en die was getekend met Matisse en toonde een humeurige roze vrouw die op een saaie gele ligstoel hing. 'Uw whisky.'
Marty nam het glas van Toy aan.
'We hebben Luther gevraagd om nieuwe kleren voor je te kopen. Die liggen al in je kamer,' vertelde Whitehead Marty. 'Gewoon een paar pakken en overhemden en zo, om mee te beginnen. Over een tijdje kunnen we je zelf wel uit winkelen sturen.' Hij dronk zijn glas wodka leeg voor hij verder ging. 'Geven ze de gevangenen nog steeds pakken of zijn ze daarmee opgehouden? Afkomstig uit het armenhuis, denk ik. Het zou in deze verlichte tijden niet bepaald tactvol zijn. De mensen zouden nog denken dat je misdadiger was uit noodzaak...'
Marty wist niet helemaal wat hij met deze conversatie aan moest, zat Whitehead hem voor de gek te houden? De monoloog ging verder, de strekking was uitermate vriendelijk en Marty probeerde de ironie van de regelrechte eigen mening te onderscheiden. Het was moeilijk. Terwijl hij naar Whitehead luisterde, werd hij eraan herinnerd hoeveel subtieler de dingen buiten toegingen. In vergelijking met de snel wisselende, buigzame manier van praten van deze man was de meest handige prater in Wandsworth een amateur. Toy duwde een tweede grote whisky in Martys handen, maar hij merkte het nauwelijks. De stem van Whitehead was hypnotiserend en op een vreemde manier kalmerend. 'Toy heeft je je taak uitgelegd, hè?'
'Ja, dat geloof ik wel.'
'Ik wil dat je dit huis als je thuis beschouwt, Strauss. Zorg dat je er snel bekend wordt. Er zullen een of twee plaatsen zijn waar je niets te maken hebt, Toy zal je wel vertellen waar dat is. Let daar alsjeblieft op. De rest staat tot je beschikking.'
Marty knikte en dronk zijn whisky op; het liep door zijn keel als kwikzilver.
'Morgen...'
Whitehead stond op, de gedachte werd niet afgemaakt en hij wendde zich weer naar het raam. Het gras glansde alsof het net geverfd was.
'... zullen we eens een wandeling over het terrein maken, jij en ik.'
'Leuk.'
'Bekijken wat er te zien valt. Ik zal je aan Bella en de anderen voorstellen.'
Was er meer personeel? Daar had Toy het niet over gehad, maar er zouden uiteraard anderen zijn: bewakers, koks, tuiniers. Het zou vermoedelijk vol mensen zijn.
'Kom morgen maar met me praten, hè?'
Marty dronk de rest van zijn whisky op en Toy gebaarde dat hij moest opstaan. Whitehead scheen plotseling geen interesse meer in hen te hebben. Zijn beoordeling was voorbij, voor vandaag tenminste; zijn gedachten waren alweer ergens anders. Hij staarde het raam uit naar het glanzende gazon. 'Ja meneer. Morgen.'
'Voor je komt...' zei Whitehead terwijl hij naar Marty omkeek.
'Ja meneer.'
'Scheer je snor af. Anders denken ze nog dat je iets te verbergen hebt.'
12
-
Toy gaf Marty een oppervlakkige rondtoer door het huis voor hij hem naar boven bracht. Hij beloofde hem een uitgebreidere bezichtiging als hij meer tijd had. Toen bracht hij Marty naar een luchtige kamer op de bovenste etage aan de zijkant van het huis. 'Dit is jouw kamer,' zei hij. Luther had de bagage en de plastic tas op het bed gezet. Ze leken niet op hun plaats in de keurig verzorgde kamer. Hij was net als de studeerkamer modern ingericht. 'Het is nu nog een beetje kaal,' zei Toy. 'Je kunt ermee doen wat je wilt. Als je foto's hebt.. .'
'Nee, eigenlijk niet.'
'Tja, we moeten wel iets aan de muur hangen. Er zijn een paar boeken,' knikte hij in de richting van het andere eind van de kamer waar een paar planken bogen onder het gewicht van boeken, 'maar de bibliotheek beneden staat tot je beschikking. Ik zal je de indeling volgende week wel een keer laten zien, als je een beetje ingeburgerd bent. Er is hier ook een video en beneden is er nog een. Dus wat dat betreft hetzelfde, Joe heeft er niet zo veel interesse voor, dus ga je gang.'
'Het klinkt goed.'
'Links is een kleedkamertje. Zoals Joe al zei, zul je daar wat nieuwe kleren vinden. Je badkamer is door die deur. Douche en zo. Dat is het wel, geloof ik. Ik hoop dat het voldoende is.'
'Het is prima,' zei Marty. Toy keek op zijn horloge en draaide zich om om weg te gaan.
'Voor je weggaat...'
'Probleem?'
'Geen probleem,' zei Marty. 'Jezus, absoluut geen probleem. Ik wil alleen dat je weet dat ik dankbaar. ..'
'Dat hoeft niet.'
'Maar dat ben ik wel,' hield Marty aan. Hij had vanaf Trinity Road zijn best gedaan om het moment voor deze toespraak te vinden. 'Ik ben heel dankbaar. Ik weet niet hoe of waarom je mij hebt gekozen, maar ik waardeer het.'
Toy voelde zich een beetje opgelaten door dit blijk van gevoelens, maar Marty was blij dat hij het had gezegd. 'Geloof me, Marty. Ik zou je niet gekozen hebben als ik niet had gedacht dat je het aan zou kunnen. Je bent hier nu. Nu moet je er maar het beste van maken. Ik ben natuurlijk ook in de buurt, maar na vandaag ben je min of meer onafhankelijk.'
'Ja, dat begrijp ik.'
'Ik laat je nu alleen. Ik zie je begin volgende week wel. Pearl heeft trouwens wat te eten voor je in de keuken achtergelaten. Welterusten.'
'Welterusten.'
Toy liet hem alleen achter. Hij ging op zijn bed zitten en maakte zijn koffer open. De slecht ingepakte kleren roken naar gevangeniszeep en hij had geen zin om ze uit te pakken. In plaats daarvan graaide hij onder in de koffer rond tot zijn hand zijn scheermes en scheerschuim vond. Toen kleedde hij zich uit, gooide zijn oude kleren op de grond en liep naar de badkamer. Hij zag er ruim uit met spiegels en een prettige verlichting. Op een voorverwarmd rek hingen pas gewassen handdoeken. Er was zowel een douche als een bad en een bidet; het was gewoon een overweldigende hoeveelheid waterwerken. Wat er hem hier ook zou overkomen, hij zou in ieder geval schoon zijn. Hij deed de lamp boven de spiegel aan en legde zijn scheergerei op de glazen plaat boven de wasbak. Hij had nergens naar hoeven zoeken. Toy, of Luther misschien, had een complete scheeruitrusting voor hem klaargelegd: mes, zeep en aftershave. Alles lag nieuw en schoon op hem te wachten. Hij onderwierp zichzelf in de spiegel aan een intiem zelfonderzoek dat vrouwen gewoonlijk eigen is, maar zelden door mannen in de badkamer wordt gedaan. De spanningen van de afgelopen dag waren duidelijk op zijn gezicht te zien en er lagen zware wallen onder zijn ogen. Hij zocht in zijn gezicht naar antwoorden, als een man die op zoek naar een schat is. Stond zijn verleden hier geschreven, vroeg hij zich af, tot in alle smerige details, misschien zelfs wel zo duidelijk en diep dat het nooit meer zou verdwijnen?
Hij had zonder twijfel zon nodig en behoorlijk wat lichaamsbeweging in de buitenlucht. Vanaf morgen voeren we een nieuw regime, dacht hij. Hij zou iedere dag gaan rennen totdat hij onherkenbaar fit zou zijn. Hij zou ook eens naar de tandarts gaan. Zijn tandvlees bloedde vaak en op een paar plekken trok het zich terug van zijn tanden. Hij was trots op zijn regelmatige en sterke gebit; dat had hij van zijn moeder geërfd. Hij probeerde te glimlachen in de spiegel, maar er was iets van de vroegere vonk verloren gegaan. Daar moest hij ook eens op gaan oefenen. Hij was weer terug in de grote wereld en wie weet zouden er binnenkort ook weer vrouwen zijn die hij het hof zou maken met die glimlach. Zijn onderzoek verplaatste zich van zijn gezicht naar zijn lichaam. Er lag een laag vet op zijn buikspieren; hij was zeker een paar kilo te zwaar. Daar moest hij iets aan doen. Op zijn dieet letten en zijn oefeningen volhouden tot hij weer terug was op de vijfenzeventig kilo die hij had gewogen voor hij naar Wandsworth was gegaan. Behalve zijn overgewicht was hij wel tevreden over zichzelf. Misschien flatteerde het zachte licht hem, maar de gevangenis had hem niet echt helemaal veranderd. Hij had al zijn haar nog, hij had geen littekens, behalve de tatoeëringen en een halvemaanvormig littekentje aan de linkerkant van zijn mond en hij was niet aan drugs verslaafd. Misschien was hij toch een overlever. Zijn hand gleed naar zijn kruis terwijl hij zichzelf analyseerde en speelde lui met zichzelf tot een halfwas erectie tot stand kwam. Hij had niet aan Charmaine gedacht. Als er enige hartstocht in zijn begeerte was, dan was die narcistisch. Veel van de gevangenen hadden het niet erg gevonden om hun seksuele honger bij hun celgenoten te bevredigen, maar Marty had zich daar nooit toe aangetrokken gevoeld. Niet omdat hij de daad onaantrekkelijk vond - ook al vond hij dat wel - maar omdat het onnatuurlijke ervan zo op hem geforceerd werd. Het was gewoon een andere manier waarop de gevangenis een man vernederde. In plaats daarvan had hij zijn seksualiteit weggestopt en zijn lui alleen gebruikt om mee te pissen en dat was dat. Maar nu hij ermee stond te spelen als een puber, vroeg hij zich af of hij dat verrekte ding nog wel zou kunnen gebruiken.
Hij liet de douche lauwwarm worden en stapte eronder terwijl hij zichzelf van top tot teen met naar citroen geurende zeep inwreef. Op een dag vol plezierige dingen was dit misschien nog wel het beste. Het water werkte stimulerend, net alsof hij in een lenteregen stond. Zijn lichaam begon wakker te worden. Ja, dat was het, dacht hij. Ik ben dood geweest en nu keer ik weer terug tot het land der levenden. Hij was begraven geweest in het gat van de wereld, een hol zo diep dat hij niet had gedacht er ooit weer uit te kunnen kruipen, maar hij was eruit, verdomme. Hij was er uit. Hij spoelde zich af en verwende zichzelf toen door het hele ritueel nog eens te herhalen, maar dit keer draaide hij het water warmer en met een hardere straal. De badkamer was een en al damp en het geluid van het water op de douchetegels. Toen hij eronder vandaan stapte en de kraan uitdraaide, gonsde zijn hoofd van de hitte, de whisky en vermoeidheid. Hij liep naar de spiegel en maakte met zijn vuist een ovaal deel schoon in het condens. Het water had nieuwe kleur op zijn wangen gebracht. Zijn haar zat tegen zijn hoofd geplakt als een donkerblonde kap. Hij zou het laten groeien, bedacht hij, zolang Whitehead daar geen bezwaar tegen had; misschien zou hij er een model in kunnen laten knippen. Maar hij had nu andere zorgen; die afgekeurde snor moest weg. Het was geen bijzonder volle snor. Het had hem een paar weken gekost om hem te laten groeien en hij had de normale hoeveelheid flauwe grappen moeten verduren tijdens die periode. Maar als de baas hem gladgeschoren wilde, waarom zou hij daar dan bezwaren tegen maken? Whiteheads opinie over het geheel had meer als een order dan een suggestie geklonken. Ondanks het welgevulde kastje in de badkamer (alles van aspirine tot anti-schaamluismiddeltjes), was er geen schaar te vinden en hij moest de haren stevig met zeep inwrijven om ze zachter te krijgen om ze vervolgens met het scheermes te lijf te kunnen gaan. Het mes protesteerde en zijn huid ook, maar streek voor streek kwam zijn bovenlip weer in zicht en de moeizaam verkregen snor lag in de wasbak als wat zeepsop dat door de goot gespoeld zou worden. Het kostte hem een half uur om het werk tot zijn tevredenheid te doen. Hij sneed zichzelf een paar keer en plakte de wondjes zo goed als hij kon weer dicht met speeksel.
Tegen de tijd dat hij klaar was, was de damp in de badkamer opgetrokken en werden er nog maar kleine gedeeltes van zijn gezicht door de nevel ontsierd. Hij keek in de spiegel naar zijn gezicht. Zijn naakte bovenlip zag er roze en kwetsbaar uit en het gleufje in het midden kwam hem vreemd perfect voor, maar zijn plotselinge naaktheid was nog niet zo slecht.
Tevreden spoelde hij de resten van zijn snor weg van de zijkanten van de wasbak, sloeg een handdoek om zijn middel en slenterde terug naar de slaapkamer. In de warmte van het centraal verwarmde huis was hij bijna droog; hij hoefde zich niet af te drogen. Vermoeidheid en honger vochten om de eerste plaats, terwijl hij op de rand van zijn bed zat. Beneden stond er eten op hem te wachten, had Toy gezegd. Nou, misschien kon hij beter even op die maagdelijke lakens gaan liggen met zijn hoofd op het geurende kussen en zijn ogen een half uurtje dichtdoen. Daarna zou hij opstaan en naar beneden gaan om te eten. Hij gooide de handdoek af, ging op het bed liggen en trok het dekbed half over zich heen, en terwijl hij daar nog mee bezig was, viel hij in slaap. Hij sliep zonder te dromen. En als er al dromen waren, sliep hij te vast om ze zich te herinneren. Een paar tellen later was het ochtend.
13
-
Als hij de ligging van het huis tijdens de korte rondtoer van de vorige avond was vergeten, hoefde hij alleen zijn neus maar achterna te gaan om weer terug te komen in de keuken. Er werd ham gebakken en verse koffie gezet. Achter het fornuis stond een roodharige vrouw. Ze draaide zich even om van haar werk en knikte. 'Jij moet Martin zijn,' zei ze. In haar stem klonk een licht Iers accent door. 'Je bent laat op.'
Hij keek naar de klok aan de muur. Het was een paar minuten over zeven.
'Je hebt wel een mooie ochtend uitgekozen om te beginnen.' De achterdeur stond open. Hij liep de keuken door om de dag te bekijken. Het was een mooie, heldere dag. Rijp kleefde als suiker op het gras. In de nevelige verte zag hij iets dat op een tennisveld leek en daarachter stonden bomen.
'Trouwens, ik ben Pearl,' kondigde de vrouw aan. 'Ik kook voor meneer Whitehead. Heb je honger?'
'Nu ik hier ben, wel.'
'We ontbijten hier allemaal stevig. Het is iets dat je nodig hebt om de dag mee te beginnen.' Ze bracht de bacon van de koekepan naar de oven. Het werkvlak naast de verwarmingsplaat stond vol eten: tomaten, worstjes en bloedworst. 'Daar staat koffie. Ga je gang.'
Het koffiezetapparaat stond te pruttelen en hij schonk een mok koffie voor zichzelf in, hetzelfde donkere geurige aroma dat hij de vorige avond had gehad.
'Je zult eraan moeten wennen de keuken te gebruiken als ik er niet ben. Ik ben hier niet intern. Ik kom en ik ga.'
'Wie kookt er voor meneer Whitehead als jij er niet bent?'
'Hij vindt het leuk om het af en toe zelf te doen. Maar je zult wel moeten helpen.'
'Ik kan nauwelijks water koken.'
'Dat leer je wel.'
Ze draaide zich om en keek hem aan met een ei in haar hand. Ze was ouder dan hij op het eerste gezicht had gedacht: zo rond de vijftig.
'Maak je er maar geen zorgen over,' zei ze. 'Hoeveel honger heb je?'
'Enorme.'
'Ik had gisteravond een koud maal voor je achtergelaten.'
'Ik ben in slaap gevallen.'
Ze brak een ei in de koekepan en toen een tweede terwijl ze zei: 'Meneer Whitehead heeft geen bijzondere smaak, hij is alleen dol op aardbeien. Hij verwacht geen soufflés, wees maar niet bang. Het meeste vind je in de diepvries hiernaast, dan hoef je het alleen maar open te maken en in de magnetron te zetten.' Marty bekeek de keuken nauwkeurig en nam alle apparaten goed in zich op: mixer, magnetronoven en een elektrisch mes. Achter hem was een rij monitors in de muur opgesteld. Hij had ze nog niet eerder gezien. Voor hij er echter iets over kon vragen, verstrekte Pearl hem verdere gastronomische details. 'Hij krijgt vaak midden in de nacht honger, tenminste, dat zei Nick altijd. Hij houdt er zulke rare uren op na, weet je.'
'Wie is Nick?'
'Je voorganger. Hij is vlak voor Kerstmis weggegaan. Ik vond hem erg aardig, maar Bill zei dat hij een beetje te lange vingers kreeg.'
'Juist, ja.'
Ze haalde haar schouders op. 'Nou ja, je weet het nooit, hè? Ik bedoel, hij...' Ze hield midden in de zin op en vervloekte in stilte haar geklets. Ze maskeerde haar verlegenheid door de eieren uit de pan te halen en op een bord bij het eten te leggen. Marty maakte de zin hardop voor haar af.
'Hij zag er niet uit als een dief, wilde je dat zeggen?'
'Dat bedoelde ik niet,' hield ze vol en zette het bord van de zijplaat op de tafel. 'Voorzichtig, het is warm.' Haar gezicht had dezelfde kleur als haar haren gekregen.
'Het geeft niet,' vertelde Marty haar.
'Ik vond Nick wel aardig,' herhaalde ze. 'Echt waar. Ik heb een van de eieren gebroken, sorry.'
Marty keek naar zijn volle bord. Een van de eigelen was inderdaad gebroken en vormde een plasje om een gebakken tomaat. 'Het ziet er prima uit,' zei hij met werkelijke honger en begon te eten. Pearl vulde zijn mok nog eens en vond zelf nog een mok die ze voor zichzelf inschonk terwijl ze bij hem kwam zitten.
'Bill heeft een hoge dunk van je,' zei ze.
'Daar was ik in het begin anders helemaal niet zo van overtuigd.'
'O ja,' zei ze. 'Heel erg. Gedeeltelijk vanwege je boksen natuurlijk. Hij is zelf een professionele bokser geweest.'
'Echt waar?'
'Ik dacht dat hij je dat wel verteld zou hebben. Het is dertig jaar geleden. Voor hij bij meneer Whitehead werkte. Wil je wat geroosterd brood?'
'Als er is.'
Ze stond op en sneed twee sneden wit brood af die ze in de broodrooster deed. Ze aarzelde even voor ze naar de tafel terugkwam. 'Het spijt me echt,' zei ze.
'Van het ei?'
'Van Nick en het stelen...'
'Ik vroeg het,' antwoordde Marty. 'Bovendien heb je alle recht van de wereld om voorzichtig te zijn. Ik ben een ex-gevangene. Eigenlijk nog niet eens een ex. Als ik een fout maak, kan ik regelrecht terug. ..' hij haatte het om dit te zeggen, alsof alleen het uitspreken van de woorden de mogelijkheid al meer reëel maakte. '... maar ik zet meneer Toy niet voor schut. Of mezelf. Oké?'
Ze knikte, duidelijk opgelucht dat er niets tussen hen gekomen was en ze ging weer zitten om haar koffie op te drinken. 'Je lijkt niet op Nick,' zei ze. 'Dat kan ik nu al zeggen.'
'Was hij vreemd?' vroeg Marty. 'Met een glazen oog of zo?'
'Tja, hij was niet. . .' Ze had al spijt van deze zin nog voor ze begonnen was. 'Het doet er niet toe,' zei ze en liet het onderwerp rusten.
'Nee, ga door.'
'Nou ja, ik geloof niet dat het belangrijk is, maar hij had schulden.'
Marty probeerde om niet meer dan een beetje interesse te tonen. Maar er moest iets van in zijn ogen te zien zijn geweest, misschien een vlaagje paniek. Pearl fronste haar wenkbrauwen. 'Wat voor schulden?' vroeg hij luchtig.
Het geroosterde brood schoot omhoog en vroeg Pearls aandacht. Ze stond op om de sneetjes te halen en nam ze mee naar de tafel.
'Sorry dat ik het niet op een bordje heb gelegd,' zei ze.
'Dank je.'
'Ik weet niet hoeveel schulden hij had.'
'Nee, dat bedoelde ik niet. Ik bedoelde, waar kwamen ze vandaan?' Was dit als een simpele vraag bedoeld, vroeg hij zich af, of was ze in staat om aan de manier waarop hij zijn vork vastgeklemd hield of zijn verloren gegane eetlust te zien dat dit een belangrijke vraag was? Hij moest het vragen, wat ze er ook van zou denken. Ze dacht er even over na voor ze antwoord gaf. Toen ze het deed, klonk in haar enigszins gedempte stem iets van een roddelpraatje door. Wat nu kwam, was een geheim tussen hen tweeën.
'Hij kwam altijd hier om te telefoneren. Hij zei dat hij mensen van de zaak opbelde - hij was stuntman, weet je, of dat was hij geweest, maar ik begreep al gauw dat hij weddenschappen afsloot. Ik denk dat daar ook de schulden vandaan kwamen. Gokken.' Op de een of andere manier had Marty het antwoord al geweten voor het gegeven werd. Het vroeg natuurlijk om de volgende vraag: was het puur toeval dat Whitehead twee lijfwachten in dienst had genomen die beiden op een bepaald punt in hun leven gokkers waren geweest? Beiden - zoals nu bleek - dieven als hobby? Toy had nooit veel belangstelling getoond in dat onderdeel van Martys leven. Maar aan de andere kant, misschien hadden alle opvallende feiten wel in het dossier gestaan dat Somervale altijd had gehad. Het rapport van de psycholoog, de kopieën van het proces, alles dat Toy moest weten om te begrijpen wat Marty tot die overval had gedreven. Hij probeerde het ongemakkelijke gevoel dat hem had overvallen van zich af te schudden. Wat gaf het ook allemaal? Het was oud nieuws, hij was nu gezond.
'Ben je klaar?'
'Ja, dank je.'
'Nog koffie?'
'Ik pak het wel.'
Pearl nam het bord van Marty aan en schraapte het ongegeten eten op een ander bord. 'Voor de vogeltjes,' zei ze en ze begon de borden, het bestek en de pannen in de vaatwasser te laden. Marty vulde zijn mok nog eens en keek hoe ze bezig was. Ze was een aantrekkelijke vrouw; de middelbare leeftijd werkte in haar voordeel.
'Hoeveel personeel heeft Whitehead alles bij elkaar?'
'Meneer Whitehead,' corrigeerde ze hem vriendelijk. 'Personeel? Tja, ik dus. Ik kom en ga, zoals ik al zei. En meneer Toy, natuurlijk.'
'Die woont hier ook niet, hè?'
'Hij blijft 's nachts als er vergaderingen zijn.'
'Gebeurt dat vaak?'
'O ja. Er zijn veel vergaderingen in dit huis. Er lopen hier steeds mensen in en uit. Daarom is meneer Whitehead ook zo precies met zijn veiligheidsmaatregelen.'
'Gaat hij ooit naar Londen?'
'Tegenwoordig niet,' zei ze. 'Hij reisde vroeger wel veel. Naar New York en Hamburg of zo. Maar nu niet meer. Nu blijft hij het hele jaar hier en laat de rest van de wereld naar zich toe komen. Waar was ik gebleven?'
'Personeel.'
'O ja. Vroeger was het hier vol mensen. Veiligheidspersoneel, bedienend personeel, meisjes voor boven. Maar toen is hij in een achterdochtige fase gekomen. Hij dacht dat een van hen hem wilde vergiftigen of vermoorden in zijn bad. En hij ontsloeg ze allemaal alsof het niets was. Hij zei dat hij zich wel zo op zijn gemak voelde met een paar van ons, degenen die hij vertrouwde. Op die manier was hij niet omgeven door mensen die hij niet kende.'
'Hij kent mij niet.'
'Nog niet misschien. Maar hij is uitgekookt, ik heb nog nooit iemand gezien als hij.'
De telefoon ging. Ze pakte hem op. Hij wist dat Whitehead aan de andere kant van de lijn moest zijn. Pearl keek alsof ze op heterdaad was betrapt.
'O.. . ja. Dat is mijn schuld. Ik heb hem aan de praat gehouden. Meteen.' De hoorn werd snel teruggelegd. 'Meneer Whitehead staat op je te wachten. Je kunt maar beter opschieten. Hij is bij de honden.'
-
De kennels lagen achter een groep bijgebouwen, vroegere stallen misschien, zo'n tweehonderd meter achter het hoofdgebouw. Een naar alle kanten uitstekende verzameling van schuren gebouwd van grote lichte bouwstenen van sintels en cement en omheind door een hek. Ze waren eenvoudig gebouwd om hun doel te dienen en er was geen aandacht besteed aan de architectonische omstandigheden. Het deed gewoon pijn aan je ogen. Het was koud in de open buitenlucht en onderweg over het harde gras naar de kennels had Marty al gauw spijt van zijn hemdsmouwen. Maar Pearls stem had dringend geklonken toen ze hem wegstuurde en hij wilde Whitehead niet - nee, hij moest leren om aan de man te denken als aan meneer Whitehead - langer laten wachten dan hij al had gemoeten. Maar de grote man leek zich niet geërgerd te hebben aan zijn late komst. 'Ik vond dat we de honden vanochtend maar eens moesten bekijken. Daarna kunnen we het terrein eens verkennen, goed?'
'Ja meneer.'
Hij had een warme zwarte jas aan, met een dikke bontkraag.
'Hou je van honden?'
'Wilt u een eerlijk antwoord, meneer?'
'Natuurlijk.'
'Niet erg.'
'Is je moeder erdoor gebeten, of jijzelf?' Er was een glimp van een lachje in de bloeddoorlopen ogen.
'Geen van beide voor zover ik me kan herinneren, meneer.' Whitehead bromde iets. 'Tja, je staat op het punt om de horde te ontmoeten, Strauss, of je dat nu leuk vindt of niet. Het is belangrijk dat ze jou herkennen. Ze zijn erop afgericht om indringers aan stukken te scheuren. We willen niet dat ze fouten maken.' Tussen een van de grotere schuren kwam een gestalte te voorschijn met een wurgband in zijn handen. Marty moest twee keer kijken om te zien of de nieuwkomer een man of een vrouw was. Het kortgeknipte haar, het versleten jack en de laarzen wezen allemaal op een man. Maar er was iets aan de vorm van het gezicht dat de illusie verraadde.
'Dit is Lilian. Zij zorgt voor de honden.'
De vrouw knikte ter begroeting, zonder dat ze Marty zelfs maar aankeek. Toen ze haar zagen, kwamen verschillende honden, grote harige herders uit de kennels de betonnen ren op en besnuffelden haar door het hek heen terwijl ze haar jankend verwelkomden. Ze probeerde hen zonder succes te kalmeren. Het welkom ging over in geblaf en nu stonden er een paar op hun achterpoten, manshoog tegen het hek met fanatiek kwispelende staarten. Het kabaal werd erger.
'Koest!' snauwde ze tegen hen en ze waren bijna allemaal stil. Eén reu echter, de grootste, stond nog tegen het hek en eiste aandacht tot Lilian haar leren handschoenen uittrok en haar vingers door het hek stak om zijn dik behaarde keel te kriebelen.
'Martin heeft Nicks taak overgenomen,' zei Whitehead. 'Hij zal hier nu altijd zijn. Ik vond dat hij de honden maar moest ontmoeten en de honden hem.'
'Logisch,' antwoordde Lilian zonder enthousiasme.
'Hoeveel zijn het er?' vroeg Marty.
'Volwassene? Negen. Vijf reuen en vier teven. Dit is Saul,' zei ze doelend op de hond die ze nog steeds aaide. 'Hij is de oudste en de grootste. De reu daar in de hoek heet Job. Hij is een zoon van Saul. Hij voelt zich niet zo lekker op het moment.' Job had in de hoek van het afgeschoten gedeelte gelegen en likte met gematigd enthousiasme zijn testikels af. Het leek wel of hij wist dat hij het middelpunt van de aandacht was, want hij keek een ogenblik op van zijn bezigheden. In die blik lag alles besloten waarom Marty een hekel aan dit soort beesten had: de dreiging, het onbetrouwbare en de nauwelijks onderdrukte haat tegenover zijn bazen.
'De teven zijn daar. ..'
Twee honden liepen heen en weer langs de omheining.
'. . . de lichtere is Dido en de donkere is Zoe.' Het was vreemd om te horen dat die woestelingen zulke namen hadden; het leek heel ontoepasselijk. En ze hadden vast geen waardering voor de namen die de vrouw hun had gegeven; ze bespotten haar er vast achter haar rug om.
'Kom hier,' zei Lilian tegen Marty alsof ze het tegen een van de honden had. En hij kwam, net als de honden. 'Saul,' zei ze tegen het dier achter het hek, 'dit is een vriend. Kom dichterbij,' zei ze tegen Marty, 'hij kan je van daar af niet ruiken.' De hond was weer op vier poten gaan staan. Marty kwam voorzichtig dichterbij.
'Wees maar niet bang. Ga regelrecht naar hem toe. Laat hem goed aan je ruiken.'
'Ze houden niet van angst,' zei Whitehead. 'Dat is toch zo, hè Lilian?'
'Ja. Als ze dat waarnemen, weten ze dat ze je hebben. En dan zijn ze genadeloos. Je moet boven hen staan.'
Marty naderde de hond. Het beest keek hem vorsend aan en hij staarde terug.
'Probeer hem niet aan te staren,' raadde Lilian aan. 'Dat maakt een hond agressief. Laat hem alleen jouw geur in zich opnemen zodat hij je kent.'
Saul snuffelde door het hek heen aan Martys benen en kruis tot groot onbehagen van Marty. Toen was hij blijkbaar tevreden gesteld en wandelde weg.
'Zo is het wel goed,' zei Lilian. 'Volgende keer zonder hek. En over een tijdje kun je hem aanraken.' Ze schepte een beetje plezier in Martys onbehagen, daar was hij van overtuigd. Maar hij zei niets en liet haar voorgaan naar de grootste schuur. 'Nu moet je met Bella kennismaken,' zei ze. Binnen in de kennels was de geur van ontsmettingsmiddelen, oude urine en honden overheersend. Toen Lilian binnenkwam, werd ze weer begroet met geblaf en honden die op hun achterpoten tegen het hek opstonden. In het midden tussen de hokken aan weerszijden liep een pad. In twee hokken zat een hond, beide teven, de een aanzienlijk kleiner dan de ander. Lilian ratelde de details af terwijl ze langs de hokken liepen, de namen van de honden en hun plaats op de incestueuze familiestamboom. Marty luisterde naar alles wat ze vertelde en vergat het direct weer. Zijn geest was met iets anders bezig. Het was niet zozeer de intieme aanwezigheid van de honden die hem zenuwachtig maakte, maar de verstikkende bekendheid van het geheel. Het looppad, de cellen met de betonnen vloeren, de dekens en de kale peertjes. Hij voelde zich weer net als in de gevangenis. En nu begon hij de honden in een ander licht te zien, zag een andere betekenis in de onheilspellende blik van Job toen hij had opgekeken van zijn ritueel. Hij begreep beter dan Lilian of Whitehead ooit zouden kunnen hoe deze gevangenen hem en zijn soortgenoten moesten zien. Hij stond stil om in een van de hokken te kijken, niet omdat hij bijzondere interesse had, maar om iets anders te zien dan de angst die hij in deze claustrofobische barak voelde.
'Hoe heet deze?' vroeg hij.
De hond in het hok stond bij de deur, weer een grote reu, hoewel niet zo groot als Saul.
'Dat is Larousse,' antwoordde Lilian.
De hond zag er vriendelijker uit dan de andere en Marty werd zijn zenuwen de baas, hurkte in de nauwe gang en stak een aarzelende hand naar het hok uit.
'Hij zal je niets doen,' zei ze.
Marty stak zijn vingers door het draadwerk. Larousse snuffelde nieuwsgierig; zijn neus was vochtig en koud. 'Brave hond,' zei Marty. 'Larousse.'
De hond begon te kwispelen, blij om door deze zwetende vreemdeling bij zijn naam genoemd te worden. 'Brave hond.'
Zo laag bij de grond, dichter bij de dekens en het stro was de geur van uitwerpselen en haren nog sterker. Maar de hond was verrukt dat Marty tot zijn hoogte was afgedaald en probeerde zijn vingers door het hek heen te likken. Marty voelde zijn angst verminderen door het enthousiasme van de hond. Hij vertoonde puur plezier en had absoluut geen kwade bedoelingen.
Nu pas merkte hij dat hij door Whitehead geobserveerd werd. De oude man stond ongeveer een meter bij hem vandaan aan de linkerkant, zijn massa versperde de hele nauwe doorgang tussen de hokken en hij bestudeerde hem nauwkeurig. Marty stond met een enigszins opgelaten gevoel op, liet de hond jankend en kwispelend achter en liep verder achter Lilian aan langs de hokken. De hondenoppasser stak de loftrompet van andere leden van de troep. Marty hoorde haar zeggen:
'... en dit is Bella.' Haar stem klonk zachter, er klonk een dromerige ondertoon in door die hij nog niet eerder had gehoord. Toen Marty het hok had bereikt waar ze naar wees, zag hij waarom. Bella hing half in de schaduwen van het hek aan het eind van het hok als een Madonna met een zwarte snuit op een bed van dekens en stro met een blinde puppie aan iedere tepel. Toen Marty naar haar keek, vervlogen al zijn vooroordelen over honden.
'Zes pups,' kondigde Lilian trots aan alsof het de hare waren, 'allemaal sterk en gezond.'
Meer dan sterk en gezond. Ze waren schitterend. Dikke bolletjes tevredenheid die tegen elkaar aan lagen te midden van de luxe van hun moeders schoot. Het leek ongelooflijk dat zulke kwetsbare diertjes zulke ijzeren grijze heren konden worden als Saul of zo achterdochtig als die rebel Job.
Bella spitste haar oren toen ze de nieuweling in haar omgeving opmerkte. Haar kop was schitterend gevormd, in haar vacht hadden zwart en goud zich tot een prachtig effect vermengd en haar bruine ogen stonden waakzaam, maar zacht in het halve licht. Ze was zo af, zo helemaal zichzelf. De enige reactie op haar aanwezigheid en een die Marty dan ook gewillig gaf, was ontzag. Lilian tuurde door het hek en stelde Marty aan deze moeder aller moeders voor.
'Dit is meneer Strauss, Bella,' zei ze. 'Je zult hem van tijd tot tijd wel zien. Hij is een vriend.'
Er klonk geen babytoontje door in Lilians stem. Ze praatte met de hond alsof hij haar gelijke was en ondanks Martys aanvankelijke onzekerheid over de vrouw begon hij haar toch te waarderen. Liefde was niet iets dat gemakkelijk kwam, dat wist hij maar al te goed. En in wat voor vorm het ook kwam, het was wel zo verstandig om het met respect te behandelen. Lilian hield van deze hond, van haar gratie, haar waardigheid. Het was een liefde die hij kon waarderen, ook al begreep hij het niet helemaal.
Bella snuffelde in de lucht en scheen tevreden met haar taxatie van Marty. Lilian keerde zich met tegenzin van het hok naar Strauss. 'Ze gaat je over een tijdje misschien wel aardig vinden. Het is een grote verleidster, weet je. Een grote verleidster.' Achter hen bromde Whitehead iets over deze sentimentele onzin. 'Zullen we het terrein gaan verkennen?' stelde hij ongeduldig voor. 'We zijn hier wel klaar.'
'Kom maar eens terug wanneer je hier een beetje thuis bent,' zei Lilian; haar manier van doen was aanzienlijk ontdooid sinds Marty enige waardering voor haar pupillen had getoond 'dan zal ik ze voor je laten voordraven.'
'Dank je, dat zal ik doen.'
-
'Ik wilde dat je de honden zou zien,' zei Whitehead toen ze de omheiningen verlieten en in een stevige pas over het grasveld naar de grensbeschutting liepen. Maar dat was slechts een deel van de reden voor het bezoek en dat wist Marty verrekt goed. Whitehead had het experiment bedoeld als een herinnering aan datgene dat Marty achter zich had gelaten. Daar zou hij nog zitten als Whitehead er niet was geweest. Goed, hij had zijn les geleerd. Hij zou nog liever door brandende hoepels springen voor de oude man dan teruggaan naar de hechtenis van gangen en cellen. Er was daar zelfs geen Bella, geen verfijnde en geheime moeder verstopt in het hart van Wandsworth. Alleen maar verloren mannen zoals hijzelf.
Het werd warmer, de zon kwam op als een bleke, citroenachtige ballon die boven de roekenkolonie zweefde en de rijp op het grasveld begon te smelten. Voor het eerst begon Marty een idee te krijgen over de afmetingen van het landgoed. Uitgestrekte vertes openden zich aan weerszijden van hen, hij kon water zien, een meer of misschien een rivier, schijnend achter een rij bomen. Aan de westkant van het huis lag een rij cipressen die deden vermoeden dat daar voetpaden liepen; misschien waren er ook wel fonteinen. Aan de andere kant een glooiende tuin die omgeven was door een lage stenen muur. Het zou hem weken kosten om de weg hier te leren kennen.
Ze hadden het dubbele hek dat om het landgoed liep, bereikt. Het was een goede drie meter hoog en beide hekken waren bovenop voorzien van stalen balken die uitstaken in de richting van de eventuele indringer. Aan het eind waren ze bekroond met cirkels prikkeldraad. De hele constructie zoemde, bijna onhoorbaar, van de elektrische stroom. Whitehead bekeek het tevreden.
'Indrukwekkend, hè?'
Marty knikte. Het beeld wekte weer echo's op.
'Het biedt een zekere mate van veiligheid,' zei Whitehead. Bij het hek sloeg hij linksaf en begon erlangs te lopen. De conversatie, als het zo genoemd kon worden, kwam van hem in de vorm van een serie onlogische gevolgtrekkingen, alsof hij te ongeduldig was om zich met de onvolledige manier van normale plichtplegingen bezig te houden. Hij strooide gewoon wat beweringen of opmerkingen in het rond en verwachtte van Marty dat die er enige zin in zag.
'Het is geen volmaakt systeem: hekken, honden, camera's. Je hebt de monitors in de keuken zeker wel gezien?'
'Ja.'
'Die heb ik boven ook. De camera's zorgen dag en nacht voor een absolute bewaking.' Hij wees met een duim naar een van de camera's die aan schijnwerpers bevestigd waren. Om de tien palen stond een set. Ze draaiden langzaam heen en weer als de koppen van mechanische vogels.
'Luther zal je wel laten zien in welke volgorde je ze moet laten draaien. Het heeft een klein kapitaal gekost om ze te laten installeren en ik ben er niet van overtuigd dat het veel meer is dan wat make-up. Die lui zijn niet zo stom.'
'Heeft u wel eens een inbraak gehad?'
'Hier niet. In het huis in Londen gebeurde het herhaaldelijk. Natuurlijk was dat wel toen ik zichtbaarder was. De weinig boetvaardige magnaat. Evangeline en ik stonden in ieder roddelblad. Het open riool van Fleet Street; het vervult me steeds weer met afkeer.'
'Ik dacht dat u een krant bezat?'
'Heb je je huiswerk over mij gedaan?'
'Niet direct, ik.. .'
'Geloof de biografieën niet en de roddelbladen evenmin, of zelfs Who's Who. Ze liegen. Ik lieg...' hij maakte de vervoeging af, opgetogen over zijn eigen cynisme, 'hij, zij of het liegt. Derderangs schrijvers. Sensatiejournalisten. Verachtelijk, allemaal.' Was dat wat hij buiten deze dodelijke hekken wilde houden? Sensatiejournalisten? Een fort tegen een golf van schandaal en rommel? Als dat zo was, was het een omslachtige manier van doen. Marty vroeg zich af of dit niet eenvoudig een geheel van enorme eigenwaan was. Was de halve aardbol werkelijk zo geïnteresseerd in het privé-leven van Joseph Whitehead? 'Waar denkt u aan, meneer Strauss?'
'Aan de hekken,' loog Marty.
'Nee, Strauss,' corrigeerde Whitehead hem. 'Je vraagt je af of je jezelf hebt opgesloten bij een krankzinnige.' Marty voelde dat iedere verdere ontkenning alleen maar schuldiger zou klinken en zei niets.
'Is dat niet de conventionele wijsheid wat mij betreft? De verzwakkende plutocraat, kniezend in eenzaamheid. Zeggen ze dat niet over me?'
'Zoiets,' antwoordde Marty eindelijk.
'En je bent toch gekomen.'
'Ja.'
'Natuurlijk ben je gekomen. Je dacht dat hoe getikt ik ook zou zijn, niets zo erg zou kunnen zijn als vastzitten achter gesloten deuren. Waar of niet? En je wilde er uit. Je was wanhopig.'
'Natuurlijk wilde ik eruit. Dat zou iedereen willen.'
'Ik ben blij dat je het toegeeft. Want het feit dat je dat wilde, geeft me de nodige macht over jou, denk je ook niet? Je zou me niet durven bedriegen. Je moet je een weg naar me banen, net zoals de honden zich een weg banen naar Lilian, niet omdat ze hun volgende maal vertegenwoordigt, maar omdat ze hun wereld is. U moet mij tot uw wereld maken, meneer Strauss. Mijn behoud, mijn geestelijke gezondheid, mijn geringste comfort moet ieder moment van de dag het allerbelangrijkste voor u zijn. Als u daarvoor zorgt, beloof ik u een vrijheid zoals u nooit had gedacht dat hij bestond. De soort vrijheid die alleen bestaat in de geschenken van heel rijke mannen. Zo niet, dan stuur ik u terug naar de gevangenis met uw dossier onherstelbaar bedorven. Begrepen?'
'Ja.'
Whitehead knikte.
'Kom dan,' zei hij. 'Ga naast me lopen.'
Hij keerde zich om en liep door. Het hek draaide hier achter hen het bos in en in plaats van het struikgewas door te ploeteren, stelde Whitehead voor dat ze de tocht zouden afsnijden door in de richting van het zwembad te gaan. 'Voor mij lijken alle bomen op elkaar,' zei hij. 'Je kunt hier later nog naar hartelust rondzwerven.' Ze bleven echter lang genoeg aan de rand van het bos voor Marty om een indruk te krijgen van de dichtheid. De bomen waren niet systematisch geplant, dit was geen geordend reservaat van Staatsbosbeheer. Ze groeiden vlak bij elkaar, hun takken in elkaar vervlochten, een mengeling van loofbomen en grove dennen die allemaal om leefruimte vochten. Maar heel af en toe, op de plek waar een eik of een linde groeide die nog geen bladeren hadden in deze tijd van het jaar, kon het licht het struikgewas raken. Hij nam zich voor hier terug te komen voor het mooi gemaakt zou zijn door de lente.
Whitehead haalde Martys gedachten terug naar het heden. 'Van nu af aan verwacht ik dat je de meeste tijd binnen roepafstand zult zijn. Ik wil niet dat je de hele dag bij me bent... je moet alleen in de buurt zijn. Af en toe en alleen met mijn toestemming mag je er alleen op uit. Kun je autorijden?'
'Ja.'
'Goed, er is geen tekort aan auto's, dus we regelen wel iets voor je. Dit is niet helemaal binnen de regels van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Hun advies was dat je hier zou blijven voor zes proefmaanden. Maar ik zie geen reden waarom je de mensen die je graag wilt ontmoeten, niet zou mogen zien, als er tenminste andere mensen in de buurt zijn om voor mijn welzijn te zorgen.'
'Dank u wel. Dat waardeer ik zeer.'
'Ik ben bang dat ik je op dit moment geen tijd kan schenken. Je aanwezigheid hier is van vitaal belang.'
'Problemen?'
'Mijn leven wordt aan één stuk bedreigd, Strauss. Ik, of beter gezegd mijn kantoren, ontvangen steeds dreigbrieven. Het probleem is om de idioten die hun tijd verdrijven met smerigheden naar publieke figuren te schrijven, van de werkelijke moordenaars te onderscheiden.'
'Waarom zou iemand u willen vermoorden?'
'Ik ben een van de rijkste mannen buiten Amerika. Ik bezit maatschappijen die tienduizenden mensen werk verschaffen, ik bezit zoveel land dat ik het niet zou kunnen belopen in de tijd die ik nog heb als ik nu zou beginnen, ik bezit schepen, kunst en paarden. Het is gemakkelijk om een ikoon van mij te maken. Om te denken dat als ik en mijn leven er niet meer waren er vrede op aarde en welbehagen onder de mensen zou zijn.'
'Juist.'
'Zoete dromen,' zei hij bitter.
De snelheid van hun mars nam af. De ademhaling van de grote man ging sneller dan een half uur geleden. Als je naar hem luisterde, was het gemakkelijk om zijn hoge leeftijd te vergeten. Zijn meningen hadden al het absolute van de jeugd. Er was geen plaats voor de mildheid van de man op jaren, voor dubbelzinnigheid of twijfel. 'Ik geloof dat we maar eens terug moesten gaan,' zei hij. De monoloog was eindelijk opgehouden en Marty had geen zin meer om verder te praten. En geen energie meer ook. De stijl van
Whitehead, met zijn onverwachte wendingen en buigingen, had hem uitgeput. Hij zou eraan moeten wennen om een opmerkzaam luisteraar te worden. Een gezicht moeten vinden om op te zetten wanneer de lessen begonnen. Op de juiste momenten te leren knikken, gemeenplaatsen te mompelen op de juiste pauzes in de stortvloed. Het zou even duren, maar hij zou er wel aan wennen om met Whitehead om te gaan.
'Dit is mijn fort, meneer Strauss,' kondigde de oude man aan toen ze het huis naderden. Het zag er niet bijzonder militair uit: de stenen deden te warm aan om streng te zijn. 'De enige functie die het heeft, is mij te beschermen.'
'Net zoals ik.'
'Net zoals u, meneer Strauss.'
Achter het huis begon een van de honden te blaffen. Hij kreeg weldra bijval van een heel koor. 'Voedertijd,' zei Whitehead.
15
-
Het duurde een paar weken voor Marty het ritme van Whiteheads huishouding op het landgoed begon door te krijgen. Iedere dag werd uitsluitend bepaald door de plannen en grillen van Whitehead, die in alle opzichten een goedaardige dictator was. Het huis was een heiligdom voor de oude man, zoals hij Marty de eerste dag al had verteld. Zijn aanbidders kwamen dagelijks om een fractie van zijn mening te mogen aanhoren. Sommige gezichten herkende hij: topindustriëlen, twee of drie ministers; een van hen was onlangs in ongenade gevallen. Marty vroeg zich af of hij nu hier kwam om vergeving of om vergelding te vragen. Experts, bewakers van de publieke moraal. Marty kende veel mensen van gezicht, maar niet van naam en de meesten kende hij helemaal niet. Hij werd aan niemand voorgesteld.
Een paar keer in de week werd hem gevraagd in de kamer te blijven waar de vergadering werd gehouden, maar meestal werd hem verzocht binnen roepafstand te blijven. Waar hij ook was, hij was onzichtbaar voor wat de meeste bezoekers betrof: genegeerd en behandeld als een deel van het meubilair. In het begin was het irritant geweest, het had geleken of iedereen in het huis een naam had, behalve hij. Maar naarmate de tijd verstreek, was hij blij met zijn anonimiteit. Er werd niet naar zijn mening gevraagd, dus kon hij zijn gedachten de vrije loop laten zonder gevaar te lopen in het gesprek betrokken te worden. Het was goed om los te staan van de problemen van deze machtige mensen. Hun leven leek vol zorgen en gekunsteld. In een heleboel gezichten zag hij de blik die hij herkende uit zijn jaren in Wandsworth. Ze maakten zich steeds zorgen over onbelangrijke spotternijen en hun plaats in de rangorde. De regels mochten in deze kringen dan beschaafder zijn dan in Wandsworth, hij merkte dat de gevechten in feite dezelfde waren. Allemaal op de een of andere manier spelletjes om de macht. Hij was blij dat hij er geen deel van uitmaakte. Bovendien had hij belangrijker zaken om zich druk over te maken. Bijvoorbeeld Charmaine. Hij begon tamelijk veel over haar na te denken, misschien meer uit nieuwsgierigheid dan uit hartstocht. Hij vroeg zich af hoe haar lichaam er na acht jaar uitzag. Scheerde ze nog steeds die dunne lijn haartjes die van haar navel naar haar schaamheuvel liep en rook haar verse zweet nog steeds zo pikant? Hij vroeg zich ook af of ze nog steeds zo dol op de liefde was als vroeger. Ze had meer interesse in de lichamelijke daad gehad dan welke andere vrouw die hij kende. Het was een van de redenen waarom hij met haar was getrouwd. Was dat nog steeds zo? En als dat zo was, bij wie leste ze haar dorst dan nu? Hij bleef over dit soort vragen betreffende haar piekeren en hij nam zich voor bij de eerste de beste gelegenheid naar haar toe te gaan. Zijn lichamelijke gesteldheid verbeterde iedere week. Het strenge regime van oefeningen dat hij zichzelf die eerste nacht had opgelegd was als een foltering begonnen, maar na een paar dagen van afgestrafte en opspelende spieren begonnen de oefeningen vruchten af te werpen. Hij stond iedere ochtend om half zes op en rende een uur lang over het terrein. Na een week lang dezelfde weg genomen te hebben, veranderde hij zijn route en op die manier leerde hij het landgoed al oefenend goed kennen. Er was veel te zien. De lente was nog niet echt aangebroken, maar het begon wel. De krokussen begonnen op te komen en de eerste bladeren van de narcissen kwamen ook al boven de grond. Aan de bomen begonnen de dikke knoppen open te barsten en de bladeren ontvouwden zich. Het duurde bijna een week voor hij het hele landgoed had gezien en om te weten welk deel in een ander deel overliep. Nu had hij het een beetje door. Hij wist het meer, de duiventil, het zwembad, de tennisbanen, de kennels, de bossen en de tuinen te vinden. Op een ochtend toen de lucht bijzonder helder was, had hij het hele gebied afgelopen en was het hek helemaal rondom het terrein gevolgd, ook al betekende het dat hij zich een weg achter door de bossen moest banen. Hij dacht dat hij het gebied nu net zo goed kende als ieder ander, inclusief de eigenaar. Het was een genoegen en niet alleen een onderzoek, maar een hernieuwde kennismaking met tientallen natuurwonderen. En bovendien genoot hij van de vrijheid om kilometers te rennen zonder dat er de hele tijd iemand over je schouders keek. Hij genoot ervan de zonsopgang te aanschouwen en het was bijna alsof hij rende om die te ontmoeten, alsof de dageraad er alleen voor hem was, een belofte van licht, warmte en leven.
Weldra was hij de vetlaag om zijn middel kwijt en de scheiding tussen zijn buik en borst werd weer zichtbaar. De strakke buikspieren waar hij als jongeman altijd zo trots op was geweest en die hij voor altijd had gedacht kwijt te zijn, kwamen weer te voorschijn. Spieren die hij was vergeten werden weer zichtbaar; in het begin maakten ze hun aanwezigheid op pijnlijke wijze kenbaar en daarna door te gloeien en hij voelde zich weer fit. Hij zweette de jaren van frustratie eruit, douchte ze weg en voelde zich lichter. Hij werd zich weer bewust van zijn lichaam als een gestel, van onderdelen die op elkaar inspeelden, van het feit dat gezondheid afhankelijk is van een onderling evenwicht en met de nodige respect gebruikt moest worden.
Als Whitehead al enige verandering in zijn manier van doen of lichamelijke gesteldheid zag, gaf hij er geen commentaar op. Maar Toy zag de verandering onmiddellijk op een van zijn reizen naar het huis vanuit Londen. Marty merkte ook een verandering op in Toy, maar een in zijn nadeel. Het lag niet op zijn weg om daar iets van te zeggen; zo familiair waren ze nog niet met elkaar. Hij hoopte alleen maar dat Toy niet iets ernstigs onder de leden had. Het plotseling magere gezicht suggereerde dat er inwendig iets aan de man knaagde. Zijn soepele manier van lopen, die Marty altijd met Toys jaren in de boksring in verband had gebracht, was ook verdwenen.
Er waren ook andere mysteries, behalve de achteruitgang van Toy. Zo was er bijvoorbeeld de collectie: de werken van grote meesters die de gangen van het heiligdom sierden en die nu werden verwaarloosd. Ze waren in geen maanden afgestoft, misschien wel in geen jaren en boven op hun vergelende vernislaag waardoor ze al in schoonheid inboetten, werden ze nog verder bedorven door de laag stof. Marty had nooit veel interesse in kunst gehad, maar nu hij de tijd had om naar de schilderijen te kijken, vond hij ze toch wel mooi. Vele waren portretten van religieuze aard en die kon hij niet zo waarderen. Het ging niet over mensen of dingen die hij begreep. Maar in de kleine gang op de begane grond die naar het bijgebouw leidde waar de kamers van Evangeline waren geweest en dat nu sauna en solarium was, had hij twee schilderijen gevonden die hem aanspraken. Het waren beide landschappen, geschilderd door dezelfde anonieme hand, en te oordelen naar de plaats waar ze hingen, waren het geen grote werken. Maar hun vreemde mengsel van echt landschap - bomen en slingerende wegen onder blauwe en geelachtige luchten - met absoluut fantasierijke details - een draak met gespikkelde vleugels die een man op de weg opat of een vlucht vrouwen die boven een bos opsteeg met een brandende stad in de verte - dit huwelijk van echt en onecht was zo overtuigend geschilderd dat Marty telkens weer naar deze spookachtige doeken terugkeerde. Hij vond iedere keer dat hij ernaar toe ging weer andere fantastische details verborgen in het struikgewas of in de wasem van hitte die eroverheen hing. De schilderijen waren niet het enige dat zijn nieuwsgierigheid opwekte. De bovenste verdieping van het hoofdgebouw waar Whitehead zijn kamers had, was verboden gebied voor hem en hij was meer dan eens in de verleiding geweest om naar boven te sluipen als hij wist dat de oude man ergens anders bezet was, om er wat rond te neuzen. Hij veronderstelde dat Whitehead de bovenste etage als een waarnemingspost gebruikte van waaruit hij het doen en laten van zijn aanhangers kon bespieden. En dat verklaarde enigszins het andere mysterie, namelijk het gevoel dat hij in de gaten werd gehouden als hij zijn rondjes liep. Maar hij weerstond de verleiding om op onderzoek te gaan. Het was vermoedelijk zijn baan niet waard.
Als hij niet werkte, zat hij veel in de bibliotheek. Daar lagen nummers van Time Magazine, The Washington Post, The Times en verschillende andere dagbladen: Le Monde, Frankfurter Algemeine Zeitung, New York Times die Luther meebracht en daar kon hij zijn nieuwsgierigheid naar de buitenwereld mee bevredigen. Hij bladerde erdoorheen, las af en toe wat en soms nam hij ze mee naar de sauna en las ze daar. Als hij genoeg had van de kranten, waren er duizenden boeken om uit te kiezen en gelukkig niet alleen maar dikke exemplaren. Daar waren er wel genoeg van, de verzamelde klassieken van de wereldliteratuur, maar behalve dat lagen er ook talloze beduimelde pockets van sciencefictionboeken met fel gekleurde omslagen. Marty begon ze te lezen, eerst die met de meest suggestieve omslagen. Er stond ook een video. Toy had hem een stuk of tien banden van boksoverwinningen gegeven die Marty systematisch bekeek en net zo vaak kon afdraaien als hij wilde. Hij kon de hele avond de wedstrijden zitten bekijken, vol ontzag voor de handigheid en souplesse van de grote vechters. Toy, altijd attent, had ook een paar pornografische banden aan Marty gegeven met een samenzweerderig lachje en de opmerking ze niet allemaal tegelijk te consumeren. De banden waren zonder enig verhaal, anonieme paartjes en triootjes die hun kleren in de eerste twintig of dertig seconden uitgooiden en binnen een minuut tot de kern van de zaak kwamen. Niets verfijnds, maar ze bereikten hun doel en zoals Toy duidelijk had begrepen deden de oefeningen en het optimisme wonderen voor Martys libido. Er zou een tijd komen dat masturberen voor de video niet meer voldoende bevredigend zou zijn. Marty droomde steeds vaker over Charmaine, onduidelijke dromen in de slaapkamer van nummer zesentwintig. Frustratie gaf hem de moed om Toy de volgende keer dat hij hem zag te vragen of hij haar mocht opzoeken. Toy beloofde het de baas te vragen, maar er was niets van gekomen. Ondertussen moest hij zich tevreden stellen met de banden en hun ingeblikte gezucht en gegrom.
-
Hij begon systematisch namen te geven aan gezichten die het meest regelmatig bij het huis verschenen. De raadgevers die Whitehead het meest vertrouwde. Toy was er natuurlijk regelmatig. Er was ook een advocaat die Ottaway heette, een magere, goedgeklede man van een jaar of veertig tegen wie Marty een antipathie koesterde toen hij de man voor het eerst toevallig hoorde praten. Ottaway had een nare manier van spreken, alleen maar dubbelzinnigheden en verheimelijkingen. Het had akelige herinneringen bij Marty opgeroepen.
Dan was er Curtsinger, een eenvoudig geklede man met een verschrikkelijke smaak voor dassen en een nog ergere smaak voor aftershave. En hoewel hij vaak in gezelschap van Ottaway verkeerde, leek hij toch vriendelijker. Hij was een van de weinigen die Martys aanwezigheid in de kamer erkende, meestal met een kort knikje. Een enkele keer als ze iets te vieren hadden, had Curtsinger een grote sigaar in Martys zak laten glijden. Sindsdien had Marty hem alles vergeven.
Het derde gezicht dat regelmatig aan Whiteheads zijde verscheen, was het meest raadselachtige van de drie. Een donkere trolachtige man die Dwoskin heette. Dat was Cassius voor Toys Brutus. Zijn smetteloze lichtgrijze pakken, zijn feilloos gevouwen zakdoeken, de precisie van ieder gebaar, alles wees op een bezetene wiens rituelen en netheid ontstaan waren om afbreuk te doen aan zijn teveel aan fysieke aanwezigheid. Maar er was meer, er was een onderstroom van gevaar bij die man en Martys jaren in Wandsworth hadden hem daar alert op gemaakt. Het was trouwens ook merkbaar in de anderen. Onder Ottoways ijzige buitenkant en de zoetige buitenkant van Curtsinger zaten mannen die niet helemaal aanvaardbaar waren, om een uitdrukking van Somervale te gebruiken.
In het begin duwde Marty die gevoelens weg als vooroordelen van de lagere klasse. Iemand als hij, niemand dus, die de rijken en invloedrijken uit principe wantrouwde. Maar hoe meer vergaderingen hij bijwoonde, hoe meer verhitte debatten hij aanhoorde, hoe zekerder hij werd dat er in hun onderhandelingen een nauwelijks verborgen ondertoon van bedrog klonk, zelfs van misdaad. Hij begreep de meeste dingen die werden gezegd niet, de spitsvondigheden van de effectenbeurs waren een gesloten boek voor hem, maar de beschaafde woordenschat kon de wezenlijke strekking niet helemaal verhullen. Ze waren geïnteresseerd in de technieken van misleiding: hoe de wet te manipuleren en de beurs eveneens. Hun woorden waren doorspekt met opmerkingen hoe ze de belasting konden ontlopen, van verkoop tussen ondergeschikten en kunstmatig gedaalde prijzen, om placebo's als universele geneesmiddelen te gaan gebruiken. Er lag geen onuitgesproken verontschuldiging in hun houding, integendeel, het gepraat over illegale manoeuvres, over politieke toewijding die ge- en verkocht werd, werd positief begroet. En onder al deze manipulators was Whitehead de koning. In zijn aanwezigheid waren ze eerbiedig. Buiten dat, als ze vochten om de plaats zo dicht mogelijk aan zijn voeten, waren ze genadeloos. Hij kon ze met één hand het zwijgen opleggen. Ieder woord van hem werd aanbeden alsof het van de lippen van de Messias kwam. Het geheel amuseerde Marty geweldig, maar hij had in de gevangenis wel geleerd dat een dergelijke macht als die van Whitehead alleen maar verworven kon worden door zelf nog zwaardere zonden begaan te hebben dan zijn aanbidders. Hij twijfelde niet aan de macht van Whitehead, hij had al gemerkt hoe overtuigend hij kon zijn. Maar naarmate de tijd verliep, kwam er één vraag steeds sterker naar voren. Was hij ook een dief? En zo niet, wat was zijn misdaad dan wel?
16
-
Gemak is alles, begon ze te begrijpen wanneer ze de renner vanuit haar raam gadesloeg. En als het al niet alles was, dan was het wel datgene wat ze het prettigste vond wanneer ze naar hem keek. Ze wist zijn naam niet, hoewel ze ernaar had kunnen vragen. Maar ze vond het leuker om hem anoniem te houden, een rennende engel in een grijs trainingspak, zijn adem een flard mist van zijn lippen. Ze had Pearl over de nieuwe lijfwacht horen praten en vermoedde dat hij het was. Deed het er werkelijk toe hoe hij heette? Zulke details konden het geheimzinnige alleen maar teniet doen.
Het was een slechte tijd voor haar, om vele redenen, en op die vernietigende ochtenden als ze de afgelopen nacht nauwelijks had geslapen dan was het beeld van die engel die over het gras of tussen de cipressen door rende een gezicht waar ze zich aan vastklampte, een voorbode dat er betere tijden in aantocht waren. De regelmaat van zijn verschijning was iets waar ze op begon te rekenen en als ze goed had geslapen en hem 's ochtends had gemist, had ze de rest van de dag het gevoel dat ze iets had verloren en lette er goed op dat ze het rendez-vous de volgende ochtend zou kunnen houden.
Maar ze kon zichzelf er niet toe brengen om haar zonnige eiland te verlaten, om de vele gevaarlijke riffen over te steken en naar hem toe te gaan. Zelfs om hem een teken vanuit het huis te geven van het feit dat zij bestond, was al een te groot risico. Ze vroeg zich af of hij een goede detective was. Als hij dat wel was, dan had hij haar aanwezigheid in het huis misschien al heel handig ontdekt. Haar sigarettepeuken in de gootsteen van de keuken ontdekt of haar geur geroken in een kamer die ze net had verlaten. Of misschien hadden engelen, die toch zulke godheden waren, dergelijke dingen niet nodig. Misschien wist hij zonder aanwijzingen gewoon dat ze hier was, hier achter de hemel bij een raam, of achter een gesloten deur stond als hij fluitend door de gangen liep. Maar het had geen zin om hem te bereiken, zelfs al zou ze de moed ervoor hebben. Wat zou ze tegen hem moeten zeggen? Niets. En als hij dan zonder twijfel geïrriteerd om haar zou zuchten en zich om zou draaien, zou ze weer verdwaald zijn in niemandsland, geïsoleerd van die ene plek waar ze zich zeker voelde, dat zonnige eiland dat uit een absoluut witte wolk naar haar toe kwam en waar de papavers bloedden om aan haar te geven. 'Je hebt niets gegeten,' bestrafte Pearl haar. Het was een bekend klaaglied. 'Je kwijnt weg.'
'Laat me, wil je?'
'Ik moet het tegen hem zeggen, dat weet je.'
'Nee Pearl,' Carys keek Pearl smekend aan, 'zeg alsjeblieft niets.
Alsjeblieft. Je weet hoe hij is. Ik haat je als je iets zegt.' Pearl stond met een afkeurend gezicht en een blad in haar handen in de deuropening. Ze stond op het punt te bezwijken onder de smeekbede of de chantage.
'Probeer je jezelf weer uit te hongeren?' vroeg ze weinig sympathiek.
'Nee, ik heb gewoon geen honger, dat is alles.' Pearl haalde haar schouders op.
'Ik begrijp jou niet,' zei ze. 'Je ziet er meestal waanzinnig uit. Vandaag...'
Carys glimlachte stralend. 'Het is jouw leven,' zei de vrouw. 'Voor je gaat, Pearl...'
'Wat?'
'Vertel me eens iets over die renner.'
Pearl keek verbijsterd. Het was niets voor het meisje om interesse te tonen in wat er in het huis gebeurde. Ze bleef daar achter haar gesloten deuren en droomde. Maar vandaag hield ze aan.
'Die iedere ochtend rondrent. In zijn trainingspak. Wie is dat?' Zou het erg zijn als ze het haar vertelde? Nieuwsgierigheid was een gezond teken en zo'n gezonde indruk maakte ze niet bepaald.
'Hij heet Marty.'
Marty. Carys probeerde de naam in stilte uit en hij paste bij hem.
De engel heette Marty.
'Marty hoe?'
'Dat weet ik niet meer.'
Carys stond op. De glimlach was verdwenen. Ze had weer die uitdrukking op haar gezicht die ze had als ze werkelijk iets wilde, met de mondhoeken naar beneden getrokken. Het was een uitdrukking die meneer Whitehead ook kon hebben en Pearl was er van onder de indruk. Dat wist Carys.
'Je kent mijn geheugen,' zei Pearl verontschuldigend. 'Ik herinner me zijn achternaam niet meer.'
'En wie is hij?'
'De lijfwacht van je vader, hij is Nicks opvolger,' antwoordde Pearl. 'Hij is blijkbaar een ex-gevangene. Overval met geweld.'
'Echt waar?'
'En nogal wat zwak in sociaal gedrag.'
'Marty.'
'Strauss,' zei Pearl met een triomfantelijke klank in haar stem. 'Marty Strauss, dat was het.'
Zie je wel, hij had een naam, dacht Carys. Er school een primitieve macht in iemand een naam geven. Het maakte iemand tastbaar. Martin Strauss.
'Dank je,' zei ze werkelijk verheugd.
'Waarom wil je dat weten?'
'Ik vroeg me gewoon af wie hij was. Er komen en gaan hier zo veel mensen.'
'Ik denk dat deze wel blijft,' zei Pearl en liep de kamer uit. Toen ze de deur had dichtgedaan, zei Carys: 'Heeft hij nog een andere naam?' Maar dat hoorde Pearl niet.
-
Het was vreemd om te bedenken dat de renner een gevangene was geweest. Nog steeds een gevangene was eigenlijk terwijl hij over het terrein rondrende, heldere lucht inademde en wolkjes uitblies, zijn wenkbrauwen fronsend terwijl hij rende. Misschien zou hij beter dan de oude heer, Toy of Pearl begrijpen hoe het voelde om op het zonnige eiland te zijn en niet te weten hoe ze ervan af moesten komen. Of erger, wel te weten hoe, maar het niet te durven uit angst nooit meer ergens veilig te zijn.
Nu ze zijn naam en zijn misdaden wist, was het romantisch waas rond zijn ochtendrennen toch niet bedorven door die informatie. Ze zag hem nog steeds in een glorieus daglicht, maar nu zag ze ook het gewicht van zijn lichaam, terwijl ze eerst alleen maar zijn luchtige manier van lopen had gezien.
Ze besloot na eindeloos getwijfeld te hebben dat alleen maar kijken niet voldoende was.
-
Toen Marty gezonder werd, eiste hij meer van zichzelf tijdens de ochtendrennen. Hij maakte grotere rondes, ook al deed hij nu de grootste afstand in dezelfde tijd als hij vroeger de kortste had gedaan. Soms maakte hij het zichzelf moeilijker door via de bossen te gaan, ongeacht het kreupelhout en de lage takken, en zijn gelijkmatige ren werd dan een ad hoc verzameling van sprongen en zijsprongen. Aan de andere kant van het bos liep het hek en hier mocht hij als hij dat wilde een paar minuten stilstaan. Hier waren reigers; hij had er drie gezien. Het zou weldra paartijd zijn en dan zouden ze met z'n tweeën zijn. Hij vroeg zich af wat er dan met de derde zou gebeuren. Zou hij wegvliegen op zoek naar een eigen partner, of zou hij blijven hangen en overspelige gedachten koesteren? De komende weken zouden het uitwijzen. Soms, als hij geboeid was door de manier waarop Whitehead vanaf de bovenste verdieping naar hem keek, liep hij langzamer wanneer hij langsliep in de hoop een glimp van zijn gezicht op te vangen. Maar de toeschouwer was voorzichtig.
-
En toen stond ze op een ochtend bij de duiventil op hem te wachten. Nadat hij de lange bocht terug naar het huis had gemaakt, wist hij meteen dat hij het fout had gehad met zijn gedachte dat de oude man hem had bespioneerd. Dit was de voorzichtige toeschouwer vanaf het bovenste raam geweest. Het was nog geen kwart voor zeven in de ochtend en het was nog koud. Ze had al een tijdje staan wachten te oordelen aan de kleur op haar wangen en haar neus. Haar ogen straalden van de kou. Hij stopte, stomend als een tractor. 'Hallo, Marty.'zei ze.
'Hallo.'
'Je kent me niet.'
'Nee.'
Ze trok haar montycoat dichter om zich heen. Ze was mager en hooguit twintig. Haar ogen waren zo donkerbruin dat ze op een afstandje wel zwart leken en ze boorden zich in hem. Het blozende gezichtje was open en zonder enige make-up. Ze zag er hongerig uit, vond hij. Ze maakte een hunkerende indruk.
'Jij bent van boven,' waagde hij.
'Ja. Vond je het erg dat ik je bespioneerde?' vroeg ze argeloos.
'Waarom zou ik?'
Ze stak een slanke hand zonder handschoen uit naar een steen op de duiventil. 'Het is mooi, hè?'
Marty had het gebouw nooit eerder goed bekeken, het was gewoon een oriëntatiepunt geweest waar hij langs rende.
'Het is een van de grootste duiventillen in Engeland,' zei ze. 'Wist je dat?'
'Nee.'
'Ben je er ooit in geweest?' Hij schudde zijn hoofd.
'Het is een wonderlijke plek,' zei ze en ging hem voor rond het schuurachtige gebouw naar de deur. Ze had even moeite hem open te duwen. Het vochtige weer had het hout laten opzwellen. Marty moest zich dubbel buigen om achter haar aan te komen. Het was hier nog kouder dan buiten en hij huiverde; het zweet op zijn wenkbrauwen en borst werd koud nu hij niet meer rende. Maar het was wonderlijk, zoals ze had beloofd. Alleen een enkele kamer met een gat in het dak om de vogels een toe- en uitgang te verschaffen. De muren zaten vol vierkante gaten, vermoedelijk nissen voor nesten, in perfecte rijen - net flatramen - van de grond tot aan het dak. Ze waren allemaal leeg. Te oordelen naar het gebrek aan uitwerpselen op de grond was het gebouw in geen jaren gebruikt en dat gaf het geheel een melancholieke sfeer. De unieke architectuur maakte het nutteloos voor iets anders dan waar het voor gebouwd was. Het meisje was over de stevige aarden grond gelopen en stond de nissen te tellen. 'Zeventien, achttien...'
Hij keek naar haar rug. Haar haren waren aan de achterkant ongelijk geknipt. De jas die ze droeg, was te groot voor haar; hij was niet eens van haar, dacht hij. Wie was ze? De dochter van Pearl? Ze was opgehouden met tellen. Nu legde ze een hand op een van de gaten en maakte een geluid of ze iets ontdekt had toen haar vingers iets vonden. Het was een verstopplek, begreep hij. Ze stond op het punt hem een geheim toe te vertrouwen. Ze draaide zich om en liet hem haar schat zien.
'Ik was het vergeten tot ik hier weer was,' zei ze, 'wat ik hier altijd verstopte.'
Het was een fossiel, of liever een deel ervan, een spiraalvormige schelp die op de bodem van een pre-Cambrische zee had gelegen. Het zat vol stof. Terwijl hij keek naar de intensiteit waarmee ze het stukje steen bestudeerde, bedacht Marty dat ze misschien niet helemaal normaal was. Maar de gedachte verdween weer toen ze hem aankeek. Haar ogen stonden helder en vastbesloten. Als ze enige krankzinnigheid in zich had, dan was dat met opzet, een tic die ze leuk vond. Ze grinnikte tegen hem alsof ze wist wat hij had gedacht: listigheid en charme waren gelijk in haar gezicht verdeeld.
'Zijn er hier geen duiven?' zei hij.
'Nee, die zijn er nooit geweest zolang ik hier ben.'
'Ook niet een paar?'
'Een paar die in de winter gestorven zijn. Als je een volle duiventil hebt, houden ze elkaar warm. Maar als er slechts een paar zijn, dan gaat dat niet en vriezen ze dood.' Hij knikte. Het leek zo zonde om het gebouw leeg te laten.
'Ze zouden het weer moeten vullen.'
'Ik weet het niet,' zei ze. 'Ik vind het zo ook wel prettig.' Ze legde het fossiel weer terug in zijn verstopplekje. 'Nu ken je mijn speciale plaatsje,' zei ze en de sluwheid was verdwenen, ze was een en al charme. Hij was verrukt. 'Ik weet niet hoe je heet.'
'Carys,' zei ze en een moment later: 'dat is Welsh.'
'O.'
Hij kon niet voorkomen dat hij haar aanstaarde. Plotseling leek ze verlegen te worden en ze liep snel terug naar de deur en dook terug, de buitenlucht weer in. Het was gaan regenen, een zacht midden-maartregentje. Ze zette de capuchon van haar montycoat op en hij deed hetzelfde met de kap van zijn trainingspak.
'Laat je me de rest van het terrein ook eens zien?' zei hij, niet helemaal zeker of dit de juiste vraag was, maar hij wilde het gesprek niet laten verzanden zonder enige hoop op een volgende ontmoeting. Ze maakte een onduidelijk geluid. Haar mondhoeken waren naar beneden getrokken. 'Morgen?' zei hij.
Dit keer gaf ze helemaal geen antwoord. In plaats daarvan begon ze naar het huis te lopen. Hij liep mee in de wetenschap dat hun gesprek helemaal op niets uit zou lopen als hij geen manier vond om het in leven te houden.
'Het is vreemd om in een huis te wonen waar je niemand hebt om mee te praten,' zei hij.
Nu had hij de juiste snaar getroffen.
'Het is pappa's huis,' zei ze eenvoudig. 'Wij wonen er alleen maar.'
Pappa. Dus ze was zijn dochter. Nu herkende hij ook de mond van de oude man, met de naar beneden getrokken mondhoeken die bij hem zo stoïcijns leken en bij haar zo triest. 'Vertel het aan niemand,' zei ze.
Hij vermoedde dat ze hun ontmoeting bedoelde, maar hij vroeg het niet. Er waren belangrijker dingen te vragen, als ze niet wegrende. Hij wilde dat ze merkte dat hij interesse in haar had. Maar hij wist niets te zeggen. Haar plotseling veranderde tempo van vriendelijke, raadselachtige conversatie naar deze staccato vorm, bevreemdde hem. 'Is alles goed met je?' vroeg hij.
Ze keek hem aan en onder haar capuchon leek ze bijna in de rouw te zijn.'Ik moet opschieten,' zei ze. 'Er wordt op me gewacht.' Ze zette er stevig de pas in en hij merkte alleen aan de houding van haar schouders dat ze hem achter wilde laten. Hij gehoorzaamde, hield wat in en liet haar naar het huis teruggaan zonder een blik of een zwaai.
Liever dan naar de keuken te gaan waar hij Pearls geklets moest ondergaan terwijl hij ontbeet, keerde hij terug over het veld, rende met een wijde boog om de duiventil heen tot hij de buitenhekken had bereikt en zichzelf strafte met nog een complete ronde. Toen hij de bossen weer inrende, merkte hij dat hij onwillekeurig de grond afzocht naar fossielen.
17
-
Twee dagen later werd hij rond half twaalf door Whitehead geroepen.
'Ik ben in de studeerkamer,' zei hij door de telefoon. 'Ik wil je even spreken.'
De studeerkamer was bijna donker, ook al waren er minstens zes lampen aanwezig. Alleen de harmonicabureaulamp brandde en wierp zijn licht op een stapel papieren in plaats van in de kamer. Whitehead zat in de leren stoel naast het raam. Op de tafel naast hem stond een fles wodka en een bijna leeg glas. Hij keek niet om toen Marty aanklopte en binnenkwam, maar sprak met Marty vanuit zijn uitkijkpost voor het met licht overgoten grasveld. 'Ik denk dat het tijd wordt je eens wat meer los te laten, Strauss,' zei hij. 'Je hebt je best gedaan tot nu toe. Ik ben erg tevreden.'
'Dank u, meneer.'
'Bill Toy zal morgennacht hier blijven en Luther ook, dus dat zou een mogelijkheid voor jou kunnen zijn om naar Londen te gaan.' Het was bijna op de dag af acht weken geleden dat hij op het landgoed was gekomen en hier was eindelijk een onduidelijk teken dat zijn plaats zeker was.
'Ik heb Luther een auto voor je laten uitkiezen. Praat maar met hem als hij er is. En er ligt wat geld voor je op het bureau...' Marty keek naar het bureau, waar inderdaad een stapeltje biljetten lag.
'Toe maar, pak het maar.'
Martys vingers jeukten, maar hij hield zich in.
'Het zal voldoende zijn voor benzine en een nacht in de stad.'
Marty telde de bankbiljetten niet; hij vouwde ze open en stak ze in zijn zak.
'Dank u, meneer.'
'Er ligt ook een adres bij.'
'Ja meneer.'
'Neem dat. De winkel is van Hallifax, een man die me ook buiten het seizoen van aardbeien voorziet. Wil je die bestelling alsjeblieft ophalen?'
'Natuurlijk.'
'Dat is de enige boodschap voor mij. Je kunt doen wat je wilt als je maar tegen het midden van de zaterdagochtend terug bent.'
'Dank u.'
Whitehead reikte naar het glas wodka en Marty dacht dat hij zich zou omdraaien om hem aan te kijken, maar dat deed hij niet. Het gesprek was blijkbaar voorbij.
'Is dat alles, meneer?'
'Alles? Ja, ik geloof het wel. Jij niet?'
-
Het was al maanden geleden dat Whitehead nuchter was gaan slapen. Hij was de wodka als een slaapmiddel gaan gebruiken voor wanneer de nachtelijke verschrikkingen begonnen. In het begin een of twee glazen om de angst weg te nemen, toen vermeerderde hij de dosis langzamerhand naarmate zijn lichaam er immuun tegen werd. Hij had geen plezier in het dronken zijn. Hij haatte zijn duizelende hoofd op het kussen en zijn gedachten in zijn oren te horen fluiten. Maar hij was nog banger voor de angst. Terwijl hij naar zijn grasveld zat te staren, kwam er een vos precies op de grens van de verlichting te voorschijn, verbleekt door het felle licht en staarde naar het huis. Zijn roerloze houding was volmaakt. Zijn ogen die door het licht beschenen werden, glansden in zijn mooie kop. Hij wachtte maar heel even. Plotseling leek hij het gevaar te voelen - de honden misschien - draaide zich om en was verdwenen. Whitehead bleef nog lange tijd naar de plek kijken waar hij was verdwenen en hoopte tegen beter weten in dat hij terug zou komen om de eenzaamheid nog een tijdje met hem te delen. Maar het dier had die nacht nog meer te doen. Er was een tijd waarin hij een vos was geweest, mager en alert, een nachtbraker. Maar de dingen waren veranderd. De voorzienigheid was royaal geweest, de dromen waren uitgekomen en de vos, altijd verschillend van vorm, was dik en lui geworden. De wereld was ook veranderd; het was een toestand van winst en verlies geworden. Afstanden waren geslonken tot de lengte van zijn bevelen. Hij was zijn vorige leven langzamerhand vergeten. Maar de laatste tijd herinnerde hij het zich steeds weer. Het kwam in schitterende maar verwijtende details weer boven, terwijl de gebeurtenissen van de vorige dag vervaagd waren. Maar in zijn diepste binnenste wist hij dat er geen weg uit die gezegende staat was.
En van hieruit, waarheen? Dat werd een reis naar een hopeloze plek waar geen wegwijzer hem naar links of rechts zou wijzen; alle richtingen zouden gelijk zijn, er zou geen heuvel, boom of woning zijn om de weg te wijzen. Zo'n plaats. Zo'n verschrikkelijke plaats. Maar hij zou er niet alleen zijn. Hij zou een metgezel hebben in dat niets. En toen hij zijn ogen op dat land had gevestigd en op de eigenaar ervan, wenste hij, o, Christus, wat wenste hij dat hij een vos was gebleven.