DEEL TWEE: ASIEL
De duivel is beslist niet het ergste dat er bestaat; ik zou liever met hem onderhandelen dan met menig menselijk wezen. Hij komt zijn afspraken veel nauwkeuriger na dan menig oplichter op aarde. Om eerlijk te zijn, wanneer het op betalen aankomt, is hij stipt op tijd, als het twaalf slaat, haalt hij zijn ziel op en gaat netjes naar huis, naar de hel zoals dat een goede duivel betaamt. Hij is maar een gewone zakenman, zoals het hoort.
J.N. NESTROY, Hollenangst
I - De Voorzienigheid
5
-
Na zes jaar zijn straf in Wandsworth te hebben uitgezeten, was Marty Strauss eraan gewend geraakt te wachten. Hij stond iedere ochtend te wachten om zich te wassen en te scheren, hij wachtte om te eten, hij wachtte om naar de wc te kunnen gaan, hij wachtte op zijn vrijheid. Hij wachtte zoveel. Het maakte allemaal natuurlijk deel van zijn straf uit, evenals het gesprek waar hij op deze sombere namiddag voor was opgeroepen. Het wachten leek in de loop der tijden gemakkelijker te worden, maar de gesprekken niet. Hij had er een hekel aan om in het middelpunt van de bureaucratische belangstelling te staan: het dossier van de voorwaardelijke invrijheidstelling dat vol zat met wettelijke instructies, de rapporten over de huiselijke omstandigheden, de psychiatrische evaluaties, de manier waarop je om de paar maanden uitgekleed door een of andere onvriendelijke ambtenaar stond die je vertelde wat een waardeloze vent je toch was. Het kwetste hem zo diep dat hij wist dat die wonden nooit meer zouden helen, hij zou de benauwde kamers vol insinuaties en de bodem ingeslagen hoop nooit vergeten. Het zou hem eeuwig dwars blijven zitten. 'Kom binnen, Strauss.'
De kamer was niet veranderd sinds hij hier voor het laatst was geweest, hij was alleen nog bedompter geworden. En de man aan de andere kant van de tafel was evenmin veranderd. Hij heette Somervale en er was een gevoeglijk aantal gevangenen in Wandsworth dat iedere avond bad dat hij zou verdwijnen. Vandaag zat hij niet alleen achter de tafel met het formica blad. 'Ga zitten, Strauss.'
Marty keek even naar Somervales collega. Hij was geen cipier. Zijn pak was te netjes en de nagels van zijn vingers waren te keurig onderhouden. Hij was van ruim middelbare leeftijd, stevig gebouwd en zijn neus stond een beetje scheef, alsof hij eens gebroken was geweest en niet goed gezet. Somervale stelde hem voor. 'Strauss. Dit is meneer Toy. ..'
'Hallo,' zei Marty.
Het bruinverbrande gezicht keek hem openlijk taxerend aan. 'Prettig u te ontmoeten,' zei Toy.
Zijn nauwkeurige onderzoek was meer dan vluchtige nieuwsgierigheid en Marty vroeg zich af wat er te zien was. Een man met veel te veel tijd en een lichaam dat lui was geworden door te veel slecht voedsel en te weinig oefening, een dwaas snorretje en een paar ogen waar de verveling uitstraalde. Marty kende ieder detail van zijn eigen saaie uiterlijk. Hij was het niet meer waard om goed naar te kijken. En toch staarden de blauwe ogen hem onmiskenbaar geboeid aan.
'Ik geloof dat we maar ter zake moeten komen,' zei Toy tegen Somervale. Hij legde zijn handpalmen plat op het tafelblad. 'Hoeveel heb je meneer Strauss verteld?'
Meneer Strauss. Dat voorvoegsel was een bijna vergeten beleefdheidsvorm.
'Ik heb hem niets verteld,' antwoordde Somervale.
'Dan zullen we bij het begin beginnen,' zei Toy. Hij leunde achterover in zijn stoel terwijl zijn handen nog op de tafel lagen.
'Prima,' zei Somervale en bereidde zichzelf duidelijk voor op een uitvoerige toespraak. 'Meneer Toy...' begon hij. Maar verder kwam hij niet, want zijn gast onderbrak hem. 'Mag ik even?' zei Toy. 'Misschien kan ik de situatie het best samenvatten.'
'Zoals u wilt,' zei Somervale. Hij greep in zijn colbertzak naar een sigaret en slaagde er nauwelijks in zijn misnoegen te maskeren. Toy negeerde hem. Hij bleef Marty met zijn scheve gezicht aankijken.
'Mijn werkgever,' begon Toy, 'heet Joseph Whitehead. Ik weet niet of je dat iets zegt?' Hij wachtte niet op antwoord, maar ging verder. 'Als je nog nooit van hem hebt gehoord, heb je toch vast wel eens gehoord van de Whitehead Corporation die hij heeft opgezet. Het is een van de grootste farmaceutische bedrijven in Europa. ..'
De naam klonk vaag bekend voor Marty en er zat een luchtje aan. Maar het was tergend vaag en hij had geen tijd om erover na te denken, want Toy was nu goed op dreef.
'Hoewel de heer Whitehead nu achter in de zestig is, heeft hij nog steeds de leiding over de Corporation. Hij is een selfmade man, weet je, en hij heeft zijn hele leven aan deze onderneming gewijd. Maar hij wenst niet meer zo zichtbaar te opereren als vroeger...' Plotseling dook er een foto van een voorpagina op in het hoofd van Strauss. Een man met zijn handen afwerend opgeheven tegen het flitslicht, een privé-moment dat door een of andere loerende persfotograaf voor het publiek werd weggesnaaid. 'Hij ontwijkt de publiciteit bijna helemaal en sinds de dood van zijn vrouw heeft hij zich ook op sociaal terrein vrijwel geheel teruggetrokken.'
Strauss kon zich die weinige waardering voor al die aandacht wel voorstellen en herinnerde zich een vrouw die zelfs bij onflatteus licht nog verbazingwekkend mooi was. De vrouw over wie Toy het had, misschien.
In plaats daarvan geeft hij er de voorkeur aan de Corporation vanachter de coulissen te leiden en bemoeit zich in zijn vrije tijd met zaken van sociale aard. Onder andere met de overbevolkte gevangenissen en de achteruitgang van de gevangenisvoorzieningen in het algemeen.'
De laatste opmerking was zonder twijfel een steek onder water en Somervale voelde het. Hij drukte zijn half opgerookte sigaret uit in de aluminiumfolie asbak en keek de ander even met een zuur gezicht aan.
'Toen het tijd werd een nieuwe privé-lijfwacht te huren,' ging Toy verder, 'besloot de heer Whitehead liever een passende kandidaat te zoeken tussen de mannen die in aanmerking kwamen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling dan via de gebruikelijke kanalen.'
Hij kan mij niet bedoelen, dacht Strauss. Het idee was te mooi om waar te zijn en te belachelijk. Maar als dat niet de reden was, waarom was Toy dan hier, waarom al die besprekingen?
'Hij zoekt een man die zijn straf bijna heeft uitgezeten. Iemand die het verdient, in zowel zijn als mijn ogen om de kans te krijgen opnieuw in de maatschappij opgenomen te worden. Met een baan en gevoel voor eigenwaarde om op terug te vallen. Uw geval trok mijn aandacht, Martin. Mag ik je Martin noemen?'
'Ik word meestal Marty genoemd.'
'Goed. Marty dan. Eerlijk gezegd wil ik geen valse hoop wekken. Ik ondervraag behalve jou nog verschillende andere kandidaten en misschien kom ik aan het eind van de dag wel tot de conclusie dat jullie geen van allen in aanmerking komen. Onder de huidige omstandigheden wil ik alleen maar weten of je in een dergelijke mogelijkheid geïnteresseerd zou zijn, mocht die zich voordoen.' Marty begon te glimlachen. Niet zichtbaar, maar inwendig zodat Somervale het niet kon opmerken. 'Begrijp je wat ik zeg?'
'Ja, dat begrijp ik.'
'Joe.. . meneer Whitehead. .. heeft iemand nodig die zich ten volle voor zijn welzijn inzet, iemand die inderdaad bereid is zijn leven voor zijn werkgever op het spel te zetten. Ik weet dat dit veel gevraagd is.'
Marty fronste zijn wenkbrauwen. Het was veel gevraagd, vooral na de zes en een half jaar les in het op zichzelf aangewezen zijn die hij hier in Wandsworth had gehad. Toy reageerde snel op Martys aarzeling.
'Heb je daar moeite mee?' vroeg hij.
Marty haalde zijn schouders op. 'Ja en nee. Ik bedoel, ik heb zoiets nog nooit eerder hoeven te doen. Ik wil geen kletspraat gaan staan verkopen over hoe graag ik mezelf voor iemand anders wil laten vermoorden, want dat wil ik niet. Ik zou liegen als ik zei dat ik dat wel wilde.'
Toy knikte en dat gaf Marty de moed om verder te gaan. 'Daar komt het eigenlijk op neer,' zei hij.
'Ben je getrouwd?' vroeg Toy.
'We zijn uit elkaar.'
'Mag ik vragen of je echtscheidingsplannen hebt?'
Marty trok een grimas. Hij had er een hekel aan hierover te praten. Het was zijn wond, daar moest hij zelf voor zorgen en over piekeren. Geen enkele medegevangene had het verhaal ooit uit hem gekregen, zelfs zijn vroegere celgenoot niet tijdens die nachtelijke biechten die hij toen had moeten doorstaan. Dat was voordat Feaver was gekomen en die praatte nooit ergens anders over dan over eten en zijn uitgeknipte papieren poppetjes. Maar hij zou nu iets moeten zeggen. Ze zouden de details toch wel ergens hebben in een of ander dossier. Toy wist vermoedelijk meer over het doen en laten van Charmaine dan hijzelf.
'Charmaine en ik...' Hij probeerde de woorden voor deze stroom van gevoelens te vinden, maar er kwam niets anders uit dan een botte verklaring. 'Ik geloof niet dat er veel kans is dat we nog bij elkaar komen, als u dat bedoelt.'
Toy merkte de pijn in Martys stem. Somervale ook. Voor het eerst sinds Toy er was, begon hij enige interesse in het gesprek te tonen. Hij wil zien hoe ik me uit die baan klets, dacht Marty. Hij zag de verwachting op het gezicht van Somervale geschreven. Hij kon verrekken, die lol zou hij hem niet doen.
'Het is geen probleem,' zei Marty effen. 'En als het dat wel is, dan is het niet mijn probleem. Ik ben nog steeds bezig eraan te wennen dat ze er niet zal zijn wanneer ik vrijkom. Dat is alles, eigenlijk.' Toy glimlachte vriendelijk.
'Werkelijk, Marty,' zei hij, 'ik wil me nergens mee bemoeien. Ik wil alleen zorgen dat je de feiten van de situatie juist inziet. Als je bij meneer Whitehead in dienst zou komen, zou er van je verlangd worden dat je op zijn landgoed bij hem woont en het zou een noodzakelijke conditie van je werk zijn dat je niet weg kunt gaan zonder de duidelijke toestemming van meneer Whitehead of van mij. Met andere woorden, je stapt niet in een onvoorwaardelijke vrijheid. Verre van dat. Je zou het landgoed als een soort open gevangenis kunnen zien. Het is belangrijk voor mij om te weten of je banden hebt die je ertoe zouden kunnen verleiden je niet aan dergelijke beperkingen te houden.'
'Ja, dat begrijp ik.'
'Verder, als je niet aan de verwachtingen van meneer Whitehead voldoet of als jij of hij het gevoel heeft dat de betrekking niet passend is, ben ik bang...'
'Dat ik hier verder mijn straf moet uitzitten.'
'Juist.'
Er heerste even een pijnlijke stilte en Toy zuchtte inwendig. Hij had heel even nodig om zijn evenwicht terug te vinden, toen ging hij verder in een andere richting.'Ik zou nog een paar dingen willen weten. Je kunt boksen, hè?'
'Een beetje. Het is alweer een tijdje geleden.' Toy keek teleurgesteld. 'Heb je het opgegeven?'
'Ja,' antwoordde Marty. 'Ik heb nog een tijdje met gewichten getraind.'
'Beheers je een zelfverdedigingssport? Judo? Karate?'
Marty dacht even na of hij zou liegen, maar wat zou dat voor zin hebben? Toy hoefde er alleen de cipiers van Wandsworth maar naar te vragen. 'Nee,' zei hij.
'Jammer.'
Marty voelde zijn maag in elkaar krimpen. 'Ik ben heel gezond,' zei hij. 'En sterk. Ik kan het wel leren.' Hij merkte dat er een ongewilde trilling in zijn stem doorklonk.
'We willen geen leerling, ben ik bang,' legde Somervale uit, nauwelijks in staat de triomfantelijke klank uit zijn stem te houden. Marty boog zich over de tafel en probeerde 's mans bloedzuigende aanwezigheid buiten te sluiten.
'Ik kan deze baan aan, meneer Toy,' hield hij vol. 'Ik wéét dat ik het aankan. Als u me de kans geeft.'
Het trillen werd sterker. Zijn maag leek wel een acrobaat. Hij kon nu beter ophouden, voor hij iets zei of deed waar hij spijt van zou krijgen. Maar de woorden en de gevoelens bleven komen.
'Geef me een kans om te bewijzen dat ik het kan. Dat is toch niet te veel gevraagd? Als ik de zaak verziek, dan is het mijn fout. Eén kans, dat is alles wat ik vraag.'
Toy keek naar hem met iets van sympathie in zijn blik. Was het allemaal voorbij? Wist hij al wat hij ging doen? Eén fout antwoord en de hele zaak was verloren. Was hij in gedachten al bezig zijn aktentas in te pakken en het dossier van Strauss, M. in Somervales klamme handen te leggen zodat het weer teruggeplaatst kon worden tussen de dossiers van de rest?
Marty hield zijn mond, hij leunde achterover in de ongemakkelijke stoel en staarde naar zijn trillende handen. Hij durfde niet naar het gekneusde nette gezicht van Toy te kijken, niet nadat hij zich zo bloot had gegeven. Toy zou alle pijn en verlangens zien en dat kon hij niet verdragen.
'Tijdens je proces...' zei Toy.
Wat nu weer. Moest die ellende nog langer duren? Marty wilde alleen nog maar terug naar zijn cel waar Feaver op de brits zou zitten spelen met zijn poppetjes, waar de bekende verveling heerste waar hij vergetelheid in zou kunnen vinden. Maar Toy was nog niet klaar. Hij wilde de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid.
'Tijdens je proces heb je gezegd dat je hoofdmotief om met die roofoverval mee te doen, was om je grote gokschulden te betalen. Is dat juist?'
Martys aandacht was van zijn handen overgegaan naar zijn schoenen. De veters waren losgeraakt, en hoewel ze lang genoeg waren om een dubbele knoop in te leggen, had hij nooit voldoende geduld om er iets ingewikkelds van te maken. Hij hield van een eenvoudige strik. Als je een strik moest losmaken, trok je aan een kant en - als bij toverslag - was hij los.
'Is dat juist?' vroeg Toy weer.
'Ja, dat is juist,' zei Marty. Hij was al zo ver gegaan, waarom zou hij het hele verhaal niet vertellen? 'We waren met z'n vieren. En we hadden twee geweren. We hebben geprobeerd een geldtransportauto te pakken, maar de zaak liep uit de hand.' Hij keek op van zijn schoenen en Toy keek hem gespannen aan. 'De chauffeur werd in zijn buik geschoten. Hij is later overleden. Dat staat toch allemaal in het dossier?'
Toy knikte.
'En dat van die geldauto, staat dat ook in het dossier?'
Toy gaf geen antwoord.
'Die was leeg,' zei Marty. 'We zaten van het begin af aan fout. Dat rotding was leeg.'
'En je schulden?'
'Hè?'
'Je schulden aan Macnamara. Die staan nog steeds open?'
De man begon nu werkelijk op Martys zenuwen te werken. Wat kon het Toy schelen of hij hier en daar een paar mille schuld had? Dat was niet meer dan sympathieke camouflage, zodat hij er op een fatsoenlijke manier van af kon komen.
'Geef meneer Toy antwoord, Strauss,' zei Somervale.
'Wat kan u dat schelen?'
'Interesse,' zei Toy eerlijk.
'Juist.'
Barst met je interesse, dacht Marty. Hij kon stikken. Ze hadden genoeg te horen gekregen, meer zouden ze niet uit hem krijgen. 'Kan ik nu gaan?' zei hij.
Hij keek op. Niet naar Toy, maar naar Somervale die zelfgenoegzaam achter zijn sigaretterook zat te grijnzen, tevreden dat het onderhoud een fiasco was geworden.
'Dat denk ik wel, Strauss,' zei hij. 'Als meneer Toy tenminste geen verdere vragen heeft.'
'Nee,' zei Toy met vlakke stem. 'Nee, ik weet voldoende.' Marty stond op en bleef de ogen van Toy ontwijken. Het kamertje was vol akelige geluiden. De stoelpoten knarsten over de grond; Somervale hoestte zijn rokershoestje. Toy borg zijn aantekeningen op. Het was voorbij. Somervale zei: 'Je kunt gaan.'
'Prettig u ontmoet te hebben, meneer Strauss,' zei Toy tegen Martys rug toen hij bij de deur was en Marty draaide zich zonder erbij na te denken om en zag dat de ander naar hem glimlachte en zijn hand had uitgestrekt om die van hem te schudden. 'Het was plezierig u te ontmoeten, meneer Strauss.' Marty knikte en schudde zijn hand. 'Dank u voor uw tijd,' zei Toy.
Marty deed de deur achter zich dicht en liep terug naar zijn cel, begeleid door Priestley, de cipier van de afdeling. Ze zeiden niets. Marty keek naar de vogels die op het dak neerstreken op zoek naar restjes. Ze kwamen en gingen wanneer ze daar zin in hadden, vonden holletjes om in te nestelen en zagen hun onafhankelijkheid als iets heel gewoons. Hij was er niet jaloers op. En als hij dat wel was, dan was dit niet de juiste tijd om dat toe te geven.
6
-
Er waren twee weken voorbijgegaan en hij had niets meer gehoord, noch van Toy, noch van Somervale. Niet dat Marty echt iets verwachtte. Het was een verloren zaak; hij had de laatste momenten bedorven door te weigeren over Macnamara te willen praten. Op die manier had hij gehoopt alles in de kiem te smoren, en daar was hij niet in geslaagd. Maar hoe hij ook probeerde het gesprek met Toy te vergeten, het lukte hem niet. De ontmoeting had hem uit zijn evenwicht gebracht en zijn onzekerheid was net zo kwellend als de oorzaak ervan. Hij had gedacht dat hij nu wel had geleerd hoe hij de kunst van onverschilligheid onder de knie moest krijgen, net zoals kinderen via pijnlijke ervaringen leerden dat je je brandt aan warm water. Hij had genoeg van dat soort ervaringen opgedaan. Tijdens het eerste jaar van zijn vonnis had hij tegen alles en iedereen die hij tegenkwam, gevochten. In die tijd had hij ook geen vriendschap gesloten en geen enkele indruk op het systeem gemaakt. Het enige dat zijn moeilijkheden hem opleverden, waren blauwe plekken en akelige tijden. In het tweede jaar, gekastijd door zijn nederlaag, was hij zich heimelijk gaan verzetten. Hij was begonnen met gewichtheffen en boksen en had zich geconcentreerd op het opbouwen en onderhouden van zijn lichaam dat hem zou dienen wanneer de tijd voor vergelding rijp was. Maar in het midden van het derde jaar was de eenzaamheid tussenbeide gekomen. Een pijn die geen enkele zelfopgelegde straf kon verhullen, ook al hadden zijn spieren zijn pijngrens dagelijks verhoogd. Het was een ongemakkelijke vrede, maar vanaf toen begonnen de dingen beter voor hem te worden. Hij begon zich zelfs thuis te voelen in de hol klinkende gangen en in zijn cel en in de steeds kleiner wordende enclave van zijn hoofd waar nu zelfs de plezierigste ervaring niet meer dan een vage herinnering was. Het vierde jaar had nieuwe ellende gebracht. Hij was toen negenentwintig en naderde de dertig en hij herinnerde zich maar al te goed hoe hij toen hij nog jonger was en tijd in overvloed had gehad, mannen van zijn leeftijd als 'oud' had gezien. Het was een pijnlijke ontdekking en de oude claustrofobie (niet gevangen achter tralies, maar door zijn leven) kwam sterker dan ooit tevoren terug en daarmee ook een nieuwe roekeloosheid. Hij had zich dat jaar laten tatoeëren. Een paarse en blauwe bliksemschicht op zijn linkerbovenarm en 'USA' op zijn rechteronderarm. Vlak voor Kerstmis had Charmaine geschreven dat ze misschien maar beter konden scheiden. Hij had er niets van willen weten. Wat had dat voor zin? Onverschilligheid was de beste remedie. Als je je een keer gewonnen had gegeven, was het leven een donzen bedje. Vanuit dat wijze gezichtspunt gezien was het vijfde jaar een fluitje van een cent. Hij kon aan drugs komen, hij had de macht die een ervaren veroordeelde nu eenmaal had; hij had alles, behalve zijn vrijheid en daar kon hij wel op wachten.
Toen was Toy gekomen en hij kon nog zo hard proberen om te vergeten dat hij ooit van de man had gehoord, hij merkte toch dat hij het halve uur dat het gesprek had geduurd telkens weer in zijn hoofd herhaalde, iedere zin in de kleinste details bestudeerde alsof hij een voorspellende informatie zou tegenkomen. Het was natuurlijk een nutteloze oefening, maar die wetenschap hield de sessies niet tegen en het werd een bijna geruststellend proces. Hij vertelde het tegen niemand, zelfs niet tegen Feaver. Het was zijn geheim: de kamer, Toy en de nederlaag van Somervale.
-
De tweede zondag na de ontmoeting met Toy kwam Charmaine op bezoek. Het gesprek was net zo'n toestand als altijd. Het had veel weg van zo'n internationaal telefoongesprek - alles werd bedorven door de seconde vertraging tussen de vraag en het antwoord. Het was niet het gerumoer van de andere gesprekken die alles verknoeiden, alles was gewoon verknoeid. Het was een onontkoombaar feit. Zijn vroegere pogingen om te redden wat er nog te redden was, had hij allang opgegeven. Na de koele informatie naar de gezondheid van kennissen en vrienden gingen ze de harde feiten van de scheiding bekijken.
Hij had in zijn eerste brieven geschreven: Je bent mooi, Charmaine. Ik denk 's nachts aan je en ik droom steeds van je. Maar toen had haar uiterlijk zijn aantrekkingskracht verloren en het dromen van haar gezicht en lichaam onder hem was ook opgehouden, en ook al deed hij in brieven nog wel een tijdje alsof, toch begonnen de liefdevolle zinnen gemaakt te klinken en hij was opgehouden over dergelijke intimiteiten te schrijven. Het was puberachtig om haar te vertellen dat hij dacht aan haar gezicht; wat moest ze niet van hem denken. Dat hij in het donker lag te zweten en met zichzelf lag te spelen als een twaalfjarige? Hij wilde niet dat ze dat dacht.
Misschien was dat achteraf bekeken toch een fout geweest. Misschien was hun huwelijk toen begonnen stuk te lopen, toen hij zich belachelijk begon te voelen en opgehouden was met liefdesbrieven te schrijven. Maar zij was toch ook veranderd? Haar ogen keken hem zelfs nu met zo'n naakte achterdocht aan.
'Je moet de groeten van Flynn hebben.'
'O, mooi. Zie je hem wel eens?'
'Af en toe.'
'Hoe gaat het met hem?'
Ze begon naar de klok te kijken en niet meer naar hem, en daar was hij blij om. Het gaf hem de gelegenheid haar te bestuderen zonder dat hij zich een indringer voelde. Als ze zich ontspande, vond hij haar nog steeds aantrekkelijk. Maar hij had zichzelf nu volledig onder controle wat zijn reacties op haar betreft, dacht hij. Hij kon naar haar kijken, naar haar doorzichtige oorlelletjes, naar de lijn van haar hals, en haar volkomen zonder enige hartstocht aanschouwen. In de gevangenis had hij tenminste geleerd om niet te willen hebben wat hij niet hebben kon. 'O, het gaat goed met hem,' antwoordde ze. Hij moest zich even opnieuw oriënteren, over wie had hij het ook alweer? O ja, Flynn. Dat was een vent die zijn vingers nooit ergens aan zou branden. Flynn de verstandige, Flynn de dikdoener. 'Hij doet je de groeten.'
'Dat zei je al,' hielp hij haar herinneren.
Weer een pauze; het gesprek werd iedere keer moeilijker. Niet zozeer voor hem als voor haar. Het leek of ze iedere keer als ze een woord tegen hem zei door een hel ging. 'Ik ben weer bij de advocaten geweest.'
'O ja.'
'Het loopt allemaal, blijkbaar. Ze zeiden dat de papieren volgende maand rond zouden zijn.'
'Wat moet ik dan doen, alleen maar tekenen?'
'Tja, hij zei dat we over het huis moesten praten en alles wat van ons allebei is.'
'Dat heb jij.'
'Maar het is van ons allebei, nietwaar? Ik bedoel, het behoort aan ons beiden toe. En als jij vrijkomt, zul je ergens naar toe moeten om te wonen en meubels en zo nodig hebben.'
'Wil je het huis verkopen?'
Weer zo'n ellendige stilte, alsof ze zat te trillen en op het punt stond iets te zeggen dat veel belangrijker was dan al die gemeenplaatsen die natuurlijk gezegd zouden worden. 'Het spijt me, Marty,' zei ze. 'Waarom?'
Ze schudde heel even haar hoofd. Haar haren glansden. 'Weet ik niet,' zei ze.
'Het is niet jouw schuld. Niets van dit alles is jouw schuld.'
'Ik kan het niet helpen. ..'
Ze hield op en keek hem aan, plotseling door haar angst veel levendiger. Was dat het dan? Angst? Levendiger dan ze in de tientallen andere houterige zinnen die ze in deze of een andere verstikkende kamer hadden uitgewisseld, was geweest. Haar ogen waren vochtig en stonden vol tranen. 'Wat is er aan de hand?'
Ze staarde hem aan, op het punt te gaan huilen. 'Char. .. wat is er?'
'Het is allemaal voorbij, Marty,' zei ze alsof ze dat feit nu pas voor het eerst onder ogen zag. Over, klaar, vaarwel. Hij knikte: 'Ja.'
'Ik wil niet dat je...' ze hield even op en probeerde het nog een keer. 'Je moet het me niet kwalijk nemen.'
'Ik neem jou niets kwalijk. Ik heb je nooit iets kwalijk genomen. Christus, je bent hier geweest, of niet soms? Steeds weer. Ik vind het afschuwelijk om je hier te zien. Maar je bent gekomen; als ik je nodig had, was je er.'
'Ik dacht dat het goed zou zijn,' ging ze verder alsof hij niets had gezegd. 'Dat dacht ik echt. Ik dacht dat je wel gauw vrij zou komen en misschien zou het lukken, weet je. We hadden het huis nog en alles. Maar de laatste jaren begon alles uit elkaar te vallen.' Hij keek hoe ze leed en dacht: Ik zal dit nooit kunnen vergeten omdat ik dit heb veroorzaakt en ik ben de grootste rotzak op Gods aardbodem. Kijk nou eens naar wat ik heb aangericht. In het begin waren er natuurlijk tranen geweest en brieven van haar vol pijn en half verhulde beschuldigingen, maar de te gronde richtende bedroefdheid die ze nu liet blijken, ging veel dieper. Het kwam ten eerste niet van een tweeëntwintigjarige, maar van een volwassen vrouw, en hij schaamde zich diep nu hij besefte dat hij dit had aangericht, hij schaamde zich op een manier waarvan hij gedacht had dat hij er niet meer toe in staat was.
Ze snoot haar neus in een papieren zakdoekje dat ze uit een pakje scheurde.
'Alles is één grote rotzooi,' zei ze.
'Ja.'
'Ik wil het alleen uitzoeken.' Ze keek even op haar horloge, te snel om te kunnen zien hoe laat het was, en stond op. 'Ik kan maar beter gaan, Marty.'
'Afspraak?'
'Nee...' antwoordde ze, een duidelijke leugen en ze deed geen werkelijke moeite om het te verbergen, 'misschien ga ik straks nog wat boodschappen doen. Dan voel ik me altijd weer wat beter. Je kent me.'
Nee, dacht hij. Nee, ik ken je niet. Als ik dat al ooit heb gedaan, en daar ben ik niet eens zo zeker van, kende ik een andere vrouw en God, wat mis ik haar. Hij hield zichzelf in bedwang. Dit was niet de manier om afscheid van haar te nemen, dat wist hij nog van andere ontmoetingen. Het kwam erop aan koel te zijn, om te eindigen op een formele voet zodat hij naar zijn cel terug kon gaan en haar kon vergeten tot de volgende keer.
'Ik wou dat je het begreep,' zei ze. 'Maar ik denk niet dat ik het goed heb uitgelegd. Het is ook zo'n rotzooi.' Ze nam geen afscheid, de tranen kwamen weer te voorschijn en hij was ervan overtuigd dat ze bang was door de gesprekken van de advocaten en dat ze zich op het laatste moment zou terugtrekken, uit zwakte of liefde of allebei, en door weg te lopen zonder zich nog een keer om te draaien, hield ze die mogelijkheid op een afstand.
Hij ging verslagen terug naar zijn cel. Feaver sliep. Hij had een vulva uit een tijdschrift gescheurd en op zijn voorhoofd vastgeplakt met speeksel, een geliefde bezigheid van hem. Het gaapte als een derde oog boven de gesloten oogleden en staarde onafgebroken voor zich uit zonder enige hoop op slaap.
7
-
'Strauss?'
Priestley stond in de open deur en keek de cel in. Naast hem stond op de muur gekrabbeld: 'Als je je geil voelt, trap dan tegen de deur, dan verschijnt er een lekkere kut.' Het was een bekende mop; hij had dezelfde kreet op diverse celmuren gezien maar nu, naast Priestleys dikke gezicht, de vijand en de seks van een vrouw, vond hij het opeens obsceen. 'Strauss?'
'Ja meneer.'
'Meneer Somervale wil je spreken. Om ongeveer kwart over drie. Ik kom je ophalen. Zorg dat je om tien over klaar bent.'
'Ja meneer.'
Priestley draaide zich om om weg te gaan. 'Kunt u me vertellen waar het over gaat, meneer?'
'Hoe moet ik dat verdomme weten?'
Somervale zat om kwart over drie te wachten in de kamer waar de gesprekken altijd plaatsvonden. Martys dossier lag voor hem op tafel, de koordjes nog dichtgeknoopt. Ernaast lag een vaalgele onbeschreven envelop. Somervale stond naast het beveiligde raam te roken.
'Kom binnen,' zei hij. Hij nodigde hem niet uit te gaan zitten en hij draaide zich ook niet om bij het raam.
Marty deed de deur achter zich dicht en wachtte. Somervale blies de rook luidruchtig uit.
'Wacht dacht je, Strauss?' zei hij.
'Wat zegt u, meneer?''Ik zei, wat dacht je, hè? Stel je eens iets voor.'
Marty kon het niet volgen en vroeg zich af of het aan hem of aan Somervale lag. Na een hele poos zei Somervale: 'Mijn vrouw is overleden.'
Marty vroeg zich af wat er van hem werd verwacht dat hij zou zeggen. Maar Somervale gaf hem geen kans om iets te verzinnen. De vier woorden werden direct door een paar andere opgevolgd: 'Ze laten je d'r uit, Strauss!'
Hij meldde de naakte feiten achter elkaar alsof ze met elkaar te maken hadden, alsof de hele wereld tegen hem samenspande.
'Ga ik naar meneer Toy?' vroeg Marty.
'Hij en het bestuur denken dat jij een geschikte kandidaat voor de baan op Whiteheads landgoed bent,' zei Somervale. 'Stel je voor.' Hij maakte een laag geluid in zijn keel dat een lach zou kunnen zijn. 'Je wordt intensief geobserveerd, hoor. Niet door mij, maar door mijn opvolger. En als je een stap fout zet...'
'Ik begrijp het.'
'Dat vraag ik me af.' Somervale trok aan zijn sigaret en draaide zich nog steeds niet om. 'Ik vraag me af of je wel begrijpt voor wat voor soort vrijheid je hebt gekozen.'
Marty was niet van plan zijn stijgende geluksgevoel door dit soort geklets te laten bederven. Somervale was verslagen, dus laat hem maar kletsen.
'Joseph Whitehead mag dan een van de rijkste mannen van Europa zijn, hij is ook een van de meest excentrieke heb ik gehoord. De hemel mag weten waar je jezelf mee inlaat, maar ik zeg je dat ik denk dat je het leven hier veel dragelijker zult vinden.' De woorden van Somervale verdwenen in een mist; zijn zure druiven waren tegen dovemansoren gericht. Misschien werd hij zelf wel moe of misschien merkte hij dat hij zijn toehoorder was verloren; hij gaf zijn kleinerende monoloog vrijwel meteen weer op en wendde zich van het raam af om deze onaangename zaak zo snel mogelijk af te handelen. Marty schrok van de verandering in de man. Somervale was de laatste weken ouder geworden; hij zag eruit alsof hij de tussenliggende tijd op sigaretten en verdriet had geleefd. Zijn huid leek op oud brood.
'Meneer Toy komt je aanstaande vrijdagmiddag ophalen. Dat is de dertiende februari. Ben je bijgelovig?'
'Nee.'
Somervale gaf de envelop aan Marty.
'Alle details staan daarin. Je krijgt de komende dagen nog een medische keuring en er zal iemand komen om je situatie door te nemen tegenover het bestuur van voorwaardelijke invrijheidstelling. De regels worden aan alle kanten geweld aangedaan vanwege jou, Strauss. God mag weten waarom. Er zijn tientallen andere kandidaten die het heel wat meer waard zijn, in jouw afdeling alleen al.' Marty maakte de envelop open en keek snel door de volgetypte bladzijden, waarna hij ze in zijn zak stopte. 'Je zult mij niet meer zien,' zei Somervale, 'en ik ben ervan overtuigd dat je dat niet erg zult vinden.'
Marty zorgde ervoor dat zijn gezicht niets verraadde. Zijn voorgewende onverschilligheid scheen een golf van afkeer bij de vermoeide Somervale teweeg te brengen. Hij zag zijn slechte tanden toen hij zei: 'Als ik jou was, zou ik God danken vanuit het diepst van mijn hart, Strauss.'
'Waarvoor, meneer?'
'Maar ik denk niet dat je je veel met God bezighoudt, hè?' De woorden hielden in gelijke mate pijn en verachting in. Marty kon er niets aan doen, maar hij zag Somervale in gedachten alleen in een tweepersoonsbed. Een man zonder vrouw, zonder het geloof haar ooit weer te zien en niet in staat tot tranen. Er kwam een andere gedachte in hem op, namelijk dat het stenen hart van Somervale dat met een verschrikkelijke slag was gebroken, niet zo heel veel verschilde van het zijne. Beiden harde mannen, beiden hielden de wereld op een afstand terwijl ze inwendig hun eigen oorlogen streden. Beiden eindigden met hetzelfde wapen dat ze hadden gesmeed om hun vijanden te verslaan en dat nu tegen hen werd gebruikt. Het was afschuwelijk om het je te realiseren en als Marty niet zo opgewekt was geweest door het nieuws over zijn vrijlating had hij er misschien niet eens over nagedacht. Maar zo lag het. Hij en Somervale, als twee hagedissen in dezelfde stinkende modder, leken plotseling wel tweelingen. 'Waar denk je aan, Strauss?' vroeg Somervale.
Marty haalde zijn schouders op. 'Nergens aan,' zei hij.
'Leugenaar,' zei de ander. Hij pakte het dossier op en liep de kamer uit terwijl hij de deur achter zich open liet staan.
Marty belde Charmaine de volgende dag op en vertelde haar wat er gebeurd was. Ze leek heel blij en dat was bemoedigend. Hij trilde toen hij de telefoon had neergelegd, maar hij voelde zich goed. Het leek wel of hij Wandsworth de laatste dagen met andere ogen zag. Alles in het gevangenisleven waar hij aan gewend geraakt was, de oppervlakkige wreedheid, het eindeloze uitjouwen, de krachtmetingen, de seksspelletjes, het leek allemaal weer nieuw voor hem, net als zes jaar geleden.
Het waren natuurlijk verloren jaren. Hij zou ze nooit meer terug kunnen krijgen, hij zou ze nooit met nuttige ervaringen kunnen vullen. Die gedachte maakte hem neerslachtig. Er was zo weinig waar hij de wereld mee tegemoetging. Twee tatoeëringen, een lichaam dat betere tijden had gekend, herinneringen aan woede en wanhoop. In de reis die in het verschiet lag, zou hij met uiterst lichte bepakking reizen.
-
De nacht voor hij Penville zou verlaten, droomde hij. Zijn nachtleven was niet veel bijzonders geweest gedurende de jaren van zijn straf. De natte dromen over Charmaine waren al snel opgehouden, evenals zijn meer exotische fantasieën, net alsof zijn onderbewuste sympathiek tegenover zijn opsluiting stond en wilde vermijden hem met dromen over vrijheid te kwellen. Eens was hij midden in de nacht wakker geworden en zijn hoofd duizelde van zaligheid, maar zijn meeste dromen waren zinloos en net zo saai en zich herhalend als zijn wakende leven. Maar dit was een totaal nieuwe ervaring.
Hij droomde van een soort kathedraal die niet was voltooid, die misschien niet kon worden afgebouwd, een meesterwerk van torens en spitsen en zwevende steunberen, te stevig om in een werkelijke wereld te kunnen bestaan aangezien dat tegen de wet van de zwaartekracht zou zijn, maar hier in zijn hoofd was het ontzagwekkende werkelijkheid. Het was nacht toen hij ernaar toe liep; de steentjes knarsten onder zijn voeten, de lucht geurde naar kamperfoelie en hij kon van binnenuit gezang horen. Opgetogen stemmen, een jongenskoor, dacht hij, dat woordeloos rees en daalde. Er was niemand te zien in de zijdeachtige duisternis om hem heen. Geen medetoeristen om dit wonder te aanschouwen. Alleen hij en de stemmen.
En toen, als door een wonder, vloog hij.
Hij was gewichtloos, de wind had hem in zijn macht en hij steeg met adembenemende snelheid langs de steile kant van de kathedraal. Hij vloog, niet zoals een vogel, maar paradoxaal genoeg als een opgestegen vis. Als een dolfijn, ja, dat was het, zijn armen soms dicht tegen zijn zijden, soms ploegend door de blauwe lucht wanneer hij steeg, een glad, naakt ding dat langs de leistenen streek en lussen maakte langs de torenspitsen, dat met zijn vingertoppen de dauw op de stenen aanraakte en regendruppels van de dakgoten afveegde. Als hij ooit zoiets heerlijks had gedroomd, was hij dat nu vergeten. De verrukking van dit alles was bijna te veel en hij werd met een schok wakker.
Hij was weer terug met wijd open ogen in de benauwde hitte van de cel met Feaver op de brits onder hem die lag te masturberen. De brits schokte ritmisch, de snelheid werd opgevoerd en Feaver kwam met een ingehouden grom klaar. Marty probeerde de werkelijkheid weg te duwen en zich te concentreren op zijn droom. Hij deed zijn ogen weer dicht en dwong zijn fantasie om het terug te laten komen, vooruit, vooruit in de duisternis. De droom kwam één verwarrend moment weer terug, maar dit keer was het geen zaligheid, het was angst en hij stortte van honderden kilometer hoogte neer; de kathedraal kwam snel op hem af en de torenspitsen scherpten zich in de wind in afwachting van zijn komst. Hij schudde zichzelf wakker, hield de duik tegen voor hij afgemaakt kon worden en de rest van de nacht lag hij naar het plafond te staren tot door het raam een droevige duisternis het eerste licht van de ochtend van de nieuwe dag aankondigde.
9
-
Zijn vrijlating werd niet op een roekeloze manier begroet. Een gewone vrijdagmiddag met de normale zaken op Trinity Road. Toy stond bij de receptie op hem te wachten toen Marty van zijn afdeling naar beneden werd gebracht. Hij moest echter nog langer wachten terwijl de ambtenaren allerlei bureaucratische zaken afhandelden; eigendommen werden gecheckt en teruggegeven, ontslagpapieren getekend en nog eens getekend. Die formaliteiten namen bijna een uur in beslag voor de deuren geopend werden en ze de vrije lucht in konden gaan.
Met weinig meer dan een handdruk ten teken van welkom leidde Toy hem over de binnenplaats van de gevangenis naar een donkerrode Daimler die daar geparkeerd stond en waarvan de chauffeursplaats was bezet. 'Vooruit, Marty,' zei hij terwijl hij het portier opende, 'het is te koud om te treuzelen.' Het was koud en er stond een gemene wind. Maar de kou kon zijn vreugde niet bederven. Hij was een vrij man, goddank. Misschien dan vrij binnen bepaalde voorgeschreven limieten, maar het was een begin. Hij liet tenminste alle toestanden van de gevangenis achter zich. De emmer in zijn cel, de sleutels, de nummers. Nu zou hij gelijke keuzes en mogelijkheden hebben die hiervandaan leidden.
Toy had zich al op de achterbank teruggetrokken. 'Marty,' riep hij weer, en wenkte met zijn met suède handschoenen beklede hand. 'We moeten voortmaken, anders komen we midden in de files terecht wanneer we de stad uitrijden.'
'Ja, ik kom.'
Marty stapte in. De auto rook van binnen naar poetsmiddelen, oude sigaretterook en leer. Luxe geurtjes.
'Zal ik mijn koffer in de achterbak zetten?' vroeg Marty.
De chauffeur draaide zich om achter het stuur.
'Er is hier voldoende ruimte,' zei hij. Een Westindiër, niet gekleed in een chauffeursuniform, maar in een gekreukt leren vliegjack. Hij nam Marty eens goed op. Hij glimlachte niet.
'Luther, dit is Marty,' zei Toy.
'Leg de koffer maar op de plaats naast mij,' antwoordde de chauffeur. Hij boog voorover en maakte het voorportier open. Marty stapte uit en legde de koffer en een plastic zak met eigendommen op de voorste zitplaats, naast een stapel kranten en een beduimeld exemplaar van Playboy. Toen ging hij weer terug naar de achterbank bij Toy en sloeg het portier dicht.
'Je hoeft niet zo te smijten,' zei Luther, maar Marty hoorde de opmerking nauwelijks. Niet veel misdadigers worden opgehaald vanuit de gevangenis van Wandsworth in een Daimler, bedacht hij, misschien heb ik dit keer eens geluk. De auto snorde weg en sloeg linksaf Trinity Road op.
'Luther is nu twee jaar bij ons,' zei Toy.
'Drie,' verbeterde de ander hem.
'Werkelijk?' antwoordde Toy. 'Drie dan. Hij rijdt me rond en brengt meneer Whitehead naar Londen.'
'Dat doe ik niet meer.'
Marty ving de blik van de chauffeur op in de achteruitkijkspiegel.
'Ben je lang in de nor geweest?' vroeg de man plotseling zonder de minste aarzeling.
'Lang genoeg,' antwoordde Marty. Hij was niet van plan iets te verbergen; dat had geen zin. Hij wachtte op de volgende en onvermijdelijke vraag: waarom was je daar? Maar die vraag kwam niet. Luther vestigde zijn aandacht weer op de weg en was blijkbaar tevredengesteld. Marty vond het best om het gesprek te laten voor wat het was. Hij wilde alleen maar kijken hoe deze nieuwe wereld voorbijgleed en het allemaal in zich opnemen. De mensen, de etalages, de reclame, hij verslond ieder detail, hoe onbelangrijk het ook was. Hij keek onafgebroken naar buiten. Er was zoveel te zien en toch had hij ergens het gevoel dat het allemaal namaak was, alsof de mensen op straat, in andere auto's toneelspelers waren die hun rol allemaal perfect speelden. Zijn geest worstelde om de golf van informatie te verwerken, overal zag hij nieuwe dingen, op iedere straathoek liep een andere optocht voorbij die gewoon niet echt leek. Het was allemaal opgezet, vertelden zijn hersens hem, het was niet echt. Want kijk eens, deze mensen gedroegen zich alsof ze zonder hem hadden geleefd, alsof de wereld was verder gegaan terwijl hij opgesloten had gezeten en een kinderlijk deel in hem, dat deel van 'doe je ogen dicht, dan ziet niemand je', kon zich niet voorstellen dat het leven door kon gaan zonder dat hij daaraan deelnam.
Zijn verstand vertelde hem natuurlijk iets anders. Wat zijn verwarde zintuigen ook mochten verwachten, de wereld was ouder en vermoedelijk vermoeider sinds ze elkaar niet meer hadden gezien. Hij zou de kennismaking moeten hernieuwen, leren hoe de aard was veranderd, de regels weer opnieuw leren, de overgevoeligheden en de plezierige mogelijkheden.
Ze passeerden een rivier via de Wandsworthbrug en reden door Earl's Court en Shepherd's Bush naar Westway. Het was midden op de vrijdagmiddag en er was een druk verkeer van forenzen die haast hadden om naar huis te gaan. Hij keek schaamteloos naar de gezichten van de automobilisten in de auto's die hen inhaalden, probeerde hun beroep te raden of de aandacht van de vrouwen te trekken.
Langzamerhand begon het bevreemde gevoel een beetje af te nemen en tegen de tijd dat ze de M40 hadden bereikt, begon hij moe te worden van het kijken. Toy was in zijn hoek van de achterbank in slaap gesukkeld met zijn handen op zijn schoot. Luther had het druk met optrekken en remmen op de grote weg. Een gebeurtenis vertraagde hun voortgang. Ongeveer dertig kilometer voor Oxford zagen ze blauwe lichten op de weg voor hen en het geluid van een sirene achter hen die dichterbij kwam, kondigde een ongeluk aan. De rij auto's minderde vaart als een stoet rouwenden die de pas inhield om even in de kist te kijken. Een auto stond omgedraaid op de weg in oostelijke richting; hij was de tussenberm overgestoken en frontaal tegen een bestelauto van de tegenovergestelde kant gebotst. Alle rijbanen in westelijke richting waren geblokkeerd, hetzij door de ravage, hetzij door politieauto's, en de reizigers werden gedwongen door de berm te rijden om de verspreid liggende wrakstukken te ontwijken.
'Kun jij zien wat er gebeurd is?' vroeg Luther die het te druk had met langs de wenkende politieagent te rijden om zelf te kijken. Marty beschreef ie scène zo goed mogelijk.
Er stond een man te midden van de chaos en het bloed stroomde langs zijn gezicht, alsof iemand een eidooier gevuld met bloed op zijn hoofd had kapotgeslagen. Hij was gehypnotiseerd door de shock. Achter hem stond een groepje politieagenten en geredde passagiers verzameld om het in elkaar gedrukte voorste deel van de auto. Ze praatten tegen iemand die ingeklemd op de chauffeursplaats zat. De gestalte zat roerloos in elkaar gezakt. Toen ze erlangs sukkelden, draaide een van de troosteressen zich om. Haar mantel zat onder het bloed, dat van haarzelf of van de chauffeur. Ze begon luid te applaudisseren, tenminste, zo zag Marty het geklap in haar handen, het was net een applaus. Het leek wel of ze onder hetzelfde waanidee leed als hij kort daarvoor dat dit allemaal een nauwkeurig maar misplaatste illusie was en dat het ieder moment zou kunnen ophouden. Hij wilde zich uit het autoraampje buigen en haar vertellen dat het verkeerd was, dat dit de echte wereld was met vrouwen met lange benen, kristalheldere luchten en alles. Maar dat zou ze morgen ook wel weten. Er zou nog voldoende tijd zijn om verdriet te hebben. Maar nu applaudisseerde ze en ze klapte nog steeds toen het ongeluk al uit het zicht verdwenen was.