16 Nikah

Op de middag van de huwelijksplechtigheid stonden vader en ik in de schitterende hal van het Atwater Hotel, toen een kleine man in een rood kostuum en met golvend peper- en zoutkleurig haar door de draaideur naar binnen kwam, met een jongen van ongeveer zijn eigen lengte aan zijn zijde. De man zag ons staan en kwam naar ons toe. ‘Bent u hier voor het trouwfeest?’ vroeg hij met een zwaar Pakistaans accent.

Vader knikte. De man stak zijn hand uit. ‘Mirza. Mirza Hassan.’

‘Naveed Shah,’ zei vader, de hand schuddend. ‘Aangenaam.’

‘Dit is mijn zoon, Farhaz...’

De jongen gaf vader een hand. Daarna mij.

‘Farhaz?’ vroeg ik verbaasd. ‘De hafiz?’

‘Jep,’ antwoordde hij, koeltjes. Hij leek in niets op wat ik me had voorgesteld: lang, veel langer dan ik, met een breed, sterk gezicht. En doordringende ogen die op mij neerkeken, soms met mededogen, soms met minachting, maar stralend van hemelse heerlijkheid. Voor mijn geestesoog had hij zelfs, net als de Profeet in mijn droom, een spleetje tussen zijn tanden gehad. Maar daar was hij dan, amper groter dan ikzelf, met kleine, doffe ogen en zilveren brackets op zijn tanden. En hij werd kaal. Zijn schedel was al duidelijk zichtbaar onder de dunne, vettige slierten die zijn kruin nog maar amper bedekten. Zonder de brackets en de rode vlekken van ontstoken jeugdpuistjes op zijn gezicht zou ik hem minstens vijf jaar ouder hebben geschat dan hij was.

‘Hoe heet uw zoon?’ vroeg Mirza aan vader.

‘Hayat,’ antwoordde vader. Hij keek mij aan. ‘Gedraag je, alsjeblieft.’

Ik gaf eerst Mirza een hand en toen Farhaz.

‘Dus jij bent een hafiz?’ vroeg ik weer.

‘Dat zei ik, ja.’

‘Inderdaad...’ Mirza wendde zich tot vader en voegde er trots aan toe: ‘...de eerste in onze familie.’

Vader negeerde de opmerking.

‘En wat doet u voor de kost, Naveed?’

‘Ik ben medicus.’

‘Fantastisch! Ik doe in medische apparatuur,’ zei Mirza enthousiast, en hij trok zijn portefeuille. ‘Welk specialisme?’

‘Neurologie.’

‘Aha! Geweldig, geweldig!’ Mirza haalde een visitekaartje te voorschijn en overhandigde dat aan vader. ‘Voornamelijk hartbewakingsapparatuur, maar je kunt niet weten, doctor Shah.’

Vader staarde afwezig naar het kaartje en stopte het in zijn zak.

‘Wat een hotel is dit!’ zei Mirza, het atrium van de hal in ogenschouw nemend. Het was drie verdiepingen hoog, met twee stel donkere, mahoniehouten balkons, ondersteund door rijk gebeeldhouwde pilaren. Aan de muren van de hal hingen schilderijen keurig naast elkaar. Mirza wees naar de doeken en zei: ‘Ik heb me laten vertellen dat dit allemaal authentieke victoriaanse kunst is. Hier hangt voor tonnen.’

Vader veinsde belangstelling. Zijn blik dwaalde omhoog naar de dakkapel van glas en traliewerk waardoor een grijswitte, betrokken novemberdag zichtbaar was.

Bij de draaideur verscheen Sunil, die een nieuw pakje sigaretten van de wikkel ontdeed.

‘Daar hebben we de man van het moment!’ riep Mirza uit. ‘Klaar voor de grote dag?’

‘Nu wel,’ grapte Sunil, naderbij komend met een sigaret in zijn opgestoken hand. ‘Naveed? Wil je er een?’

Vader schudde zijn hoofd.

Sunil knikte en gaf zichzelf vuur. ‘Naveed Shah, Mirza Hassan.’

‘We hebben al kennisgemaakt,’ zei Mirza.

Sunil wierp een blik naar de balie en blies een rookwolk uit. Daar stonden imam Souhef en Ghaleb Chatha naar ons te kijken, Souhef in een luisterrijke djellaba die om zijn indrukwekkende taille bolde, Chatha in een sober Nehru-kostuum.

Sunil stak zijn vinger omhoog om aan te geven dat hij eraan kwam. ‘Zooo... dus de jonge geleerden hebben al kennisgemaakt?’ vroeg hij, zich tot Farhaz en mij wendend.

Farhaz staarde hem niet-begrijpend aan.

‘Ik heb je toch van Hayat verteld, behta,’ verduidelijkte Sunil, rook uitblazend. ‘Hij studeert om een haaafiz te worden, net als jij.’

Ik voelde vader naast me verstarren en wierp tersluiks een blik naar hem. Hij bekeek Sunil vol minachting.

‘Betere moslims dan wij ooit zullen wezen,’ grapte Mirza.

‘Je vergist je,’ zei vader kortaf. ‘Hij heeft zijn studie gestaakt.’ Vader wendde zich tot mij. Ik kromp ineen, bang dat hij me zou slaan. Sunil zag het.

‘Betere moslims dan wij, inderdaad,’ zei Sunil zacht, terwijl hij vader bleef aankijken. ‘Er wordt op me gewacht,’ zei hij ten slotte, rook uitblazend. ‘Ik moet de kamer klaarmaken voor de nikah.’

‘O! Succes dan maar!’ zei Mirza, opgewonden.

‘De volgende keer dat je me ziet, ben ik getrouwd,’ zei Sunil. Hij draaide zich om en zette koers naar de balie waar Ghaleb en Souhef op hem wachtten.

‘Het is hartverwarmend om te zien dat zoiets mogelijk is,’ zei Mirza, naar Sunil kijkend. ‘Het is een wonder, na wat hij heeft doorgemaakt... gewoon een wonder. Masjallah! Masjallah!’

Vader keek een andere kant uit, inwendig kokend.

‘En wat is uw relatie tot de familie?’ vroeg Mirza.

Vader deed geen poging zijn weerzin te verbergen: ‘Vrienden van de bruid.’

‘O.’ Ik kon niet zien of Mirza zijn best deed vaders gedrag te negeren, of dat hij het gewoon niet opmerkte. Maar in beide gevallen leek hij me een aardige man. ‘Wat een prachtige geschiedenis is dat. Na alles wat zij heeft meegemaakt. En nu heeft die jongen een prachtige vader gevonden!’

Vader haalde zijn schouders op en gromde een antwoord.

‘Neemt u mij niet kwalijk, heren...’ hoorden we iemand zeggen, en toen we opkeken zagen we een jonge, blonde man in een smoking en witte handschoenen, die ons aansprak. ‘We verwachten er behoorlijk wat van jullie, en we willen de hal graag vrijhouden. De ontvangstruimte is dáár.’

Vader verroerde zich niet. Hij keek de jongeman alleen maar aan. ‘Behoorlijk wat van jullie? Wie zijn die jullie, als ik vragen mag?’

‘Meneer, als ik me vergis, moet u het zeggen, maar u komt toch voor de bruiloft van Chatha-Ali?’

‘Inderdaad.’

‘De ontvangstruimte is dáár, meneer,’ zei de jongeman kortaf. De minachting in zijn stem was onmiskenbaar. Hij hief zijn arm en wees naar de gang. ‘Sta me toe u de weg te wijzen.’

‘Ga je gang, jongeman!’ zei Mirza uitnodigend en hij stapte naar voren, tussen vader en de man in de smoking in.

‘Neem jij Hayat mee naar binnen?’ zei vader tegen Mirza. ‘Ik ga naar buiten.’

‘Da’s best, doctor-sahib.’

Vader wendde zich tot mij: ‘Als je moeder vraagt waar ik ben, zeg dan maar dat ik wat telefoontjes moest plegen.’

‘Oké,’ zei ik.

Ik keek naar Farhaz. Hij staarde me aan. Ik probeerde zijn blik vast te houden, maar het lukte me niet.

‘Kom mee, jongens,’ zei Mirza en met een klopje op mijn rug nam hij ons mee.

 

De kroonluchterzaal van het Atwater was indrukwekkend. Als je door de zes meter hoge mahoniehouten dubbele deur de zaal in kwam, zag je hem hangen: de reusachtige, schitterende kroonluchter – minstens zo groot als een kleine olifant – waarnaar de zaal was genoemd. Hij fonkelde als een diamant in het zonlicht en vulde de zaal met wit licht. De lambrizering van de zaal was – evenals de deuren en veel van het houtwerk – donker mahonie van kleur. De vloeren hadden de lichtere tint van iepenhout. Er waren twee rijen van elk twaalf tafels neergezet – voor de mannen aan de ene kant, voor de vrouwen aan de andere – en elke tafel was gedekt met een groen kleed met in het midden een lichtblauwe vaas met verse witte pioenen. Tegen een wand van ramen aan de linkerkant was een podium geplaatst waarop drie stoelen en een tafel stonden, elk afgedekt met een gouden kleed. Wij waren niet de eersten in de zaal: aan de overkant waren mensen van een cateringbedrijf bezig met stapels dienbladen en borden; achter het podium stond een jongeman aan een mengpaneel de geluidsinstallatie te testen en een breedgeschouderde vrouw met een hoofddoek op liep tussen de tafels door en zette kaartjes bij de stoelen, terwijl een meisje, waarschijnlijk haar dochter, ook met een hoofddoek op, in haar kielzog volgde.

Mirza ging ons voor naar een tafel, maar hij leek niet zeker van zijn zaak. Hij wendde zich tot zijn zoon: ‘Ga jij eens aan je tante Neema vragen waar we moeten zitten.’

Farhaz sjokte weg naar de vrouw en haar dochter.

‘Waar kom jij vandaan, behta?’ vroeg Mirza aan mij.

‘Wij wonen hier.’

‘Dat is makkelijk. Wij komen net met de auto uit Michigan. Zeven uur rijden en geen stukje natuur gezien. Zeven uur! Ik verga van de rugpijn.’ Mirza keek naar zijn zoon, die een vel papier bestudeerde dat de breedgeschouderde vrouw in haar handen hield. ‘Ach wat, al die nodeloze poeha. Ik ga gewoon zitten... En hoe heet jij, behta?’

‘Hayat.’

‘Hayat, wat een aardige naam. Ben jij ook een hafiz, behta?’

‘Nog niet.’

‘Maar je bent onderweg, toch?’

Ik knikte.

Mirza keek nogmaals naar zijn zoon, die nu naar ons terugkwam. ‘Hij heeft er drie jaar over gedaan. Hij had een prima leraar... Maar begrijp me goed, ik heb die man voor elke minuut betaald. Het heeft me een fortuin gekost.’ Mirza zweeg en dacht na. ‘Maar het is het waard. Elke cent en nog honderd miljoen meer.’

‘Pa, we zitten aan tafel vijftien,’ zei Farzah, naderbij komend.

‘Welke tafel is dat?’

‘Bij het boeket, zegt ze. Dit is tafel twaalf. Vijftien is daar,’ zei Farhaz, wijzend.

‘Wat een gedoe,’ klaagde Mirza, opstaand.

‘Maar ik weet niet bij welke tafel jij moet zijn,’ zei Farhaz tegen mij.

‘Ik ga wel bij jullie zitten.’

‘Mij best,’ zei hij. Ik volgde hem naar de andere tafel, en we gingen zitten.

‘Zo, Farhaz,’ zei Mirza. ‘Onze jonge vriend hier leert ook voor hafiz.’

‘Ik weet het, pa. Oom Sunil heeft het me verteld. Ik ben niet doof.’ Zijn toon was verrassend afwijzend. Zijn vader keek niet blij, maar in plaats van iets tegen zijn zoon te zeggen, keek hij een andere kant op.

Bij de dubbele deur verschenen mensen. ‘Daar heb je Salman!’ riep Mirza. Hij stond op van tafel en omhelsde even later een man met een dikke krulsnor en een beige Afghaanse hoed.

‘En hoe ver ben je al?’ vroeg Farhaz aan mij. Zijn gezicht was even uitdrukkingsloos als zijn stem.

‘Huh?’

‘Hoeveel djoez heb je al gedaan?’

‘Elf.’

Farhaz knikte. ‘Nog maar negentien te doen, huh? Niet slecht.’

Ik knikte.

‘Man, ben ik fokking blij dat ik daar vanaf ben. Wat een fokking nachtmerrie.’

‘Wat?’

Hij keek me niet-begrijpend aan. ‘Die klotezooi in je kop stampen. Alsof je drie jaar lang elke dag wonderolie moet slikken. Jezus-fokking-mina.’

Een seconde lang kon ik wat hij zei niet thuisbrengen. En toen het tot me doordrong dat hij het over de Koran had, wist ik niet wat te zeggen.

‘Ga je mee, deze kuttent verkennen?’

‘Wablief?’

‘Jij bent nog niet helemaal droog achter je oren, hè?... Ik zei: Ga je mee dit hotel bekijken... zien of er wat te beleven valt.’

‘O, eh, oké,’ zei ik.

We stonden op van tafel, maar voor we op weg gingen, liep Farhaz naar het meisje toe dat de naamkaartjes bij de stoelen aan het leggen was, zei iets tegen haar en wees toen naar de dubbele deur. Ze knikte.

Farhaz kwam terug met een voldaan gezicht: ‘Ze komt naar ons toe als ze klaar is,’ zei hij. ‘Ik heb haar gezegd dat we de zaak gaan verkennen. Kom mee.’

De lange spiegelgang vulde zich met gasten, mannen in sjalwars of kostuums, vrouwen in lange, strakke gewaden, bijna allemaal met hoofddoeken om en kinderen op de arm of om zich heen. We passeerden een puber met een wit gebedsmutsje op. ‘Hé, Hamza, hoe is ’t?’ riep Farhaz.

De jongen keek op. In zijn ogen schitterde de herkenning. ‘Farhaz!’

Ze begroetten elkaar met high fives. Ik vond dat de jongen wel iets op Farhaz leek, met zijn brede kaak en kleine oogjes. Maar hij had nog al zijn haar.

Farhaz wendde zich tot mij: ‘Dit is mijn neef Hamza. Hamza, dit is Hayat.’

‘Hoi, Hayat, hoe is ’t?’

‘Goed,’ antwoordde ik.

‘Wat zijn jullie aan het doen?’ vroeg Hamza.

‘We gaan deze ballentent verkennen,’ zei Farhaz. ‘Kijken of hier wat te beleven valt. Zin om mee te gaan?’

Hamza keek om naar zijn vader, ook iemand met brede kaken en kleine oogjes, die stond te praten met een bejaarde man in een grijs Nehru-kostuum. ‘Ik wou graag met Farhaz mee, Aboe.’

Hamza’s vader keek op: ‘Farhaz, behta. Leuk om je weer te zien. Hoe gaat het met je?’

‘Goed, oom Imtiaz. En hoe gaat het met u?’

‘Goed, goed. En waar gaan jullie naartoe?’

‘We wilden een beetje rond gaan kijken.’

‘Oké, maar geen kattenkwaad, alsjeblieft.’

‘Nee, meneer. Maakt u zich maar geen zorgen.’

Hamza’s vader knikte en hervatte zijn gesprek.

Farhaz voerde ons beiden naar een grote gebogen marmeren trap aan het eind van de gang, waar we in de eerste bocht op een trede gingen zitten en zo een onbelemmerd uitzicht hadden op de gasten die achter elkaar de ontvangstruimte binnengingen.

‘Laten we even op Zakiya wachten,’ zei Farhaz. ‘Ze zou naar ons toe komen, zei ze.’

‘Zakiya, huh?’

‘Ik heb haar al twee jaar of zo niet meer gezien. Die heeft een paar joekels gekregen!’

‘Tieten heeft ze, da’s waar. Maar ze is een nichtje van ons.’

‘En wat dan nog? In de islam mogen we met onze nichten trouwen.’

Hamza haalde zijn schouders op. ‘Ik zou niet veel tijd aan haar besteden. Ze is een beetje irritant. En haar gezicht staat me niet aan.’

‘Ik moet je helaas uit de droom helpen, Hamz, je neukt geen gezicht.’

‘Da’s waar.’

Hamza keek mij aan. ‘Je weet toch wat neuken is, hè?’

‘Huh?’

‘Neuken. Weet je wat dat is?’

‘Best wel,’ zei ik. Ik had geen idee.

Hamza schudde zijn hoofd en zei tegen Farhaz: ‘Hij weet het niet. Vind je dat we het hem moeten vertellen?’

‘Laten we hem dat plezier doen.’

‘Misschien wordt hij wel woest op ons, net als die eh, je weet wel.’

‘Dat joch is een fokking imbeciel.’

‘Hoe heette die ook alweer?’

‘Het zal me een fokking zorg wezen.’ Farhaz keek mij aan. ‘Je gaat toch niet imbeciel doen, hè, als we je vertellen wat neuken is?’

‘Wat bedoel je?’

‘Dat je niet aan je pappie en mammie gaat klikken dat de jongens die je hebt ontmoet je vieze dingen hebben verteld, hè?’

‘Nee.’

 

Ik had het nog niet gezegd of Farhaz was al begonnen met uit te leggen: ‘Kijk, neuken is hoe jij op de wereld bent gekomen. Doordat je vader zijn piemel in je moeder heeft gestoken.’

Ik had geen idee waarover hij het had.

‘Je weet toch wel wat een piemel is, of niet?’

‘Jazeker.’

‘En je weet ook dat meisjes geen piemel hebben?’

‘Ja, natuurlijk.’

Farhaz bekeek me even nadenkend. Als mijn antwoord ietwat onzeker had geklonken dan kwam dat niet doordat ik niet wist dat meisjes geen piemel hadden, maar doordat ik niet wist wat ze dan wel hadden. Behalve die avond, meer dan een jaar geleden, dat ik in de badkamerspiegel die donkere driehoek tussen Mina’s benen had gezien, had nog nooit een vrouw zich naakt aan mij vertoond.

Farhaz keek me onderzoekend aan. ‘Je weet toch dat het daardoor meisjes zijn, hè, doordat ze geen piemel hebben. Dat weet je toch, hè?’ drong Farhaz aan.

‘Ja, natuurlijk.’

Farhaz bleef me aankijken en richtte zich toen geërgerd tot Hamza: ‘Hij weet niet dat ze geen piemel hebben. Wat is er toch mis met dat jong?’

Hamza, vriendelijker, legde mij uit: ‘Meisjes hebben een gleuf. Net of iemand hun piemel eraf heeft gesneden en tussen hun benen een snee heeft gemaakt. Meer hebben ze niet, Alleen die gleuf. En daar steek je hem in.’

Wat hij zei klopte niet met wat ik tussen Mina’s benen had gezien. Ik herinnerde me geen snee of gleuf. Alleen maar die donkere driehoek. Ik wist niet meer wat ik ervan denken moest.

‘Oké,’ nam Farhaz het over. ‘Dus als je piemel hard wordt, stop je hem in de gleuf van een meisje, en dat heet dan seks. En dat is fokking gaaf, man.’

Seks. Ik had dat woord al zo vaak gehoord. Ze zaten allebei te knikken alsof ze wisten waarover ze het hadden, maar wat ze beschreven klonk zo onwaarschijnlijk, zo onnodig, dat ik er de zin niet van zag.

‘Maar waarom zou je dat dan doen?’ vroeg ik.

‘Omdat het zo moet. Zo maak je een baby. Je stopt je piemel in een meisje haar gleuf en spuit je sperma naar binnen. Dat is neuken.’ Farhaz keek Hamza aan. ‘Dat is trouwens wat nikah in het Arabisch betekent.’

‘Wat dan?’ vroeg Hamza.

‘Neuken. Dat weet ik van mijn maatje. Dat is een Arabier. Ik vertelde hem dat ik naar een nikah ging, en toen zei hij dat dat neuken betekent.’

Ze lachten allebei.

Ik luisterde eigenlijk al niet meer naar ze. Er viel me opeens een verontrustende gedachte in.

‘Sperma?’ vroeg ik. ‘Hoe ziet dat eruit?’

‘Wit en plakkerig,’ antwoordde Farhaz. ‘Net als knutsellijm.’

‘Maar het ruikt meer naar bleekwater,’ zei Hamza.

Ze moesten weer lachen.

Plotseling realiseerde ik me dat de witte melkachtige vloeistof die uit mijn penis kwam die middag dat ik mezelf had betast, sperma was geweest. Farhaz loog niet. En het dagende besef dat ik niet kon ontkomen aan wat hij beschreef, maakte een golf van onrust in me los.

‘Ik vind het een smerig verhaal,’ antwoordde ik kwaad.

Farhaz keek me een ogenblik aan en schudde toen zijn hoofd. ‘Wat mankeert dat jong toch?’ vroeg hij aan Hamza.

‘Hij denkt dat dat smerig is. Wacht maar tot hij hoort wat pijpen is.’

Farhaz keek mij aan en lachte. ‘Dat is als je je piemel in de mond van een meisje steekt en ze eraan zuigt.’

Nu wist ik zeker dat ze me op de hak namen.

‘Heb jij weleens van de Profeet gedroomd, Farhaz?’ vroeg ik uitdagend.

‘Heb ik wat?’

‘Heb je weleens gedroomd van de Profeet, vrede zij met hem?’

Farhaz fronste zijn voorhoofd, onzeker en flink geïrriteerd. ‘Nee. Waarom vraag je dat?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik wel.’

‘En wat dan nog?’ vroeg Farhaz.

Ik haalde nogmaals mijn schouders op, innerlijk triomferend.

Hamza keek naar me met een blik waarin een nieuwe belangstelling glinsterde.

Farhaz grinnikte en keek een andere kant op. ‘Daar zul je haar hebben,’ zei hij, opstaand. Onder aan de trap stond Zakiya naar ons te kijken.

‘Hoi, jongelui,’ groette Zakiya guitig terwijl ze naar ons toe klom. Nu ik erop geattendeerd was, moest ik toegeven dat haar boezem groot was. Heel groot. ‘En wat spoken jullie uit?’

Farhaz glimlachte. ‘O, we praten gewoon wat. Hayatje hier had nog niet van de bloemetjes en de bijtjes gehoord...’

Zakiya moest lachen. ‘En nu wel?’

‘We hebben ons best gedaan. Hopelijk slaat het aan... Wat zou je ervan zeggen als we ons in twee groepjes verdelen en op onderzoek uitgaan?’

Zakiya lachte en knikte gretig van ja.

Farhaz keek Hamza aan. ‘Ga jij maar met de jongen de boel beneden verkennen, dan ga ik met Zakiya naar boven. Dan zien we elkaar hier...’ hij keek op zijn horloge, ‘...over een halfuur weer.’

‘De walima gaat zo beginnen,’ wierp Zakiya tegen.

‘Ze steken die walima maar in hun reet.’

Zakiya giechelde.

(Na de officiële huwelijksvoltrekking, de nikah – die achter gesloten deuren in het bijzijn van slechts twee getuigen en een imam plaatsvond – volgde de walima, ofwel receptie. Hierbij kregen de gasten voor het eerst het nieuwe bruidspaar te zien.)

‘Wat vind je ervan, Hamz?’ vroeg Farhaz, op ons neerkijkend.

‘Mij best,’ zei Hamza.

‘Dan gaan we,’ zei Farhaz tegen Zakiya, terwijl hij de trap op liep en haar beduidde hem te volgen. Ze giechelde nog wat en huppelde achter hem aan naar boven.

Hamza wendde zich tot mij. ‘Ben je weleens bij het meer geweest?’

Ik knikte. Ik vond het moeilijk hem aan te kijken. Ik voelde me verward, in mijn hemd gezet. Ik kon me niet bevrijden van het onbehagen dat Farhaz in me had wakker gemaakt.

‘Hé, Hayat,’ porde Hamza me aan. ‘Wat is er met je?’

‘Niks.’

‘Maak je geen zorgen om Farhaz,’ zei Hamza, met een klopje op mijn rug. ‘Volgens mijn ma is hij zo omdat zijn moeder gestorven is.’

‘Is zijn moeder gestorven?’

‘Ja, toen hij negen was of zo.’

‘Wat erg voor ’m.’

‘Ja, dat is het... Maar als wij nou eens naar het meer gingen kijken? Lijkt me best wel gaaf.’

‘Oké.’

De gang stond vol mensen van onze soort, en de hal eveneens. Onze diverse tinten bruin, onze slobberkleren, onze kalotjes en baarden, onze omslagdoeken en hoofddoekjes bepaalden het beeld. Als het personeel achter de balies en bij de deuren niet blank was geweest, had je je in Caïro kunnen wanen, of Delhi, of Bagdad; een architectonisch restant van het koloniale tijdperk dat door de inheemse bevolking in bezit was genomen voor hun eigen ondoorgrondelijke doel. De jongeman in smoking zag het met gemengde gevoelens aan. ‘Mensen! Door-lopen! Al-stu-blieft!’ schreeuwde hij, alsof hij zich tot een menigte richtte waarvan hij niet zeker wist of die hem wel begreep. ‘Naar ach-te-ren!’ gilde hij getergd. Maar hij werd door de menigte straal genegeerd. Het was een aanzwellende, ordeloze, kwebbelende massa waar geen land mee te bezeilen viel. De jongeman in smoking gaf het ten slotte maar op en keerde terug naar zijn post naast het conciërgepodium, waar hij zijn hoofd in zijn handen begroef.

 

Buiten begaven Hamza en ik ons over het trottoir langs winkels, cafés en restaurants omlaag naar de oever van het meer. Boven ons joegen grimmig en grauw de wolken langs de hemel – het werd al donker – maar langs het meer boden het warme, gele licht in de ramen en de gedempte geluiden van etende gasten die van de avond genoten een beeld van een leven dat warm en uitnodigend was. Onderweg werden Hamza en ik snel gepasseerd door een vrouw met hoogblond haar en felrood gelakte nagels die met beide handen een dunne, zwarte regenjas bij de revers bijeenhield. In het voorbijgaan werd mijn neus getroffen door een vaag spoor van een bekende seringengeur. De vrouw stond stil bij de ingang van een restaurant en toen ze zich half omdraaide om de deur open te doen, realiseerde ik me dat ik haar gezicht eerder had gezien. Ik wist alleen niet waar.

Ze verdween naar binnen.

‘Heb je het koud?’ vroeg Hamza

Het was kil, maar ik had een dikke trui aan. Ik schudde van nee. We liepen verder en kwamen nu langs het raam van het restaurant waarin de vrouw was verdwenen. Ik keek naar binnen, maar zag haar niet.

‘Maar hoe zit het nou met die droom van je? Heb je echt de Profeet gezien?’

‘Vrede zij met hem,’ vulde ik aan.

‘Oké. Vrede zij met hem.’

‘Ik droomde dat hij me redde van dat idiote wijf dat achter me aan zat. Hij bracht me naar een moskee en toen gingen we samen voor in het gebed.’

‘Jij ging samen met de Profeet voor in het gebed? Jezus, man, wat gaaf... Ik heb me laten vertellen dat als je droomt van de Profeet, dat je dan naar de hemel gaat.’

Door dit gesprek ging ik me alleen nog maar onbehaaglijker voelen. Meer dan ooit wenste ik dat de droom betekende wat Hamza zei, maar ik wist dat het niet zo was.

We wandelden verder, naar de balustrade langs de oever van het meer. ‘En hoe zag hij eruit?’

‘Wie?’

‘Ja, wie denk je? De profeet.’

Ik wachtte.

‘...sorry,’ zei Hamza. ‘Vrede zij met hem,’ vulde hij aan.

‘Ik weet niet. Hij zag er goed uit. Hij had een gleufje tussen zijn voortanden,’ zei ik.

‘Ik wed dat het een kanjer was,’ zei Hamza, knikkend. ‘Dat zegt mijn vader altijd. Dat als de Profeet nog leefde... dat wij het dan hier voor het zeggen zouden hebben. Net als Bo Svenson in Walking Tall. Heb je die serie gezien?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Hij is de sheriff en hij hoeft alleen maar met een stok te zwaaien en ze doen allemaal wat hij zegt. Mijn vader zegt dat als de Profeet nu zou leven – sorry, vrede zij met hem – dat we dan geen problemen zouden hebben in Israël. Hij zegt dat Palestijnen baby’s zijn. Ze willen dat iemand voor ze zorgt. De Profeet zou zich door niemand – sorry, vrede zij met hem – ooit zo laten behandelen. Hij zou allang Israël hebben veroverd als hij nog had geleefd. Dan hadden we geen problemen meer met de joden. Dan waren er geeneens joden meer.’

Ik hoorde wat hij zei, maar ik luisterde eigenlijk niet meer. We keken nu uit over het meer. De waterspiegel rees en daalde zacht, als een rustige, regelmatige ademhaling. Het was prachtig.

‘Best wel gaaf,’ zei Hamza. ‘Dit meer is groot. Het lijkt wel een oceaan.’

‘Ja, ergens wel.’

‘Heb je het koud?’

‘Een beetje.’

‘We kunnen maar beter teruggaan. Mijn vader wordt woest als ik te lang wegblijf.’

‘Wacht even,’ zei ik, toen hij weg wilde lopen. ‘Is het waar, wat hij zei, dat je je piemel in de mond van een meisje stopt?’

Hamza knikte. ‘Klinkt gek, hè? Wat nog gekker is: er zijn jongens die hun mond in de gleuf van een meisje stoppen. Die steken hun tong erin.’

‘Die wat?’

‘Ik heb het in een tijdschrift gezien.’

Ik schudde mijn hoofd. Ik wilde er niets meer over horen. We liepen terug en naderden het restaurant waarin de blonde vrouw in de overjas was verdwenen. Ik bleef staan bij het raam en keek naar binnen. Ik zag haar, ze stond aan de bar. Naast haar zat een man. Hij had zijn arm om haar middel geslagen. Het duurde even voor ik zag dat het vader was.

Hij luisterde terwijl zij praatte en boog zich zo ver hij kon naar haar toe. Hij nipte aan een glas en knikte beamend. Hij maakte een gelukkige indruk. Zij eveneens.

En toen wilde hij haar kussen.

Alsof hij iets voelde, hield vader zich plotseling in. Zijn blik ging naar het raam. Onze ogen ontmoetten elkaar. Hij verstarde. Toen keek ook de vrouw mijn kant uit. Ik herkende haar nu. Het was de verpleegster uit het ziekenhuis, Julie.

‘Wat doe je, Hayat?’ vroeg Hamza. ‘Waarom blijf je daar staan?’

‘Kom mee,’ riep ik en ik zette er stevig de pas in.

‘Wat is er met je? Voel je je wel goed?’ vroeg Hamza, achter me aan dravend.

Ik stormde vooruit, mijn hart dof bonzend in mijn oren. We waren alweer bijna terug bij het Atwater toen ik mijn vaders stem achter me hoorde: ‘Hayat!’

Hamza hield zijn pas in en draaide zich om.

‘Loop door,’ zei ik.

‘Wie is dat?’

‘Wat kan jou dat nou schelen?!’ schreeuwde ik, flink doorstappend.

‘Hayat! Kom terug!’ riep vader weer.

Ik liep door. ‘Verrek maar,’ mompelde ik, terwijl ik de draaideur van het hotel doorging.

 

Terwijl dit alles zich afspeelde, werd Mina in een hotelkamer op de negende verdieping getrouwd. Het verhaal van haar dramatische huwelijksvoltrekking zou deel van haar legende worden, een episode die moeder zich tot in lengte van jaren zou blijven herinneren en door haar zou worden doorverteld.

Het begon met hoofdpijn. Kort nadat ze die middag naar haar hotelsuite was gegaan, was Mina gaan klagen dat ze zich niet goed voelde. Ze had hoofdpijn en ze voelde zich duizelig en licht in het hoofd. Op een gegeven moment vroeg ze aan moeder of die een raam wilde opendoen. Moeder deed het. Toen vroeg Mina haar om een glas water. ‘Maar koud, bhaj. Heel erg koud.’

Moeder pakte het ijsemmertje uit de badkamer en ging ermee naar de ijsmachine op de gang. Op de gang zag ze Najats deur plotseling opengaan en in de deuropening Najat verschijnen, volledig schuilgaand onder haar zwarte boerka.

Eén seconde verstijfde moeder van schrik.

‘Welke kamer is het, Muneer?’ vroeg Najat. Ze had een tas in haar hand waarin zich Mina’s bruidssieraden bevonden.

1014,’ zei moeder, ‘halverwege de gang.’

Moeder zag Najat door de gang zweven, haar chadorsjaal wapperend in haar kielzog. Najat bleef staan bij de deur en klopte. Ze verdween naar binnen.

Toen moeder met het ijsemmertje terugkwam, was Mina aan een totale paniekaanval ten prooi. Ze zat op de bank en probeerde uit alle macht op te staan. Rabia, haar moeder, hield haar tegen.

‘Maar waar wil je dan heen, behta?’

‘Ik wil hier weg,’ zei Mina steeds weer. ‘Ik wil naar buiten.’

‘Maar waar wil je dan naartoe?’

‘Waar dan ook... Bhaj!’ schreeuwde ze opeens toen ze moeder zag.

‘Wat is er?’

‘Ik moet hier weg.’

‘Rabia, laat haar los,’ zei moeder scherp.

Rabia keek Najat aan – die nu haar boerka had afgelegd – en Najat knikte. Rabia liet haar dochter los, die naar het raam rende.

Ze leunde tegen het kozijn en ademde met snelle, diepe teugen. Toen begon ze het raam verder open te trekken.

‘Wat ga je doen?’ schreeuwde Rabia.

‘Ik wil frisse lucht!’ schreeuwde Mina terug. ‘Ik wil frisse lucht!’

Pas toen Mina met één been op de airconditioning stond, drong het tot moeder door wat ze van plan was. ‘Stop!’ gilde ze en ze rende naar het raam om haar vriendin tegen te houden.

Najat en moeder trokken vervolgens Mina de kamer weer in.

‘Ik moet eruit, ik moet hier weg,’ bracht Mina telkens weer hijgend en steunend uit.

Haar verzet duurde niet lang. Najat bracht haar terug naar de bank en moeder ging naar de badkamer om voor Mina alsnog dat glas water te halen. Toen ze terugkwam hield Najat al een klein, rond, kobaltblauw pilletje in haar geopende hand.

‘Wat is dat?’ vroeg moeder.

‘Valium.’

Moeder gaf Mina het glas water en Najat schoof het pilletje naar voren.

‘Neem maar in. Dan ga je je wel beter voelen.’

Rabia, die naast haar dochter was gaan zitten, nam het pilletje uit Najats hand en bracht het naar Mina’s mond.

Mina keek naar haar moeder, met zwoegende boezem. Toen sloot ze haar ogen en opende ze haar mond. Rabia stak het pilletje tussen haar dochters tanden. Mina sloot haar mond en moeder hield het glas water bij haar lippen.

Mina nam een slokje en slikte.

‘Wacht tien minuten,’ zei Najat, ‘en dan voel je je prima. Je zult het zien.’

Moeder wendde zich tot Najat en vroeg: ‘Hoe kom je daaraan?’

‘Die heb ik altijd bij me,’ zei Najat kalm. ‘Ik heb al jaren last van paniekaanvallen. Ik zou niet weten wat ik zonder die dingen moest doen.’

 

Najat had gelijk. Tien minuten later was Mina’s ademhaling tot rust gekomen en begon ze zich beter te voelen. Ze liet zich glimlachend door de vrouwen aankleden en bleef zelfs nog glimlachen toen – nadat er op de deur werd geklopt en Najat moeder ervan had weerhouden open te doen totdat ze weer onder haar boerka was verdwenen – moeder opendeed en daar de slungelige, in een grijs pak gestoken gestalte van Ghaleb Chatha met zijn kadavereuse blik voor zich zag staan.

‘Is ze klaar?’ vroeg hij.

‘Nog een paar minuutjes en dan is ze zover,’ antwoordde moeder.

‘Nee, bhaj,’ zei Mina loom vanaf haar plaats op de bank. ‘Ik ben klaar.’

‘Doe maar kalm aan,’ zei Chatha. ‘Ik kom alleen maar even zeggen dat Adhan klaar is voor de nikah. En dan moeten de getuigen er ook zijn.’

‘Dank je wel, bhai-jaan,’ zei Mina op zangerige toon.

Chatha staarde haar een ogenblik aan, alsof hij iets vermoedde. ‘Gaat het wel goed met haar?’ vroeg hij.

‘Alles in orde, Ghaleb,’ zei Najat. ‘We komen eraan.’

‘Kamer 1058.’

‘Klinkt goed.’

Een kwartier later vond in kamer 1058 de korte, zakelijke nikah plaats.

De deelnemers schaarden zich rond het zitkamermeubilair: een bank, twee leunstoelen en een salontafel met een witte doek erover, waarop een contract met twee pennen klaarlag, naast een koran. De welgedane gestalte van Souhef zat op een stoel voor de tafel. Op de bank naast hem zat Sunil, met Imran op zijn knie. Mina zat tegenover hen in een leunstoel. Ze droeg geen hijab maar een witzijden chadorsjaal die het grootste deel van haar lichaam bedekte en alleen haar gezicht en handen vrijliet. Er waren twee officiële getuigen vereist, maar omdat Ghaleb de enige mannelijke getuige was, waren er – volgens de islamitische wet – in plaats van één mannelijke getuige twee vrouwen nodig, zodat moeder en Najat samen achter de bank een plekje hadden gezocht. Achter Souhef stond Rafiq nerveus toe te kijken. Naast hem huilde Rabia zachtjes met een zakdoek voor haar mond.

Imam Souhef begon de ceremonie door met uitgestoken handen de korte Arabische tekst te reciteren waarin de traditionele islamitische huwelijkspreek was vervat. Hij gaf deze nikah khoetba ten beste voor een groepje Pakistanen – die allemaal met neergeslagen ogen luisterden – in de oorspronkelijke taal die ze geen van allen verstonden. Nadat hij zijn prevelement had beëindigd, wendde Souhef zich tot Rafiq:

‘Aangezien dit de tweede keer is dat uw dochter in het huwelijk treedt, vereist de sharia niet dat ik u toestemming vraag om uw dochter, Amina Ali, in de echt te verbinden met deze man, Sunil Chatha.’

Rafiq knikte. Souhef richtte zich nu tot Sunil:

‘Hebt u de mahr meegebracht?’

‘Ja, imam.’

Sunil haalde een dikke, baksteenvormige envelop te voorschijn en legde die voor het oog van iedereen op de salontafel neer. De envelop was niet dichtgeplakt en de open flap onthulde dat hij met briefjes van honderd was gevuld.

Souhef wendde zich tot Mina. ‘Bent u tevreden met uw keuze?’ Dit was voor Mina het teken dat ze zich tot Sunil moest richten en de Arabische formule moest opzeggen die ze zes jaar eerder voor haar eerste man, Hamed, had uitgesproken.

An Kah’oe nafsaka a’lal mah’ril ma’loem,’ zei ze, enigszins onduidelijk.

Souhef richtte zich nu weer tot Sunil, die nu zijn bruid moest antwoorden:

Quabiltoen nakaha.’

Souhef knikte. Hij pakte de twee pennen van de tafel en gaf aan Sunil en Mina elk een pen. ‘In aanwezigheid van getuigen heeft de bruid zich ten huwelijk gegeven en de mahr aanvaard, en heeft de bruidegom de bruid aanvaard. Wilt u nu beiden het contract tekenen.’

Sunil kraste zijn handtekening onder het contract en schoof de papieren toen over de tafel naar Mina. Ze wachtte heel even en zette toen haar naam – met een krullerige uithaal – onder de zijne.

‘U bent nu man en vrouw,’ zei Souhef, opstaand. ‘Wij zullen thans het nieuwe echtpaar een ogenblik van privacy gunnen.’

Na deze woorden zette Sunil Imran naast zich neer en ging staan. Hij reikte Mina zijn hand. Ze stond op en hij leidde haar de slaapkamer in.

Imran begon te jammeren toen ze wegliepen. Sunil bleef in de deuropening staan en sprak zijn nieuwe zoontje op strenge toon toe: ‘Geef je vader en moeder een ogenblik om alleen te zijn, behta.’

‘Ja, papa,’ antwoordde Imran zacht.

Toen ze weg waren, kwam Rafiq naar voren en ging naast zijn kleinzoon op de bank zitten. De envelop met geld – vijfentwintigduizend dollar contant – lag nog op de salontafel. Hij pakte hem en stopte hem in een zak van zijn colbert. Toen keek hij Ghaleb aan – die hem gadesloeg – en dankte hem met een knik.

 

Toen ik terugkwam, gonsde de balzaal van leven. Op het podium aan de linkerkant zaten Sunil en Mina naast elkaar, gekleed in smetteloos witte, glinsterende sjalwar-kostuums. Sunil droeg een hoog, goudkleurig, driehoekig hoofddeksel. Mina droeg een vergulde sjerp en haar armen en enkels waren behangen met gouden banden. Naast hen zat Imran, gekleed in dezelfde glanzende witte stof en met een eigen gouden gebedsmutsje op zijn hoofd. Imran keek met grote ogen toe terwijl de bruiloftsgasten naar het bruidspaar toe kwamen, met opgerolde bankbiljetten in de hand om hen heen begonnen te draaien en hen onder het mompelen van gelukwensen met geld bestrooiden. Sunil dankte voor elke gift met een glimlach. Mina’s ogen vertoonden een vreemde, doffe blik.

‘Zo, ben je daar!’

Het was moeder. Ze droeg een lichtgele sjalwar-kamies en een bruine sjaal om haar schouders. Ze zag er doodmoe uit. ‘Waar was je nu?’

Ik aarzelde even. In mijn woede kon ik geen woorden vinden. ‘Bij Hamza,’ bracht ik ten slotte uit.

‘Hamza?’

Ik keek om me heen. Hamza was weggedrenteld en stond nu naast zijn vader bij een van de tafels. Ik wees: ‘Daar.’

Moeder keek me niet-begrijpend aan. ‘Waar is je vader?’

Ik zweeg.

‘Was je niet bij hem?’

‘Hij ging weg. Hij zei dat hij een paar telefoontjes moest plegen.’

‘Telefoontjes plegen? Wat voor telefoontjes?’

‘Dat weet ik niet.’

‘We hebben hier het laatste uur doodsangsten uitgestaan en meneer moet telefoontjes plegen? Met wie dan? Waar is hij, Hayat?!’

‘Dat weet ik niet.’

‘Weet je het niet? Nou, ga hem dan zoeken! En breng hem hier terug!’

Ik was niet van plan hem te gaan halen. En ik ging moeder niet vertellen waar hij was. Ik bleef maar bij haar staan, terwijl de drommen gelukwensers vóór ons het bruidspaar op het podium met geld beregenden.

‘Kom, schiet op! Waar wacht je nog op? Ga hem zoeken!’ zei ze, me wegduwend. ‘Telefoontjes plegen...’ mopperde ze in zichzelf, terwijl ze terugliep naar de vrouwenkant van de zaal.

Ik liep de gang op. Ik wilde in de hal op een bank gaan zitten, maar herinnerde me toen de jongeman in smoking, dus liep ik door naar het eind van de gang, naar de marmeren trap waarop Farhaz, Hamza en ik eerder gezeten hadden.

Na een minuut of wat hoorde ik iets achter me. Ik draaide me om en zag Farhaz en Zakiya hand in hand de trap af komen. De lach op Zakiya’s gezicht verdween zodra ze mij zag en ze rukte haar hand uit die van Farhaz.

‘Waar is Hamz?’ vroeg Farhaz.

‘Binnen,’ antwoordde ik kortaf.

‘Ik moet terug,’ zei Zakiya. ‘Mijn ouders vermoorden me nog.’

‘Ga je gang,’ zei Farhaz.

Zakiya haastte zich de trap af.

‘En, wat zijn de berichten?’ vroeg Farhaz, op zijn gemak de trap afdalend.

‘Huh?’

‘Is er nog iets gebeurd?’

‘Nee, niks.’

‘Soms is dat beter dan andersom,’ zei hij.

 

De zaal was gevuld met de geuren van birjani en currygerechten. Cateringpersoneel stond achter in de zaal klaar om de maaltijd op te dienen. Aan de andere kant van de zaal, op het podium, stond de zwaarlijvige Souhef met een microfoon voor zijn mond van een velletje papier voor te dragen.

‘De Profeet, vrede zij met hem, heeft gezegd dat onder de meest volmaakte gelovigen zich diegenen bevinden die hun vrouwen het best en het liefdevolst behandelen.’ Souhef keek op met een glimlach. In de zaal werd zacht gelachen. Hij stak speels een vinger op. ‘Ja, broeders, zo is het. Zelfs het hapje eten dat de man naar de mond van zijn vrouw brengt, verzekert hem al van een beloning in het hiernamaals. Volgens de Profeet, vrede zij met hem, stroomt de genade van Allah Ta’ala uit de hemel omlaag als een man zijn vrouw met liefde en welbehagen beziet.’

Ik liep door de zaal naar de kant waar de vrouwen zaten, met kinderen op hun schoot of aan hun zijde, gehuld in chadorsjaals, hoofddoekjes of doepatta’s. Moeder was de enige vrouw die niets op haar hoofd droeg en wier mond geen zweem van een glimlach liet zien.

Souhef richtte zich nu rechtstreeks tot Sunil:

‘Als een man de hand van zijn vrouw met liefde in de zijne neemt...’

Souhef zweeg en wachtte. Toen herhaalde hij het:

‘Ik zei, als een man de hand van zijn vrouw met liefde in de zijne neemt...’

Ditmaal begreep Sunil de hint. Er werd weer gelachen – nu vooral aan de vrouwenkant – toen Sunil de hand van zijn vrouw beetpakte.

‘Als een man de hand van zijn vrouw met liefde in de zijne neemt...’ zei Souhef nu voor de derde keer, terwijl hij zich opnieuw tot de zaal richtte, ‘...vallen hun zonden tussen hun vingers door. De liefde tussen een man en zijn vrouw is een grote loutering.’

Moeder kreeg me in het oog toen ik haar tafel naderde. Ze luisterde niet naar Souhef. ‘Waar is je vader?’ vroeg ze.

‘Ik weet het niet. Ik heb overal gezocht.’

‘Schoft,’ mompelde ze. ‘Vuile schoft... Oké, ga maar bij je oom Rafiq zitten,’ zei ze, me wegwuivend.

Op het podium vervolgde Souhef: ‘Onze Profeet – vrede zij met hem – heeft eens gezegd dat als een man opgewekt zijn woning betreedt, Allah, als gevolg van ’s mans gelukkige geesteshouding, een engel creëert die tot de Dag des Oordeels voor hem om vergeving bidt. En zo is het, broeders! Mogen wij onze vrouwen liefhebben. En moge de liefde zegevieren tussen onze blijde bruid en bruidegom.’

Er klonk een warm applaus.

Op de terugweg naar de mannenkant merkte ik dat Sunil naar me keek. Hij boog zich naar Souhef toe en fluisterde hem iets in het oor. Nu keek ook Souhef naar mij. Hij stapte weer naar voren en zei met zijn mond tegen de microfoon:

‘Broeder Sunil maakt mij erop attent dat wij ons vandaag mogen verheugen in de aanwezigheid van twee heel bijzondere jongelui: Farhaz Hassan en Hayat Shah.’

Bij het horen van mijn naam bleef ik staan.

‘Beide jongelui zijn zeer toegewijde jonge moslims en ik vind dat wij hun betrokkenheid bij onze din moeten eren door hen hier even aan u voor te stellen. Farhaz? Hayat?’

Opnieuw klonk er applaus. Farhaz stond op van zijn tafel – waar hij naast Hamza zat – en begon zich al zigzaggend een weg naar voren te banen.

‘Jij ook, Hayat,’ zei Souhef, uitnodigend wenkend. ‘Kom maar naar boven.’

Ik volgde Farhaz naar de trap langs de rand van het podium en stommelde zenuwachtig achter hem aan de treden op. Ik keek omlaag naar moeder. Ze lette niet op en staarde afwezig, in zichzelf mompelend, in het niets. Mijn blik ging naar Mina. Ze keek naar me, met uitdrukkingsloze ogen. Ik lachte naar haar. Haar gezichtsuitdrukking veranderde niet.

Op het podium nam Farhaz naast Souhef plaats en ik naast Farhaz. ‘Deze jongelui zijn waarachtig beter dan wij. Farhaz is pas zestien en hij is al een volledige hafiz. En Hayat hier... Hoe oud ben je, Hayat?’

‘Twaalf,’ antwoordde ik met bevende stem.

‘Twaalf. En hoe ver ben jij gevorderd in de heilige Koran?’

‘Elf djoez.’

‘Masjallah,’ zei Souhef.

Er ging een klein applausje op.

‘In de nikah khoetba komt een passage voor uit Soera An-Nisa, en onze bruidegom kwam op het schitterende idee om deze jongelui daarvan iets voor ons te laten voordragen. Wat vinden jullie daarvan, jongens?’

‘Mij best,’ antwoordde Farhaz schouderophalend.

Ik wendde me to Farhaz en vroeg zenuwachtig: ‘An-Nisa? Welke is dat?’

‘Begint aan het eind van de vierde djoez.’

Ik wist niet hoe de officiële djoez-indeling was. Om mijn vorderingen bij te houden had ik een eigen systeem bedacht, waarbij ik het aantal bladzijden dat ik uit mijn hoofd had geleerd door dertig deelde om een idee te hebben.

‘De hoeveelste soera is het?’ fluisterde ik.

Farhaz keek geïrriteerd. ‘De vierde. Ken je ’m nou of niet?’

Ik knikte opgelucht. Ik kende de soera. Maar alleen onder de vertaalde titel, De vrouwen.

Souhef overhandigde Farhaz de microfoon. Die schraapte zijn keel en sloot zijn ogen. Na een korte stilte bracht hij de microfoon naar zijn mond:

 

Ya ’Ayyuha An-Nasu Attaqu Rabbakumu Al-Ladhi Khalaqakum...

 

Ik was stomverbaasd. Ik had absoluut niet vermoed dat hij de Koran in het Arabisch zou kennen. De klanken die hij voortbracht – de klankverschuivingen en zinswendingen, de abrupte pauzes en ingeslikte medeklinkers – dat alles klonk uit de luidsprekers met glashelder gezag.

 

...Min Nafsin Wa idatin Wa Khalaqa Minh Zawjah Wa Baththa Minhum Rijl an Kathr an Wa Nis’an Wa Attaq...

 

Ik voelde mezelf krimpen. Je hebt je in hem vergist, dacht ik, vol eerbied luisterend. Dit is beter dan jouw stomme droom van de Profeet. Ik keek naar imam Souhef. Hij glimlachte en achter hem zat Sunil te stralen van trots. Ook Mina keek naar ons, maar met een vage gelaatsuitdrukking. Farhaz zweeg. Ik keek weg en mijn blik dwaalde naar de ingang van de zaal.

Daar stond vader, tegen de dubbele deur geleund. Hij stond met zijn armen over elkaar naar mij te staren.

Souhef kwam naar voren en nam de microfoon van Farhaz over. ‘Schitterend,’ zei hij tegen de zaal, ‘zonder meer schitterend.’ Het applaus was snel en krachtig. Farhaz glom van trots.

Souhef richtte zich nu, nog sprekend door de microfoon, tot mij: ‘En, Hayat? Ken jij An-Nisa ook?’

Ik voelde mijn hart door mijn hele lijf bonzen, tot in mijn tenen en vingertoppen. Ik knikte. De imam glimlachte en gaf me de microfoon, maar die gleed met een gil uit mijn hand. Ik veegde mijn bezwete handen af aan mijn broek en bukte me om hem op te rapen. De zaal vol gezichten keek toe. Ik keek nog eens naar vader. Zijn gezicht verbaasde me. Het drukte geen woede uit, maar hulpeloosheid.

‘Soera An-Nisa. De vrouwen,’ begon ik.

 

In naam van God, de Barmhartige, de Genadevolle... O, gij mensen, vreest uw Heer, Die u van één enkele ziel schiep en daaruit haar gezellin schiep en uit hen beiden mannen en vrouwen verspreidde...

 

De klank van mijn eigen stem door de luidsprekers gaf me zelfvertrouwen. Ik deed mijn ogen dicht om de gedachte aan mijn vader buiten te sluiten. Ik ging verder:

 

En vreest God in Wiens naam gij een beroep op elkander doet en weest plichtsgetrouw betreffende de familiebanden. Voorwaar, God is Bewaker over u!

 

Ik voelde een zacht tikje op mijn schouder. Ik keek op. Het was Souhef. ‘In het Arabisch, m’n jongen,’ zei hij op een rustige corrigerende toon.

‘Ik ken het niet in het Arabisch. Alleen in het Engels,’ antwoordde ik. Mijn mond bevond zich zo dicht bij de microfoon dat iedereen het kon horen.

‘Ken je het alleen maar in het Engels?’ vroeg Souhef, verbaasd. ‘Van wie krijg je les?’

‘Ik geef mezelf les,’ antwoordde ik.

‘O ja?’ vroeg Souhef, verwonderd.

Ik knikte. Naast me hoorde ik Farhaz grinniken.

‘Masjallah,’ zei Souhef nu en hij aaide me over mijn hoofd. Hij nam de microfoon uit mijn hand. ‘We hebben hier een hoogst originele jongeman,’ zei hij tegen de zaal, ‘die de Koran in het Engels uit zijn hoofd leert. Hij wordt onze eerste Engelse hafiz, broeders en zusters.’

Souhef zweeg. Aan de tafels werd druk gefluisterd.

‘Laten we deze vrome knapen nogmaals een hartelijk applaus geven.’

Ik keek naar vader, die nog steeds bij de zaaldeur stond toe te kijken.

‘Je bent een sukkel,’ zei Farhaz, onderweg naar het trapje. ‘Heeft niemand je ooit verteld dat het niet telt als het niet in het Arabisch is?’

‘Dat is niet waar.’

‘Geloof je me niet? Vraag het maar aan hem.’ Farhaz keek om en wees naar Souhef.

Ik wendde me tot de imam.

‘Wat is er, m’n jongen?’

‘Farhaz zegt dat het niet telt als ik de Koran niet in het Arabisch heb geleerd.’

‘Arabisch is onze heilige taal, jongeman.’

‘Telt het niet in het Engels?’

‘Telt het niet waarvoor?’

‘Om mij en mijn ouders in de hemel te krijgen.’

Souhef keek me aan, met een zachte glans in zijn ogen. Hij glimlachte en schudde zijn hoofd. ‘Nee, daarvoor moet je het heilige boek in onze heilige taal leren, maar laat je niet ontmoedigen, hoor. Je hebt nog alle tijd van de wereld.’

Ik ging het trapje af en liep naar de mannenkant, mijn ogen op de vloer gericht. Maar wat ik niet zag, hoorde ik wel: er klonk overal gelach – in het gebabbel, in het schuiven van lichamen op stoelen, in de geluiden van het cateringpersoneel dat de maaltijd op ging dienen, zelfs door het verre statische gesis van de luidsprekers werd ik bespot. Ik ging door de grond.

Ik passeerde de tafel waaraan Rafiq en Ghaleb zaten. Rafiq stak een arm uit om me tegen te houden. Hij pakte mijn hand en lachte me vriendelijk toe.

‘Goed gedaan, hoor, behta,’ zei hij bemoedigend. ‘Heel indrukwekkend.’

Ik geloofde hem niet. Voor mijn gevoel school er in zijn lof meer medelijden dan bewondering. Ghaleb, die naast hem zat, maakte geen enkel gebaar jegens mij. Hij staarde me alleen maar aan met zijn stille, grijze blik. Rafiq wees naar een van de twee lege stoelen aan hun tafel. Ik schudde mijn hoofd en liep door, langs Hamza en Farhaz. Hamza stak zijn hand op voor een high five. Ik negeerde hem. Ik durfde Farhaz niet aan te kijken, maar ik hoorde hem in het voorbijgaan spotten: ‘Wat een sukkel! Hij geloofde echt in die onzin!’

Achter in de zaal vond ik een lege tafel. Ik hoorde Souhef in de microfoon zeggen dat het tijd voor de maaltijd was en dat de mannen zich konden gaan bedienen. Er was opeens geroezemoes van stoelen die verschoven werden en mannen die opstonden. Ik zag dat ook moeder was opgestaan. Ze holde door de zaal naar de dubbele deur waar vader had gestaan. Maar hij was verdwenen.