1 Mina

Lang voor ik Mina leerde kennen, kende ik haar geschiedenis al.

Het was een verhaal dat moeder ons vaak had verteld: hoe haar beste vriendin, begaafd en beeldschoon – een soort genie volgens moeder – voortdurend werd gedwarsboomd, in haar ontwikkeling werd gefrustreerd door de kleingeestigheid van haar familie, haar sterke wil geknakt door een cultuur waarin voor vrouwen geen plaats was. Ik hoorde over de klassen die Mina had overgeslagen en de klassen waarvan ze de beste was, ook al was het altijd enigszins tot verdriet van haar ouders, die zich drukker maakten over haar huwelijkskansen dan over haar schoolrapport. Ik hoorde over alle jongens die verliefd op haar waren en dat ze, toen ze twaalf was, zelf verliefd werd, waarna haar vader, toen hij een briefje van haar vriendje in haar wiskundeboek vond, haar een gebroken neusbeen sloeg. Ik hoorde van haar zenuwinzinking en haar eetproblemen en, natuurlijk, over de gedichtenverzameling die haar moeder op een avond in de open haard gooide tijdens een woordenwisseling over de vraag of Mina mocht gaan studeren om schrijfster te worden.

Misschien kwam het doordat ik het zo vaak hoorde zonder de vrouw zelf te kennen, maar jarenlang waren Mina Ali en haar talenten en beproevingen als de hardnekkige geur van kerrie in de gangen en kamers van ons huis: een voortdurende aanwezigheid in mijn leven waarvan ik weinig notitie nam.

Toen, op een zomermiddag toen ik acht was, zag ik een foto van haar. Toen moeder Mina’s laatste brief uit Pakistan openvouwde, viel er een handgrote, glanzende kleurenfoto uit. ‘Dat is je tante Mina, koerban,’ zei moeder terwijl ze hem opraapte. ‘Kijk eens hoe mooi ze is.’

Ze was inderdaad mooi.

De foto toonde een opvallende vrouw die in een rieten stoel zat tegen een achtergrond van groen lover en oranje bloemen. Haar gitzwarte haar ging grotendeels schuil onder een bleekroze sjaal en het haar en de sjaal omlijstten samen een adembenemend mooi gezicht: hoge jukbeenderen, licht geaccentueerd met een vleugje rouge, amandelvormige ogen en een kleine, smalle neus boven een paar volle lippen. Haar gelaatstrekken vormden een volmaakte harmonie, die een belofte van bescherming inhield, van tederheid, maar dat niet alleen. Want haar ogen verriedden een intensiteit die met dit teken van moederlijke zorgzaamheid in tegenspraak was, die althans minder eenduidig maakten: die ogen waren zwart en vervuld van een doordringend licht, alsof haar blik langdurig was gescherpt aan de slijpsteen van een naamloze innerlijke pijn. En hoewel ze glimlachte, was haar glimlach eerder verholen dan gul en deed hij, evenals haar ogen, iets vermoeden wat geheimzinnig en ongrijpbaar was, iets waarvan je meer wilde weten.

Moeder bevestigde de foto aan de deur van onze koelkast, met behulp van dezelfde regenboogvormige magneetjes waarmee ze het menu van mijn schoollunch ophing. (Dit was het menu dat moeder elke avond voorafgaand aan een schooldag raadpleegde om te zien of er die dag geen varkensvlees werd geserveerd – en of ik dientengevolge geen eten mee moest nemen – en dat ik elke ochtend raadpleegde in de hoop dat er rundvleeslasagna – mijn lievelingsgerecht – op het menu stond.) Twee jaar lang ging er geen dag meer voorbij zonder dat ik minstens een terloopse blik op die foto van Mina liet vallen. En het gebeurde niet zelden dat ik, terwijl ik ’s ochtends mijn melk opdronk of na schooltijd mijn hapje string cheese naar binnen werkte, er langer bij stil bleef staan en naar haar beeltenis staarde zoals ik soms op een zomermiddag naar het oppervlak van de vijver in Worth Park tuurde, in de hoop een glimpje te ontdekken van wat er in de diepte school.

 

Het was een bijzondere foto en er was, zoals ik een paar jaar later van Mina zelf te weten zou komen, een even bijzondere geschiedenis aan verbonden. Mina’s ouders, die erop rekenden met de schoonheid van hun dochter een lucratieve huwelijkspartner in de wacht te kunnen slepen, huurden een modefotograaf in om foto’s van hun dochter te maken, en de foto in kwestie werd uitgekozen om – via een koppelaar – in handen van Hamed Suhail, de enige zoon van een rijke familie in Karachi, te worden gespeeld.

Hamed werd verliefd op Mina zodra hij de foto zag.

Anderhalve week later maakten de Suhails hun opwachting bij de familie Ali en aan het eind van het bezoek hadden de vaders met een handdruk de verloving van hun kinderen bezegeld. Moeder beweert dat Mina geen hekel aan Hamed had en dat Mina altijd had gezegd dat ze best gelukkig met hem had kunnen worden als Irshad, Ahmeds moeder, er niet was geweest.

Na de bruiloft verhuisde Mina naar Karachi om bij haar schoonfamilie in te trekken, en de problemen tussen schoonmoeder en schoondochter begonnen al de eerste avond dat Mina er was. Irshad kwam haar slaapkamer binnen met een ketting van dikke, donkerrode stenen, een granaten collier, een erfstuk van de familie dat – zo legde Irshad uit – al vijf generaties van moeder op dochter was overgegaan. Maar omdat ze zelf geen dochter had, was Irshad altijd voornemens geweest dit familiejuweel op een dag aan de vrouw van haar enige zoon te schenken.

‘Doe het eens om,’ zei Irshad, uitnodigend.

Mina deed het collier om. En toen ze beiden in de spiegel keken, kon het Mina niet ontgaan hoe Irshads ogen zich zilverig vernauwden, en ze herkende de afgunst.

‘Dat moet je niet doen, ammi,’ zei Mina, en ze haalde de ketting van haar hals.

‘Wat moet ik niet doen?’

‘Ik weet niet... ik bedoel, hij is zo mooi... Weet je wel zeker dat je hem aan mij wilt geven?’

‘Maar ik geef hem je nu ook nog niet,’ antwoordde Irshad, opeens kortaf. ‘Ik wilde alleen maar even zien hoe hij je stond.’

Gekwetst door Irshads plotseling veranderde houding gaf Mina de halsketting aan haar schoonmoeder terug. Irshad pakte hem aan en liep zonder nog een woord te zeggen de kamer uit.

Zo begon Irshads vijandschap. Eerst kwamen de hatelijke opmerkingen, fluisterend of in het voorbijgaan gemaakt, over hoe koppig het ‘nieuwe meisje’ was, hoe ze als een dienstmeid over haar bord gebogen zat te eten, of dat ze, zoals Irshad het noemde, wel een ‘muisje’ leek. Algauw kwamen ook de veranderingen in de huishoudelijke gang van zaken, bedoeld om Mina het leven moeilijk te maken: huispersoneel werd naar Mina’s kamer gestuurd om schoon te maken terwijl ze nog sliep en uit het familiemenu werden die gerechten geschrapt waar Mina het meest van hield; de stroom van hatelijke opmerkingen hield aan, alleen werden ze niet langer sotto voce gemaakt. Van haar kant deed Mina wat ze kon om haar schoonmoeder gunstig te stemmen, maar daarmee voedde ze alleen maar Irshads achterdocht. Als Mina probeerde Irshad te behagen met onderdanigheid, voelde de oudere vrouw de verandering van tactiek en vatte ze die op als een bewijs van een sluw karakter. Irshad begon nu geruchten te verspreiden over haar schoondochters ‘zwervende blik’ en ‘lange vingers’. Ze zei tegen haar zoon dat hij Mina uit de buurt van het mannelijke personeel moest houden en tegen haar personeel dat ze hun voorwerpen van waarde achter slot en grendel moesten bewaren. (Noch Hamed noch zijn vader – die beiden doodsbang voor Irshad waren – stak een vinger uit om het groeiende conflict te bezweren.) En toen het plezier van de verbale mishandeling afnam, ging Irshad over tot lichamelijk geweld. Als Mina haar kleren liet slingeren, of voor haar beurt sprak in het bijzijn van gasten, kreeg ze slaag. Toen Mina een keer opmerkte dat het eten niet zo pittig gekruid was als anders, vatte Irshad dat op als een belediging en sleurde ze haar schoondochter bij de haren van tafel en de gang op.

Veertien maanden na het begin van deze groeiende nachtmerrie raakte Mina in verwachting. Om aan de mishandeling te ontkomen en haar zwangerschap ongestoord te kunnen voltooien, keerde ze terug naar haar familie in de Punjab. Daar beviel Mina, drie weken te vroeg en in afwezigheid van haar echtgenoot – die zich, uit angst zich zijn moeders toorn op de hals te halen, niet bij haar durfde voegen – van een zoon. En toen ze na haar bevalling, die een hele dag had geduurd, uitgeput in haar ziekenhuisbed lag, verscheen er, net toen haar moeder even de kamer was uitgegaan om in de kantine een kop thee te gaan halen, in de deuropening een man in een lange donkere jas. De man kwam de kamer in en vroeg haar of ze Amina Suhail, geboren Ali, was.

‘Dat is juist,’ antwoordde Mina.

De man kwam naar haar bed toe met een envelop in de hand: ‘Uw echtgenoot heeft zich van u laten scheiden. Hierin bevinden zich de papieren die de scheiding officieel maken. Hij heeft eigenhandig – u zult het handschrift herkennen – geschreven dat hij van u scheidt, van u scheidt en van u scheidt. Zoals u ongetwijfeld weet, mevrouw Suhail... ik bedoel mejuffrouw Ali, is dit zoals de wet het voorschrijft.’ Hij legde de envelop, voorzichtig, op haar buik. ‘U bent zojuist bevallen van Hamed Suhails zoon. Hij heeft voor de jongen de naam Imran gekozen. Imran blijft bij u tot hij zeven jaar is, waarna de heer Hamed Suhail het recht van volledige, onbetwiste voogdij krijgt.’ De notaris deed een stap terug, maar hij was nog niet uitgesproken. Mina staarde hem vol ongeloof aan. ‘Alles wat ik u heb meegedeeld is overeenkomstig de wet die thans geldt, de vijftiende juni van het jaar 1976, in het land Pakistan, en u bent bevoegd de voogdij in rechte aan te vechten, maar ik wil u adviseren, mevrouw Suhail... ik bedoel mejuffrouw Ali, dat zo’n geding u niet zal baten en uw familie alleen maar op kosten zal jagen die zij niet kan dragen.’

Daarop draaide de notaris zich om en liep de kamer uit.

Mina huilde dagen- en nachten- en nog wekenlang, waarbij ze het gezichtje van haar pasgeboren spruit in bittere tranen drenkte. Maar al was ze totaal verpletterd door Hameds onmenselijke gedrag – en doodsbang voor zijn dreigement dat hij op een dag haar zoon zou komen halen – kirde ze, toen ze haar kind in de ogen keek, toch de naam die haar inmiddels ex-echtgenoot zonder haar had gekozen.

Ze noemde het jongetje Imran.

 

Ik hoorde voor het eerst dat moeder Mina naar Amerika wilde halen in de winter van 1981. De gijzelaars waren net terug uit Iran en er brandden Amerikaanse vlaggen op het avondnieuws. Het was zaterdagmiddag, theetijd, en mijn ouders zaten tegenover elkaar aan de keukentafel zwijgend van hun kopjes te nippen. Ik zat aan de andere kant, met mijn rug naar het glas melk dat moeder voor me had neergezet. Ik keek naar een half dozijn vliegen die tegen het raam vlogen dat uitkeek op de tuin.

‘Weet je, koerban, misschien komt je tante Mina wel bij ons logeren,’ zei moeder na een poosje. ‘Koerban?’

Ik draaide me om. ‘Wanneer?’ vroeg ik.

‘Hoe eerder hoe beter. Bij haar familie thuis wordt ze stapelgek. En die jongen moet nodig het land uit... anders neemt zijn vader hem mee. Ze moeten daar allebei weg.’

Moeder zweeg en wierp een blik naar vader, die zat te bladeren in een hengelsportblad en het gesprek niet had gevolgd.

Ik keek weer naar de zwarte vliegen die langs het koude glas zoemden.

‘Wat een vliegen! Waar komen die toch vandaan?’ riep moeder opeens uit. ‘En op zolder zitten er ook zoveel! God mag weten hoe ze daar zijn gekomen!’

Vader keek op van zijn hengelsportblad en zei geërgerd: ‘Je zegt dat alsof we het nog niet hebben gehoord, alsof je het voor de eerste keer zegt. Maar het is niet de eerste keer. Ik werk eraan.’

‘Ik had het niet tegen jou, Naveed.’

‘Maar tegen wie heb je het dan?’ vroeg vader scherp. ‘De enige andere persoon hier is de jongen, en ik zie niet wat die ermee te maken heeft.’

Moeder keek hem aan met een uitdrukkingsloos gezicht. Vaders grijsgroene ogen keken kil naar haar terug. Daarop verdiepte vader zich weer in zijn hengelsportblad.

Moeder stond op van tafel en liep naar de koelkast. ‘Het zal niet gemakkelijk zijn, koerban. Ook als we het kunnen organiseren, is het nog de vraag of haar ouders haar laten gaan. Soms vraag ik me af of ze haar niet gewoon in hun buurt willen houden om iemand te hebben die ze het leven zuur kunnen maken. Weet je wat haar vader heeft gedaan? Hij heeft haar boeken verkocht! Kun je ’t je voorstellen? Mina zonder haar boeken!’

Moeder wierp een blik op vader en keek toen vol verwachting naar mij. Ik begreep dat ze wilde dat ik iets zou zeggen, maar ik wist niet wat.

‘Waarom heeft hij haar boeken verkocht?’ vroeg ik ten slotte.

‘Omdat hij gelooft dat boeken de schuld van de scheiding zijn. Van boeken heeft ze zo’n scherpe tong gekregen... dat zei hij altijd over haar intelligentie. “Die geeft haar alleen maar een scherpe tong.”’ Weer wierp moeder tersluiks een blik op vader.

Hij ging alleen even verzitten en sloeg in zijn tijdschrift een bladzijde om.

Moeder haalde grommend een kan uit de koelkast. ‘Hayat, haar intelligentie brengt haar alleen maar ongeluk. Als een moslima te intelligent is, moet ze daarvoor boeten. En die boete betaalt ze niet in geld, behta, maar in de vorm van mishandeling.’ Moeder zweeg even, in de hoop dat vader zou reageren. Hij reageerde niet. ‘Weet je wat Freud heeft gezegd, behta? Die geniale meneer?’

Ik wist weinig meer van Freud dan dat mijn moeder me zo nu en dan graag vertelde wat hij had gezegd. ‘Hij heeft gezegd dat zwijgen dodelijk is. Als je nooit ergens over praat... dan raak je vanbinnen helemaal verknipt.’ Ze wierp weer een heimelijke blik op vader.

Ditmaal keek hij op, maar niet vanwege iets wat zij had gezegd. Vader gooide zijn hoofd achterover en dronk in één teug zijn theekop leeg. Moeder deed met een klap de deur van de koelkast dicht. Vader zette het kopje neer en sloeg nog een bladzijde om.

‘Ik vertel je dit omdat je nu nog mijn behta bent, maar straks ben je een man. En dit is iets wat je moet weten...’

Ik keek weer naar het raam, waarachter een dieprode zon bezig was onder te gaan, onder plukjes paarsroze wolken die als dotten suikerspin boven de horizon hingen. De vliegen probeerden nog steeds tevergeefs door het glas heen te prikken.

‘Wat zijn die beesten irritant. Waar komen ze toch vandaan?’ klaagde moeder weer onder het schenken.

Opnieuw zwijgen. Tot ik eindelijk vaders stem achter me hoorde: ‘Hier.’

Ik draaide me om en zag dat hij zijn tijdschrift opgerold in zijn vuist hield en het mij toestak. ‘Sla ze dood, dan zijn we ervan af.’

‘Laat hem dat niet doen,’ zei moeder op een vreemde, smekende toon. ‘Doe het zelf, Naveed.’

Vader verrroerde zich niet en bleef met het tijdschrift in zijn uitgestoken hand voor me staan.

Ik pakte het aan en ging naar het raam. Ik mikte en mepte. Het glas schudde. Er viel één vlieg, de andere zoemden wild in het rond. Ik moest nog een keer of tien meppen voor ik ze allemaal te pakken had. Toen ik klaar was, lagen de vliegen dood op de keukenvloer.

‘Goed gedaan,’ zei vader terwijl hij het tijdschrift weer terugnam. Hij scheurde de omslag eraf, verfrommelde die en stak de prop in zijn lege theekopje. Daarna liep hij de keuken uit.

Moeder gooide haar waterglas leeg in de gootsteen en kwam naar me toe. ‘De volgende keer doe je niet wat hij zegt,’ siste ze me toe. ‘Dan doe je wat ik zeg.’

 

Het huwelijk van mijn ouders was bijna van meet af aan problematisch. Ze hadden elkaar leren kennen en waren verliefd geworden in Lahore, waar ze beiden studeerden. Moeder deed psychologie en vader medicijnen. Ze trouwden en vader kreeg als beste student van zijn jaar een plaats aangeboden in een uitwisselingsprogramma in het kader waarvan hij zich in Wisconsin kon specialiseren als neuroloog. Moeder brak haar studie af om met hem mee te gaan – ze had nog altijd spijt dat ze niet de tijd had genomen om af te studeren – en raakte aldus ver van huis, in een landelijke westelijke buitenwijk van Milwaukee, op een steenworp afstand van het zuivelproductiegebied waarvan het landschap zo plat als een tafel was en maandenlang bedekt met sneeuw. Het was een plek waar ze niets van begreep. En ze was er met een man die haar vrijwel meteen na hun aankomst in Amerika begon te bedriegen. Kortom, toen ik tien werd, was ze al jaren ongelukkig geweest.

Ongeveer een week na het incident met de vliegen werd ik midden in de nacht wakker zonder te weten of ik waakte of droomde. Mijn slaapkamer werd door een flakkerend oranje schijnsel verlicht. Buiten hoorde ik geschreeuw. Het geronk van een motor leek de lucht te doen trillen. Ik stapte uit bed en liep naar het raam. Door een sluier van wervelende sneeuwvlokken ontwaarde ik een chaotisch tafereel: een brandende auto en erachter twee felle lichtbundels waardoorheen gestalten in het zwart heen en weer liepen. Het duurde even voor ik zag dat het een brandweerauto was. De brandweerlieden stonden verspreid om het vuur heen en trokken aan een witte slang. Plotseling klonk er een luid gesis terwijl de witte slang langs ongelijke geledingen verstijfde en een weerbarstig melkachtig schuim uitspuwde.

Ik wist nog steeds niet of ik waakte of droomde.

‘Terug in je bed jij,’ hoorde ik achter me. Ik draaide me om en zag moeder in de deuropening staan, met ogen die, net als de auto buiten, in lichterlaaie stonden. ‘Een van je vaders witte hoeren heeft z’n Mercedes in brand gestoken.’ Ze kwam de kamer binnen en ging naast me staan. Samen zagen we hoe de brandweermannen het vuur doofden. Het duurde niet lang. Het vuur was bijna onmiddellijk uit en het natte, raamloze karkas van de auto rookte nog zwakjes na.

Moeder wendde zich tot mij en haar ogen schitterden nog, al was de kamer weer in donker gehuld: ‘Zie je, behta, daarom zeg ik altijd tegen je: laat je niet in met witte vrouwen.’

Ze bracht me terug naar mijn bed en stopte me in met een kus. Toen ze weg was stond ik weer op en ging terug naar het raam. Ik zag vaders lange, slungelige gestalte lopen door de vallende sneeuw. Hij ging de brandweermannen voor naar binnen. Ik kroop weer in bed en sliep in bij het gemompel van mannenstemmen dat via de trap van beneden tot me doordrong.

De hele nacht droomde ik van brand.

Toen ik de volgende ochtend beneden kwam om te ontbijten, was vader er niet.

‘Waar is papa?’ vroeg ik.

‘Naar zijn werk,’ antwoordde moeder. ‘Hij moest mijn auto nemen,’ voegde ze er met een voldaan lachje aan toe terwijl ze twee borden met paratha’s en eieren op tafel zette.

‘Paratha’s?’ vroeg ik. Normaal maakte ze paratha’s alleen maar in het weekend.

‘Eet maar lekker op, schatje. Het is je lievelingskostje, dat weet ik.’

Moeder ging tegenover me zitten, scheurde een stuk af van het in ghee gebakken brood dat ik zo lekker vond en gebruikte het om de dooier uit haar ei te peuteren. ‘Zeker weer zo’n witte hoer van hem die besloot dat ze zijn beloften zat was,’ begon moeder. ‘God mag weten wat hij deze heeft beloofd. Hij drinkt te veel en dan kletst hij allerlei onzin waarvan hij zich later waarschijnlijk niks meer kan herinneren. Ze stopte het in de eidooier gedoopte stuk paratha in haar mond en begon te kauwen. ‘Daarom drinken wij niet, koerban, omdat je er onbekwaam van wordt. Het maakt dat je domme dingen gaat doen.’ Dikke geeloranje druppels kleefden aan haar lippen terwijl ze kauwde en sprak: ‘Geef een moslimman een borrel en hij gaat als een idioot achter de witte vrouwen aan!’

Ik wist al van vaders maîtresses sinds de avond dat moeder me als vijfjarig jochie meesleepte door de straten van Milwaukee op zoek naar vader, die we uiteindelijk vonden in de flat van een vrouw van zijn werk in het ziekenhuis. Ik wachtte in het trappenhuis terwijl mijn moeder en mijn vader op de overloop boven mij tegen elkaar tekeergingen. Als kind bleven maar weinig details van haar problemen met vader mij bespaard. En toen ik tien was, kende ik mezelf al goed genoeg om te weten dat, als ik te goed zou luisteren naar wat ze zei, mijn bloed zou gaan koken.

Ik hield me gedeisd, in de hoop dat ze vanzelf van het onderwerp zou afstappen, maar dat was niet waarschijnlijk. Ze was die ochtend bijzonder energiek. Zelfs haar uiterlijk – gewoonlijk onverzorgd, haar ronde gezicht steeds strakker en magerder van verbittering, haar dunne, bruine haar vaak tot ver in de avond verward alsof ze pas uit bed was gekomen – zelfs haar uiterlijk was deze ochtend anders dan anders. Ze had gedoucht en zich aangekleed alsof ze echt van plan was uit te gaan. ‘Maar nu krijgt hij de kans om eens iets goeds te doen,’ zei ze, terwijl ze nog een stuk paratha afbrak. ‘Nu krijgt hij de kans om iemand in nood te helpen. Je tante Mina heeft iemand nodig die haar en die jongen helpt... ik kan er gewoon niet van slapen als ik eraan denk wat zij allemaal doormaakt. Het jongetje is al vier. Als ze daar weg willen, moeten ze het nu doen. Anders is het te laat.’ Ze nam weer een hap en schudde al kauwend haar hoofd. ‘Je kunt je vrouw en je kind niet zomaar voor het oog van de wereld vernederen. Hij twijfelt aan dit en hij twijfelt aan dat. Maar nu heeft hij geen keus meer. Ze komt en dat houdt hij niet tegen. Na gisteravond is hij dat aan mij verplicht.’

‘Mam, straks mis ik de bus.’

Ze keek op naar de klok. ‘Je hebt nog tijd. Vijf minuten. Eet eerst even af.’

‘Ik heb geen honger. En ik moet mijn tas nog inpakken. Mijn huiswerk.’

‘Drink je sap dan op.’

Ik stond van tafel op en leegde mijn glas sinaasappelsap. Voordat ik weg kon gaan greep moeder me vast en trok me naar zich toe. ‘Meri-jaan, onthou goed: het geheim van een gelukkig leven is respect. Respect voor jezelf en voor anderen. Dat heb ik van mijn vader geleerd, behta, die jij niet hebt gekend... en dat was een wijze man. Je zou bijna kunnen zeggen dat hij niet echt een moslim was. Hij had meer van een jood.’

‘Ik moet echt mijn tas gaan inpakken, mam,’ jammerde ik.

‘Goed, goed,’ zuchtte ze. Ik kuste haar wang en rende naar mijn kamer om mijn spullen voor school te pakken.