7 De joden en wij
De maaltijd die avond was geen gemakkelijke zaak. De stemming aan tafel was gedrukt. Mina was teruggetrokken, maar Nathan deed wat hij kon om haar te amuseren en in het gesprek te betrekken. Ik vond dat hij er lachwekkend uitzag, met zijn linkeroog, half schuilgaand onder een pleister, trekkend en knipperend terwijl hij praatte en at. En hoewel Mina haar best deed van zijn aandacht te genieten, was ze er kennelijk met haar hoofd niet bij. Op een gegeven moment trok vader zijn standaardlaatje met Nathan-grappen open om de boel wat op te vrolijken, maar zelfs vaders eigen plezier – en hij was altijd de eerste die om zijn eigen grappen moest lachen (en hartelijk ook) – leek onder de loodzware stemming te lijden.
Na het eten gingen Mina en Nathan samen naar de woonkamer. Op dat moment kreeg Imran opnieuw een woedaanval. Hij krijste uit alle macht om zijn moeder, schel en doordringend, als verging hij van de pijn. Mina hield het niet lang uit en ging snel naar boven om hem te kalmeren. Een halfuur later kwam ze weer naar beneden om welterusten te zeggen. Zij en Nathan stonden op en liepen naar de voordeur. Ik ging naar mijn kamer en zag hen door mijn raam de oprit aflopen. Bij zijn auto in het maanlicht boog Nathan zich naar haar toe. Ze sloeg een arm om hem heen en haar hand vond zijn achterhoofd. Ze hielden elkaar zo een hele tijd vast.
Ik zag het met lede ogen aan.
Die avond bood een voorvertoning van de komende vermakelijkheden. Hun verkering was begonnen en Imran zou met zijn gechicaneer voortdurend roet in het eten gooien. Nu mijn zomervakantie was begonnen, moest ik er van moeder voor zorgen dat de jongen tijdens Nathans bezoeken het huis uit was. Ik deed wat ik kon. De eerste keer had ik geluk. Onderweg naar het honkbalveld achter het huis van de Fahls – waar ik op zomermiddagen graag heen ging omdat er altijd wel een potje werd gespeeld – liep ik Denise en Mandy Robinson tegen het lijf, een eeneiige tweeling met krullend bruin haar en dicht bij elkaar staande ogen. Ze vonden het jongetje een ‘snoepie’ om te zien. Ze waren onderweg naar de boomhut van Gartner, een uitgebreid complex van onderling met ladders en touwen verbonden kamertjes waarvan ik Imran al vaak had verteld. Hij wilde het dolgraag zien en ik wilde dolgraag van hem af zijn. Die middag had ik een makkie: Imran vond het heerlijk om met de meisjes te spelen. En toen ze uitgespeeld waren, nam de tweeling hem mee naar het honkbalveld. Helaas bleef mijn geluk tot die ene middag beperkt en was ik de eerste twee weken verplicht hem mee te nemen als ik ging basketballen. En hoe ik ook probeerde hem zover te krijgen dat hij rustig ging zitten kijken, hij werkte nooit mee. Hij bleef ons afleiden en treiteren tot iemand hem een handschoen gaf en hem midden in het buitenveld neerzette, waar hij natuurlijk geen bal kon vangen. Zelfs niet als die hem van drie meter afstand werd toegegooid.
Maar ook mijn babysit-excursies konden het probleem niet werkelijk oplossen. Als ik met Imran thuiskwam, was Nathan er dikwijls nog en maakte de verwachte woedeaanval van de jongen steevast een eind aan zijn bezoek. Vervolgens had vader een idee: de zondag. Het was zijn vrije dag, en hij dacht dat hij, als hij Imran overdag meenam – naar de dierentuin, of vissen (in welk geval ik meestal ook meeging) – Mina en Nathan ten minste één hele onbezorgde middag per week kon geven. Het werkte perfect.
Half juni, toen hun verkering vier ‘zondagen’ oud was, besloot Nathan het er voor het eerst op te wagen en bleef hij ook ’s avonds. Samen met Mina en moeder begroette hij ons toen we na een dag aan het meer thuiskwamen met in onze koelbox de vangst van die dag. Vader haalde het pronkstuk van onze vangst te voorschijn – een groen-zwarte brasem van een pond – en hield hem omhoog, tegen iedereen opscheppend dat de jongen hem gevangen had. (Wat niet waar was; vader had hem zelf gevangen.) Nathan sprak hartelijke en welgemeende woorden van lof en trakteerde Imran, eenmaal binnenshuis, op een verrassingsmand vol nieuw speelgoed. Na het eten speelden ze samen een uurtje en Imran gedroeg zich voorbeeldig. Hij smeet zijn nieuwe speelgoed niet naar Nathans hoofd, hij jankte en jengelde niet toen Mina hem naar bed bracht en weer naar beneden kwam om nog een poosje bij Nathan te zijn.
Hierdoor aangemoedigd, kwam Nathan die week op woensdag na zijn werk weer op bezoek. Maar dat was wat voorbarig, want Imran reageerde met een verbazingwekkende uitbarsting van kleinzielige woede. Hij krijste zo hard en zo langdurig dat ik me afvroeg hoe het mogelijk was dat iemand of iets – een mens of een dier – zoveel lawaai kon maken. Twee dagen later, op vrijdagmiddag, nam moeder me apart en vroeg me om weer op de jongen te passen, omdat Nathan die avond zou komen.
‘Mama? Waarom ontmoeten ze elkaar niet gewoon buitenshuis? Waarom moet hij altijd bij ons komen?’
‘Hou op met klagen.’
‘Ik klaag niet.’
‘Wat doe je dan?’
‘Ik vraag je iets.’
‘Wat vraag je dan?’
‘Waarom kunnen ze elkaar niet ergens anders ontmoeten? Zodat Imran het niet weet...’
Moeders antwoord was neerbuigend, alsof ze vond dat ik dit zelf allang had kunnen weten: ‘Omdat je tante Mina een moslima is en moslims geen verkering hebben.’
‘Maar dat hebben ze wel.’
Moeder fronste haar wenkbrauwen.
‘Niet dan?’ vroeg ik.
Moeder schudde haar hoofd. Ze dacht even na en knikte. Toen schudde ze opnieuw haar hoofd. ‘Niet direct,’ zei ze ten slotte. Vervolgens legde ze uit dat ze Mina’s ouders had beloofd de eer van hun dochter te beschermen, en dat ze, ook al moedigde ze de verhouding met Nathan aan, er ook een strenge grens aan had gesteld: ze liet het paar nooit alleen; altijd als ze samen waren, moest zij erbij zijn. En volgens moeder betekende dit dat er van verkering niet echt sprake was:
‘Als ze naar haar kamer gaan, laten ze altijd de deur open. Ik ga om de tien minuten even kijken. Als ze iets op de tv willen zien, ga ik hier in de keuken zitten luisteren. En afgelopen zondag... toen ze samen naar de Red Lobster wilden? Denk je dat ik ze toen alleen heb laten gaan? Denk je dat echt?’
‘Ik weet het niet.’
‘Dat deed ik dus niet. Ik ben met ze meegegaan. Ze gingen in een booth zitten en Mina wilde niet dat ik hun gesprek kon horen, dus ging ik aan de overkant zitten en hield ik hen voortdurend in de gaten. Niemand zou zoiets toch serieus verkering willen noemen? Hmm?’
Ik denk dat ze ergens wel gelijk had.
Het was eind juni.
Moeder kwam op een avond nog even naar me kijken voordat ze zelf naar bed zou gaan. Toen ze haar hoofd om de deur stak, draaide ik me om, zodat ze kon zien dat ik nog wakker was.
Ze kwam de kamer in en fluisterde: ‘Wat scheelt eraan, meri-jaan?’
‘Ik weet het niet.’
‘Heb je nog laat liggen lezen?’
‘Nee.’
‘Maar wat is er dan?’
‘Geen slaap, denk ik.’
‘Wil je dat ammi even bij je komt, voor de gezelligheid?’
Ik knikte.
‘Aww,’ spon ze poeslief toen ze naast me kwam zitten. Ze streek met haar vingers over mijn voorhoofd. Een hele poos keken we elkaar zwijgend aan.
‘Is alles goed met tante Mina?’ vroeg ik ten slotte.
‘Ze is gelukkig, behta – een beetje in de war, maar gelukkig...’
‘Waarom is ze in de war?’
‘Het wordt nu ernst.’
‘Wat wordt ernst?’
‘Je vader heeft voor één keer eens iets eervols gedaan. Hij heeft tegen Nathan gezegd dat hij zijn bedoelingen duidelijk moet maken. Zoals het nu gaat, kan het niet doorgaan. Tenslotte is Mina een oosters meisje...’ Moeder zweeg en schudde nauwelijks zichtbaar haar hoofd, terwijl er een weemoedig floers voor haar ogen verscheen. ‘En weet je wat die lieverd toen zei?’
‘Nee.’
‘Dat hij zichzelf gelukkig prees dat ze zo openhartig tegen hem was geweest. Hij had niet verwacht dat ze hem zo had willen ontmoeten als ze heeft gedaan. En daar is hij haar dankbaar voor. Het is zo’n gevoelige man. Zo intelligent. Ik heb echt geen idee hoe hij zo dik bevriend met je vader kan zijn. Hoe luidt het gezegde ook weer? Tegenpolen trekken elkaar aan? Zoals Jekyll en Hyde...’
‘Volgens het verhaal was dat één en dezelfde persoon.’
‘Hmm?’
‘Jekyll en Hyde zijn één en dezelfde persoon... volgens mij.’
‘Niet zo brutaal, graag. Wat ik wil zeggen, is: Nathan is een goeie man. Daar gaat het om. Dat druk ik haar steeds op het hart. En een goeie man is moeilijk te vinden. Ik bedoel, dat hoeft niemand haar te vertellen. Ze heeft het in haar eigen leven meegemaakt. En ze kan het hier in huis elke dag nog zien.’ Moeder streek nog steeds met haar vingers over mijn voorhoofd. ‘Het zit haar dwars dat hij joods is. Ik bedoel, en dan is er natuurlijk ook nog Imran. Die steeds maar zegt dat hij geen blanke vader wil. Maar dat is onzin. Ze kan over zoiets geen besluit nemen op grond van wat een kind van vijf zegt.’ Moeder zweeg en trok haar hand weg, terwijl ze haar hoofd afwendde. ‘Nu is ze gefixeerd op het feit dat die man een jood is en wat haar familie er wel van zal zeggen en wat hun kinderen zullen zijn, islamitisch of joods. Ik zeg steeds tegen haar dat ze zich over dat soort dingen geen zorgen moet maken. Maar ze is zo koppig. Totaal gefixeerd.’ Moeder wendde zich weer tot mij en in haar ogen blonk opeens een lichtje: ‘Ik vertel haar steeds maar dat het feit van zijn jood-zijn een voordeel is. Joden weten een vrouw te respecteren, behta. Zij weten hoe ze een vrouw een vrouw kunnen laten zijn, hoe ze haar voor zich kunnen laten zorgen. Zij weten hoe ze een vrouw aandacht moeten geven. Ik heb tante Mina verteld dat hij haar een leven zal geven waarvan ze met een moslimman alleen maar kan dromen. Moslimmannen zijn doodsbang voor vrouwen... allemaal.’ Ze boog zich over me heen en gaf me een kus op mijn neus met haar gezicht vlak bij het mijne en haar gevoelvolle ogen puilden uit van liefde. ‘Daarom voed ik jou anders op, zodat jij wel leert een vrouw te respecteren. Zo is het, koerban, ik voed jou op als een kleine jood.’
Wat moeder die avond over joden zei, had ik al eerder gehoord. Ze zei dikwijls dat soort dingen over hen, zoals ze mensen van het joodse geloof graag noemde: dat ze intelligent waren, dat ze verstand van geld hadden, dat ze nooit hun eigen mensen afvielen, dat ze eerbied voor de positie van de moeder hadden, dat ze van boeken hielden, dat hun mannen zo gevoelig waren, dat ze sterkere persoonlijkheden hadden en dat ze zo’n bijzonder ras waren en dat iedereen hen daarom benijdde, enzovoort, enzovoort, de hele litanie van ons welbekende clichés, die voor haar, toen zij ze voor het eerst hoorde, geen clichés waren geweest maar loftuitingen uit de mond van haar vader, die zijn kinderen inprentte dat de joden het uitverkoren volk waren, door God meer dan andere volken gezegend, soms onuitstaanbaar, misschien – zoals verwende kinderen dat meestal zijn – maar een volk waarvan wij veel konden leren.
Ik had mijn grootvader nooit gekend – hij stierf kort na mijn geboorte – maar ik had veel over zijn respect voor de joden gehoord, een respect dat dateerde uit de jaren die hij als student na de oorlog in Engeland tussen hen woonde. Volgens moeder was hij in het bijzonder onder de indruk geweest van wat hij hun respect voor echte kennis noemde, in plaats van het vanbuiten leren en gedachteloos reproduceren van overgeleverde teksten, zoals dat in zijn ogen bij moslims gebruikelijk was. Tussen de hechte gemeenschappen van joden die de verschrikkingen van Hitlers Endlösung waren ontvlucht, ontdekte mijn grootvader een groep mensen die, ook al hadden ze alle reden om zich – uit levensbelang – te harden tegen elke twijfel aan of onzekerheid omtrent zichzelf, integendeel over de meest uiteenlopende kwesties debatteerden, vooral over kwesties van religieuze aard. Hij ging vooral veel om met één bepaalde familie, de Rosenbergs, die naast hem woonden en bevriend raakten met de toen jonge man uit Pakistan die in Londen rechten studeerde. Jaren later vergastte mijn grootvader zijn kinderen op verhalen over de Rosenbergs, die, evenals hun gasten, de gewoonte hadden boeken te kussen, ook boeken die niet heilig waren, die vrolijk voor en na het eten hun rituele liederen zongen en in alle openheid over alles discussieerden, van de betekenis van hun gebruiken tot de nieuwste ontwikkelingen in de wetenschap en wat die betekenden voor de leerstellingen van de Thora. Deze intellectuele weetgierigheid werd gedeeld door veel joden die mijn grootvader tijdens zijn verblijf in een Londense achterbuurt leerde kennen; een omgang met ideeën die de Rosenbergs en hun vrienden er niet van weerhield hun gebeden te zeggen of Gods zegen te vragen voor het eten, of hun godsdienstplichten te vervullen. Mijn grootvader leerde van zijn contact met deze Londense joden dat nadenken iemands band met de traditie niet hoefde te verzwakken, maar die zelfs kon versterken. Dat was niet wat hij geleerd had van zijn eigen godsdienstonderwijs in de Punjaabse moskeeën waar hem, net als zoveel andere goede soennieten, werd ingeprent dat het streven naar kennis om de kennis zelf het onmiskenbare teken was dat je van het rechte pad dat naar God leidde, was afgedwaald.
Maar terwijl mijn grootvaders respect voor de joodse cultuur zich vooral richtte op bepaalde geestelijke kwaliteiten die hij als waarachtige aanwinsten voor het leven beschouwde, was mijn moeders bewondering voor semitische zaken beduidend grilliger van aard. Om een voorbeeld te noemen: op een dag ontdekte moeder de enige koosjere slager die onze stad rijk was. Het was in Noord, een halfuur rijden als het verkeer meezat, en we kwamen er een keertje toevallig langs. Ze stopte om naar binnen te kijken, geïntrigeerd, zelfs gecharmeerd, door het schouwspel van joden, jonge en oude, die vlees hakten en kochten. De dag daarop ging ze terug om lamskoteletten te kopen die ze die avond voor ons klaarmaakte, waarbij ze vader en mij voorhield dat het vlees ‘niet alleen heiliger, maar ook beter’ was. (Heiliger, beweerde ze, omdat de joden hun dieren net als wij moslims slachtten door ze te laten doodbloeden in het bijzijn van een imam of rabbijn die Gods naam uitsprak.) En zo begonnen wij, de aanzienlijk langere autorit ten spijt, het verpakte vlees van de plaatselijke supermarkt te mijden ten gunste van Yakovs Koosjere Slagerij, en het was niet alleen de heiligheid (of de kwaliteit) van het vlees die het ongemak de moeite waard maakte. Bij Yakov vermaakte moeder zich misschien wel beter dan een klant zich ooit in een slagerswinkel had vermaakt, want ze bleef met Yakov Brustein en zijn twee zoons praten over alles, van het weer tot en met de betekenis van Jom Kipoer.
Ik herinner me dat laatste gesprek nog levendig, want het duurde langer dan een halfuur en in het voetspoor ervan besloot moeder dat achter de Grote Verzoendag van de joden een even mooie gedachte school als achter welke feestdag dan ook en dat iedereen, jood of niet, hem behoorde te vieren. Wat uiteraard inhield dat ook wij hem behoorden te vieren. Dat najaar hield ze me op de bewuste dag thuis, maar echt boeten voor onze zonden deden we niet, tenzij je het eten van een eenvoudige pizzapunt in het winkelcentrum als een straf beschouwt. Na de pizza gingen we naar de supermarkt om een nieuwe corduroy broek voor mij te kopen, dezelfde broek, trouwens, die ik de volgende dag naar school aanhad met een briefje in een achterzak met de mededeling dat ik vanwege een religieuze feestdag was thuisgebleven. Mevrouw Ike, mijn juffrouw in de derde klas – een vrouw wier Noord-Europese uiterlijk even grimmig en streng was als haar innerlijk blijmoedig en zacht – vroeg mij met onschuldige nieuwsgierigheid om welke religieuze feestdag het hier ging.
‘Jom Kipoer,’ antwoordde ik met een vreemd soort genoegen.
Mevrouw Ike wist niet hoe ze het had. ‘Maar je bent toch een moslim, of niet?’
Ik aarzelde. Ergens geloof ik dat het nog niet helemaal tot me was doorgedrongen – hoewel dat in de komende maanden wel, en krachtig, zou gebeuren – dat je niet tegelijkertijd een jood en een moslim kon zijn.
‘Ja, wij zijn moslims,’ zei ik.
‘Dat dacht ik van je moeder te hebben gehoord,’ zei mevrouw Ike, nog steeds in verwarring. En toen vervolgde ze, opgewekt en met een plotselinge glimlach ten teken dat ze geen oordeel velde maar alleen belangstellend was: ‘Ik wist niet dat joden en moslims dezelfde feestdagen hadden. Wat leuk is dat! Een mens is toch nooit te oud om te leren, vind je niet?’
Toch was moeders meestal amusante zwak voor al wat joods was voor wat onze relatie tot de semieten betreft niet het hele verhaal. Want terwijl in mijn familie de gevoelens jegens mensen van het joodse geloof daarin verschilden van die van veel moslims die ik heb gekend dat er een luchtiger kant aan zat, was het meer algemene, duistere en kwaadaardige soort islamitisch antisemitisme iets waaraan ik dikwijls werd blootgesteld, en met bijzonder gedenkwaardige – zelfs doorslaggevende – heftigheid op een decemberavond toen ik negen was.
Mijn ouders waren uitgenodigd voor een etentje bij de Chatha’s thuis (Ghaleb Chatha, de rijke eigenaar van een apotheekketen met wie vader volgens moeder nodig vriendschappelijke relaties moest aanknopen). Het had die avond flink gesneeuwd en ik weet nog dat ik in de erker van Chatha’s vorstelijke woonkamer naar een lucht zat te kijken die in kleine witte stukjes uiteen leek te breken die overal neervielen.
‘Sneeuwt het nog steeds, behta?’ vroeg Chatha aan mij toen hij uit de gang terugkwam. Hij was een lange, magere, vaalbruine man wiens door puisten ontsierde gezicht werd omlijst door een wit gordijn van een baard, een dikke, goed onderhouden strook van oor tot oor. Hij had lange armen en lange, dunne, gerimpelde vingers. Hij gaf me een klopje op mijn hoofd en ik knikte, verbaasd omdat hij me een vraag had gesteld waarop hij het antwoord recht voor zijn neus door het raam kon zien. Hij lachte en keerde toen terug naar zijn plaats in een leunstoel midden in de kamer, waar de mannen bijeen zaten. Vader was er, Chatha, Sonny Buledi, de psychiater die met een Oostenrijkse was getrouwd (dit was voordat Sonny zichzelf atheïst was gaan noemen en zich in de plaatselijke Pakistaanse gemeenschap persona non grata had gemaakt) en twee mij onbekende mannen: een gezette tandarts genaamd Aftab en een kale, broodmagere, nerveuze man genaamd Asif. De mannen zaten apart van de vrouwen, die in de keuken waren. Ik was die avond het enige aanwezige kind. Satya en Otto Buledi waren bij hun moeder, die niet was meegekomen.
‘Waar is je gezin vanavond?’ vroeg Asif aan Sonny. ‘Waarom heb je ze niet meegebracht?’
‘Ze zijn in Oostenrijk,’ antwoordde Sonny. ‘Bij de familie van mijn vrouw.’
‘En waarom ben jij niet bij ze?’ vroeg Asif.
‘Werk. Maar ik ga volgende week naar ze toe.’
‘Met de kerst?’
Sonny aarzelde.
Chatha keek zijn kant uit. ‘Buledi-sahib, je gaat me toch niet vertellen dat je Kerstmis gaat vieren?’ vroeg hij scherp.
Zijn accent was vreemd; de dikke, gekunstelde, Britse bovenlaag vervormde – maar verborg absoluut niet – de Punjaabse tongklak en zangerigheid eronder.
‘Ik vier het niet,’ zei Sonny, in het defensief.
‘Maar je laat het wel door je kinderen vieren.’
‘Ik beschouw het als een culturele feestdag. Een kans voor de kinderen om met de familie van hun moeder samen te zijn.’
‘Een culturele feestdag,’ knikte Asif. ‘Klinkt goed. Volgens mij is dat de spijker op z’n kop. Het is helemaal geen religieuze feestdag meer. Ze hebben er iets totaal anders van gemaakt. Handel, kapitalisme.’ Asifs blik ging naar Chatha. ‘Dat is waar Kerstmis tegenwoordig voor staat.’
Chatha knikte instemmend: ‘Ze denken niet eens meer aan hun profeet. Alleen nog aan kopen en verkopen. Commercie...’
‘Het doet me denken aan een boek dat ik gelezen heb,’ zei Asif. ‘Ik kan het u aanraden, doctor Buledi, door een zekere Max Weber.’
‘Toch niet De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme?’ vroeg Sonny verrast.
‘Precies!’ riep Asif, verheugd in zijn handen klappend. En toen, opeens, met een frons: ‘U bedoelt toch de christelijke ethiek... nietwaar?’
‘Het heet de protestantse ethiek...’
Vanaf zijn plaats tegenover Sonny en vader, die naast elkaar op de bank zaten, mengde Aftab zich in het gesprek: ‘Dat komt op hetzelfde neer. Protestants betekent gewoon christelijk.’
‘Niet helemaal,’ antwoordde Sonny. ‘Er zijn verschillende soorten van christenen. Protestanten zijn één zo’n soort.’
‘Ze zijn allemaal van de verkeerde soort,’ opperde Chatha botweg.
Sonny keerde zich naar hem toe, alsof hij hem van repliek wilde dienen, maar hij hield zijn mond.
In de ontstane stilte ging Asif enthousiast verder: ‘Dus u kent die Max Weber, doctor Buledi?! Een indrukwekkende man. Hij zegt echt waar het op staat!’ Asif wendde zich tot de anderen: ‘Je zou nooit een moslim vinden zoals hij, iemand die zijn eigen mensen trotseert en de waarheid achter alle leugens blootlegt.’ Asif gesticuleerde vrolijk: ‘Weber laat zien hoe de christenen het kapitalisme hebben gecreëerd! Hij toont aan dat het kapitalisme hun werkelijke godsdienst is! Hij zegt het zelfs letterlijk! Dat het één groot complot is! Dat alles een smoes is om geld te verdienen!’
‘Nu overdrijf je, Asif,’ corrigeerde Sonny. ‘Dat is niet echt wat hij zegt.’
‘Het is wat ik gelezen heb. En geloof me, ik heb echt goed opgelet.’
‘Hoe dan ook,’ zei Sonny en hij schudde zijn hoofd. Tot nu toe had hij – net als alle anderen – het gebruikelijke mengsel van Engels en Urdu gesproken dat in onze gemeenschap de voertaal was – maar nu sprak hij alleen Engels, en zijn toon was koud, academisch, met een zweem van hooghartigheid: ‘Weber legt uit hoe een bepaalde geesteshouding, een bepaalde protestantse manier van denken en leven, ertoe leidde dat mensen hun geld gingen investeren in plaats van het uit te geven.’ Hij sprak langzaam, alsof hij er niet zeker van was dat degenen tot wie hij sprak hem zouden begrijpen. ‘Een van de verschillen tussen protestanten en katholieken, zegt Weber, is dat protestanten hun geld niet aan de kerk schenken zoals de katholieken dat doen. En ze zijn ook niet geneigd om geld voor zichzelf uit te geven. Dus waar het op neerkwam, was dat protestanten geld verdienden en dat steeds maar oppotten. En op den duur bouwden ze zo steeds grotere geldvoorraden op. Oftewel kapitaal. Waar ze iets mee moesten doen. Dus investeerden ze het. En zo, zegt Weber, is het kapitalisme in werkelijkheid begonnen.’
Asif staarde met een bezorgde blik een andere kant op, alsof hij Sonny’s betoog probeerde te rijmen met zijn eigen begrip van wat hij kennelijk met veel minder aandacht en bevattingsvermogen had gelezen. Hij wilde net iets zeggen toen Chatha interrumpeerde:
‘Jouw meneer Vebb heeft het mis.’
‘Niet Vebb. Weber,’ corrigeerde Sonny, en voor de zekerheid herhaalde hij: ‘Wee-ber.’
‘Wat dan ook. Het kan me niet schelen hoeveel boeken hij schrijft. Hij kan de waarheid niet veranderen: kapitalisme heeft niks met christendom te maken. Grote geldvoorraden, zei je toch? Waar dacht je dat die vandaan kwamen?’
‘Ik zeg alleen maar wat Weber denkt,’ zei Sonny. ‘Ik zeg niet dat ik het ermee eens of oneens ben. Ik verduidelijk alleen maar zijn stelling.’
‘Het gaat me niet om hem, doctor-sahib. Het gaat me om jou: waar komen volgens jou die eerste geldvoorraden vandaan?’
‘Ik weet niet waar je heen wil, Ghaleb. Je weet kennelijk wat je zeggen wil, dus zeg het maar.’
Chatha knikte bevestigend. ‘Van de rente. Daar komen ze vandaan.’
Sonny haalde zijn schouders op: ‘Oké. En?’
‘Wie heeft er de rente uitgevonden?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Iedereen weet – behalve jij en je mooie meneer Vebb, kennelijk – dat rente een joodse uitvinding is. Die zijn met die zonde begonnen.’ Chata’s toon was gebiedend, alsof hij verwachtte dat zijn verklaring verdere discussie overbodig zou maken. Asif keek naar Chatha en overwoog wat hij had gezegd. Vader schoof onrustig heen en weer, duidelijk geïrriteerd.
‘Dus, Ghaleb...’ begon vader, ‘die apotheek in Birch Grove die je pas hebt gekocht, heb je daar contant geld voor betaald?’
‘Natuurlijk niet,’ antwoordde Chatha.
‘Heb je een lening gesloten?’
‘Wat denk je, Naveed?’
‘En is dat een rentedragende lening?’
‘Het enige soort dat in dit land te krijgen is, broeder.’
‘Dus als ik het goed begrijp,’ vervolgde vader, ‘profiteer jij van die zondige rente. Maakt dat van jou niet net zo’n grote zondaar als die zogenaamde joden van jou?’
‘Je stelt me die vraag alsof je denkt dat ik me die nooit zelf heb gesteld.’
‘En wat is je antwoord?’
‘Wie van ons hier tussen de jahils leeft, die moet zich aan hun regels houden...’
‘Jahils?’ mompelde Sonny. Ook al wist ik toen maar weinig van de islam, ik kende wel het woord voor hen die niet geloofden.
‘Dat klinkt wel wat gemakkelijk...’ ging vader verder. ‘Is het eigenlijk niet hypocriet?’ Het was duidelijk dat vader het woord met genoegen uitsprak.
‘Het is niet nodig om vervelend te gaan doen, Naveed-bhai.’
‘Ik vraag je alleen maar wat, maulvi-sahib.’
Chatha hinnikte: ‘Wij moeten leven met de regels die hier gelden... Als er geen andere manier is om hier je brood te verdienen, dan doe je maar wat je moet doen. In ons geloof gaat het gezin nu eenmaal voor. Je moet voor je gezin zorgen. Dat is wat de Koran zegt. In onze traditie is ruimte voor flexibiliteit.’
‘Voor elk fatsoenlijk mens gaat het gezin voor, Ghaleb,’ antwoordde vader scherp. ‘Geloof of geen geloof... En bovendien hebben we het daar niet over. Jouw gezin is goed verzorgd. We hebben het over rijkdom. Dat is jouw doel. Jij hoeft die rentedragende lening niet af te sluiten om voor je gezin te zorgen. Jij komt niks te kort, ook zonder die lening. En zonder die nieuwe apotheken. Je zou ook kunnen sparen en wachten tot je genoeg geld hebt om een nieuwe zaak te kopen zonder dat je hoeft te lenen.’ Vader zweeg even. ‘Maar dat zou betekenen dat je minder agressief zou zijn dan je wil zijn.’
‘Of de belastingvoordelen,’ ging Chatha verder. ‘De concurrentie is hier moordend. We zullen er nooit in slagen het systeem te veranderen als we niet meedoen. Maar als we eenmaal stevig in het zadel zitten, en dat gaat zeker gebeuren, insjallah, dan kunnen we gaan praten over banken die renteloze leningen verstrekken.’
‘Dus tot die tijd met de duivel dansen? Is dat je bedoeling?’ vroeg vader.
Voordat Chatha de kans kreeg te antwoorden, kwam Sonny ertussen: ‘Dus misschien moeten we de joden wel dankbaar zijn,’ zei hij. ‘Tenslotte kan jouw plan de campagne alleen maar slagen dankzij het feit dat zij de rente hebben uitgevonden.’
Er viel een lange, gespannen stilte.
Aftab, die nog niet veel had gezegd, kwam zichtbaar opgewonden met de volgende opmerking op de proppen, die schijnbaar nergens op sloeg: ‘Ik bid tot Allah dat die verdomde Carter de verkiezingen verliest! Die joden hebben hem uitgekauwd en uitgespuugd. En wij moeten weer het gelag betalen! Heb je ooit zo’n dwaas meegemaakt? Die belooft ons een paar honderd miljoen terwijl die joden hem in de tang nemen en hem miljarden in hun defensie laten stoppen? Generaal Zia heeft z’n aanbod terecht peanuts genoemd. Want dat is het gewoon! Peanuts! En wat mij betreft kunnen Carter en die dikke broer van hem die peanuts wel houden.’
‘Ik zou niet weten waarom het onder Reagan anders zou gaan,’ antwoordde Asif.
‘Het moet gewoon anders gaan,’ zei Aftab. ‘Reagan is een Republikein. Nixon was een vriend van Pakistan.’
‘Misschien is hij een vriend, misschien ook niet,’ zei Asif, terwijl hij weer naar Chatha keek.
‘Pakistan is één ding, Israël een ander,’ besliste Chatha.
‘Maar ze hebben Pakistan nodig!’ betoogde Aftab op vreemd smekende toon. ‘Zonder Pakistan verliezen ze Afghanistan aan Rusland. En daarna verliezen ze Pakistan! En daarna Iran!’ En hij voegde er met dreigend geheven vinger aan toe: ‘En de Amerikanen zullen niet blij zijn met de kaart zoals die er dan uitziet!’
‘Eerlijk gezegd,’ begon Sonny, ‘denk ik dat ze Iran nog liever in Russische handen zien dan in die van de Ayatollah.’
‘Iran zal me een zorg zijn! Het gaat mij om onze mensen!’ riep Aftab uit. ‘We moeten eerst voor onszelf zorgen! En daarna pas voor de anderen. Pakistan gaat naar de haaien als de Amerikanen ons niet helpen. Maar die kolerejoden willen niet dat ze ons helpen!’
Sonny keek hem niet-begrijpend aan: ‘Waarom denk jij dat het gebrek aan steun voor Pakistan de schuld van de joden is?’
Aftab nam Sonny op met een geërgerde, ongelovige blik: ‘Omdat ze ons haten, natuurlijk! Wij zijn net als zij. Het enige andere religieuze land ter wereld. Ons land is gesticht voor moslims, en dat van hen voor joden. Maar zij willen het enige religieuze land zijn!’
‘Met Pakistan komt het wel goed,’ zei Chatha zelfverzekerd. ‘Pakistan is niet het probleem. Het probleem is Israël. We zullen in deze wereld nooit vrede hebben zolang ze nog in dat land wonen. Overal waar ze komen brengen ze anderen in de problemen – dat is hun vloek. En daar bestaat maar één oplossing voor. Maar het zal nog wel honderd jaar duren voor er weer iemand het lef heeft om dat te proberen.’
‘Wat te proberen?’ vroeg Sonny argwanend.
‘Ze allemaal afmaken,’ antwoordde Chatha, en hij voegde er – even later – op dezelfde nuchtere toon aan toe: ‘Net als Hitler.’
‘Hitler?’ vroeg Sonny. Hij keek naar vader, ontsteld.
Vader leek eerder geërgerd dan ontsteld.
Op dat moment – alsof het was afgesproken – klonk er uit de keuken, waar de vrouwen bijeen waren, een klaterend lachsalvo op.
‘Als je je eigen Heilige Schrift beter zou kennen, doctor Buledi,’ begon Chatha, ‘dan zou je weten dat Hitler alleen maar deed wat de Koran voorspelde en waar Allah ze voor gewaarschuwd had.’
‘Wat bedoel je?’
‘Je hoeft niet zo beledigd te doen.’
‘Niet beledigd te doen? Ik ben beledigd.’
‘Nou ja...’ zei Chatha zelfvoldaan, terwijl hij opstond uit zijn leunstoel, ‘...dat komt door je politieke overtuiging. Met de waarheid heeft het niks te maken.’ Chatha liep naar de boekenkast aan de overkant van de kamer, waaruit hij een exemplaar van de Koran pakte dat op de bovenste plank stond. ‘Dit bedoel ik...’ zei hij, terwijl hij de band kuste en het boek omhoog hield, ‘...de waarheid.’ Hij sloeg het boek open en begon erin te bladeren, onder het mompelen van een gebed. ‘Hier heb ik het,’ zei hij, naar de bank toe lopend. Hij overhandigde Sonny het boek en wees met zijn vinger een blokje tekst aan: ‘Lees de onderstreepte verzen. Hier...’ en hij sloeg de bladzij om, ‘...en hier...’
Sonny nam het boek met een sceptische blik van hem aan. Toen hij begon te lezen en Chatha weer in zijn leunstoel ging zitten, viel er een ongemakkelijke stilte. Uit de keuken spoelde een nieuwe golf van vrouwengeschater aan. En plotseling stond er een vrouw in de deuropening.
Chatha draaide zich om. ‘Ja, Najat?’ zei hij.
Najat was zijn vrouw. De vrouw die ik nooit anders dan achter een gezichtsbedekkende sluier had gezien, maar die nu geen sluier droeg.
‘Hebben de mannen misschien trek in een kopje kawa?’ vroeg ze schalks.
Ze had een lief, rond gezicht met een brede, aantrekkelijke glimlach. Maar dat ik haar nu zo kon zien gaf me een vreemd gevoel, alsof het ongeoorloofde gezicht dat nu ontsluierd was op de een of andere manier niet echt was en het grauwzwarte canvas tralievenster dat niets van de vrouw liet zien, haar ware gezicht.
Alle mannen wilden graag kawa, sommige met melk, andere ook met suiker; alleen vader wilde zijn kawa op de manier waarop de Kashmiri’s – de uitvinders van het lichtelijk wrange brouwsel van groene thee met kruiden – het serveerden: met een snuifje zout.
Na het opnemen van de bestellingen verdween mevrouw Chatha weer in de keuken.
Op de bank sloeg Sonny de bladzijde om en las verder. Hij schudde zijn hoofd. ‘Het betekent niet wat jij denkt dat het betekent,’ zei hij zelfverzekerd, terwijl hij opkeek en het boek aan Chatha teruggaf. Chatha negeerde het gebaar en wendde zich tot Asif. ‘Lees jij het eens voor, broeder.’
Asif aarzelde. Hij was kennelijk in verlegenheid.
‘Toe maar,’ moedigde Chatha hem aan. ‘Bewijs ons de eer. Pak aan en lees.’
Asif boog zich voorover en nam het boek van Sonny aan. ‘Welke regels?’ vroeg hij.
‘De onderstreepte,’ antwoordde Chatha.
Asif ging rechtop zitten. Hij schraapte zijn keel en begon te lezen:
En zij kwamen in vernedering en armoede en brachten Allahs
toorn over zich; dit kwam, omdat zij de tekenen van Allah
verwierpen en de profeten onrechtvaardig doodden, want zij
waren ongehoorzaam en telkens weer in overtreding.
Hij stopte en keek op naar Chatha. Chatha knikte. Asif sloeg de bladzijde om en las verder:
Kwaad is datgene, waarvoor zij hun ziel hebben verkocht; daar zij verwerpen, hetgeen Allah heeft geopenbaard,
er afkerig van zijnde, dat Allah Zijn genade doet
dalen over diegenen Zijner dienaren, die Hij wil.
Terwijl Asif voorlas, hield Chatha Sonny scherp in het oog. Sonny keek weg, niet in staat – of van zins – Chatha’s grauwe, starre blik vast te houden.
En telkens weer in overtreding...
Bij deze woorden, stak Chatha opgewonden zijn hand op om Asif een halt toe te roepen: ‘Want zij waren ongehoorzaam en telkens weer in overtreding. Dat is wat er staat. Dat is de waarheid!’ Chatha wees naar Sonny en vervolgde, met grote nadruk articulerend: ‘En dat is de vloek die ze sindsdien heeft achtervolgd. Daarom worden ze in getto’s gestopt. Daarom was er een Holocaust. En daarom raken ze hun dierbare Israël weer kwijt.’
Aftab knorde, als een dier op stal dat op zijn voer wacht. Asif knikte.
‘Ze zijn voorbestemd om te lijden,’ besloot Chatha met veel aplomb.
Ik moest denken aan de enige joodse vriend die ik ooit had gehad, Jason Blum. Een golf van treurigheid sloeg door me heen.
‘Waarom alleen die verzen, Ghaleb?’ vroeg Sonny. Hij nam zijn bril af en poetste de glazen met een zakdoek die hij uit de zak van zijn overhemd haalde. ‘Waarom laat je hem tweeënzestig ook niet lezen?’
‘Tweeënzestig?’ vroeg Chatha, beduusd.
‘Misschien moest jij je eigen heilige schrift eens wat beter leren kennen,’ zei Sonny, terwijl hij zijn bril weer opzette. ‘Asif, zou je ons de eer willen bewijzen vers tweeënzestig te lezen?’
Vader keek Sonny bewonderend aan.
‘Asif, vers tweeënzestig alsjeblieft. Het is er een dat Chatha-sahib niet heeft onderstreept.’ Sonny schonk Chatha een ijzige blik. Asif keek tersluiks naar Chatha. ‘Je hebt zijn toestemming niet nodig, Asif,’ zei Sonny kortaf. ‘Je bent een volwassen kerel. Lees maar voor.’
‘Toe maar, Asif,’ zei vader. ‘Wat staat er?’
Asif sloeg de bladzijde terug en schraapte andermaal zijn keel:
Voorzeker, de gelovigen, de Joden, de Christenen en de Sabianen – wie onder hen ook in Allah en de Laatste Dag geloven en goede daden verrichten – zullen hun beloning bij hun Heer ontvangen en er zal geen vrees over hen komen, noch zullen zij treuren.
Er viel een korte stilte. Sonny keek Chatha aan. ‘Leg dat maar eens uit,’ zei hij. ‘Probeer dat maar eens met elkaar te rijmen, mijn beste maulvi-sahib.’
‘Te rijmen?’ vroeg Chatha.
‘Kom op, man!’ barstte Sonny uit. ‘God verdoemt ze in vers eenenzestig, dat jij verkiest te onderstrepen, en vervolgens neemt hij ze in vers tweeënzestig in genade aan? Dat is een regelrechte contradictie en als jij daar geen verklaring voor hebt, verliezen die verzen daardoor elke betekenis...’
Asif en Aftab wisselden verschrikte blikken uit. Beiden wendden zich vol verwachting tot Chatha. Maar Chatha liet zich niet van zijn stuk brengen. ‘Het antwoord is simpel,’ begon hij. ‘En als je de Koran ook maar een beetje kende, zou je zo’n vraag niet stellen. Dan zou je niet het ene vers tegen het andere opzetten alsof het een raadseltje betreft! Er is geen sprake van een contradictie! De Koran is volmaakt en compleet.’
‘Wat is je antwoord, Ghaleb?’ drong Sonny aan.
‘Doctor-sahib,’ zei Chatha minachtend, ‘onze dierbare Allah zou ze allemaal, stuk voor stuk, in genade aannemen, als ze zich maar wilden gedragen. Maar dat willen ze niet. Ze willen niet gehoorzamen. En zolang ze dat niet willen, moeten ze boeten. Als ze zich rechtschapen zouden gedragen, zouden ze met open armen worden ontvangen. Maar dat is de tragiek van de jood: hij wil gewoon niet leren. Niet voordat hij brandt in de hel!’
Ik moest weer denken aan Jason Blum...
Tot zijn ouders hem na twee maanden in de vierde klas van school namen, was Jason mijn nieuwe ‘boezemvriend’ geweest. Met zijn open, hartelijke gezicht – er was iets in zijn ver uiteen geplaatste ogen en brede, veel tanden ontblotende glimlach wat je het gevoel gaf dat je hem kon vertrouwen. Voor een vierdeklasser straalde hij ongewoon veel zelfvertrouwen uit. Hij was de knapste leerling van de klas en de best geklede: in een polo- of Lacostehirt, zijn corduroybroek altijd in een bijpassende kleur en aan zijn voeten dezelfde eeuwig glanzende Stan Smith-tennisschoenen.
Jasons country club-outfit verwees niet zozeer naar de levensstijl van zijn familie – ze waren joods en zouden nooit als lid van Indian Hills, de plaatselijke country club, zijn geaccepteerd – als wel naar zijn passie voor de tennissport. Hij was de ster in de leeftijdscategorie tot tien jaar van de plaatselijke tennisbond. Op een avond in zijn slaapkamer, toen we bijna niet meer uit onze ogen konden kijken nadat we de hele middag voor de televisie Atari hadden gespeeld, haalde hij het boekje met de staatsranglijst van zijn boekenplank.
‘Moet je zien,’ zei hij, terwijl hij een bladzijde opsloeg.
Daar was hij. Op een groezelig zwart-witkiekje, met een strak gezicht maar onmiskenbaar, de nummer één van de ranglijst. Onder zijn foto stond een naam die ik niet herkende: Jitschak Blum.
‘Is dat jouw naam?’ vroeg ik.
‘Ja, zo heette mijn grootvader. Die is gestorven in de Holocaust,’ zei hij onbewogen. ‘Maar iedereen noemt me Jason. Ik vind Jason prettiger.’
‘Hoe spreek je je echte naam uit?’
Hij sprak de naam uit en de keelklanken die hij produceerde hadden wel iets weg van de geluiden die mijn eigen ouders thuis maakten als ze Punjabi met elkaar praatten. Ik sprak zijn naam na. ‘Precies. Heel goed, Hayat,’ zei hij vol bewondering. ‘Maar ik hou meer van Jason.’
Zijn bewondering voor mij viel beslist in het niet vergeleken bij die van mij voor hem. Ik had nooit eerder iemand ontmoet die met zijn foto in een boek stond. Hij sloot het, zette het weer op de plank en zei toen zakelijk: ‘Ik ben joods. Daarom is mijn grootvader in de Holocaust vermoord. Je weet toch wat de Holocaust is, hè?’
Ik knikte. ‘Dat was toch toen Hitler iedereen vermoordde?’
‘Het was toen Hitler de joden vermoordde. Hij haatte ons.’
‘O,’ antwoordde ik. Ik voelde me dom en onnozel. Ik herinnerde me dat moeder me dit had uitgelegd toen ze me verbood naar de miniserie op tv te kijken die het afgelopen voorjaar zo’n ophef had veroorzaakt. Hij zal wel denken wat een onbenul is dat, dacht ik.
‘Wat ben jij?’ vroeg hij.
‘Moslim,’ antwoordde ik.
Hij knikte en pakte een racket dat in de hoek stond. Ik keek naar hem en terwijl hij ermee zwaaide werd mijn ontzag voor hem nog groter. Hier voor mij stond mijn eerste joodse vriend, tenniskampioen en wiskundeknobbel, een voorbeeld, dacht ik, van precies datgene waarom moeder zei dat joden zo bijzonder waren. Als ik al ooit aan mijn moeders bewering getwijfeld had, dan stelde Jason me ruimschoots gerust. ‘Mijn moeder zegt dat jullie bijzonder zijn,’ zei ik vol bewondering.
‘Wie?’
‘De joden.’
‘O.’ Jason haalde zijn schouders op. ‘Misschien wel,’ zei hij. En toen, opeens, wees hij naar mij: ‘Een moslim... Dus dat betekent dat jij niet naar de kerk gaat, maar naar de moskee, hè?’
Ik knikte. ‘Maar we gaan niet zo vaak. Alleen met de feestdagen en zo.’
Jason knikte. ‘Dus wij zijn de enigen in Mason die niet naar de kerk gaan?’
‘Ga jij dan niet naar de kerk?’ vroeg ik.
‘Ammenooitniet. Voor geen geld ga ik een kerk in. De christenen geloven dat wij Jezus hebben vermoord. Volgens mijn vader zijn ze gek. Hij zegt dat zij hem zelf hebben vermoord en ons toen de schuld hebben gegeven.’
Ik kende in hoofdlijnen de moslim-versie van het verhaal van Jezus, een verhaal dat Mina me een paar jaar later in alle bijzonderheden zou vertellen: dat Jezus niet werkelijk gestorven was, maar door God op het laatste moment was gered. Ook wist ik dat de moslims Jezus als een profeet beschouwden, maar niet als de Zoon van God. Ik vertelde dit aan Jason.
‘Daar weet ik allemaal niks van, hoor... Ik weet alleen dat die vent volgens mijn vader geschift was. Als hij nu zou leven, zat hij in een gekkenhuis. Volgens mijn vader wilde die kerel graag dood. Hij zegt dat Jezus aan doodsdrift leed.’
Ik knikte. Ik wist er eigenlijk maar weinig van. En zo te horen was Jason goed op de hoogte.
Een week nadat hij me bij hem thuis die dingen over Jezus had verteld, had hij ze kennelijk op school herhaald. Ik was er zelf niet bij, maar van de gevolgen was ik wel getuige.
Het was ochtendpauze en ik kon hem niet vinden. Na de speelplaats te hebben afgezocht – de kickballveldjes en tetherballpalen – bevond ik me aan de rand van het schoolterrein, waar ik een groepje jongens om een boom zag staan. Er werd gejoeld en gejuicht. Door een opening in de haag van jongensruggen ontwaarde ik Jason. Hij stond tegen de boom geleund.
‘Jason,’ riep ik. Hij hoorde me niet.
Terwijl ik naar hen toe liep, stapte een van de jongens weg van de boom en ritste zijn gulp dicht. Een andere jongen stapte naar voren. De nieuwe jongen liet zijn broek op zijn knieën zakken en begon te pissen. Er ging iemand opzij en nu kon ik Jason duidelijk zien. Hij was met zijn handen aan de boom gebonden. En de jongen piste op hem.
‘Jood! Jood! Jood! Jood!’ joelden ze.
‘Je lijdt zelf aan doodsdrift!’ schreeuwde er een.
‘Hou op!’ schreeuwde ik. Ik rende naar voren en vloog ze aan. ‘Hou op! Hou op!’
Handen grepen mijn windjack en trokken het over mijn hoofd. De jongens duwden me tussen zich heen en weer en gaven zachte klappen op mijn rug. Ik hoorde het schrille fluitje van de speelplaatssurveillant en iedereen maakte dat hij wegkwam. Ik trok het windjack van mijn hoofd en zag Jason. Hij stond ineengezakt tegen de boom, druipend van de urine, huilend.
Ik ging naar hem toe en begon hem los te maken. ‘Gaat het wel met je?’ vroeg ik.
Hij schudde alleen maar zijn hoofd. Hij wilde me zelfs niet aankijken.
Die middag werd ik bij het schoolhoofd ontboden om de daders aan te geven. De jongens werden geschorst en ik werd wekenlang door iedereen met de nek aangekeken omdat ik had geklikt ten behoeve van een jood.
Jasons ouders haalden hem uiteindelijk van school. Ik zou hem nooit meer zien...
De kawa-thee kwam binnen op een wagentje, geduwd door Najat Chatha en twee andere vrouwen. Toen de vrouwen met schenken begonnen, stond Sonny op. Hij verontschuldigde zich bij Najat, gaf vader een hand en vertrok zonder een woord tegen Chatha te zeggen. Onder het daaropvolgende – ingehouden – getinkel van roerende lepeltjes en zachte slurpgeluiden, keerde het gesprek van de mannen geleidelijk weer terug naar het onderwerp Carter en Reagan. Chatha probeerde nog even vader tot een hervatting van de discussie over joden te verleiden, maar vader had er geen zin meer in en liet zich niet uit zijn tent lokken.
Onderweg naar de auto, die avond, kregen mijn ouders ruzie. Vader was kwaad omdat moeder hem tot dit etentje had gedwongen. Hij zette zich achter het stuur en sloeg het portier dicht, en moeder – die niet naast hem wilde gaan zitten – liet mij voorin plaatsnemen. Toen we naar huis terugreden door de aanhoudende sneeuwstorm, starend naar het licht van de koplampen dat zich in de dichte werveling van vallende vlokken boorde, zat vader in stilte te broeden. Hij zei niets over het twistgesprek dat tussen de mannen had plaatsgevonden. Niet tegen moeder en niet tegen mij. En ik zat naast hem en maakte me zorgen.
Als het waar was wat Chatha over de joden had gezegd, dan stond Jason nog wat te wachten...