XII - De dikke man danst

64

-

Breer vond de veranderde weersomstandigheden niet erg. Het was toch al veel te benauwd op straat en de regen met zijn symboliek van schoonwassen gaf hem een prettiger gevoel. En ook al was het weken geleden dat hij ook maar iets had gevoeld dat op pijn leek, de hitte bezorgde hem wel de nodige jeuk. Eigenlijk ook geen echte jeuk. Het was meer een fundamentele irritatie: een kriebelig gevoel op of onder zijn huid dat door geen enkel middel verlicht werd. De motregen leek het echter enigszins te verminderen en daar was hij blij om. Hij was in een prima humeur omdat het regende, of omdat hij naar zijn geliefde ging. Hoewel Carys hem verschillende keren had aangevallen (hij droeg de wonden als eretekens), vergaf hij haar haar zonden. Ze begreep hem beter dan wie dan ook. Ze was uniek, een godin ondanks haar lichaamsbeharing, en hij wist dat als hij haar weer zou zien, hij zich aan haar zou tonen, haar zou aanraken en alles weer goed zou zijn. Maar eerst moest hij het huis vinden. Het had even geduurd voor hij een taxi had gevonden die voor hem wilde stoppen en toen er tenslotte een was die het deed, nam de chauffeur hem maar een klein eindje mee voor hij hem zei dat hij moest uitstappen omdat zijn geur zo walgelijk was dat hij de hele dag geen andere rit meer zou kunnen krijgen. Beschaamd door al deze openlijke afwijzingen - de taxichauffeur had hem heftig toegesproken toen hij was weggereden - nam Breer verder de achterafstraatjes waar hij niet zou worden nagejouwd en uitgescholden.

Het was in zo'n achterbuurt op slechts een paar minuten afstand van Carys dat een jongeman met blauwe getatoeëerde zwaluwen in zijn hals uit een deuropening stapte en de Scheermesjes-Eter enige hulp aanbood.

'Hé man. Je ziet er beroerd uit. Laat me je even helpen.'

'Nee, nee,' gromde Breer en hoopte dat de barmhartige Samaritaan hem met rust zou laten. 'Ik heb geen hulp nodig, echt niet.'

'Maar ik sta erop,' zei de Zwaluw en liep wat sneller om Breer in te halen en ging toen voor hem staan. Hij keek even om zich heen om te zien of er getuigen waren voor hij Breer de deuropening van een stenen huis in duwde.

'Hou je kop dicht, man,' zei hij terwijl hij bliksemsnel een mes te voorschijn haalde en het tegen de verbonden keel van Breer hield, 'dan zal je niets overkomen. Maak alleen je zakken leeg. Snel! Snel!' Breer maakte geen enkele beweging om te gehoorzamen. De plotselinge aanval had hem van zijn stuk gebracht en de manier waarop de jongen aan zijn gespalkte nek trok, maakte hem duizelig. De Zwaluw duwde het mes een beetje dieper tegen het verband om zijn bedoelingen duidelijk te maken. Het slachtoffer stonk en de dief wilde zo snel mogelijk met hem klaar zijn. 'Je zakken, man! Ben je doof?' Hij duwde het mes nog dieper. De man deinsde achteruit. 'Ik doe het, man,' waarschuwde de dief, 'ik snij je verdomde keel door.'

'O,' zei Breer die er niet van onder de indruk was. Meer om de lastpost te kalmeren dan uit angst rommelde hij wat in zijn zakken en haalde een handvol bezittingen te voorschijn. Wat klein geld en een paar pepermuntjes die hij had genomen voor zijn speeksel was opgedroogd, en een fles aftershave. Hij liet ze met een vaag verontschuldigende uitdrukking op zijn opgemaakte gezicht zien. 'Is dat alles wat je hebt?' De Zwaluw was woedend. Hij trok Breers jasje open.

'Niet doen,' raadde Breer hem aan.

'Beetje te warm om een jas te dragen, vind je niet?' zei de dief. 'Wat verstop je daar?'

De knopen begaven het toen hij aan het jasje trok dat Breer onder zijn regenjas aan had en nu stond de dief met open mond naar de heften van het mes en vork te kijken die nog steeds in de buik van de Scheermesjes-Eter gestoken zaten. De sporen van opgedroogd vocht dat uit de wonden liep, was slechts een beetje minder walgelijk dan de bruine rottende plekken die van zijn oksels naar beneden en van zijn liezen omhoog liepen. In paniek duwde de dief het mes nog dieper in de keel van Breer. 'Christus, man...'

Anthony die zijn waardigheid had verloren, zijn zelfachting en -hij wist niet beter - ook zijn leven, kon nu alleen zijn geduld nog verliezen. Hij greep naar boven en pakte het onderzoekende mes met een vettige hand beet. De dief liet het een ogenblik te laat los. Breer, sneller dan zijn omvang zou doen vermoeden, draaide het mes en de hand om en brak de pols van zijn overvaller. De Zwaluw was zeventien jaar. Hij dacht dat hij al een heel leven achter de rug had voor een zeventienjarige. Hij was getuige geweest van twee moorden, hij was op veertienjarige leeftijd zijn maagdelijkheid aan zijn halfzuster kwijtgeraakt, hij had whippets gefokt, hij had smartlappen van films gezien en hij had iedere soort pil geslikt die hij in zijn handen had kunnen krijgen. Hij had het een druk bezet bestaan gevonden, vol verworven wijsheid. Maar dit was nieuw. Zoiets had hij nog nooit meegemaakt. Zijn blaas kwam ertegen in opstand.

Breer had de nutteloze arm van de dief nog steeds vast. 'Laat me los... alsjeblieft.'

Breer keek hem alleen maar aan, zijn jasje hing nog steeds open en toonde zijn uitzonderlijke wonden. 'Wat wil je, man. Je doet me pijn.'

Het jasje van de Zwaluw was ook open. Er zat nog een ander wapen in een diepere zak. 'Mes?' zei Breer en keek naar het heft.

'Nee man,' Breer greep ernaar. De jongen die alles wilde doen om moeilijkheden te vermijden, haalde het wapen te voorschijn en liet het voor Breers voeten vallen. Het was een kapmes. Het blad was bevlekt, maar de rand was nog scherp.

'Je mag het hebben, man. Toe maar, neem het maar. Maar laat mijn arm los, man.'

'Pak het op. Buk je en pak het op,' zei Breer en liet de gewonde pols los. De jongen bukte zich, pakte het kapmes op en gaf het aan Breer. De Scheermesjes-Eter nam het aan. Het beeld van hem zelf die over een geknield slachtoffer stond, betekende iets voor Breer, maar hij wist niet meer precies wat. Een plaatje uit een boek met wreedheden misschien.

'Ik zou je kunnen vermoorden,' zei hij zonder veel meegevoel. Diezelfde gedachte was ook al in de Zwaluw opgekomen. Hij deed zijn ogen dicht en wachtte. Maar er volgde geen slag. De man zei alleen: 'Dank je,' en wandelde weg.

De Zwaluw begon geknield in de deuropening te bidden. Hij verraste zichzelf met deze show van godvruchtigheid terwijl hij uit zijn hoofd de gebeden opzei die hij en Hosanna, zijn halfzuster, samen hadden opgezegd voor en nadat ze hadden gezondigd. Tien minuten later, toen de regen in alle ernst begon, zat hij nog steeds te bidden.

65

-

Het kostte Breer een paar minuten zoeken in Bright Street voor hij het gele huis had gevonden. Toen hij het eenmaal had bereikt, bleef hij er even voor staan kijken om zichzelf voor te bereiden, Hij wilde hun reünie zo volmaakt mogelijk laten verlopen. De voordeur stond open. Er speelden kinderen op de drempel, die door de regen van hun hinkelspel en touwtjespringen naar binnen waren gedreven. Hij liep voorzichtig langs hen heen, bezorgd dat zijn lompe voeten een klein handje zou kunnen vermorzelen. Een bijzonder aantrekkelijk kindje kreeg een glimlach van hem, maar hij kreeg er geen terug. Hij stond in de gang en probeerde zich te herinneren wat de Europeaan hem had verteld waar Carys ook weer verstopt zat. Hij dacht dat het de tweede etage was.

-

Carys hoorde iemand op de overloop buiten de kamer bewegen, maar die armoedige houten gang met afbladderend behang lag onoverbrugbare afstanden verwijderd van haar eiland. Ze was veilig. Toen klopte er iemand op de deur, een aarzelend, beschaafd klopje. Eerst gaf ze geen antwoord, maar toen er weer werd geklopt, zei ze: 'Ga weg.'

Na een paar seconden aarzeling werd de deurknop op en neer bewogen.

'Alsjeblieft. ..' zei ze zo beleefd mogelijk, 'ga wég. Marty is er niet.'

Er werd weer aan de knop gerammeld, dit keer met meer kracht. Ze hoorde zachte vingers het hout bewerken, of was dat de golfslag van de golven op het strand van het eiland? Ze kon niet bang of zelfs maar bezorgd worden. Marty had haar goed spul bezorgd. Niet het beste, dat had alleen Pappa gekund, maar het nam ieder vezeltje angst weg.

'Je kunt niet binnenkomen,' zei ze tegen de indringer. 'Ga weg en kom later maar terug.'

'Ik ben het,' probeerde de Scheermesjes-Eter te zeggen. Zelfs door het waas van haar zonneschijn herkende ze die stem. Hoe kon Breer door een dergelijke deur heen staan fluisteren? Haar geest deed spelletjes met haar.

Ze kwam in bed overeind terwijl het geluid bij de deur toenam. Plotseling had hij genoeg van al dat subtiele gedoe en hij duwde. Eén keer, twee keer. Het slot gaf gemakkelijk mee en hij struikelde de kamer in. Het was dus geen spelletje van haar geest, hij was het wel degelijk.

'Gevonden,' zei hij, de volmaakte prins.

Hij deed de deur zorgvuldig achter zich dicht en presenteerde zichzelf. Ze keek hem ongelovig aan, naar zijn gebroken nek die gesteund werd door een eigengemaakt geval van hout en verband en zijn armoedige kleren. Hij wriemelde aan een van zijn leren handschoenen om die uit te trekken, maar hij gaf niet mee. 'Ik kwam je eens opzoeken,' zei hij hakkelend. 

'Ja.'

Hij trok de handschoen uit. Er klonk een zacht, misselijk makend geluid. Ze keek naar zijn hand. Er was nogal wat huid met de handschoen meegekomen. Hij stak het lekkende lapwerk naar haar uit.

'Je moet me helpen,' zei hij tegen haar.

'Ben je alleen?' vroeg ze hem.

'Ja.'

Dat was tenminste iets. Misschien wist de Europeaan niet eens dat hij hier was. Hij was gekomen om haar het hof te maken, te oordelen naar deze pathetische beleefdheidspoging. Zijn geflirt leek op hun eerste ontmoeting in de sauna. Ze had toen niet geschreeuwd of overgegeven en daarmee had ze zijn eeuwige trouw verworven.

'Help me,' kreunde hij.

'Ik kan je niet helpen. Ik zou niet weten hoe.'

'Laat me je aanraken.'

'Je bent ziek.'

De hand was nog steeds uitgestrekt. Hij deed een stap naar voren. Dacht hij dat ze een of andere ikoon was, een talisman die bij aanraking alle ziekte genas? 'Mooi,' zei hij.

Hij stonk afschuwelijk, maar haar warrig brein bleef zweverig. Ze wist dat het belangrijk was dat ze zou vluchten, maar hoe? Door de deur misschien of door het raam? Of door hem gewoon te vragen weg te gaan en morgen weer terug te komen? 

'Wil je alsjeblieft weggaan?'

'Alleen maar aanraken.'

De hand was op nog maar een paar centimeter afstand van haar gezicht. Haar walging kreeg de overhand op de traagheid die het eiland had veroorzaakt. Ze duwde zijn arm weg, vol afkeer van het minste of geringste contact met zijn lichaam. Hij keek beledigd.

'Je hebt geprobeerd me pijn te doen,' hielp hij haar herinneren. 'Vaak. En ik heb jou nooit iets gedaan.'

'Dat wilde je wel.'

'Hij wilde dat, ik nooit. Ik wil dat je bij mijn andere vrienden komt waar je nooit meer pijn zult hebben.' De hand, die weer langs zijn zij was gevallen, kwam plotseling terug en greep haar bij haar hals. 'Ik laat je nooit meer gaan,' zei hij. 

'Je doet me pijn, Anthony.'

Hij trok haar dichter naar zich toe en zijn hoofd boog zich naar haar toe zo goed als hij dat met zijn nek kon. In een deel van zijn huid onder zijn rechteroog zag ze iets bewegen. Hoe dichter hij bij haar kwam, hoe duidelijker ze de dikke witte maden zag die als eieren in zijn gezicht waren gelegd en daar nu groot lagen te worden terwijl ze op hun vleugeltjes wachtten. Wist hij dat hij een tehuis voor maden vormde? Was het misschien iets om trots op te zijn om door vliegeëieren bezoedeld te zijn? Hij zou haar kussen, daar twijfelde ze niet aan. Als hij zijn tong in mijn mond stopt, dacht ze, dan bijt ik hem af. Dat laat ik hem niet doen. Lieve god, ik ga liever dood. Hij legde zijn lippen op de hare. 

'Je bent onvergeeflijk,' zei een scherpe stem. De deur was open. 'Laat haar los.'

De Scheermesjes-Eter liet Carys los en trok zich terug van haar gezicht. Ze spuwde om de kus kwijt te raken en keek op. Mamoulian stond in de deuropening. Achter hem stonden twee goedgeklede jongemannen, een met goudkleurig haar, beiden met een innemende glimlach.

'Onvergeeflijk,' zei de Europeaan weer en draaide zijn lege blik naar Carys. 'Zie je nou wat er gebeurt als je niet onder mijn bescherming staat?' zei hij. Ze gaf geen antwoord.

'Je bent alleen, Carys. Je vroegere beschermer is dood.'

'Marty? Dood?'

'Thuis, op weg naar jouw heroïne.'

Ze realiseerde zich zijn fout en daarmee lag ze een paar seconden op hem voor. Als ze dachten dat Marty dood was, had hij misschien een kans. Maar het zou niet verstandig zijn om tranen te fingeren. Ze was geen tragische toneelspeelster. Het was het beste om ongeloof te veinzen, of tenminste twijfel. 'Nee,' zei ze. 'Dat geloof ik niet.'

'Met mijn eigen handen,' zei de blonde Adonis achter de Europeaan.

'Nee,' hield ze vol.

'Neem dat maar van mij aan,' zei de Europeaan. 'Die komt niet meer terug. Neem dat dan tenminste van me aan.'

'Van jou?' mompelde ze. Het was bijna grappig.

'Heb ik niet net voorkomen dat je werd aangerand?'

'Hij is van jou afkomstig.'

'Ja, en hij zal gestraft worden, vertrouw daar maar op. Nu neem ik wel aan dat je het feit dat ik hier ben, betaalt door je vader voor mij te vinden. Ik duld geen getreuzel, Carys. We gaan terug naar Caliban Street en dan ga je hem zoeken. Al moet ik je er voor ondersteboven keren. Dat beloof ik je. St.-Thomas zal je naar de auto beneden begeleiden.'

De donkere glimlach stapte langs zijn blonde metgezel en stak een hand naar Carys uit.

'Ik heb maar weinig tijd, meisje,' zei Mamoulian en de veranderde klank in zijn stem wees daar ook op. 'Dus alsjeblieft, laten we opschieten met deze vervelende geschiedenis.' Tom leidde Carys de trappen af. Toen ze weg was, richtte Mamoulian zijn aandacht op de Scheermesjes-Eter. Breer was niet bang voor hem; hij was voor niemand meer bang. Het was benauwd in het hokkerige kamertje waar ze elkaar stonden aan te kijken, hij wist dat het warm was, want het zweet stond op Mamoulians wangen en bovenlip. Hijzelf was heel koel, hij was de koelste man ter wereld. Niets kon hem nog angst aanjagen. Mamoulian zag dat zeker ook.

'Doe de deur dicht,' zei Mamoulian tegen de blonde jongen. 'En zoek iets om deze man mee vast te binden.' Breer grinnikte.

'Je bent ongehoorzaam geweest,' zei de Europeaan. 'Ik had je opgedragen het werk in Caliban Street af te maken.'

'Ik wilde haar zien.'

'Ze is niet voor jou om naar te kijken. Ik heb een afspraak met jou en net als alle anderen hou je je er niet aan.'

'Een spelletje,' zei Breer.

'Dit is geen spelletje, Anthony. Ben je al die tijd bij me geweest zonder dat begrepen te hebben? Iedere daad heeft zijn betekenis. Vooral spel.'

'Het kan me niet schelen wat je zegt. Het zijn allemaal woorden, alleen maar woorden.'

'Je bent walgelijk,' zei de Europeaan. Breers bevlekte gezicht keek hem aan zonder een spoor van angst of berouw te tonen. Hoewel de Europeaan wist dat hij hier superieur was, was er toch iets aan de blik van Breer die maakte dat hij zich niet op zijn gemak voelde. In zijn tijd had Mamoulian wel met veel gemenere wezens te maken gehad. Met die arme Konstantin bijvoorbeeld, wiens post-mortem-begeertes wel wat verder waren gegaan dan kussen. Waarom was hij dan van streek door Breer? St.-Chad had wat kleren verscheurd, die samen met een riem en een das beantwoordden aan Mamoulians doel. 'Bind hem aan het bed vast.'

Chad had grote moeite zichzelf zover te krijgen dat hij Breer aanraakte, hoewel de man zich tenminste niet verzette. Hij aanvaardde zijn straf met dezelfde idiote grijns op zijn gezicht. Zijn huid voelde glibberig aan onder Chads handen, alsof onder het strakgespannen, glanzende oppervlak de spieren tot gelei en pus waren vergaan. De heilige werkte zo efficiënt mogelijk om zijn taak te volbrengen terwijl de gevangene zichzelf vermaakte met naar de vliegen te kijken die om zijn hoofd zoemden. Binnen drie of vier minuten zat Breer met handen en voeten gebonden. 

Mamoulian knikte tevreden. 'Dat is mooi. Je mag Tom in de auto gezelschap gaan houden. Ik ben zo beneden.' Vol respect trok Chad zich terug terwijl hij zijn handen aan zijn zakdoek afveegde. Breer zat nog steeds naar de vliegen te kijken. 

'Ik ga je nu verlaten,' zei de Europeaan. 

'Wanneer kom je terug?' vroeg de Scheermesjes-Eter. 

'Nooit.'

Breer glimlachte. 'Dan ben ik dus vrij,' zei hij. 

'Je bent dood, Anthony,' antwoordde Mamoulian. 

'Wat?' De glimlach verdween van Breers gezicht. 

'Je bent al dood vanaf de dag dat ik je hangend aan het plafond heb gevonden. Ik denk dat je misschien wel wist dat ik zou komen en dat je om aan mij te ontsnappen zelfmoord hebt gepleegd. Maar ik had je nodig. Dus heb ik je een beetje van mijn leven gegeven om je in dienst te houden.' 

Breers glimlach was nu helemaal verdwenen. 

'Daarom voel je ook geen pijn, je bent een wandelend lijk. De vertering die je lichaam de afgelopen warme maanden heeft moeten ondergaan, is uitgesteld. Maar ik ben bang dat dit niet helemaal gelukt is, hoewel het wel aanmerkelijk langzamer is gegaan.' Breer schudde zijn hoofd. Was dit het wonder van de bevrijding? 'Nu heb ik je niet langer nodig. Dus ik trek mijn gift in...'

'Nee!'

Hij probeerde een smekend gebaar te maken, maar zijn polsen zaten vast en de repen snoerden in zijn spieren en veroorzaakten bobbels als in zachte klei.

'Vertel me hoe ik het goed kan maken,' bood hij aan. 'Ik doe alles.'

'Dat kan niet.'

'Wat je maar wilt. Alsjeblieft.'

'Ik wil dat je lijdt,' antwoordde de Europeaan.

'Waarom?'

'Om het verraad. Omdat je uiteindelijk net bent als alle anderen.'

'.. .nee. .. gewoon een spelletje...'

'Laat dit dan ook maar een spelletje zijn als je het leuk vindt. Zes maanden verrotting in net zoveel uur samengeperst.' Mamoulian liep naar het bed en legde zijn hand op Breers huilende mond terwijl hij een grijpende beweging maakte. 'Het is voorbij, Anthony,' zei hij.

Breer voelde een beweging in zijn onderbuik, alsof een kriebelend iets daar plotseling trilde en afstierf. Hij volgde de weglopende Europeaan met opengesperde ogen. Het was materie, geen tranen die zich verzamelden aan de randen.

'Vergeef het me,' smeekte hij zijn redder. 'Vergeef het me alsjeblieft.' Maar de Europeaan was weg. Hij had de deur zachtjes achter zich dichtgetrokken.

Er klonk een geluid op de vensterbank. Breer keek van de deur naar het raam. Daar zaten twee duiven te ruziën over een stukje van het een of ander. Nu vlogen ze weg. Er lagen witte veertjes op de vensterbank, net sneeuw midden in de zomer.

66

-

'U bént toch meneer Halifax, hè?'

De man die op de windstille binnenplaats vol wespen achter de winkel de kisten met fruit stond te inspecteren, draaide zich naar Marty om.

'Ja. Wat kan ik voor u doen?'

Meneer Halifax had in de zon gelegen en dat was onverstandig geweest. Zijn gezicht vervelde hier en daar al en het zag er rauw uit. Hij had het warm en voelde zich ongemakkelijk en Marty vermoedde dat hij ongeduldig zou zijn. Hij zou al zijn tact nodig hebben als hij het vertrouwen van deze man wilde winnen. 

'Gaan de zaken goed?' vroeg Marty.

Halifax haalde zijn schouders op. 'Het gaat,' zei hij zonder veel zin om over het onderwerp uit te weiden. 'Er zijn veel klanten op vakantie in deze tijd van het jaar.' Hij keek Marty eens aan. 'Ken ik u?'

'Ja. Ik ben hier een paar keer geweest,' loog Marty. 'Voor de aardbeien van meneer Whitehead. Daar ben ik voor gekomen. Het gewone recept.'

Halifax liet niets merken en zette het kistje perziken neer dat hij in zijn handen had. 'Het spijt me. Ik lever niets aan een meneer Whitehead.'

'Aardbeien,' hield Marty aan.

'Ik heb gehoord wat u zei,' zei meneer Halifax geprikkeld, 'maar ik ken niemand die zo heet. U moet zich vergissen.'

'Maar u herinnert zich mij wel?'

'Nee. Nou, als u iets wilt kopen, zal Theresa u helpen.' Hij knikte in de richting van de winkel. 'Ik wil hier graag de zaken afmaken voor ik helemaal smelt in deze rothitte.'

'Maar er wordt van mij verwacht dat ik aardbeien meeneem.'

'U kunt er net zoveel hebben als u wilt,' zei Halifax en breidde zijn armen uit. 'Er zijn er in overvloed. Vraag Theresa maar.' Marty zag het fout lopen. De man gaf geen krimp. Hij waagde een laatste poging. 'U heeft niets opzij gezet voor meneer Whitehead? U had ze vroeger altijd ingepakt voor hem klaarstaan.' 

Dit belangrijke detail scheen Halifax een beetje zachter te stemmen en er verscheen twijfel op zijn gezicht. 'Kijk. ..' zei hij, '.. .ik denk niet dat u het helemaal begrijpt...' Zijn stem daalde, ook al stond er niemand te luisteren op het binnenplaatsje. 'Joe Whitehead is dood. Leest u geen kranten?' Een grote wesp ging op de arm van Halifax zitten en baande zich met moeite een weg tussen de rode haren. Hij liet hem rustig lopen.

'Ik geloof niet alles wat ik in de krant lees,' antwoordde Marty rustig. 'U wel?'

'Ik weet niet waar u het over heeft,' zei de ander. 

'Zijn aardbeien,' zei Marty. 'Dat is alles wat ik wil.'

'Meneer Whitehead is dood.'

'Nee, meneer Halifax, Joe is niet dood. Dat weten wij allebei.' De wesp steeg op van de arm van Halifax en zoemde heen en weer in de lucht tussen hen. Marty zwaaide hem weg, maar hij kwam nog harder zoemend terug. 

'Wie bent u?' vroeg Halifax.

'De lijfwacht van meneer Whitehead. Ik heb u al gezegd dat ik hier eerder ben geweest.'

Halifax boog zich weer over de kist perziken. Op een verrotte plek zaten nog meer wespen. 'Het spijt me, maar ik kan u niet helpen,' zei hij.

'U heeft ze al gebracht zeker?' Marty legde een hand op de schouder van Halifax. 'Ja?'

'Ik kan u niets vertellen.'

'Ik ben een vriend.'

Halifax keek Marty even aan. 'Ik heb gezworen,' zei hij met de beslistheid van een ervaren onderhandelaar. Marty was in gedachten tot dit punt gekomen. Dat Halifax zou toegeven dat hij iets wist, maar zou weigeren details te verstrekken. Wat nu? Zou hij het uit de man slaan? 

'Joe is in groot gevaar.'

'O ja,' mompelde Halifax. 'Dacht u dat ik dat niet wist?'

'Ik kan hem helpen.'

Halifax schudde zijn hoofd. 'Meneer Whitehead is vele jaren een belangrijke klant van me geweest,' legde hij uit. 'Hij heeft altijd zijn aardbeien van me gehad. Ik heb nooit een man gekend die zo gek op aardbeien was als hij.'

'Tegenwoordige tijd,' corrigeerde Marty hem.

Halifax ging door alsof hij niet in de rede was gevallen. 'Voor zijn vrouw stierf, kwam hij hier altijd persoonlijk. Daarna kwam hij niet meer. Hij kocht nog wel fruit. Hij stuurde iemand die het op kwam halen. En met Kerstmis was er altijd een cheque voor de kinderen. Nog steeds trouwens. Hij stuurt nog steeds geld voor hen.'

De wesp was op de rug van zijn hand gaan zitten waar wat zoet sap van een of andere vrucht was opgedroogd. Halifax liet hem zijn gang gaan. Marty mocht hem wel. Als Halifax geen informatie wilde verstrekken, zou Marty niet in staat zijn hem te intimideren.

'En nu komt u hier en vertelt me dat u een vriend van hem bent,' zei Halifax. 'Hoe kan ik nu weten of u de waarheid vertelt? Mensen hebben soms vrienden die hen de keel doorsnijden.'

'Hij meer dan de meesten.'

'Inderdaad. Zoveel geld en zo weinig mensen die om hem geven.' Halifax keek verdrietig. 'Het lijkt mij het beste dat ik zijn schuilplaats maar geheim houd, vindt u ook niet? Wie kan hij anders nog vertrouwen in deze wereld?'

'Ja,' gaf Marty toe. Wat Halifax zei, was logisch en er was niets dat hij kon doen om hem op zijn besluit terug te laten komen. 'Dank u,' zei hij, onder de indruk van de les. 'Het spijt me dat ik u van uw werk heb gehouden.' Hij liep terug naar de winkel.

Hij was een paar passen bij Halifax vandaan toen deze zei: 'U bént het.'

Marty draaide zich om. 'Wat?'

'U was het die om de aardbeien kwam. Ik herinner me u. U zag er toen alleen anders uit.' Martys hand streek door zijn baard van een paar dagen oud; voor scheren had hij tegenwoordig geen tijd. 'Niet het haar,' zei Halifax. 'U was harder. Ik mocht u niet zo.' Marty wachtte een beetje ongeduldig tot Halifax met zijn afscheidsspeech klaar was. In gedachten was hij al met andere mogelijkheden bezig. Pas toen hij goed naar Halifax luisterde, begreep hij dat de man zich had bedacht. Hij was hem iets aan het vertellen. Hij wenkte Marty om naar achteren het binnenplaatsje op te komen.

'Denkt u dat u hem kunt helpen?'

'Misschien.'

'Ik hoop dat iemand het kan.'

'Heeft u hem gezien?'

'Ik zal het u vertellen. Hij belde de winkel op en vroeg naar mij. Gek, maar na al die jaren herkende ik zijn stem toch meteen. Hij vroeg me om hem wat aardbeien te brengen. Hij zei dat hij zelf niet kon komen. Het was verschrikkelijk.'

'Waarom?'

'Hij is zo bang.' Halifax aarzelde en zocht naar de juiste woorden. 'Ik herinner me hem als een groot man, weet u. Indrukwekkend. Hij kwam de winkel binnen en iedereen ging voor hem opzij. En nu? Gekrompen tot niets. De angst heeft hem te pakken. Ik heb dat wel vaker gezien. Bij mijn schoonzuster is hetzelfde gebeurd. Zij had kanker. Ze was nog eerder dood uit angst voor de tumor dan door de tumor zelf.'

'Waar is hij?'

'Dat wil ik u nu juist vertellen. Ik ging terug naar huis en ik heb tegen niemand iets gezegd. Ik heb alleen een halve fles whisky leeggedronken. Achter elkaar. Dat heb ik in mijn hele leven nog nooit gedaan. Ik wilde alleen die manier waarop hij had gekeken uit mijn hoofd krijgen. Ik was er werkelijk door van streek om hem zo te horen en te zien. Ik bedoel, als mensen zoals hij bang zijn, wat heeft de rest van ons dan nog voor kansen?'

'U bent veilig,' zei Marty en hoopte bij God dat de wraak van de Europeaan niet zover zou gaan dat hij de aardbeienleverancier van de oude man ook nog te pakken zou nemen. Halifax was een goeie vent. Marty hield deze gedachte vast terwijl hij naar het ronde, rode gezicht staarde. Hier was goedheid. Natuurlijk ook met zwakke plekken en misschien wat zonden. Maar het goede was het waard om gevierd te worden, hoeveel zwakke plekken de man ook mocht hebben.

'Er is een hotel,' zei Halifax. 'Ik geloof dat het vroeger Orpheus heette. Het ligt aan Edgware Road, Staple Corner. Afschuwelijke, sjofele boel. Staat op de lijst om gesloopt te worden, denk ik.'

'Is hij daar alleen?'

'Ja,' zuchtte Halifax en dacht eraan hoe diep de machtigen konden vallen. 'Misschien kunt u ook wat perziken voor hem meenemen,' zei hij even later.

-

Hij ging de winkel in en kwam terug met een versleten exemplaar van het stratenplan van Londen. Hij bladerde door de vergeelde bladzijden op zoek naar de juiste kaart terwijl hij steeds zijn verbijstering over de loop der dingen liet horen en zijn hoop uitsprak dat alles nog in orde zou komen. 'Er zijn al verschillende straten gesloopt rondom het hotel,' legde hij uit. 'Deze kaarten zijn al oud, ben ik bang.'

Marty keek naar de bladzijde die Halifax had uitgezocht. Een regenwolk die Kilburn al had aangedaan en in noordwestelijke richting trok, bedekte de zon terwijl Halifax met zijn bevlekte wijsvinger een route van Holborn naar het Hotel Pandemonium aanwees.