XI - Uw Koninkrijk Kome
56
-
Chad Schuckman en Tom Loomis hadden nu drie weken de boodschappen van de Church of the Resurrected Saints aan de inwoners van Londen verkondigd en ze hadden er meer dan genoeg van.
'Wat een manier om je vakantie door te brengen,' mopperde Tom regelmatig wanneer ze hun dagelijkse route voorbereidden. Memphis leek heel ver weg en ze hadden allebei heimwee. Bovendien was de hele campagne een fiasco geworden. De zondaren die ze ontmoetten op de huisdrempels van deze godverlaten stad waren net zo ongeïnteresseerd in de boodschap van de dominee van dreigende Openbaringen als in zijn belofte van Verlossing. Ondanks het weer (of misschien vanwege het weer) was zonde tegenwoordig niet erg interessant in Engeland.
Chad deed minachtend: 'Ze weten niet wat hun te wachten staat,' bleef hij zeggen tegen Tom, die alle beschrijvingen van de zondvloed uit zijn hoofd kende maar wist dat ze beter klonken uit de mond van een aantrekkelijke jongeman als Chad. Hij verdacht zelfs de paar mensen die de tijd hadden genomen om naar hen te luisteren ervan dat ze dat meer hadden gedaan omdat Chad eruitzag als een klassieke engel dan omdat ze de inspirerende woorden van de dominee nu zo graag wilden horen. De meesten sloegen de deur gewoon dicht.
Maar Chad was onvermurwbaar. 'Er is hier zonde,' verzekerde hij Tom, 'en waar zonde is, is schuld. En waar schuld is, is geld voor het Werk van de Heer.' Het was een simpele vergelijking en als Tom twijfelde aan de ethiek daarvan, hield hij dat maar liever voor zich. Het was beter om zijn mond te houden dan Chads afkeuring over zich af te roepen. Ze hadden in deze vreemde stad alleen elkaar en Tom wilde zijn leidende licht niet verliezen. Maar soms was het moeilijk om te blijven geloven. Vooral op snikhete dagen zoals vandaag als je kunststoffen pak in je nek kriebelde en de Heer, als Hij in de Hemel was, buiten zicht bleef. Er was geen zuchtje wind dat koelte verschafte en nergens was een regenwolkje te bespeuren.
'Is dat niet ergens van?' vroeg Tom aan Chad.
'Wat?' Chad telde de folders die ze vandaag nog kwijt moesten zien te raken.
'Die straatnaam,' zei Tom. 'Caliban. Dat is ergens van.'
'O ja?' Chad was klaar met tellen. 'We hoeven nog maar vijf folders.'
Hij gaf het drukwerk aan Tom en haalde een kam uit zijn binnenzak. Ondanks de hitte zag hij er koel en goed verzorgd uit. Naast hem voelde Tom zich sjofel en verhit en hij was bang dat hij gemakkelijk verleid zou kunnen worden om van het pad der gerechtigheid af te dwalen. Waardóór wist hij niet zeker, maar hij stond open voor suggesties. Chad haalde de kam door zijn haar, met één elegante beweging weer de volmaakt glanzende verschijning die hij altijd was. De dominee had hun geleerd dat het belangrijk was om er goed verzorgd uit te zien. 'Jullie zijn vertegenwoordigers van de Heer,' had hij gezegd. 'Hij wil dat jullie er netjes en schoon uitzien. Glanzend. Om door een ringetje te halen.'
'Hier,' zei Chad en ruilde de kam voor het drukwerk. 'Je haar zit afschuwelijk.'
Tom nam de kam aan; in de tanden schitterde het goud. Hij deed een vage poging om niet al te ijdel te doen onder Chads toeziende ogen. Toms haar bleef nooit goed zitten zoals dat van Chad. De Heer zou het niet waarderen, helemaal niet. Maar ja, wat waardeerde de Heer eigenlijk wel? Hij keurde niet alleen roken en drinken af maar ook overspel, thee, koffie, Pepsi, de achtbaan, masturberen. En al die zwakkelingen die toegaven aan dergelijke zonden, God sta hen bij, voor hen allen dreigde de zondvloed. Tom bad dat het water koel zou zijn als het kwam.
-
De man in het donkere pak op nummer 82 in Caliban Street deed Tom en Chad allebei denken aan de dominee. Niet fysiek gezien natuurlijk. Bliss was een gebruinde, vasthoudende man terwijl deze dandy dun en ziekelijk bleek was. Maar ze straalden beiden dezelfde onuitgesproken autoriteit uit, dezelfde doelbewuste ernst. Hij was ook geïnteresseerd in de folders. De eerste deze ochtend die werkelijk interesse had gehad. Hij had zelfs het Deuteronomium voor hen aangehaald - een tekst die ze niet kenden - en toen had hij hen uitgenodigd even binnen te komen om iets te drinken. Het was allemaal heel bekend. De kale muren en vloeren, de geur van desinfecterende middelen en wierook, alsof er net iets was opgeruimd. Eerlijk gezegd vond Tom dat deze vent het ascetisme te ver doordreef. In de achterkamer stonden slechts twee stoelen.
'Ik heet Mamoulian.'
'Aangenaam. Ik ben Chad Schickman en dit is Thomas Loomis.'
'Beiden heiligen, hè.' De jongemannen keken verbaasd. 'Jullie namen. Allebei namen van heiligen.'
'St.-Chad?' vroeg de blonde.
'Ja zeker. Dat was een Engelse bisschop uit de zevende eeuw. Thomas was natuurlijk de grote Ongelovige.'
Hij liet hen alleen om wat water te halen. Tom zat op zijn stoel te draaien.
'Wat heb je?' snauwde Chad. 'Hij is de eerste vandaag die een beetje op een bekeerling lijkt.'
'Hij is vreemd.'
'Denk je dat het de Heer iets kan schelen als hij vreemd is?' zei Chad. Het was een goeie vraag, die Tom bezighield tot hun gastheer terugkwam.
'Jullie water.'
'Woont u alleen?' vroeg Chad. 'Het is een groot huis voor één persoon.'
'Sinds kort ben ik alleen,' zei Mamoulian en bood de glazen water aan. 'En ik moet zeggen dat ik werkelijk hulp nodig heb.'
Dat denk ik ook, dacht Tom. De man keek hem even aan toen hij dat dacht, alsof hij het hardop had gezegd. Tom kreeg een kleur en dronk het water op om zijn verlegenheid te maskeren. Het was lauw. Hadden de Engelsen nooit van een koelkast gehoord?
Mamoulian schonk zijn aandacht weer aan St.-Chad. 'Wat doen jullie de komende paar dagen?'
'Het werk van de Heer,' zei Chad van buiten geleerd.
Mamoulian knikte. 'Goed,' zei hij.
'We verspreiden het Woord.'
' "Ik zal u vissers van mensen maken." '
'Matteüs. Hoofdstuk vier,' zei Chad onmiddellijk.
'Zouden jullie mij misschien willen helpen, als ik jullie toesta mijn onsterfelijke ziel te redden?' vroeg Mamoulian.
'Waarmee?'
Mamoulian haalde zijn schouders op. 'Ik heb hulp nodig van twee gezonde jonge dieren zoals jullie.'
Dieren? Dat klonk niet al te fundamentalistisch. Had deze arme zondaar nooit van Eden gehoord? Nee, dacht Tom en keek naar de ogen van de man, dat heeft hij vermoedelijk niet.
'Ik ben bang dat we andere afspraken hebben,' zei Chad beleefd, 'maar u kunt rustig langskomen wanneer de dominee er is en dan kunt u gedoopt worden.'
'Ik zou de dominee graag ontmoeten,' antwoordde de man. Tom was er niet van overtuigd dat hier geen spelletje gespeeld werd. 'We hebben nog maar zo weinig tijd voordat de toorn van de Heer op ons neerdaalt,' zei Mamoulian. Chad knikte heftig. 'Dan zullen we gelijk drijfhout zijn, nietwaar? Drijfhout in het water.' Bijna exact de woorden van de dominee. Toen Tom ze van de smalle lippen van de man hoorde komen, werd de beschuldiging van een Ongelovige te zijn bewaarheid. Maar Chad was in verrukking. Zijn gezicht kreeg die evangelische blik die hij ook tijdens de preken kreeg, de blik waar Tom hem altijd om had benijd, maar die hij nu beslist fanatiek vond. 'Chad. ..' begon hij.
'Drijfhout in het water,' herhaalde Chad. 'Hallelujah.' Tom zette zijn glas naast zijn stoel. 'Ik vind dat we maar eens moesten gaan,' zei hij en stond op. Om de een of andere reden leken de kale planken waar hij op stond veel verder weg dan de een meter tachtig die hij mat, eerder honderd tachtig meter. Alsof hij op het punt stond te struikelen, alsof zijn grondvesten onder hem vandaan werden gehaald. 'We moeten nog diverse straten af,' zei hij en probeerde de problemen stuk voor stuk te bekijken, ten eerste hoe hij uit dit huis kwam voordat er iets verschrikkelijks gebeurde.
'De zondvloed,' kondigde Mamoulian aan, 'is zeer nabij.' Tom greep Chad om hem uit zijn trance te wekken. De vingers aan het eind van zijn uitgestoken arm leken duizend kilometer bij hem vandaan te zijn. 'Chad,' zei hij. St.-Chad, hij van de stralenkrans, die regenbogen kon pissen.
'Voel je je wel goed, jongen?' vroeg de vreemdeling en keek Tom met zijn visseogen aan.
'Ik. . . voel.'
'Wat voel je?' vroeg Mamoulian.
Chad keek hem eveneens aan, naïef in zijn bezorgdheid, naïef in feite voor alle gevoel. Tom vroeg zich voor de eerste keer in zijn leven af of dat misschien de reden was waarom Chads gezicht zo volmaakt was. Wit, symmetrisch en volkomen leeg. 'Ga zitten voor je omvalt,' zei de vreemde.
'Het is goed,' stelde Chad hem gerust.
'Nee,' zei Tom. Zijn knieën voelden onbetrouwbaar aan. Hij vermoedde dat ze hem weldra in de steek zouden laten.
'Vertrouw me,' zei Chad, en dat wilde Tom ook wel. Chad had in het verleden meestal gelijk gehad. 'Geloof me, we zitten hier goed, ga zitten, zoals die meneer net zei.'
'Komt het door de hitte?'
'Ja,' zei Chad in plaats van Tom. 'Het is de hitte. In Memphis kan het ook wel warm zijn, maar wij hebben airconditioning.' Hij draaide zich om naar Tom en legde zijn hand op de schouder van zijn metgezel. Tom gaf toe en ging zitten. Het was alsof er iets fladderde in zijn nek, alsof daar een vlindertje zat, maar hij had de kracht niet om het weg te vegen.
'Jullie noemen jezelf vertegenwoordigers?' zei de man bijna fluisterend. 'Ik denk niet dat jullie weten wat dat woord betekent.'
Chad ging snel in de verdediging. 'De dominee zegt...'
'De dominee?' viel de man hem minachtend in de rede. 'Dacht je dat die ook maar enig idee heeft van jullie waarde?' Dit bracht Chad van zijn stuk. Tom probeerde zijn vriend te vertellen dat hij zich niet gevleid moest voelen, maar de woorden wilden niet komen. Zijn tong lag als een dode vis in zijn mond. Wat er nu ook zou gebeuren, dacht hij, het zou tenminste hun alle twee overkomen. Ze waren al vanaf de eerste klas bevriend, ze hadden samen het begin van de puberteit en de metafysica doorgemaakt en Tom meende dat ze onafscheidelijk waren. Hij hoopte maar dat de man begreep dat waar Chad heen ging, Tom ook naar toe ging. Het gefladder in zijn nek was opgehouden en hij kreeg een warm, geruststellend gevoel in zijn hoofd. De dingen waren misschien toch nog niet zo slecht.
'Ik heb de hulp van jongemannen zoals jullie nodig.'
'Waarvoor?' vroeg Chad.
'Om met de zondvloed te beginnen,' antwoordde Mamoulian.
Over het gezicht van Chad verspreidde zich een onzekere glimlach die zich verdiepte naarmate het idee hem meer aansprak. Zijn trekken, te vaak beheerst door toewijding, ontvlamden.
'O ja,' zei hij. Hij keek even naar Tom. 'Hoor je wat deze meneer ons vertelt?'
Tom knikte.
'Hoor je het, man?'
'Ik hoor het. Ik hoor het.'
Zijn hele heerlijke leven lang had Chad op een dergelijke uitnodiging zitten wachten. Voor het eerst kon hij zich een beeld vormen van de letterlijke waarheid achter de vernietiging waar hij op wel honderd drempels mee had gedreigd. In zijn geest stegen rode, woedende wateren op tot schuimende golven terwijl ze op deze heidense stad neerstortten. We zijn drijfhout in de wateren, zei hij, en de woorden brachten beelden met zich mee. Mannen en vrouwen, maar hoofdzakelijk vrouwen, renden naakt voor deze woeste getijden uit. Het water was heet en de spetters vielen op hun schreeuwende gezichten en hun glanzende, schuddende borsten. Dit was wat de dominee al die tijd had beloofd en hier was een man die hem vroeg hem te helpen het mogelijk te maken, om deze beukende, schuimende dag der dagen ten uitvoer te brengen. Hoe konden ze weigeren? Hij voelde de noodzaak de man te bedanken omdat hij hen deze taak waardig vond. De gedachte bracht hem in actie. Hij viel op zijn knieën en knielde voor Mamoulians voeten.
'Dank u,' zei hij tegen de man in het donkere pak.
'Je wilt me dus helpen?'
'Ja. ..' antwoordde Chad; was zijn dankbaarheid niet duidelijk genoeg? 'Natuurlijk.'
Achter hem mompelde Tom zijn eigen instemming.
'Dank u,' zei Chad. 'Dank u.'
Maar toen hij weer naar de man omhoog keek, had deze, blijkbaar overtuigd van hun devotie, de kamer al verlaten.
57
-
Marty en Carys sliepen in een eenpersoonsbed bij elkaar: de langverwachte slaap. En ook al huilde de baby in de kamer onder hen, ze hoorden het niet, evenmin als de sirenes op Kilburn High Road en de politie en de brandweer die naar een grote brand in Maida Vale gingen. Ook de dageraad door het smerige raam kon hen niet wekken, hoewel de gordijnen niet dicht waren. Maar één keer in de vroege uurtjes draaide Marty zich om en zijn ogen gingen even open om het eerste daglicht op het raam te zien schijnen. Maar in plaats van zich weer om te draaien, liet hij het licht op zijn oogleden vallen en sliep verder.
-
Ze hadden de halve dag samen in de zitslaapkamer doorgebracht voor ze met de noodzaken begonnen: baden, koffiedrinken en weinig praten. Carys waste en verbond de wond op Martys been, ze verschoonden hun kleren en gooiden de spullen die ze de vorige dag hadden aan gehad, weg.
Pas tegen halverwege de middag begonnen ze te praten. Hun gesprek begon heel rustig, maar Carys nervositeit werd steeds groter naarmate ze langer zonder een shot zat en het praten werd een hoe het leven bij de Europeaan was geweest, de vernederingen, de teleurstellingen, het gevoel dat ze had gehad dat hij haar vader en haar beter had gekend dan ze vermoedde. Marty op zijn beurt probeerde het verhaal te vertellen dat Whitehead hem op de laatste avond had verteld, maar ze was te veel afgeleid om zich goed te kunnen concentreren.
'Ik moet een shot hebben, Marty.'
'Nu?'
'Vrij gauw.'
Hij had op dit moment gewacht en was er bang voor geweest. Niet omdat hij niets voor haar zou kunnen vinden; hij wist dat hij er wel aan zou kunnen komen. Maar omdat hij had gehoopt dat ze het wanneer ze bij hem was, niet nodig zou hebben.
'Ik voel me erg rot.'
'Het is goed. Je bent bij mij.'
'Hij komt, weet je.'
'Nu niet.'
'Hij zal boos zijn, en hij komt beslist.'
Martys gedachten gingen steeds weer terug naar zijn ervaring in de bovenste kamer van Caliban Street. Wat hij daar had gezien, of liever gezegd niet had gezien, had hem behoorlijk schrik aangejaagd. Meer nog dan de honden en Breer. Dat waren fysieke gevaren. Maar wat er in die kamer was gebeurd, was iets heel anders. Hij had gevoeld, misschien wel voor het eerst van zijn leven, dat zijn ziel - iets wat hij tot nu toe als christelijk geklets had afgedaan - bedreigd werd. Hij wist niet precies wat hij eigenlijk bedoelde, niet wat de paus ermee bedoelde, dacht hij. Maar een deel van hem dat belangrijker was dan een arm of been of zijn leven was bijna verdwenen en Mamoulian was daar verantwoordelijk voor geweest. Wat kon dat wezen nog meer loslaten als hij onder druk zat? Zijn nieuwsgierigheid was nu meer dan een verlangen om te weten wat zich achter de sluier bevond, het werd een noodzaak. Hoe konden ze zelfs maar hopen zichzelf te kunnen wapenen tegen deze demagoog zonder enige aanwijzing betreffende zijn aard?
'Ik wil het niet weten,' zei Carys die zijn gedachten had gelezen. 'Als hij komt, komt hij. Daar kunnen we niets aan doen.'
'Gisteravond. ..' begon hij en wilde haar eraan herinneren hoe ze de woordenwisseling hadden gewonnen. Ze wuifde de gedachte weg voor hij begonnen was. De spanning op haar gezicht was onhoudbaar; haar behoefte teisterde haar.
'Marty. .
Hij keek haar aan.
'.. .je hebt het beloofd,' zei ze beschuldigend.
'Dat ben ik niet vergeten.'
Hij had voor zichzelf de kosten berekend, niet zozeer die van de drugs, maar van gekwetste trots. Hij moest naar Flynn voor heroïne; hij kende niemand anders die hij kon vertrouwen. Ze waren nu beiden vluchtelingen, zowel voor Mamoulian als voor de wet.
'Ik moet even bellen,' zei hij.
'Doe dat,' antwoordde ze.
Ze leek het afgelopen half uur fysiek veranderd. Haar huid was wasachtig geworden, er lag een wanhopige glans in haar ogen en ze trilde steeds heftiger.
'Maak het hem niet te gemakkelijk,' zei ze.
Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Gemakkelijk?'
'Hij kan me dingen laten doen die ik niet wil doen,' zei ze. De tranen waren begonnen, maar zonder het bijbehorende gesnik; ze vielen gewoon uit haar ogen. 'Misschien kwets ik je wel.'
'Dat geeft niet. Ik ga nu. Charmaine leeft tegenwoordig met een vent die me het spul wel kan leveren, maak je niet druk. Ga je mee?'
Ze sloeg haar armen om haar schouders. 'Nee,' zei ze. 'Ik houd je alleen maar op. Ga maar.'
Hij trok zijn jas aan en probeerde niet naar haar te kijken; de mengeling van broosheid en begeerte maakte hem bang. Het zweet op haar lichaam was vers; het verzamelde zich in de zachte doorgang tussen haar sleutelbeenderen en het stroomde van haar gezicht.
'Laat er niemand in, oké?' Ze knikte; haar ogen verteerden hem.
Toen hij weg was, sloot ze de deur achter hem af en ging weer terug naar het bed. De tranen kwamen weer. Geen tranen van verdriet, gewoon zout water. Nou ja, misschien was er een beetje verdriet om deze herontdekte kwetsbaarheid en voor de man die nu de trap afliep.
Hij was verantwoordelijk voor haar huidige ongemak, dacht ze. Hij had haar laten denken dat ze op haar eigen benen kon staan. En waar had hij haar naar toe gebracht? Naar deze broeikas midden op een julimiddag en met zoveel kwaadaardigheid zo dicht om hen heen.
Ze voelde geen liefde voor hem. Dat was een te zware last om te dragen. Op z'n best was het een bevlieging, vermengd met dat gevoel van dreigend verlies dat ze altijd had wanneer iemand haar nastond, alsof ze ieder moment van zijn aanwezigheid inwendig treurde om de tijd dat hij er niet meer zou zijn. Beneden sloeg de deur dicht terwijl hij de straat opliep. Ze lag achterover op bed en dacht aan de eerste keer dat ze samen de liefde hadden bedreven. En hoe die daad, die zo bij uitstek persoonlijk was, door de Europeaan was gadegeslagen. De gedachte aan Mamoulian was net een sneeuwbal boven op een steile helling. Hij begon te rollen en kreeg meer snelheid en grotere afmetingen naarmate hij voortrolde, tot hij monstrueus was. Een lawine, een white-out.
Ze vroeg zich even af of ze zich inderdaad alleen maar iets herinnerde; het gevoel was zo helder, zo echt. Toen twijfelde ze niet meer.
Ze stond op; het bed kraakte. Het was helemaal geen herinnering. Hij was hier.
58
-
'Flynn?'
'Hallo.' De stem aan de andere kant van de lijn klonk zwaar van de slaap. 'Wie is daar?'
'Marty. Heb ik je wakker gemaakt?'
'Wat wil jij in vredesnaam?'
'Ik heb hulp nodig.'
Aan de andere kant van de lijn viel een lange stilte. 'Ben je er nog?'
'Ja, ja.'
'Ik heb heroïne nodig.'
De norsheid verdween uit de stem; er lag nu ongeloof in. 'Ben jij aan de heroïne?'
'Ik heb het nodig voor een vriend.' Marty zag in gedachten de glimlach die zich over Flynns gezicht verspreidde. 'Kun je me eraan helpen? Snel?'
'Hoeveel?'
'Ik heb honderd pond.'
'Dat is niet onmogelijk.'
'Snel?'
'Ja. Als je dat wilt. Hoe laat is het nu?' De gedachte aan gemakkelijk geld en een wanhopige junkie hadden Flynns geest geolied en hij stond klaar om weg te gaan. 'Kwart over één? Oké.' Hij rekende een ogenblik. 'Kom over drie kwartier even langs.' Dat was efficiënt, tenzij Flynn zo diep in de handel zat dat hij gemakkelijk aan het spul kon komen en het bijvoorbeeld alleen maar uit zijn jasje hoefde te halen.
'Ik kan natuurlijk niets garanderen,' zei hij, alleen om de wanhoop levend te houden. 'Maar ik zal mijn best doen. Meer kan ik ook niet, hè?'
'Bedankt,' zei Marty. 'Ik waardeer het zeer.'
'Neem geld mee, Marty, dat is alle waardering die ik nodig heb.' De telefoon werd neergelegd. Flynn had de gewoonte om altijd het laatste woord te willen hebben. 'Klootzak,' zei Marty tegen de hoorn en gooide hem neer. Hij trilde een beetje; zijn zenuwen waren er slecht aan toe. Hij liep een kiosk binnen, kocht een pakje sigaretten en liep toen weer terug naar de auto. Het was lunchtijd, het verkeer in het centrum van Londen zou druk zijn en het zou best wel eens drie kwartier in beslag kunnen nemen om in zijn oude buurt te komen. Er was geen tijd meer om naar Carys terug te gaan en naar haar te kijken. Bovendien vermoedde hij dat ze niet blij zou zijn met het uitstel. Ze had de drugs harder nodig dan hem.
-
De Europeaan was te plotseling voor Carys verschenen om zijn indringende aanwezigheid op een afstand te houden. Maar ook al voelde ze zich nog zo zwak, ze moest vechten. En er was iets dat deze aanval anders maakte dan de andere. Was zijn toenadering dit keer wanhopiger? Haar nek voelde fysiek pijnlijk aan door zijn toegang. Ze wreef er met een zwetende handpalm over. Ik heb je gevonden, zei hij in haar hoofd. Ze keek de kamer door om een manier te vinden hem eruit te krijgen.
Het heeft geen zin, vertelde hij haar. 'Laat ons met rust.'
Je hebt me slecht behandeld, Carys. Ik zou je moeten straffen. Maar dat zal ik niet doen als je me je vader geeft. Is dat zo veel gevraagd? Ik heb een recht op hem. Diep in je hart weet je dat ook wel. Hij behoort me toe.
Ze wist wel beter dan zijn vleiende praatjes te vertrouwen. Als ze Pappa zou vinden, wat zou hij dan doen? Haar haar leven laten leven? Nee, hij zou haar ook nemen, net zoals hij Evangeline en Toy en alleen hij wist hoeveel anderen nog had genomen. Mee naar die boom, naar dat Niets.
Haar ogen bleven rusten op het kleine elektrische fornuis in de hoek van de kamer. Ze stond op; haar benen bibberden en ze liep er onvast naar toe. Als de Europeaan haar doorhad, was dat prima. Hij was zwak; ze voelde het. Vermoeid en verdrietig, en zijn concentratie verminderde. Maar zijn aanwezigheid was nog steeds verontrustend genoeg om haar gedachten van de wijs te brengen. Toen ze bij het fornuisje was gekomen, wist ze nauwelijks meer waarom ze daar was. Ze duwde haar geest in een hogere versnelling. Weigeren! Dat was het. Het fornuis was een weigering! Ze reikte ernaar en draaide een van de elektrische platen aan. Nee Carys, zei hij. Dat is niet verstandig.
Zijn gezicht verscheen in haar gedachten. Het was groot en het drukte de rest van de kamer om haar heen weg. Ze schudde haar hoofd om zichzelf van hem los te maken, maar hij liet zich niet afschudden. En behalve zijn gezicht was er nog een tweede visioen. Ze voelde armen om zich heen, geen wurgende greep, maar een beschermende omhelzing. Die armen wiegden haar. 'Ik hoor niet bij jou,' zei ze en vocht tegen de neiging om aan het wiegen toe te geven. In haar achterhoofd kon ze een liedje horen waarvan het ritme correspondeerde met het slaapverwekkende ritme van het wiegen. Het waren geen Engelse woorden, maar Russische. Het was een wiegeliedje, dat wist ze zonder dat ze de woorden verstond, en terwijl ze het hoorde en ernaar luisterde, leken alle pijnen die ze had gevoeld te verdwijnen. Ze was weer een baby'tje in zijn armen. Hij wiegde haar op de klank van het zachte liedje in slaap.
Door de naderende slaap heen zag ze een helder patroon. Hoewel ze de betekenis er niet meer van wist, herinnerde ze zich dat deze oranje spiraal die nu niet ver bij haar vandaan stond te gloeien belangrijk was geweest. Maar wat betekende het ook weer? Het probleem hield haar bezig en hield de slaap waar ze naar verlangde op een afstand. Dus deed ze haar ogen een eindje verder open om er achter te komen wat het patroon was.
Het fornuis kwam weer in zicht; de ring gloeide en de lucht erboven trilde. Nu wist ze het weer en de herinnering duwde de slaperigheid opzij. Ze strekte een hand uit naar de hitte. Doe dat niet, raadde de stem in haar hoofd haar aan. Je zult jezelf alleen maar pijn doen.
Maar ze wist wel beter. Het sluimeren in zijn armen was veel gevaarlijker dan wat voor pijn het volgende ogenblik ook zou brengen. De hitte was niet prettig, hoewel haar huid nog centimeters van de bron vandaan was, en een wanhopig ogenblik liet haar wil haar in de steek.
Je zult voor je leven beschadigd worden, zei de Europeaan die haar aarzeling voelde.
'Laat me met rust,'
Ik wil niet dat je jezelf pijn doet, kind. Daarvoor houd ik te veel van je.
De leugen was precies wat ze nodig had. Ze vond het doorslaggevende onsje moed, tilde haar hand op en duwde hem met de palm naar beneden op de elektrische plaat.
De Europeaan schreeuwde eerst; ze hoorde zijn gegil een seconde voor ze zelf begon. Ze trok haar hand van de plaat af toen de geur van verbranding haar tegemoet sloeg. Mamoulian trok zich terug; ze voelde hem wijken. Opluchting nam bezit van haar. Toen werd de pijn haar te veel en een donkere golf sloeg over haar heen. Ze was er niet bang voor. Het was heel veilig, die duisternis. Hij was er niet.
Weg, zei ze en zakte in elkaar.
-
Toen ze weer bijkwam, minder dan vijf minuten later, was haar eerste gedachte dat ze een hand vol scheermesjes had. Ze kroop naar het bed en legde haar hoofd erop tot ze weer helemaal bij bewustzijn was. Toen ze genoeg moed had vergaard, keek ze naar haar hand. Het patroon van de ringen was heel duidelijk in haar handpalm gebrand, een tatoeëring van spiralen. Ze stond op en liep naar de wasbak om er water over te laten lopen. Dat kalmeerde de pijn een beetje; de schade was niet zo groot als ze had gedacht. Hoewel het een eeuwigheid had geleken, was haar handpalm misschien maar een seconde of twee met de ring in aanraking geweest. Ze wikkelde haar hand in een van Martys T-shirts. Toen herinnerde ze zich dat ze ergens had gelezen dat brandwonden het beste in de open lucht konden genezen en ze wikkelde het er weer af. Uitgeput ging ze op bed liggen en wachtte tot Marty haar een stukje van het eiland zou brengen.
-
De jongens van dominee Bliss bleven een goed uur in de achterkamer van het huis in Caliban Street. Ze brachten hun tijd door met overpeinzingen over een waterige dood. In die tijd was Mamoulian op zoek gegaan naar Carys, had haar gevonden en was er weer uitgegooid. Maar hij was erachter gekomen waar ze zat. En meer dan dat, hij had begrepen dat Strauss - de man die hij stom genoeg op het heiligdom had genegeerd - nu bezig was om heroïne voor het meisje te halen. Hij vond dat het tijd werd om wat minder begrip te gaan tonen.
Hij voelde zich net een geslagen hond; hij wilde alleen maar gaan liggen en doodgaan. Het leek wel of hij vandaag, vooral sinds de handige manier waarop het meisje hem bij zich vandaan had gehouden, ieder uur van zijn lange, lange leven in zijn botten voelde. Hij keek naar zijn hand die nog pijn deed van de brandwond die hij door Carys had opgelopen. Misschien zou het meisje eindelijk begrijpen dat dit allemaal onvermijdelijk was. Dat de eindfase die hij op het punt stond te beginnen veel belangrijker was dan haar leven of dat van Strauss of Breer of die twee idiote Memphisieten die hij twee etages onder zich had laten wachten. Hij liep naar de eerste etage, naar de kamer van Breer. De Scheermesjes-Eter lag in de hoek van zijn kamer te niksen op zijn matras. Zijn nek lag opzij, zijn buik was doorboord en hij gaapte hem als een getikte vis aan. Aan het eind van de matras, dichtbij getrokken vanwege Breers slechte ogen, kletste de televisie futiliteiten.
'We gaan spoedig weg,' zei Mamoulian. 'Heb je haar gevonden?'
'Ja, ik heb haar gevonden. Ergens in Bright Street. Het huis...' hij scheen de gedachte wel vermakelijk te vinden, 'is geel geschilderd. Ik dacht dat het op de tweede etage was.'
'Bright Street,' zei Breer dromerig. 'Zullen we ernaar toe gaan?'
'Nee, niet wij.'
Breer draaide zich een eindje verder om naar de Europeaan; hij had zijn gebroken nek met een eigengemaakte spalk gezet en bewegingen waren moeilijk. 'Je had haar nooit moeten laten gaan.'
'Hij kwam, die van het huis. Dat heb ik je verteld.'
'O ja,' zei Mamoulian. 'Ik heb plannen voor Strauss.'
'Zal ik hem voor je zoeken?' zei Breer. De oude beelden van executie kwamen weer boven, alsof ze zo uit een boek met wreedheden waren gescheurd. Sommige waren scherper dan ooit, alsof ze op het punt stonden gerealiseerd te worden.
'Dat hoeft niet,' antwoordde de Europeaan. 'Ik heb twee enthousiaste assistenten die dat baantje voor me opknappen.'
Breer keek ontevreden. 'Wat moet ik dan doen?'
'Je kunt het huis klaarmaken voor vertrek. Ik wil dat je al onze bezittingen verbrandt. Ik wil dat het lijkt of we nooit hebben bestaan, jij en ik.'
'Het einde nadert, hè?'
'Nu ik weet waar ze is wel, ja.'
'Misschien gaat ze er nog vandoor.'
'Ze is te zwak. Ze zal niet in staat zijn zich te bewegen tot Strauss haar de drugs brengt. En dat zal niet gebeuren.'
'Ga je hem vermoorden?'
'Hem en iedereen die me verder voor de voeten loopt. Ik heb geen energie meer voor begrip. Dat is al veel te vaak mijn fout geweest: de onschuldigen laten ontsnappen. Je hebt je instructies, Anthony. Begin er maar vast mee.'
Hij liep de smerige kamer uit en ging naar beneden, naar zijn nieuwe agenten. De Amerikanen stonden vol ontzag op toen hij binnenkwam.
'Zijn jullie klaar?' vroeg hij.
De blonde, die van het begin af aan al kneedbaarder was geweest, begon zijn onsterfelijke dank weer uit te spreken, maar Mamoulian legde hem het zwijgen op. Hij gaf hun hun orders en ze namen ze in ontvangst alsof hij snoepjes uitdeelde.
'Er zijn messen in de keuken,' zei hij, 'neem die en gebruik ze naar hartelust.'
Chad glimlachte. 'Wilt u dat we de echtgenote ook vermoorden?'
'De zondvloed heeft geen tijd om selectief te zijn.'
'En als zij niet heeft gezondigd?' zei Tom, niet zeker waarom hij deze rare gedachte had.
'O, ze heeft gezondigd,' antwoordde de man met glinsterende ogen en dat was voldoende voor de jongens van dominee Bliss.
-
Boven hees Breer zich met moeite van de matras en strompelde de badkamer in om in de gebarsten spiegel naar zichzelf te kijken. Zijn wonden hadden al een tijdje geleden opgehouden met lekken, maar hij zag er verschrikkelijk uit. 'Scheer je,' zei hij tegen zichzelf. 'En Sandalwood.' Hij was bang dat de dingen van nu af te snel zouden gaan en als hij niet voorzichtig was, hij erbuiten gehouden zou worden. Het werd tijd dat hij op eigen kracht aan het werk ging. Hij zou een schoon overhemd zoeken, een das en een jasje en dan zou hij op stap gaan. Als het laatste spel zo dichtbij was dat de bewijzen vernietigd moesten worden, dan moest hij snel zijn. Hij kon zijn romance met het meisje maar beter snel afmaken voor ze dezelfde weg opging die alle lichamen opgingen.
60
-
Het duurde aanzienlijk langer dan drie kwartier om door Londen te komen. Er was een lange anti-kernenergiemars onderweg; diverse onderdelen ervan verzamelden zich in de stad en marcheerden vervolgens naar een massale samenkomst die in Hyde Park werd gehouden. Het centrum van de stad, altijd al moeilijk om door te komen, was zo bezaaid met demonstranten en verstopt verkeer dat het nu onmogelijk was erdoor te komen. Dit had Marty allemaal niet beseft voor hij er middenin zat en tegen die tijd was er geen schijn van kans zich eruit te bevrijden. Hij vervloekte zijn onattentheid; er waren beslist waarschuwingen geweest van de politie voor het oponthoud, maar hij had er niet een gezien. Er zat nu niets anders meer op dan of de auto maar te laten voor wat hij was en verder met de ondergrondse te gaan of verder te gaan lopen. Geen van beide mogelijkheden waren erg aantrekkelijk. De ondergrondse zou stampvol zijn en lopen in deze hitte zou hem uitputten. En hij had het beetje energie dat hij nog had, hard nodig. Hij leefde op adrenaline en sigaretten en dat deed hij al veel te lang. Hij was zwak. Hij hoopte alleen, en dat was een ijdele hoop, dat de tegenstander zwakker zou zijn. Tegen het midden van de middag kwam hij bij het huis van Charmaine aan. Hij reed een blokje om en keek naar een plekje om te parkeren en uiteindelijk vond hij om de hoek een plaatsje. Zijn voeten wilden niet erg, de vernedering die in het vooruitzicht lag, was niet bijzonder aantrekkelijk. Maar Carys wachtte op hem. De voordeur stond een beetje open. Desondanks belde hij aan en wachtte op het trottoir, niet van zins om zomaar het huis binnen te wandelen. Misschien lagen ze boven in bed of stonden ze samen onder een koele douche. De hitte was nog steeds drukkend, ook al was het al laat in de middag.
Aan het eind van de straat kwam een ijskarretje te voorschijn dat begon te bellen en langs het trottoir stilstond om te wachten op klandizie. Marty keek er even naar. Er waren al twee klanten op het geluid afgekomen. Hij bleef er even naar kijken: eenvoudig geklede jongemannen die met hun rug naar hem toe stonden. De een had helder blond haar dat glansde in de zon. Er werd geld gewisseld. Tevreden liepen ze de hoek om zonder verder over hun schouder te kijken.
Omdat hij er genoeg van begon te krijgen dat er niet op zijn gebel gereageerd werd, duwde Marty de deur open. Hij knarste over de kokosmat waar een versleten Welkom op stond. Er viel een folder op de grond met de bovenkant naar beneden. Hij had half in de brievenbus gezeten en was nu losgeraakt. De klep van de brievenbus klepte met een scherp geluid dicht. 'Flynn? Charmaine?'
Zijn stem verscheurde de stilte. Hij weerklonk op de trap waar de stofjes in het licht dansten dat door het raampje op de kleine overloop scheen en hij galmde tot in de keuken waar de melk van gisteren op het aanrecht zuur stond te worden. 'Is er iemand thuis?'
Terwijl hij in de gang stond, hoorde hij een vlieg. Het beest cirkelde om zijn hoofd en hij sloeg hem weg. Niet in het minst onder de indruk vloog de vlieg de gang door naar de keuken, aangetrokken door het een of ander. Marty liep hem achterna en riep Charmaine.
Ze was in de keuken, samen met Flynn, en wachtte op hem. Van allebei was de keel doorgesneden.
Charmaine was tegen de wasmachine aangezakt. Ze zat met één been onder zich naar de muur tegenover zich voor zich uit te staren. Flynn was met zijn hoofd boven de gootsteen neergezet, alsof hij zich vooroverboog om zijn gezicht te wassen. De levensechte illusie was heel reëel, tot en met het spetterende geluid. Marty stond in de deuropening terwijl de vlieg, die niet zo kieskeurig was als hij, in extase steeds weer door de keuken zoemde. Marty staarde alleen maar. Er was niets meer aan te doen; hij kon alleen maar kijken. Ze waren dood. En Marty wist, zonder dat hij er veel moeite voor hoefde te doen om dat te bedenken, dat de moordenaars in het grijs gekleed gingen en net met een ijsje in hun hand de hoek om waren geslagen, op de maat lopend van een vrolijk dansend belletje van de ijscokar.
Ze hadden Marty de danser van Wandsworth genoemd, als iemand hem al iets had genoemd, omdat Strauss de koning van alle walsers was. Hij vroeg zich af of hij dat Charmaine ooit in een van zijn brieven had verteld? Waarschijnlijk niet en nu was het te laat. De tranen begonnen in zijn ogen te prikken. Hij vocht ertegen. Ze bedierven zijn uitzicht en hij was nog niet klaar met kijken.
De vlieg die hem hier had gebracht cirkelde weer vlak om zijn hoofd.
'De Europeaan,' mompelde hij tegen hem. 'Hij heeft ze gestuurd.'
De vlieg zigzagde opgewonden. 'Natuurlijk,' bromde hij.
'Ik zal hem vermoorden.'
De vlieg lachte. 'Je hebt geen idee wat hij eigenlijk is. Misschien is hij wel de duivel in eigen persoon.'
'Rotvlieg. Wat weet jij daar nou van?'
'Doe maar niet zo uit de hoogte,' antwoordde de vlieg. 'Je bent alleen maar een strontloper, net als ik.'
Hij keek hoe de vlieg rondzwierf en naar een plekje zocht om zijn vieze pootjes op neer te zetten. Hij landde uiteindelijk op Charmaines gezicht. Afschuwelijk dat ze niet met een traag gebaar haar hand optilde om hem weg te slaan, verschrikkelijk dat ze daar zo uitgespreid zat met een gebogen been en opengesneden hals en de vlieg over haar wang liet kruipen, naar haar oog en langs haar neus en weer naar beneden terwijl hij hier en daar nonchalant een hapje nam.
De vlieg had gelijk. Hij was onnozel. Als ze wilden overleven, moest hij eerst Mamoulians geheime leven ontrafelen, want die wetenschap was macht. Carys was al veel eerder verstandig geweest. Het had geen zin om je ogen te sluiten en je rug naar de Europeaan toe te keren. De enige manier om van hem bevrijd te worden, was hem te kennen, hem aan te kijken zolang je er de moed voor had en hem in ieder afschuwelijk facet te zien. Hij liet de geliefden achter in de keuken en ging op zoek naar de heroïne. Hij hoefde niet ver te zoeken. Het pakje zat in Flynns jasje dat nonchalant over de bank in de zitkamer gegooid lag. Marty stopte het spul in zijn zak en liep naar de voordeur. Hij was zich ervan bewust dat als hij dit huis uitliep en het open zonlicht in, dat gelijk zou staan met zich een aanklacht wegens moord op de hals te halen. Hij zou worden gezien en gemakkelijk herkend worden; de politie zou binnen een paar uur achter hem aan zitten. Maar er was niets aan te doen, ontvluchten via de achterdeur zou net zoveel achterdocht opwekken.
Hij bukte zich bij de deur en pakte de folder die door de brievenbus was gevallen. Er stond een glimlachend gezicht van een evangelist op, een zekere dominee Bliss met een microfoon in zijn handen en zijn ogen ten hemel gericht. 'Sluit u aan,' verkondigde een spandoek, 'en voel de macht van God in het Geheel. Hoor de woorden! Voel de geest!' Hij stopte het in zijn zak om er in de toekomst misschien houvast aan te hebben.
Op de terugweg naar Kilburn stond hij even stil bij een telefooncel en meldde de moorden. Toen ze hem vroegen wie hij was, vertelde hij hun dat hij er tijdens zijn voorwaardelijke invrijheidstelling ook nog eens vandoor was gegaan. Toen ze hem vertelden dat hij zich bij het dichtstbijzijnde politiebureau moest aangeven, zei hij dat hij dat zou doen, maar dat hij eerst nog wat persoonlijke zaken moest regelen.
Terwijl hij terugreed naar Kilburn door straten die nu na de mars afgeladen waren, gingen zijn gedachten in de richting van waar Whitehead zich nu wel zou kunnen bevinden. Waar de oude man ook was, Mamoulian zou er vroeg of laat ook komen opdagen. Hij kon natuurlijk proberen om Carys haar vader te laten zoeken. Maar hij had een andere vraag aan haar, een waar vrij veel overredingskracht voor nodig zou zijn. Hij zou de oude man wel op eigen houtje zoeken.
Pas toen hij terugreed en een richtingaanwijzer naar Holborn zag, herinnerde hij zich meneer Halifax en de aardbeien.
61
-
Marty rook Carys zodra hij de deur in kwam, maar een paar seconden dacht hij dat hij gebraden varkensvlees rook. Pas toen hij naar het bed liep, zag hij de brandwond op haar hand.
'Er is niets ergs gebeurd,' vertelde ze hem koeltjes.
'Hij is hier geweest.'
Ze knikte. 'Maar hij is weer weg.'
'Heeft hij geen boodschap achtergelaten?' vroeg hij met een scheve glimlach.
Ze kwam overeind. Er was iets helemaal fout met hem. Zijn stem klonk vreemd en zijn gezicht was asgrauw. Hij bleef op een afstandje van haar staan, alsof de minste of geringste aanraking hem in stukken zou breken. Terwijl ze hem aankeek, verdween haar dringende behoefte bijna, die haar nog steeds verteerde.
'Boodschap,' zei ze, 'voor jou?' Ze begreep het niet. 'Waarom? Wat is er gebeurd?'
'Ze waren dood.'
'Wie?'
'Flynn. Charmaine. Iemand heeft hun keel doorgesneden.' Hij was er kapot van. Dit moest het absolute dieptepunt zijn. Verder konden ze niet vallen.
'O Marty. ..'
'Hij wist dat ik naar mijn huis zou teruggaan,' zei hij. Ze zocht naar een beschuldigende klank in zijn stem, maar die was er niet. Niettemin verdedigde ze zich.
'Het kan niet door mij zijn. Ik weet niet eens waar je woont.'
'O, maar hij wel.'
'Waarom zou hij ze vermoorden? Ik zie niet in waarom?'
'Vergissing in identiteit.'
'Breer weet wie je bent.'
'Breer heeft het niet gedaan.'
'Heb je gezien wie het heeft gedaan?'
'Ik denk van wel. Twee jongelui,' hij viste de folder die hij achter de deur had gevonden uit zijn zak. Hij vermoedde dat de moordenaars die hadden bezorgd. Iets in hun eenvoudige pakken en die halo van blond haar wees op leurende evangelisten met schoon gewassen gezichten die zonder veel problemen moordzuchtig zouden kunnen zijn. Een dergelijke paradox zou echt iets voor de Europeaan zijn.
'Ze hebben een vergissing gemaakt,' zei hij en trok zijn jasje uit, waarna hij de knoopjes van zijn bezwete overhemd begon los te maken. 'Ze zijn gewoon het huis ingegaan en hebben de eerste man en vrouw vermoord die ze zagen. Alleen was ik dat niet, maar Flynn.' Hij trok zijn overhemd uit zijn broek en gooide het van zich af. 'Het is zo gemakkelijk, hè? Hij trekt zich niets aan van de wet, hij denkt dat hij daarboven staat.' Marty was zich sterk bewust van de ironie hiervan. Hij, de ex-misdadiger, de verachter van uniformen die zich aan de wet vastklampte. Het was geen prettige toevlucht, maar het was het beste dat hij op het ogenblik had. 'Wat is hij, Carys? Wat geeft hem de overtuiging dat hij immuun is?'
Ze staarde naar het gloedvolle gezicht van dominee Bliss. 'Doop in de naam van de Heilige Geest!' beloofde hij opgewekt.
'Wat doet het ertoe wat hij is,' zei ze.
'Anders is het voorbij.'
Ze gaf geen antwoord. Hij ging naar de wasbak en waste zijn gezicht en borst met koud water. Wat de Europeaan betrof waren ze net schapen in een kooi. Niet alleen in zijn kamer, maar in ieder vertrek. Waar ze zich ook zouden verstoppen, hij zou hun schuilplaats uiteindelijk vinden en komen, al zou er wel een beetje weerstand zijn. Vechten schapen eigenlijk voor hun executie, vroeg hij zich af. Dat had hij de vlieg moeten vragen. De vlieg zou het wel geweten hebben.
Hij draaide zich om van de wasbak terwijl het water van zijn kaken druppelde en keek naar Carys. Ze staarde naar de grond en krabde zichzelf.
'Ga naar hem toe,' zei hij zonder enige inleiding. Op de terugweg had hij op tientallen manieren geprobeerd dit gesprek op gang te brengen, maar waarom zou hij de pil vergulden?
Ze keek hem vaag aan. 'Wat zei je?'
'Ga naar hem toe, Carys. Ga in hem, op de manier zoals hij dat bij jou doet. Draai de procedure eens om.'
Ze lachte bijna, als een spottend antwoord op deze obsceniteit. 'In hem?' zei ze.
'Ja.'
'Je bent stapelgek.'
'We kunnen niet vechten tegen iets dat we niet kennen. En we kunnen het niet leren kennen als we niet kijken. Jij kunt dat, voor ons allebei.' Hij liep door de kamer naar haar toe, maar ze boog haar hoofd weer. 'Zoek uit wat hij is. Zoek een zwakte, een spoor van zwakte, alles wat ons kan helpen te overleven.'
'Nee.'
'Als je dat niet doet, dan zal hij, wat we ook proberen, waar we ook proberen naar toe te gaan, er ook zijn, hij of een van zijn afgezanten en hij zal onze keel doorsnijden zoals hij dat bij Flynn heeft gedaan. En jij? Ik denk dat de hemel mag weten dat je zou wensen dat je gestorven was op de manier waarop ik was gegaan.' Hij zei het haar keihard en hij voelde zich een rotzak, maar hij wist hoe fanatiek ze zich zou verzetten. Als overdonderen niet hielp, had hij altijd de heroïne nog. Hij ging op zijn hurken voor haar zitten en keek haar aan.
'Denk er eens over, Carys. Geef het idee een kans.'
Haar gezicht verhardde zich. 'Je hebt zijn kamer gezien,' zei ze. 'Ik zal het gevoel hebben dat ik mezelf in een gekkenhuis opsluit.'
'Hij zou het niet weten,' zei hij. 'Hij zou er niet op voorbereid zijn.'
'Ik wil het er niet meer over hebben. Geef me het spul, Marty.' Hij stond met een neutraal gezicht op. Laat me niet wreed moeten worden, dacht hij.
'Je wil dat ik opschiet en dan afwachten, hè?'
'Ja,' zei ze zwakjes. Toen sterker: 'Ja.'
'Denk je niet dat je meer waard bent?' Ze gaf geen antwoord. Het was onmogelijk om haar gedachten te lezen. 'Als je dat dacht, waarom heb je jezelf dan verbrand?'
'Ik wilde niet gaan. Niet zonder. . . zonder jou weer gezien te hebben. Bij jou te zijn.' Ze trilde. 'We kunnen niet winnen,' zei ze.
'Als we niet kunnen winnen, wat hebben we dan te verliezen?'
'Ik ben moe,' antwoordde ze en schudde haar hoofd. 'Geef me het spul. Misschien morgen, als ik me beter voel.' Ze keek hem aan; haar ogen glansden achter in haar oogkassen. 'Geef me het spul nou maar.'
'Dan kun je het allemaal vergeten, hè?'
'Marty, doe dat niet. Het bederft. ..' Ze hield op.
'Bederft wat? Onze laatste paar uur bij elkaar?'
'Ik heb drugs nodig, Marty.'
'Dat is gemakkelijk. En je laat mij maar barsten.' Plotseling had hij het gevoel dat dit heel erg waar was, dat ze niet geïnteresseerd was in hoezeer hij leed en er ook nooit veel interesse in had gehad. Hij was in haar leven gekomen en nu, nu hij haar de drugs had gebracht, kon hij weer gaan en haar aan haar dromen overlaten. Hij had haar willen slaan. Hij draaide zich om voor hij het zou doen.
Achter hem zei ze: 'We zouden drugs kunnen nemen... jij ook, Marty, waarom niet? Dan zouden we bij elkaar zijn.'
Hij zweeg lange tijd. Tenslotte zei hij: 'Geen drugs.'
'Marty?'
'Geen drugs voor je naar hem toe gaat.'
Het duurde een paar seconden voor zijn chantage goed tot Carys was doorgedrongen. Had ze niet lang geleden gezegd dat hij haar teleurstelde omdat ze een bruut had verwacht? Ze had te vroeg gejuicht.
'Hij zou het weten,' fluisterde ze. 'Hij zou het weten vanaf het ogenblik dat ik bij hem in de buurt ben.'
'Doe het voorzichtig. Dat kun je, je weet dat je het kunt. Je bent knap. Je bent vaak genoeg in mijn hoofd gekropen.'
'Ik kan het niet,' protesteerde ze. Wist hij niet wat hij van haar vroeg?
Hij trok een gezicht, zuchtte en liep naar zijn jasje dat nog op de grond lag. Hij rommelde wat in de zakken tot hij de heroïne had gevonden. Het was een belachelijk klein pakje en als hij Flynn kende, was het spul versneden. Maar dat was haar zaak, niet de zijne. Ze staarde met onafgewende ogen naar het pakje. 'Het is van jou,' zei hij en gooide het naar haar toe. Het kwam naast haar op het bed terecht. 'Ga je gang.' Ze staarde nog steeds, nu naar zijn lege hand. Hij verbrak die blik door zijn vuile hemd op te pakken en het weer aan te trekken.
'Waar ga je naar toe?'
'Ik heb gezien hoe je high werd van dat spul. Ik heb de flauwekul gehoord die je dan uitslaat. Zo wil ik me je niet herinneren.'
'Ik moet het hebben.'
Ze haatte hem; ze keek hoe hij daar in de late namiddagzon stond met zijn naakte borst en buik en haatte iedere vezel van hem. Ze kon de chantage begrijpen. Het was grof, maar begrijpelijk. Dit alleen laten was veel erger.
'Zelfs als ik zou doen wat jij zegt.. .' begon ze, de gedachte joeg haar schrik aan, . .dan zou ik niets vinden.'
Hij haalde zijn schouders op. 'Luister, het spul is van jou,' zei hij. 'Je hebt wat je wilt.'
'En wat moet jij dan? Wat wil je?'
'Ik wil leven. En ik denk dat dit onze enige kans is.' Zelfs dan was het nog maar een klein kansje, een heel klein spleetje waar ze doorheen zouden kunnen glippen. En dan nog alleen als het lot hun gunstig gezind was.
Ze overdacht de mogelijkheden. Ze wist niet waarom ze er zelfs maar een gedachte aan verspilde. Normaal gesproken zou ze gezegd hebben: Uit liefde. Tenslotte zei ze: 'Je krijgt je zin.'
-
Hij ging zitten en keek hoe ze zich op de reis voorbereidde. Ze begon met zich te wassen. Niet alleen haar gezicht, maar terwijl ze op een uitgespreide handdoek voor het wastafeltje in de hoek van de kamer stond, waste ze haar hele lichaam met warm water uit de geiser. Hij kreeg een erectie terwijl hij naar haar keek en hij schaamde zich dat hij aan seks dacht terwijl er zoveel op het spel stond. Maar dat was gewoon puriteins geklets; hij voelde wat hij dacht dat juist was. Dat had ze hem geleerd. Toen ze klaar was, trok ze haar ondergoed weer aan en een T-shirt. Het was hetzelfde dat ze had gedragen toen hij in Caliban Street was geweest, zag hij: eenvoudige kleding. Ze ging op een stoel zitten. Ze had kippevel. Hij wilde dat ze hem vergaf, dat ze hem vertelde dat zijn manipulatie juist was en - wat er van nu af aan ook zou gebeuren - dat ze begreep dat hij er het beste mee had voor gehad. Maar ze zei niets van dat alles. Het enige wat ze zei, was: 'Ik denk dat ik klaar ben.'
'Wat kan ik doen?'
'Heel weinig,' antwoordde ze. 'Maar wees hier, Marty.'
'En als... tja... als er iets fout lijkt? Kan ik je dan helpen?'
'Nee,' antwoordde ze.
'Wanneer weet ik dat je er bent?' vroeg hij.
Ze keek hem aan alsof het een idiote vraag was en zei: 'Dat merk je vanzelf.'
62
-
Het was niet moeilijk om de Europeaan te vinden; haar geest ging met een schrikbarende snelheid naar hem toe, alsof ze in de armen van een lang verloren bondgenoot viel. Ze kon de aantrekkingskracht duidelijk voelen, hoewel het geen bewust magnetisme was, dacht ze. Toen haar gedachten in Caliban Street arriveerden en de kamer boven aan de trap binnenkwamen, werd haar achterdocht over zijn passiviteit bevestigd. Hij lag op de kale planken van de kamer in een houding van absolute uitputting. Misschien kan ik hettoch, dacht ze. Toen kroop ze als een plagende maîtresse naast hem en glipte bij hem naar binnen. Ze mompelde iets.
Marty kromp in elkaar. Er waren bewegingen in haar keel die zo dun was dat hij het gevoel had dat hij bijna kon zien hoe de woorden erin gevormd werden. Praat tegen me, probeerde hij haar zijn wil op te leggen. Zeg dat alles in orde is. Haar lichaam stond strak gespannen. Hij raakte haar aan. Haar spieren leken wel van steen.
'Carys?'
Ze mompelde weer, haar keel ging op en neer, maar er kwamen geen woorden en ze ademde nauwelijks. 'Kun je me horen?'
Als ze dat al kon, liet ze het niet merken. De seconden werden minuten en ze bleef als een muur; zijn vragen sloegen op haar kapot en het bleef stil.
Toen zei ze: 'Ik ben er.' Haar stem klonk krachteloos, net als het geluid op een vreemd station dat je op de radio tegenkwam, woorden van een niet nader te definiëren plek.
'Bij hem?' vroeg hij.
'Ja.'
Nu geen uitvluchten, zei hij bij zichzelf. Ze was naar de Europeaan gegaan, zoals hij had gevraagd. Nu moest hij zo efficiënt mogelijk gebruik van haar moed maken en haar terugroepen voor er iets fout ging. Hij stelde de moeilijkste vraag en de vraag waarop hij het hardst een antwoord nodig had het eerst: 'Wat is hij, Carys?'
'Ik weet het niet,' zei ze.
Het puntje van haar tong schoot naar buiten om een laagje speeksel over haar lippen te laten glijden. 'Zo donker,' mompelde ze.
Het was donker in hem, dezelfde tastbare duisternis als in de kamer in Caliban Street. Maar voorlopig waren de schaduwen nog passief. De Europeaan verwachtte hier geen indringers. Hij had geen afschrikwekkende wachters bij de poorten van zijn hersens neergezet. Er schoten lichtflitsen naar de randen van het gezichtsvermogen van haar gedachten, net als de kleurtjes die je zag als je in je ogen wreef, alleen feller en korter. Ze kwamen en gingen zo snel dat ze niet zeker was of ze iets kon zien van wat er verlicht werd. Maar terwijl ze voortging en de uitbarstingen vaker kwamen, begon ze patronen te zien: komma's, roosters, tralies, punten, spiralen.
Martys stem interrumpeerde het visioen, een stomme vraag waar ze nu geen tijd voor had. Ze negeerde het. Laat hem maar wachten. De lichten werden ingewikkelder; de patronen oefenden een wisselwerking op elkaar uit, kregen meer diepte en gewicht. Nu leek het of ze tunnels zag en vallende blokken, zeeën van rollend licht, spleten die open- en weer dichtgingen, regens van wit lawaai. Ze was diep onder de indruk van de manier waarop het groeide en zich vermenigvuldigde; de wereld van zijn gedachten verscheen in een flikkerende hemel. Het was boven haar en viel in een douche over haar heen en rondom haar. Grote blokken van elkaar kruisende geometrieën donderden naar beneden en bleven een paar centimeters boven haar hoofd hangen, als kleine maantjes. En net zo plotseling was het weer weg. Alles. De duisternis kwam weer net zo meedogenloos als altijd aan alle kanten opzetten. Even had ze het gevoel te stikken; ze snakte naar adem en raakte in paniek.
'Carys?'
'Alles is in orde,' fluisterde ze naar de vrager in de verte. Hij was een wereld bij haar vandaan, maar hij gaf om haar, of zoiets stond haar vaag bij.
'Waar ben je?' wilde hij weten.
Ze had er geen idee van, dus schudde ze haar hoofd. Welke kant zou ze opgaan, zou het er iets toe doen? Ze stond in de duisternis te wachten en maakte zichzelf klaar voor wat er nu zou gebeuren. Plotseling verschenen de flitsen weer aan de horizon. Dit keer, tijdens de tweede opvoering, hadden de patronen vorm gekregen. In plaats van spiralen zag ze stijgende, brandende rookkolommen. In plaats van zeeën een landschap met onderbroken zonneschijn die de heuvels in de verte bescheen. Vogels stegen met brandende vleugels op en veranderden dan in boekbladzijden, omhoog fladderend uit vuurzeeën die zelfs nu nog overal opgloeiden.
'Waar ben je?' vroeg hij haar weer. Terwijl ze dit alles in zich opnam, vlogen haar ogen heen en weer achter haar gesloten oogleden. Hij kon niets met haar delen behalve via woorden en ze was stom van bewondering of angst, hij wist niet wat. Er was hier ook geluid, maar niet veel. Het uitspringende gedeelte waar ze op liep, had te veel geleden om te schreeuwen. Het leven was er bijna uit. Er lagen lijken aan haar voeten, zo verminkt dat het leek of ze uit de lucht gevallen waren. Wapens, paarden, wielen. Ze zag het allemaal alsof het een show van schitterend vuurwerk was. Ze kon er telkens maar een glimp van opvangen. In de seconde duisternis tussen de ene lichtflits en de volgende veranderde het hele beeld. Het ene moment bevond ze zich op een weg met een naakt meisje dat huilend op haar afkwam. Het volgende stond ze op een heuvel door de rook heen neer te kijken op een met de grond gelijkgemaakte vallei. Het ene moment was er een zilveren berkeboom, dan was er weer niets. Dan weer een ruïne met een onthoofde man aan haar voeten, dan was het weer weg. Maar de branden waren altijd ergens in de buurt; het vuil en het geschreeuw verontreinigden de lucht en er was een gevoel van onverbiddelijke vervolging. Ze voelde dat het voor eeuwig kon doorgaan, deze wisselende beelden voor haar, het ene moment een landschap, het volgende iets walgelijks, zonder dat zij tijd zou hebben de onvergelijkbare beelden te laten correleren. Toen, net zo abrupt als de eerste beelden waren verdwenen, waren de branden afgelopen en de duisternis was weer om haar heen.
'Waar?'
Martys stem had haar gevonden. Hij klonk zo geagiteerd in zijn verwarring dat ze hem maar antwoord gaf. 'Ik ben bijna dood,' zei ze heel kalm.
'Carys?' Hij was dodelijk benauwd dat het noemen van haar naam Mamoulian zou wekken, maar hij moest weten of ze namens zichzelf sprak of namens hem.
'Niet Carys,' antwoordde ze. Haar mond leek zijn volheid verloren te hebben; de lippen werden dunner. Het was Mamoulians mond, niet de hare.
Ze tilde haar hand een beetje omhoog, alsof ze haar gezicht wilde aanraken.
'Bijna dood,' zei ze weer. 'Het gevecht verloren, weet je. De hele verdomde oorlog verloren...'
'Welke oorlog?'
'Van het begin af aan verloren. Niet dat het iets geeft. Ik vind wel een andere oorlog. Er is er altijd wel een ergens.'
'Wie ben je?'
Ze fronste. 'Wat kan jou dat schelen?' snauwde ze tegen hem.
'Dat gaat je niets aan.'
'Het doet er niet toe,' zei Marty. Hij was bang dat hij te ver ging in zijn ondervraging. Maar zijn vraag werd het volgende ogenblik al beantwoord.
'Ik heet Mamoulian. Ik ben sergeant bij de derde Fuseliers. Correctie: was een sergeant.'
'Nu niet meer?'
'Nee, nu niet meer. Ik ben nu niemand. Het is veiliger om niemand te zijn tegenwoordig, dacht je niet?' Het gesprek werd op een griezelige conversatietoon gehouden, alsof de Europeaan precies wist wat er aan de hand was en had verkozen om via Carys met Marty te praten. Weer een ander spelletje?
'Als ik denk aan de dingen die ik heb gedaan om geen moeilijkheden te krijgen,' zei hij. 'Ik ben zo'n lafaard, weet je. Dat ben ik altijd geweest. Ik haat bloed.' Hij begon in haar te lachen. Een stevige, onvrouwelijke lach.
'Je bent dus gewoon een man?' zei Marty. Hij kon nauwelijks geloven wat hem werd verteld. Er school geen duivel in de hersenen van de Europeaan, hij was gewoon een knettergekke sergeant die verloren op een of andere gevechtsgrond rondzwierf. 'Gewoon een man?' zei hij weer.
'Wat wil je dan dat ik ben?' antwoordde de sergeant snel, 'ik doe wat je wilt. Alles wat me uit deze rotzooi haalt, is goed.'
'Tegen wie denk je dat je praat?'
De sergeant fronste zijn wenkbrauwen op Carys gezicht terwijl hij zich dit afvroeg.
'Ik ben gek aan het worden,' zei hij somber. 'Ik praat al dagen van tijd tot tijd tegen mezelf. Er is niemand meer over, weet je dat? Het hele derde is uitgeroeid. En het vierde. En het vijfde. Allemaal naar de hel.' Hij hield op en trok een zuur gezicht. 'Ik kan verdomme met niemand kaartspelen. Met doden kun je niet spelen, hè? Ze hebben niets meer wat ik wil hebben. ..' de stem stierf weg.
'De hoeveelste is het vandaag?'
'Ergens in oktober, denk ik?' kwam de sergeant terug. 'Ik ben alle gevoel voor tijd kwijt. Maar het is 's nachts verdomd koud, laat ik je dat vertellen. Ja, het moet oktober zijn. Er zat gisteren sneeuw in de lucht. Of was dat eergisteren?'
'Welk jaar is het?'
De sergeant lachte. 'Zo gek ben ik nog niet,' zei hij. 'Het is 1811. Ja. Op de negende november word ik tweeëndertig. En ik zie er geen dag ouder uit dan veertig.'
1811. Als de sergeant eerlijk antwoord gaf, was Mamoulian twee eeuwen oud.
'Weet je het zeker?' vroeg Marty. 'Het jaar 1811, weet je dat zeker?'
'Hou je mond!' was het antwoord.
'Wat?'
'Moeilijkheden.' Carys had haar armen over haar borst gelegd. Ze voelde zich omringd, maar ze wist niet waardoor. De open weg waar ze op had gestaan was plotseling verdwenen en nu had ze het gevoel dat ze in de duisternis lag. Het was hier warmer dan op de weg, maar het was geen prettige warmte. Hij rook smerig. Ze spuwde, niet één keer, maar een paar keer om haar mond schoon te krijgen van de rommel. Waar was ze in godsnaam? Vlak bij kon ze naderende paarden horen. Het geluid klonk gedempt, maar ze raakte ervan in paniek, of liever gezegd, de man die ze bezette. Rechts naast haar kreunde iemand.
'Sst...' siste ze. Hoorde de kreuner de paarden dan niet? Ze zouden ontdekt worden en ook al wist ze niet waarom, ze wist zeker dat ontdekking fataal zou zijn.
'Wat gebeurt er?' vroeg Marty.
Ze durfde geen antwoord te geven. De mannen te paard waren te dichtbij om nog een woord te durven zeggen. Ze kon ze horen afstappen en haar schuilplaats horen naderen. Ze herhaalde stilletjes een gebed. De rijders liepen nu te praten; ze vermoedde dat het soldaten waren. Er was onenigheid tussen hen ontstaan over wie van hen een vervelende taak op zich zou nemen. Misschien zouden ze hun speurtocht opgeven voor ze begonnen, bad ze. Maar nee. De discussie was voorbij en ze mopperden en klaagden toen verschillenden van hen aan het werk gingen. Ze hoorde hen zakken verschuiven en neersmijten. Tien, twintig; er sijpelde licht door in haar schuilplaats en ze durfde nauwelijks adem te halen. Er werden nog meer zakken weggehaald en er viel nog meer licht op haar. Ze deed haar ogen open en eindelijk ontdekte ze wat voor schuilplaats het was die de sergeant had gevonden.
'Grote god,' zei ze.
Ze had niet onder zakken gelegen, maar onder lijken. Hij had zichzelf verstopt onder een stapel lijken. De hitte van hun verrotting had haar laten zweten. Nu werd de hoop door de mannen te paard uit elkaar gehaald. Ze doorboorden alle lichamen wanneer ze van de hoop werden gehaald om de doden van de levenden te kunnen onderscheiden. De weinigen die nog ademhaalden, werden aan een officier getoond. Hij vond dat ze zonder uitzondering allemaal al te ver heen waren en ze kregen snel de genadeslag. Voor hij door een bajonet doorboord kon worden, rolde de sergeant opzij en kwam overeind.
'Ik geef me over,' zei hij. Ze prikten hem toch nog door zijn schouder. Hij schreeuwde. Carys ook.
Marty raakte haar aan; haar gezicht was in elkaar gekrompen van pijn, maar hij besloot er niet tussen te komen, dat zou meer kwaad dan goed doen.
'Nou, nou,' zei de officier hoog te paard. 'Je ziet er niet erg dood uit, vind ik.'
'Ik oefende vast,' antwoordde de sergeant. Zijn grapje kostte hem een tweede steek. Te oordelen naar de blikken van de mannen om hem heen mocht hij blij zijn dat ze hem niet vilden. Ze hadden wel zin in een verzetje.
'Je gaat niet dood,' zei de officier en klopte zijn paard op de glanzende nek. De aanwezigheid van al die rotting maakte het edele dier nerveus. 'We willen eerst wat antwoorden van je hebben, dan krijg je je plekje bij de rest.'
Achter het van pluimen voorziene hoofd van de officier was de hemel donkerder geworden. Zelfs toen hij sprak, begon het beeld losser te worden, alsof Mamoulian was vergeten hoe het ook weer verder was gegaan.
Carys ogen begonnen onder haar oogleden heen en weer te gaan. Een nieuwe vlaag van impressies overweldigde haar, elk ogenblik precies uitgetekend, maar het kwam te snel voor haar om het te kunnen begrijpen.
'Carys? Is alles nog goed?'
'Ja, ja,' zei ze buiten adem. 'Alleen ogenblikken ... levende ogenblikken.' Ze zag een kamer, een stoel. Voelde een kus, een slag. Pijn, opluchting, weer pijn. Vragen, gelach. Ze wist het niet zeker, maar ze vermoedde dat de sergeant de vijand onder druk vertelde wat die wilde weten en meer. Dagen gingen in een hartslag voorbij. Ze liet ze door haar vingers glijden en voelde dat het dromende hoofd van de Europeaan met stijgende snelheid naar een kritische gebeurtenis snelde. Het was maar het beste om hem de weg te laten leiden; hij wist de betekenis van deze afdaling beter dan zij.
De reis eindigde verrassend plotseling.
Boven haar opende zich een hemel die de kleur had van koud ijzer. Er viel sneeuw uit, een trage val van ganzedons dat haar botten pijn deed in plaats van haar warm te maken. In de kleine zitslaapkamer waar Marty met zijn naakte borst zat te transpireren, begon Carys te klappertanden.
Degenen die de sergeant gevangen hadden genomen, waren blijkbaar klaar met hun ondervraging. Ze brachten hem en vijf andere haveloze gevangenen naar een kleine vierkante binnenplaats. Hij keek om zich heen. Dit was een klooster, of dat was het geweest tot het bezet was. Een paar monniken stonden in de schaduw van de kloostergang en keken met een filosofische blik naar de gebeurtenissen die zich in de tuin afspeelden.
De zes gevangenen wachtten in een rij terwijl de sneeuw viel. Ze waren niet vastgebonden. Ze konden nergens heen. De sergeant aan het eind van de rij kauwde op zijn nagels en probeerde zijn gedachten luchtig te houden. Ze houden hier sterven, dat was een onontkoombaar feit. Ze waren niet de eersten die die middag geëxecuteerd werden. Langs de muur lagen vijf dode mannen netjes naast elkaar om geïnspecteerd te worden. Hun afgehakte hoofden waren als uiterst blijk van smaad op hun lendenen geplaatst. Ze staarden met open ogen naar de vallende sneeuw op de ramen en naar de enige boom die op het stukje grond tussen de stenen was geplant. Alsof ze nog geschrokken waren van de slag. 's Zomers zou er zeker fruit aan deze boom hangen en vogels zouden er als idioten in zitten zingen. Nu was hij kaal.
'Ze gaan ons vermoorden,' zei hij onverschillig. Het was allemaal erg informeel. De officier die de leiding had, stond met een bontmantel om zijn schouders, zijn handen boven een brandende stoof en zijn rug naar de gevangenen. De beul stond bij hem; zijn bloedige zwaard lag zwierig op zijn schouder. Hij was een zware, logge man die lachte om een grapje dat de officier maakte en een kop warme koffie naar binnen sloeg voor hij verder ging met zijn werk. Carys glimlachte.
'Wat gebeurt er nu?'
Ze zei niets; haar ogen waren op de man gevestigd die hen ging vermoorden. Ze bleef glimlachen.
'Carys, wat gebeurt er?'
De soldaten duwden hen naar de plek in het midden van het plein. Carys had haar hoofd gebogen om haar nek te ontbloten. 'We gaan dood,' fluisterde ze tegen haar vertrouweling op afstand. Aan het eind van de lijn zwaaide de beul zijn zwaard omhoog en sloeg het met een professionele slag naar beneden. Het hoofd van de gevangene leek van zijn nek te springen, voortgestuwd door een fontein van bloed. Het vormde een schril contrast met de grijze muren en de witte sneeuw. Het hoofd rolde met het gezicht naar voren een eindje weg en lag toen stil. Het lichaam zakte op de grond in elkaar. Vanuit zijn ooghoek zag Mamoulian de handelingen en probeerde op te houden met klappertanden. Hij was niet bang en wilde ook niet denken dat hij dat wel was. De volgende man in de rij begon te schreeuwen. Twee soldaten kwamen op het geblafte bevel van de officier naar voren en grepen de man. Plotseling, na een stilte waarin je de sneeuw op de grond kon horen vallen, brak de rij los in smeekbedes en gebeden; de angst van de man had een sluis geopend. De sergeant zei niets. Ze mochten van geluk spreken om op die manier te mogen sterven, dacht hij. Het zwaard was voor officieren en aristocraten. Maar de boom was nog niet hoog genoeg om een man aan op te hangen. Hij zag het zwaard een tweede keer vallen en vroeg zich af waarom de tong na de dood nog steeds bewoog terwijl hij in het weglekkende gehemelte van het hoofd van de dode man zat.
'Ik ben niet bang,' zei hij. 'Waarom zou ik bang zijn? Je kunt het niet kopen of verkopen, je kunt het niet liefhebben. Je kunt het zelfs niet dragen als ze je overhemd uittrekken en je het koud hebt.'
Het hoofd van de derde gevangene rolde nu over de sneeuw en toen de vierde. Een soldaat lachte. Van het bloed kwam stoom af. De vleesachtige geur was smakelijk voor een man die een week lang niets te eten had gehad.
'Ik verlies niets,' zei hij in plaats van een gebed. 'Ik heb een nutteloos leven gehad. Als dit het eind is, wat doet dat er dan toe?' De gevangene naast hem was jong, hooguit vijftien. Een tamboer, dacht de sergeant. Hij huilde zachtjes.
'Moet je kijken,' zei Mamoulian. 'Als dat geen desertie is, weet ik het niet meer.'
Hij knikte naar de vormeloze lijken die al door hun diverse parasieten verlaten waren. Vlooien en neten die begrepen dat hun gastheer er niet meer was, kropen en sprongen van de hoofden en lichamen en haastten zich een nieuw huis te vinden voor de kou hen te veel werd.
De jongen keek en glimlachte. Het schouwspel leidde hem af op het moment dat de beul zich schrap zette en de dodende slag toebracht. Het hoofd sprong weg en de warmte sloeg op de borst van de sergeant.
Mamoulian keek passief naar de beul. Hij was een beetje met bloed bespat, maar verder was er niets aan hem te zien. Hij had een onnozel gezicht met een armoedig baardje dat nodig bijgeknipt moest worden en ronde, vochtige ogen. Moet ik door hem vermoord worden? dacht de sergeant. Nou ja, ik schaam me niet. Hij spreidde beide armen uit, het algemene gebaar van overgave, en boog zijn hoofd. Iemand trok aan zijn overhemd om zijn nek te ontbloten.
Hij wachtte. Er klonk een schot in zijn hoofd. Hij deed zijn ogen open en verwachtte de sneeuw te zien naderen wanneer zijn hoofd van zijn nek sprong, maar nee. Midden op het plein was een van de soldaten op zijn knieën gevallen; zijn borst was kapotgeschoten door een schot uit een van de ramen uit de bovenste kloostergangen. Mamoulian keek om. Soldaten zwermden van alle kanten uit en er vlogen schoten door de sneeuw. De officier die de leiding had, viel gewond en onhandig tegen de stoof aan en zijn bontmantel vloog in brand. Twee soldaten werden onder de boom neergeschoten en gleden als geliefden neer onder de takken.
'Wegwezen,' fluisterde Carys met zijn stem. 'Snel. Wegwezen.' Hij kroop met de sluipgang van een kat over de bevroren stenen terwijl de partijen boven zijn hoofd vochten; hij durfde nauwelijks te geloven dat hij gespaard was gebleven. Niemand lette op hem. Ongewapend en broodmager vormde hij geen enkel gevaar. Eenmaal weg en in de bescherming van het klooster herademde hij. Er begon rook door de ijzige gangen te drijven. Het was onvermijdelijk dat het gebouw van de een of andere kant in brand werd gestoken, misschien wel van beide kanten. Het waren idioten; hij was op geen van beide kanten gesteld. Hij begon uit het doolhof van het gebouw te lopen in de hoop dat hij de uitgang zou vinden zonder nog verloren fuseliers tegen te komen. In een gang, ver van de schermutselingen, hoorde hij voetstappen. Het waren sandalen, geen laarzen, en ze kwamen achter hem aan. Hij draaide zich om naar zijn achtervolger. Het was een monnik met de tanige trekken van een asceet. Hij pakte de sergeant bij de versleten kraag van zijn hemd.
'Je bent een geschenk van God,' zei hij. Hij was buiten adem, maar zijn greep was stevig.
'Laat me met rust. Ik wil eruit.'
'Het vechten verspreidt zich door het gebouw; het is nergens veilig.'
'Ik neem het risico,' grijnsde de sergeant.
'Je bent gekozen, soldaat,' antwoordde de monnik, hem nog steeds vasthoudend. 'Het lot heeft zich erin gemengd. De onschuldige jongen naast je is gestorven, maar jij hebt het overleefd. Begrijp je dat niet? Vraag je eens af waarom.'
Hij probeerde de pater opzij te duwen; de geur van verbolgenheid en oud zweet was afschuwelijk. Maar de man hield hem vast en sprak snel: 'Er zijn geheime tunnels achter de cellen. We kunnen wegglippen zonder vermoord te worden.'
'Ja?'
'Zeker. Als je me wilt helpen.'
'Hoe?'
'Ik heb geschriften die in veiligheid gebracht moeten worden, een levenswerk. Ik heb jouw kracht nodig, soldaat. Maak je niet druk, je krijgt iets in ruil.'
'Wat heb jij dat ik zou willen hebben?' vroeg de sergeant. Wat kon deze wild kijkende geselmonnik nu bezitten?
'Ik heb een volgeling nodig,' zei de monnik. 'Iemand die ik mijn kennis overdraag.'
'Spaar me je spirituele raad.'
'Ik kan je zoveel leren. Hoe je het eeuwige leven kunt verkrijgen, als je dat wilt.' Mamoulian begon hard te lachen, maar de monnik ging door met zijn dromerige gepraat. 'Hoe het leven van andere mensen te nemen en het zelf te hebben. Of, als je dat wilt, het aan de doden te geven om weer op te staan.'
'Schei uit.'
'Het is een oude wijsheid,' zei de monnik. 'Maar ik heb het weer gevonden en in duidelijk Grieks opgeschreven. Geheimen die al oud waren toen de heuvels in de wereld nog jong waren. Dat soort geheimen.'
'Als je dat allemaal kunt, waarom ben je dan niet de tsaar aller Russen?' antwoordde Mamoulian.
De man liet zijn hemd los en keek de soldaat met een onvoorstelbare minachting aan. 'Welke man,' zei hij langzaam, 'welke man met werkelijke ambitie zou alleen maar tsaar willen zijn?' Dat antwoord veegde de glimlach van de soldaat weg. Vreemde woorden die hij, als het hem gevraagd zou worden, moeilijk zou kunnen uitleggen. Maar de belofte die erin lag, begreep hij, ondanks zijn verwarring. Tja, dacht hij, misschien is dit de manier waarop wijsheid komt. En tenslotte is het zwaard niet op me gevallen.
'Wijs me de weg,' zei hij.
Carys glimlachte een stralend glimlachje. Plotseling was de winter weg. Overal was het lente en de grond was weer groen, vooral over de begraafplaatsen.
'Waar ga je naar toe?' vroeg Marty. Het was duidelijk op te maken uit haar gelukkige uitdrukking dat de omstandigheden waren veranderd. Een paar minuten lang had ze aanwijzingen uit het leven dat ze in het hoofd van de Europeaan deelde, eruit gegooid. Marty had het nauwelijks allemaal kunnen volgen. Hij hoopte dat hij de details naderhand beter zou begrijpen. Wat een land was dit, wat een oorlog.
Plotseling zei ze: 'Ik ben klaar.' Haar stem klonk luchtig, bijna speels.
'Carys?'
'Wie is Carys? Nooit van gehoord. Vermoedelijk dood. Ze zijn allemaal dood, behalve ik.'
'Waar ben je mee klaar?'
'Met leren natuurlijk. Alles wat hij me kan leren. En het was waar. Alles wat hij beloofde, was waar. Oude wijsheid.'
'Wat heb je geleerd?'
Ze hief haar hand op, de verbrande hand, en spreidde haar vingers. 'Ik kan leven stelen,' zei ze. 'Het is gemakkelijk. Je moet gewoon een plek vinden en drinken. Gemakkelijk te nemen en gemakkelijk te geven.'
'Geven?'
'Voor een tijdje. Voor zolang ik dat nodig vind.' Ze wees naar hem: God tot Adam. 'Laat er leven zijn.'
Hij begon weer in haar te lachen.
'En de monnik?'
'Wat bedoel je?'
'Is hij nog bij je?'
De sergeant schudde Carys' hoofd.
'Ik heb hem vermoord toen hij me alles had geleerd wat hij wist.' Haar handen gingen omhoog en wurgden lucht. 'Ik heb hem op een avond gewoon in zijn slaap gewurgd. Hij werd natuurlijk wakker toen hij mijn greep om zijn keel voelde. Maar hij verzette zich niet, hij deed niet de minste poging om zichzelf te redden.' De sergeant keek kwaadaardig toen hij de daad beschreef. 'Hij liet zich gewoon vermoorden. Ik kon het nauwelijks geloven. Ik had dit weken lopen voorbereiden, doodsbenauwd dat hij mijn gedachten zou lezen, en het ging zo gemakkelijk dat ik in extase raakte...' De blik verdween plotseling. 'Dom,' mompelde ze achter in haar keel. 'Zo ontzettend dom.'
'Waarom?'
'Ik zag de val niet die hij had uitgezet. Ik had niet door hoe hij dit de hele tijd gepland had, me als een zoon had grootgebracht wetend dat wanneer de tijd rijp was, ik zijn beul zou zijn. Ik heb me nooit gerealiseerd, niet één keer, dat ik gewoon zijn gereedschap was. Hij wilde dood. Hij wilde zijn wijsheid' - het woord werd spottend uitgesproken - 'aan mij doorgeven en daarna moest ik er een eind aan maken.'
'Waarom wilde hij sterven?'
'Zie je dan niet hoe verschrikkelijk het is om te leven als alles om je heen doodgaat? En hoe meer jaren er voorbijgaan, hoe meer de gedachte aan de dood je schrik aanjaagt omdat hoe langer je het ontwijkt, hoe erger je denkt dat het zal zijn. En je begint te verlangen, o je verlangt zó naar iemand die medelijden met je krijgt, iemand die je omhelst en je angsten deelt. En tenslotte naar iemand die samen met jou de duisternis tegemoet gaat.'
'En daar heb je Whitehead voor gekozen,' zei Marty bijna fluisterend, 'op dezelfde manier als jij door het lot gekozen werd.'
'Alles gaat via het lot, en dus is er niets,' verkondigde de slapende man; toen lachte hij weer bitter in zichzelf. 'Ja, ik heb hem na een spelletje kaart gekozen. En toen heb ik een overeenkomst met hem gesloten.'
'Maar hij heeft je beduveld.'
Carys knikte heel langzaam; haar hand beschreef een cirkel in de lucht.
'Rond en rond,' zei ze. 'Rond en rond.'
'Wat ga je nu doen?'
'De pelgrim zoeken. Ik zal hem vinden, waar hij ook is! En ik neem hem mee. Ik zweer je dat ik hem niet meer zal laten ontvluchten. Ik neem hem mee en ik zal het hem laten zien.'
'Wat laten zien?'
Er kwam geen antwoord. In plaats daarvan zuchtte ze, rekte zich een beetje uit en bewoog haar hoofd van links naar rechts en weer terug. Met een schok van herkenning besefte Marty dat hij haar nog steeds de bewegingen van Mamoulian zag maken, dat de Europeaan de hele tijd had geslapen en nu weer energie had opgedaan en bezig was wakker te worden. Hij vuurde snel zijn laatste vraag af, vastbesloten om een antwoord op deze zo belangrijke vraag te krijgen. 'Hem wat te laten zien?'
'De hel!' zei Mamoulian. 'Hij heeft me beduveld! Hij heeft al mijn lessen verspild, al mijn kennis, alles weggegooid uit hebzucht, om macht, voor het leven van het lichaam.Begeerte! Alles weg aan begeerte. Al mijn kostbare liefde verspild.' Marty kon in deze litanie de stem van een puritein horen - de stem van de monnik misschien? - de woede van een wezen dat de wereld puurder wil dan de wereld is en in wanhoop leeft omdat hij alleen maar vuiligheid ziet en lichamen ziet zweten om nog meer vuiligheid en lichamen te maken. Wat was er nog voor hoop op normaliteit in een dergelijke wereld? Behalve een ziel om de kwelling mee te delen, een minnaar om samen de wereld mee te haten. Whitehead was zo'n partner geweest. En nu was Mamoulian trouw aan de ziel van zijn minnaar; hij wilde uiteindelijk samen met het enige wezen dat hij ooit had vertrouwd de dood ingaan. 'We gaan naar niets. ..' fluisterde hij en de fluistering was een belofte. 'Allemaal gaan we naar niets. Naar beneden! Naar beneden!' Hij werd wakker. Er was geen tijd voor meer vragen, hoe nieuwsgierig Marty ook was.
'Carys.'
'Naar beneden! Naar beneden!'
'Carys! Kun je me horen? Kom uit hem! Gauw!'
Haar hoofd rolde op haar nek.
'Carys!'
Ze bromde iets.
'Gauw!'
De patronen waren weer in Mamoulians hoofd, net zo bekoorlijk als eerst. Ze wist dat de lichtuitbarstingen binnenkort beelden zouden worden. Wat zou het dit keer worden? Vogels, bloemen, bomen met bloesem. Wat een wonderland was dit toch.
'Carys.'
De stem van iemand die ze ooit had gekend, riep haar vanuit een verre plek. Maar de lichtjes ook. Ze losten zich nu zelfs op. Ze wachtte vol verwachting, maar nu kwamen er geen herinneringen in beeld...
'Carys! Snel!'
Het was de echte wereld die te voorschijn kwam toen de Europeaan zijn ogen opensloeg. Haar lichaam spande zich. Marty pakte haar hand en trok eraan. Ze ademde langzaam diep uit; haar adem kwam als een zacht, piepend geluid tussen haar tanden door en plotseling besefte ze het naderende gevaar. Ze gooide haar gedachten uit het hoofd van de Europeaan en dacht de kilometers terug naar Kilburn. Eén wanhopig ogenblik voelde ze haar wil zwakker worden, toen viel ze terug, terug in het wachtende hoofd. Radeloos hijgde ze als een aangespoelde vis terwijl haar gedachten om drijfkracht vochten.
Marty trok haar overeind, maar haar benen sloegen onder haar weg. Hij hield haar staande met zijn armen om haar heen. 'Laat me niet alleen,' fluisterde hij in haar haren. 'Goede God, laat me niet alleen.' Plotseling deed ze haar ogen open.
'Marty,' mompelde ze. 'Marty.'
Ze was het; hij kende haar blik te goed dat de Europeaan hem zou kunnen misleiden.
'Je bent teruggekomen,' zei hij.
-
Een paar minuten lang spraken ze niet en hielden ze elkaar alleen maar vast. Toen ze eindelijk spraken, was ze niet bereid te vertellen wat ze had meegemaakt. Marty hield zijn nieuwsgierigheid in bedwang. Het was voldoende om te weten dat ze niet met de duivel te maken hadden.
Gewoon oude menselijkheid die bedrogen was in de liefde en op het punt stond wraak te nemen.
-
Dus misschien hadden ze toch nog een kans. Mamoulian was een man, ook al deed hij nog zo onnatuurlijk aan. Hij was misschien tweehonderd jaar oud, maar wat deden die paar jaar er nou toe? Het was nu het belangrijkste om Pappa te vinden en hem te waarschuwen voor Mamoulians plannen en dan een zo goed mogelijk tegenoffensief verzinnen. Als Whitehead niet wilde helpen, was dat zijn goed recht. Dan had Marty het tenminste geprobeerd, ter wille van hun vroegere goede relatie. En in vergelijking met de moord op Charmaine en Flynn waren Whiteheads misdaden tegen Marty niets meer dan een beetje onbeleefdheid. Hij was beslist de minst erge van de twee.
Maar hoe ze Whitehead moesten vinden, daar had Marty maar één houvast voor en dat waren de aardbeien. Het was Pearl geweest die hem had verteld dat de oude man geen dag voorbij liet gaan zonder aardbeien. In twintig jaar niet, had ze beweerd. Zou het dan niet mogelijk zijn dat hij was doorgegaan zichzelf daarmee te verwennen, ook al zat hij ondergedoken? Het was maar een kleine mogelijkheid. Maar begeerte was de kwintessens van dit raadsel, had Marty net geleerd.
Hij probeerde Carys over te halen met hem mee te gaan, maar ze was uitgeput. Haar reizen waren voorbij, zei ze. Ze had te veel gezien voor één dag. Het enige dat ze nu wilde, was het zonnige eiland en daar was ze niet van af te brengen. Met tegenzin liet Marty haar haar drugs nemen en ging weg om de aardbeien met meneer Halifax uit Holborn te bespreken.
Alleen vond Carys al snel vergetelheid. De beelden die ze in het hoofd van Mamoulian had gevonden, werden verdrongen naar het vage verleden, waar ze vandaan gekomen waren. De toekomst, als die er al was, werd hier genegeerd, waar alleen maar rust was. Ze lag te baden onder een zon van onzin terwijl het buiten zachtjes begon te regenen.