III - De laatste Europeaan

18

-

Anthony Breer, de Scheermesjes-Eter, keerde laat in de middag naar zijn flatje terug, maakte wat Nescafé voor zichzelf klaar in zijn favoriete kop, ging in de schemering aan tafel zitten en begon een strop voor zichzelf te knopen. Hij had vanochtend al geweten dat vandaag de dag was aangebroken. Het was niet nodig om naar de bibliotheek te gaan; als ze zijn afwezigheid te zijner tijd zouden opmerken en hem schrijven om te informeren waar hij was, zou hij geen antwoord geven. Bovendien had de lucht er net zo smerig uitgezien als zijn lakens die ochtend en aangezien hij een logisch denkend man was, dacht hij: Waarom zou ik de lakens wassen als de wereld zo smerig is en ik ook en er toch geen kans op is dat ze ooit schoon worden? Het was maar het beste om voor eens en voor altijd een eind aan dit ellendige bestaan te maken. Hij had voldoende opgehangen mensen gezien. Op foto's natuurlijk, in een boek over oorlogsmisdaden dat hij op zijn werk had gestolen. Het was gemerkt met 'Niet voor de open planken. Alleen op aanvraag tonen.' De waarschuwing had zijn fantasie direct geprikkeld; dit was een boek dat niet bedoeld was om gezien te worden. Hij had het ongeopend in zijn tas laten glijden en wist door de titel - Sovjetdocumenten over Naziwreedheden - dat het bijna net zo fijn zou zijn om over dit boek te denken als om het te lezen. Maar daar had hij zich in vergist. Ook al had hij er die dag nog zo naar verlangd, wetend dat er zich in zijn tas een verboden schat bevond, die verrukking was niets vergeleken met de openbaringen van het boek zelf. Er waren foto's van uitgebrande ruïnes van het dorp Tsjechov in Istra en andere van de ontheiliging van het huis van Tsjaikovski. Maar hoofdzakelijk, en dat was het belangrijkste, waren er foto's van doden. Sommigen lagen op hopen, anderen lagen in de bloederige sneeuw, stijf bevroren. Kinderen met gebroken schedels, mensen die in greppels lagen met kapotgeschoten gezichten, anderen met swastika's in hun borst en billen gekerfd. Maar voor het gretige oog van de Scheermesjes-Eter waren de beste foto's van de mensen die opgehangen waren. Er was er een waar Breer heel vaak naar keek. Het was een foto van een jongeman die aan een geïmproviseerde galg hing. De fotograaf had zijn laatste ogenblikken weten vast te leggen en hij staarde regelrecht in de camera met een fletse glimlach.

Dat was de uitdrukking die Breer op zijn gezicht wilde hebben als ze de deur van deze kamer zouden openbreken en hem hangend zouden aantreffen, draaiend in de wind die van de gang naar binnen waaide. Hij fantaseerde hoe ze naar hem zouden staan staren, over hem zouden koeren, hun hoofd zouden schudden in verbazing over zijn bleke witte voeten en zijn moed om zoiets te doen. En terwijl hij nadacht, knoopte hij de strop en haalde hem weer uit, vastbesloten om er een zo professioneel mogelijk werkje van te maken. Zijn enige angst was de biecht. Ondanks zijn dagelijkse werk met de boeken waren woorden niet zijn sterkste punt, ze gleden bij hem weg net zoals schoonheid uit zijn dikke handen gleed. Maar hij wilde iets zeggen over de kinderen zodat de mensen die hem zouden vinden en hem zouden fotograferen, zouden weten dat ze niet naar zomaar iemand stonden te staren, maar naar een man die de vreselijkste dingen ter wereld had gedaan om de best mogelijke redenen. Dat was belangrijk, ze moesten weten wie hij was, omdat ze dan misschien te zijner tijd meer van hem konden begrijpen dan hijzelf ooit had gekund.

Ze hadden manieren van ondervragen, wist hij, zelfs met dode mensen. Ze zouden hem in een ijskoude kamer leggen en hem minutieus onderzoeken en wanneer ze klaar waren hem van buiten te bestuderen, zouden ze hem van binnen gaan bekijken en o, wat zouden ze niet allemaal vinden. Ze zouden de bovenkant van zijn schedel eraf zagen en zijn hersens eruit halen, ze nakijken op tumoren, hele dunne schijfjes eraf snijden, net als van dure ham, en het op honderden manieren onderzoeken om het hoe en waarom van hem uit te zoeken. Maar dat zou niet werken. Dat wist hij heel goed. Je sneed iets open dat levend en mooi was om uit te zoeken hoe het leefde en waarom het mooi was en voor je het wist was het dat geen van beide meer en stond je daar met bloed op je gezicht en tranen in je ogen en alleen maar het verschrikkelijke pijnlijke gevoel van schuld. Nee, ze zouden niet veel verder komen met zijn hersens, ze zouden ergens anders moeten zoeken. Ze zouden hem moeten openritsen van zijn hals tot aan zijn schaambeen, zijn ribben moeten kraken en ombuigen. Dan pas zouden ze zijn inwendige kunnen ontrafelen en in zijn buik kunnen rommelen en zijn lever en longen kunnen betasten. En daar, o ja, daar zouden ze voldoende vinden.

Misschien zou dat dan de beste biecht zijn, vroeg hij zich af terwijl hij de strop voor de laatste keer vastknoopte. Het had geen zin om te proberen de juiste woorden te vinden, wat waren woorden trouwens helemaal? Rommel, zinloos voor de werkelijke zin van de dingen. Nee, ze zouden alles vinden wat ze moesten weten als ze maar in hem zouden kijken. Daar zouden ze het verhaal van de verloren kinderen vinden en de glorie van zijn martelaarschap. En ze zouden voor eens en voor altijd weten dat hij hoorde tot het ras van de Scheermesjes-Eters.

Hij maakte de strop af, maakte een tweede kop koffie voor zichzelf en begon het touw stevig te bevestigen. Eerst haalde hij de lamp weg die in het midden aan het plafond hing, toen bond hij de strop daar op zijn plaats. Het was stevig. Hij zwaaide er een paar keer aan om er zeker van te zijn en hoewel de balken een beetje kreunden en er wat pleister op zijn hoofd viel, hield het hem wel.

Het was nu avond geworden en hij was moe; de vermoeidheid maakte hem onhandiger dan gewoonlijk. Hij ruimde de kamer een beetje op; zijn varkensvette lichaam zuchtte toen hij de bevlekte lakens bij elkaar graaide en uit het zicht duwde. Hij spoelde zijn koffiekop om en schonk voorzichtig de melk weg zodat ze niet zuur zou worden voor ze kwamen. Hij zette de radio aan terwijl hij aan het werk was; dat zou helpen om het geluid van de stoel die zou omvallen te dempen wanneer het tijd werd. Er waren anderen in huis en hij wilde geen uitstel op het laatste ogenblik. De normale banaliteiten van een radiozender vulden de kamer: liedjes over verloren en hervonden liefde. Allemaal gemene en pijnlijke leugens.

Er was nog maar weinig daglicht over toen hij klaar was de kamer voor te bereiden. Hij hoorde voetstappen in de gang en deuren die ergens anders in het huis werden geopend toen de bewoners van andere kamers thuiskwamen van hun werk. Zij leefden alleen, net als hij. Hij kende geen van allen bij naam en geen van hen die hem begeleid door de politie zou zien, zou zijn naam weten.

Hij kleedde zich helemaal uit en waste zichzelf bij de gootsteen; zijn testikels waren zo klein als walnoten en lagen strak tegen zijn lichaam aan, zijn buik was zacht, het vet van zijn borst en bovenarmen bibberde toen de kou hem in elkaar deed krimpen. Toen hij zich naar tevredenheid gewassen had, ging hij op zijn matras zitten en knipte zijn teennagels. Toen trok hij schoongewassen kleren aan. Zijn blauwe overhemd en de grijze broek. Hij had geen schoenen of sokken aan. Hij schaamde zich voor zijn lichaam, maar hij was trots op zijn voeten.

Het was bijna donker toen hij klaar was en de avond was zwart en regenachtig. Tijd om te gaan, dacht hij. Hij zette de stoel voorzichtig neer, stapte erop en greep naar het touw. De strop was een centimeter of vijf te hoog en hij moest op zijn tenen gaan staan om hem goed om zijn hals te trekken, maar met een beetje manoeuvreren kreeg hij hem er goed en wel over. Toen hij de knoop stevig tegen zijn huid had aangetrokken, zei hij zijn gebed op en schopte de stoel omver.

De paniek kwam onmiddellijk en zijn handen, waar hij altijd op had kunnen vertrouwen, verraadden hem op dit vitale ogenblik; ze vlogen omhoog en trokken aan het touw dat strakker ging spannen. De eerste schok had zijn nek niet gebroken, maar hij had het gevoel alsof er op zijn ruggegraat een geweldige duizendpoot zat vastgenaaid die naar alle kanten kronkelde en zijn benen raakten in een kramp. De pijn was nog zijn minste zorg: de grootste ellende was zijn gebrek aan controle. Hij rook zijn ontlasting in zijn schone broek zonder dat hij dat gewild had; zijn penis werd stijf zonder dat er enig lustgevoel in zijn uitpuilende hoofd was opgekomen, zijn hielen schopten in de lucht op zoek naar een houvast en zijn vingers graaiden nog steeds aan het touw. Ze waren plotseling niet meer van hem, ze waren allemaal te veel bezig met hun eigen zelfbehoud om rustig te blijven en te sterven. Maar hun pogingen waren voor niets. Hij had het te goed voorbereid om het nog verkeerd te laten gaan. Het touw stond steeds strakker, de steigerende bewegingen van de duizendpoot werden minder. Het leven zou weldra als een onwelkome bezoeker verdwijnen. Er was veel lawaai in zijn hoofd, bijna alsof hij onder de grond was en alle geluiden van de aarde hoorde. Stromende geluiden, het gebulder van grote, verboden waterkeringen, het geborrel van gesmolten steen. Breer, de grote Scheermesjes-Eter, kende de aarde heel goed. Hij had er maar al te vaak dode schoonheden in begraven en hun monden met aarde gevuld als boetedoening voor de storing en hij liet hen erop kauwen terwijl hij hun pastelkleurige lichamen met aarde bedekte. Nu hadden de aardse geluiden alles uitgewist: zijn hijgen, de muziek van de radio en het verkeer buiten. Het zicht verdween ook, er kroop een kanten duisternis de kamer in en de patronen pulseerden. Hij wist dat hij ronddraaide - daar was het bed, nu de kast, nu de gootsteen -maar de vormen die hij zag, werden steeds onduidelijker. Zijn lichaam had het gevecht opgegeven. Zijn tong spartelde, of misschien verbeeldde hij zich die beweging, net zoals hij zich het geluid verbeeldde dat iemand zijn naam riep. Heel plotseling ging het licht helemaal uit en was de dood op hem. Geen stortvloed van spijt kwam samen met het eind, geen lichtende terugblik op een levensgeschiedenis vol schuldgevoelens. Gewoon duisternis en nog diepere duisternis en nu een duisternis zo diep dat de nacht er in vergelijking een verlicht geheel bij was. En toen was het voorbij. Nee, niet voorbij.

Niet helemaal voorbij. Er kwam een zwerm onwelkome sensaties over hem heen, ze braken in op het privé-gebied van zijn dood. Zijn gezicht werd verwarmd door een warm windje dat zijn zenuwuiteinden aanviel. Hij stikte in een moeizame ademhaling, die zonder de minste uitnodiging in zijn samengeklapte longen werd geperst.

Hij vocht tegen de wederopstanding, maar zijn redder was volhardend. De kamer om hem heen begon weer vorm aan te nemen. Eerst licht, toen vorm. Nu kwam er kleur. De geluiden, net onstuimige rivieren en vloeibaar gesteente, waren verdwenen. Hij hoorde zichzelf hoesten en rook zijn eigen braaksel. Wanhoop bespotte hem. Kon hij zichzelf niet eens behoorlijk ombrengen? Iemand riep zijn naam. Hij schudde zijn hoofd, maar de stem kwam weer en dit keer vonden zijn omhooggerichte ogen een gezicht.

En o, het was niet over, verre van dat. Hij was nog niet in de hemel of de hel. Geen van beide konden zich beroepen over het gezicht waar hij nu in staarde.

'Ik was al bang dat ik je had verloren, Anthony,' zei de Laatste Europeaan.

19

-

Hij had de stoel die Breer had gebruikt om tijdens zijn zelfmoordpoging op te staan weer recht gezet en zat erop terwijl hij er net zo keurig uitzag als altijd. Breer probeerde iets te zeggen, maar zijn tong leek te dik voor zijn mond en toen hij er met zijn vingers aan voelde, zaten die onder het bloed.

'Je hebt erop gebeten in je enthousiasme,' zei de Europeaan. 'Je zult een tijdje niet kunnen eten of praten. Maar het geneest wel, Anthony. Alles geneest mettertijd.'

Breer had geen energie om op te staan, hij kon alleen maar blijven liggen met de strop nog om zijn hals en kijken naar het afgesneden touw dat nog steeds van de bevestiging van de lamp naar beneden hing. De Europeaan had het blijkbaar gewoon doorgesneden en hem laten vallen. Zijn lichaam begon te trillen en zijn tanden begonnen te klapperen als die van een krankzinnige aap. 

'Je hebt een shock,' zei de Europeaan. 'Je ligt daar... ik zal wat thee zetten, hè? Zoete thee is precies wat je moet hebben.' Het kostte enige moeite, maar Breer kon zichzelf overeind hijsen naar het bed. Zijn broek was smerig, zowel aan de voor- als aan de achterkant. Hij voelde zich walgelijk. Maar het kon de Europeaan niet schelen. Hij vergaf alles; Breer kende dat. Hij had nooit iemand ontmoet die zo vergevensgezind was. Het vernederde hem om in zijn gezelschap te zijn en overgeleverd te zijn aan de zorgen van zoveel menselijkheid. Hier was een man die zijn geheime corruptie kende en nooit een woord van afkeuring had laten horen.

Terwijl hij op het bed lag en voelde hoe de tekenen van leven in zijn te gronde gerichte lichaam terugkwamen, keek Breer toe hoe de Europeaan thee zette. Ze waren volkomen verschillende mensen. Breer had altijd ontzag voor deze man gevoeld. Had de Europeaan hem niet eens verteld: 'Ik ben de laatste van mijn soort, Anthony, net zoals jij de laatste van de jouwe bent. We zijn in vele opzichten hetzelfde.' Breer had de betekenis van de opmerking niet begrepen toen hij hem voor het eerst hoorde, maar hij was het in de loop van de tijd gaan begrijpen. 'Ik ben de laatste werkelijke Europeaan. Jij bent de laatste Scheermesjes-Eter. We zouden elkaar moeten proberen te helpen.' En de Europeaan had dat ook gedaan, had Breer een paar keer geholpen niet gepakt te worden, zijn overtredingen gevierd en hem geleerd dat het een waardige staat was om een Scheermesjes-Eter te zijn. Hij had nauwelijks iets teruggevraagd voor deze opleiding, wat kleine dienstjes, meer niet. Maar Breer was niet zo vol vertrouwen dat hij niet verwachtte dat de tijd zou komen voor de Laatste Europeaan - noem me alsjeblieft meneer Mamoulian, zei hij altijd, maar Breer kon niet goed aan die gekke naam wennen - om hem een wederdienst te bewijzen. En het zou niet zomaar iets zijn dat hij dan zou vragen, het zou iets verschrikkelijks zijn. Dat wist Breer en daar was hij bang voor.

Hij had gehoopt de schuld te ontlopen door te sterven en nooit opgeroepen te worden. Hoe langer hij van meneer Mamoulian weg was - en het was al zes jaar geleden dat ze elkaar voor het laatst hadden ontmoet - hoe meer de herinnering aan de man Breer angst had aangejaagd. Het beeld van de Europeaan was niet vervaagd in de loop der tijd, integendeel. Zijn ogen, zijn handen, zijn strelende stem waren kristalhelder gebleven terwijl de gebeurtenissen van gisteren waren vervaagd. Het was alsof Mamoulian nooit helemaal weg was, alsof hij altijd een splintertje van zichzelf in Breers hoofd achterliet om zijn beeld op te poetsen wanneer de tijd het smerig had gemaakt. Om iedere daad van zijn ondergeschikte in het oog te houden.

Het was dan ook geen verrassing dat de man nu was gekomen, zijn doodsscène had onderbroken voor hij hem had kunnen uitspelen. Het was ook geen verrassing dat hij nu tegen Breer stond te praten alsof ze nooit uit elkaar waren geweest, alsof hij een liefdevolle echtgenoot van Breers toegewijde vrouw was en de jaren er nooit tussen hadden gelegen. Breer keek toe hoe Mamoulian van de gootsteen naar de tafel liep terwijl hij thee zette, de pot vond, de kopjes klaarzette en iedere huiselijke daad met hypnotiserend gemak deed. De schuld zou betaald moeten worden, dat wist hij nu. Er zou geen duisternis komen voor hij betaald was. Breer begon zachtjes te huilen.

'Huil niet,' zei Mamoulian zonder zich bij de gootsteen om te draaien.

'Ik wilde sterven,' mompelde Breer. De woorden kwamen eruit alsof ze door een mondvol stenen kwamen. 

'Je kunt nog niet sterven, Anthony. Je bent me nog een beetje tijd schuldig. Dat zie je toch wel in?'

'Ik wilde sterven,' was alles wat Breer als antwoord kon herhalen. Hij probeerde de Europeaan niet te haten, omdat de man dat zou weten. Hij zou het zeker voelen en misschien zijn humeur verliezen. Maar het was zo moeilijk: verontwaardiging borrelde door zijn gesnik omhoog.

'Heeft het leven je zo slecht behandeld?' vroeg de Europeaan. Breer snufte. Hij wilde geen biechtvader, hij wilde duisternis. Kon Mamoulian dan niet begrijpen dat hij het stadium van uitleg en genezing gepasseerd was? Hij was stront op de schoenen van een mongool, het meest waardeloze, verstokte ding in de hele schepping. Het beeld van hemzelf als de Scheermesjes-Eter, als de laatste vertegenwoordiger van een eens verschrikkelijke soort, had zijn eigendunk een paar hachelijke jaren intact gehouden, maar de fantasie had al lange tijd de kracht verloren om zijn gemeenheid te rechtvaardigen. Het was niet mogelijk om dezelfde truc twee keer toe te passen. En het was een truc, gewoon een truc. Breer wist dat en haatte Mamoulian des te meer om zijn manipulaties. Het enige waaraan hij kon denken, was dat hij dood wilde.

Had hij de woorden hardop gezegd? Hij had zichzelf niet horen spreken, maar Mamoulian gaf hem antwoord alsof hij dat wel had gedaan.

'Natuurlijk wil je dat. Dat begrijp ik wel. Jij denkt dat het allemaal een illusie is: rassen en dromen en verlossing. Maar neem maar van mij aan dat dit niet zo is. Er is nog een doel in deze wereld. Voor ons beiden.'

Breer legde de rug van zijn hand op zijn gezwollen ogen en probeerde zijn gesnik onder controle te krijgen. Zijn tanden klapperden niet meer, dat was tenminste iets. .

'Zijn de jaren zo wreed geweest?' informeerde de Europeaan. 

'Ja,' zei Breer nors.

De ander knikte en keek met enig medeleven in zijn ogen naar de Scheermesjes-Eter, of in ieder geval met iets dat daarop leek. 'Ze hebben je tenminste niet opgesloten,' zei hij. 'Je bent voorzichtig geweest.'

'Je hebt me geleerd hoe dat moest,' gaf Breer toe.

'Ik heb je alleen laten zien wat je al wist, maar je was te veel in de war gebracht door andere mensen om het te zien. Als je het bent vergeten, kan ik het je nog wel eens laten zien.'

Breer keek naar zijn kop zoete thee zonder melk die de Europeaan op de tafel naast het bed had gezet.

'.. .of vertrouw je me niet langer?'

'De dingen zijn veranderd,' mompelde Breer met zijn opgezwollen mond.

Nu was het Mamoulians beurt om te zuchten. Hij ging weer op de stoel zitten en nam een slokje van zijn eigen thee voor hij antwoord gaf.

'Ja, ik ben bang dat je gelijk hebt. Er is steeds minder plaats voor ons hier. Maar wil dat zeggen dat we ons moeten overgeven en sterven?'

Terwijl hij naar het eenvoudige aristocratische gezicht keek, naar de obsederende holte van zijn ogen, begon Breer zich te herinneren waarom hij deze man had vertrouwd. De angst die hij had gevoeld, verdween en de woede ook. Er hing een rust in de lucht die langzaam in Breers lichaam begon door te dringen. 'Drink je thee op, Anthony.'

'Dank je.'

'En dan moet je een andere broek aantrekken.' Breer bloosde, hij kon er niets aan doen.

'Je lichaam reageerde heel natuurlijk, je hoeft je niet te schamen. Zaad en schijt houden de wereld in stand.'

De Europeaan lachte zachtjes in zijn theekopje en Breer, die voelde dat de grap niet ten koste van hem was, lachte ook. 'Ik ben je nooit vergeten,' zei Mamoulian. 'Ik heb je gezegd dat ik naar je terug zou komen en ik meende het.' Breer hield zijn kopje tussen zijn nog steeds trillende handen en keek Mamoulian aan. De blik was onpeilbaar, net zoals hij zich herinnerde, maar hij had een warm gevoel voor deze man. Zoals de Europeaan had gezegd, hij had hem niet vergeten, hij was niet weggegaan om nooit meer terug te komen. Misschien had hij zo zijn redenen om hier nu te zijn, misschien was hij gekomen om zijn betaling van een lang uitgestane schuld te krijgen, maar dat was beter dan totaal vergeten te zijn, nietwaar? 

'Waarom ben je nu teruggekomen?' vroeg hij en zette zijn kopje neer.

'Ik heb zaken te doen,' antwoordde Mamoulian. 

'En daar heb je mijn hulp bij nodig?'

'Juist.'

Breer knikte. De tranen waren nu helemaal opgehouden. De thee had hem goed gedaan; hij voelde zich sterk genoeg om een paar brutale vragen te stellen. 'En ik dan?' was het antwoord.

De Europeaan fronste zijn voorhoofd bij die vraag. De lamp naast het bed flikkerde alsof het peertje op een kritiek moment was aangekomen en op punt stond om uit te gaan. 'En jij dan?' vroeg hij.

Breer voelde dat hij op een riskante manier bezig was, maar hij was vastbesloten om vol te houden. Als Mamoulian hulp wilde, zou hij er iets voor terug moeten geven.

'Wat levert het mij op?' vroeg hij.

'Je kunt weer bij me komen,' zei de Europeaan.

Breer gromde. Het aanbod was niet bepaald verleidelijk.

'Is dat niet genoeg?' wilde Mamoulian weten. Het lamplicht werd steeds onbestendiger en Breer was plotseling zijn zin in brutaalzijn verloren.

'Geef me antwoord, Anthony,' hield de Europeaan aan. 'Als je bezwaren hebt, zeg het dan.'

Het geflikker werd erger en Breer wist dat hij een fout had gemaakt door Mamoulian tot een overeenkomst te dwingen. Waarom had hij er niet aan gedacht dat de Europeaan een hekel had aan loven en bieden? Instinctief raakte hij de afdruk van de strop om zijn hals aan. Het was diep en permanent. 'Het spijt me...' zei hij nogal slapjes.

Vlak voor de lamp het definitief begaf, zag hij Mamoulian zijn hoofd schudden. Een kort schudden, net een tic. Toen was de kamer gehuld in duisternis.

'Ben je er nog, Anthony?' mompelde de Europeaan. De stem, normaal gesproken zo gelijkmatig, was uit zijn evenwicht gebracht.

'Ja. ..' antwoordde Breer. Zijn luie ogen wenden niet met de normale snelheid aan de duisternis. Hij kneep zijn ogen even halfdicht en probeerde de omtrekken van de Europeaan vast te stellen in de omhullende duisternis. Hij had de moeite niet hoeven doen. Luttele seconden later leek er iets in de kamer aangestoken te worden en plotseling voorzag de Europeaan in zijn eigen verlichting. Nu, met deze huiveringwekkende lantaarn die zijn geest deed wankelen, waren de thee en de verontschuldigingen vergeten. De duisternis, het leven zelf, was vergeten. En er was alleen maar tijd in een kamer die binnenstebuiten was gekeerd met schrikbeelden en bloemblaadjes om naar te staren en misschien, als je nog voldoende gevoel voor het bespottelijke had, om een gebed op te zeggen.

20

-

Alleen achtergebleven in Breers armoedige zitslaapkamer ging de Laatste Europeaan zitten en speelde patience met zijn pak lievelingskaarten. De Scheermesjes-Eter had zichzelf verschoond en was uitgegaan om de nacht te verkennen. Als hij zich concentreerde, kon Mamoulian de parasiet met zijn geest vinden en in zijn plaats ondergaan wat de andere man ondervond. Maar hij had geen zin in dergelijke spelletjes. Bovendien wist hij maar al te goed wat de Scheermesjes-Eter zou doen en het stond hem eerlijk gezegd tegen. Alle vleselijke achtervolgingen, of het nu conventioneel of pervers was, stonden hem tegen en naarmate hij ouder werd, werd zijn afkeer intenser. Sommige dagen kon hij het nauwelijks verdragen naar het menselijke dier te kijken zonder dat de ontwijkende blik van diens oog of de roze tong hem misselijk maakte. Maar Breer zou nuttig kunnen zijn in de komende strijd en zijn bizarre verlangens gaven hem een inzicht, ofschoon grof, in de tragedie van Mamoulian. Een inzicht dat hem tot een plooibaardere dienaar maakte dan de meeste metgezellen die de Europeaan in zijn lange leven had gehad.

De meeste mannen en vrouwen die Mamoulian had vertrouwd hadden hem verraden. Het patroon had zichzelf door de jaren heen zo vaak herhaald dat hij er zeker van was dat hij op een dag gewend zou zijn aan de pijn die dat soort verraad veroorzaakte. Maar hij had een dergelijke onverschilligheid nooit bereikt. De wreedheid van andere mensen, hun harteloze gebruik van hem, kwetste hem altijd weer en hoewel hij zijn liefdadige hand naar alle mogelijke soorten psychisch gehandicapten had uitgestrekt, was een dergelijke ondankbaarheid onvergeeflijk. Misschien, peinsde hij, als dit laatste spel voorbij was - als hij al zijn schulden in bloed, angst en nacht had opgehaald - zou hij wellicht die afschuwelijke drijfveer kwijt zijn die hem dag en nacht kwelde en die hem zonder enige hoop op vrede naar nieuwe ambities en nieuw verraad dreef. Misschien zou hij in staat zijn om te gaan liggen en te sterven als dit allemaal voorbij was.

Hij had een pornografisch pak kaarten in zijn handen. Hij speelde er alleen mee als hij zich sterk voelde en dan nog alleen. De beelden van uiterste sensualiteit aan te raken was een soort test voor hemzelf, een die wanneer hij faalde, hem ook in zijn privé-leven liet falen. Vandaag was de smerigheid op de kaarten tenslotte alleen maar menselijke verdorvenheid; hij kon de afbeeldingen omdraaien en er niet door van streek raken. Hij had zelfs waardering voor hun vernuft, de manier waarop iedere kaart blijk gaf van een ander detail van seksuele activiteit. Harten vertegenwoordigden de mannelijk/vrouwelijke vereniging, hoewel ze niet werden beperkt door de missionarishouding. Schoppen waren oraal, beschreven eenvoudige fellatio en de meer uitgebreidere variaties daarop. Klaver was analyserend: de niet-figuurkaarten lieten homoseksuelen en heteroseksuele sodomie zien, de azen anale seks met dieren. Ruiten, de meest verfijnde van het pak, waren sadomasochistisch en hier had de fantasie van de kunstenaar geen grenzen meer gekend. Op deze kaarten ondergingen mannen en vrouwen alle mogelijke manieren van vernedering: hun vernielde lichamen droegen stervormige wonden om iedere kaart te markeren. Maar de grofste afbeelding van het pak was de Joker. Hij was een coprofiel en zat met hongerige ogen voor een bord vol dampende uitwerpselen terwijl een schurftige aap met een gruwelijk naakt, menselijk gezicht zijn rimpelige achterwerk aan de toeschouwer toonde.

Mamoulian pakte de kaart op en bestudeerde het plaatje. Het loerende gezicht van de stront etende idioot bracht een bittere glimlach op zijn bloedeloze lippen. Dit was beslist het meest menselijke portret. De andere tekeningen op de kaarten met hun voorwendsels van liefde en fysiek plezier verborgen alleen de verschrikkelijke waarheid voor een poosje. Vroeg of laat, hoe rijp het lichaam ook was, hoe glorieus het gezicht ook, wat rijkdom, macht of geloof ook konden beloven, werd een man begeleid naar een tafel die kreunde onder het gewicht van zijn eigen uitwerpselen en gehoorzaamde aan het bevel het op te eten, ook al kwam zijn instinct ertegen in opstand.

Daarom was hij hier. Om een man stront te laten eten. Hij liet de kaart op tafel vallen en er klonk een kort lachje. Spoedig zou er sprake zijn van een geweldige foltering, van verschrikkelijke handelingen.

Er zou geen put diep genoeg zijn, beloofde hij de kamer, de kaarten en de kopjes en de hele smerige wereld.

Geen put zou diep genoeg zijn.