5 Liefde op het eerste gezicht
Het was een stille, wanhopige winter die volgde op mijn ontdekking van Mina in de badkamer. Haar verkoeling tegenover mij duurde weken, vervolgens maanden; haar vermoeidheid na haar lange werkdag vormde nu haar excuus om van ons Koranstudie-uurtje af te komen. Als we al een keer samen waren, was het niet meer als vroeger, omdat we beiden last hadden van een onbehaaglijk gevoel waarvan de oorzaak ons maar al te duidelijk was. Ik wenste dat het nooit was gebeurd. Ik bad tot God of hij het gebeurde van die avond uit ons beider geheugen wilde wissen. En bidden was niet de enige vorm van magisch denken waartoe ik mijn toevlucht nam. Nadat ik in een tijdschrift van Mina een artikel had gelezen over hoe wij met onze eigen gedachten creëerden wat er in ons leven gebeurde – en vooral door wat wij ons wilden herinneren – probeerde ik mijn herinnering aan die avond te veranderen. Ik lag in bed en haalde het me allemaal weer voor de geest: de geluiden op de gang die mijn aandacht hadden getrokken, maar ditmaal kwam ik mijn bed niet uit om te gaan kijken; soms deed ik dat wel, maar dan trof ik Mina in haar pyjama in de badkamer, bezig haar tanden te poetsen, en in de spiegel naar me lachend als ze me zag. Als ik een ander einde kon verzinnen, zo zei het artikel, dan kon ik misschien vergeten wat er werkelijk was gebeurd.
Maar het lukte me niet. Ik kon het beeld van haar volmaakte lichaam niet van me afzetten; het bleef me voor ogen zweven als rook van een vuur dat hardnekkig bleef smeulen.
Dus probeerde ik het op een andere manier. Als het dan zo verkeerd was geweest om haar geslachtsdeel te zien, dan zou ik ook niet meer naar het mijne kijken. Het was de conclusie van een syllogisme dat me als vanzelf inviel, en die me bijzonder veel verlichting schonk:
Het zien van haar naaktheid was verkeerd.
Dus naaktheid was verkeerd.
Dus was mijn eigen naaktheid ook verkeerd.
Als ik nu naar de wc ging, vermeed ik zorgvuldig omlaag te kijken terwijl ik aan mijn natuurlijke behoefte voldeed. Ook mijn rituele wassingen leerde ik te verrichten zonder te kijken. En zelfs onder de douche wilde ik niet zien wat er tussen mijn benen zat.
Ik wijdde me met verdubbelde ijver aan mijn studie van de Koran. Het was in die tijd dat ik in alle ernst het besluit nam een hafiz te worden. Het leek me de enige manier om er zeker van te zijn dat ik haar liefde en aandacht kon herwinnen. En ik vergiste me niet. Dankzij de toewijding waarmee ik de Koranverzen uit mijn hoofd leerde, smolt haar weerstand tegen mij geleidelijk weg, en dat voorjaar – een stuk of zeven soera’s en honderd verzen later – werd ons vaste studie-uurtje hervat. En noemde ze me weer koerban. Het scheen me toe dat ze eindelijk was vergeten wat er die avond in december was gebeurd. Maar ik niet. Ik wist nu dat ik haar liefde kon verliezen. En ik was bereid alles te doen om te voorkomen dat het ooit nog eens gebeurde.
Laat dat voorjaar – iets meer dan een jaar nadat Mina en Imran bij ons waren komen wonen – zaten we op een donderdagavond met ons allen aan de keukentafel. Vader, moeder en Mina dronken thee en wisselden stukken van het avondblad met elkaar uit. Imran en ik zaten achter een uitstalling van kapotte krijtjes plaatjes te kleuren. Op een gegeven moment keek moeder op van haar krant.
‘Ze zeggen dat het dit weekend zonnig wordt en vierentwintig graden,’ zei ze opgewekt. ‘De eerste echte zomerdag. Ze zeggen dat het een prima dag wordt voor een barbecue.’
‘Zo, zeggen ze dat?’ mompelde vader, terwijl hij het economiekatern van de krant een ietsje hoger hield om zich erachter te verschuilen.
Moeder wendde zich tot Mina. ‘Dan moeten we shami-kebabs maken en Lahori-gembermarinade voor de kip. We moeten het groots aanpakken. En massa’s mensen uitnodigen! Om de verandering van seizoen te vieren... Wat vind jij ervan, Naveed? Hmm? Zaterdag?’
De vraag bleef hangen in de stilte, onbeantwoord.
Vader liet de krant net ver genoeg zaken om over de rand te kunnen kijken. Zijn gezicht stond somber. ‘Jij bent degene die het eten moet klaarmaken. Ik leg het alleen maar op de grill. Wil je een groot barbecuefeest? Ga gerust je gang!’
‘Maar dan moet jij ook wat mensen uitnodigen.’
‘Oké,’ zei hij, en verdiepte zich weer in zijn krant.
Moeder was niet overtuigd. ‘Naveed, kijk me aan als ik tegen je praat.’
‘Wat is er, Muneer?’ vroeg vader geïrriteerd. ‘Wat wil je van me? Hmm? Waarom drink je niet gewoon je kopje thee en geniet je voor de verandering niet een keertje van je leven?’
‘Probeer me niet te kleineren.’
‘Ik kleineer je niet.’
‘Ik vroeg je wat. Ik wil dat je ook wat mensen uitnodigt.’
‘Ik zei toch oké.’
‘Wie dan zoal?’
‘Ik zal Nathan vragen.’ Nathan Wolff was vaders collega en researchpartner bij het Academisch Medisch Centrum en in veel opzichten zijn beste vriend.
‘Goed. En wie nog meer?’
‘Wie wil je dat ik nog meer uitnodig?’
‘De Naqvi’s, de Kans, de Buledi’s... en waarom ook niet de Chatha’s?’
Moeder noemde de namen van de Pakistaanse families die verspreid in Groot Milwaukee woonden, mensen die we vrijwel nooit zagen omdat vader de pest aan ze had. Hij noemde ze ‘schapen’ omdat ze als kuddedieren elkaars gezelschap zochten om maar niet onder ogen te hoeven zien dat ze niet meer in Pakistan waren en om eindeloos door te kunnen zeuren over de goddeloosheid van het Amerikaanse leven. Vader snapte niet wat ze hier nog deden als ze het allemaal zo erg vonden.
‘Chatha?’ vroeg vader, vol ongeloof.
‘Ja, waarom niet?’
‘Waarom niet?’
‘Ja, waarom niet, Naveed?’
Moeder zat hem te stangen. Ze wist dat vader niets dan verachting had voor Ghaleb Chatha, een in Pakistan geboren farmaceut en ondernemer, eigenaar van een groeiende keten van apotheken die naar hem was genoemd en – voornamelijk als gevolg van zijn enorme rijkdom – het onbetwiste middelpunt van de plaatselijke moslimgemeenschap. Een paar jaar eerder hadden we op aandringen van moeder een paar keer contact met de Chatha’s gehad – bij hen thuis gegeten op religieuze feestdagen en zij een keer bij ons – maar van een wederzijdse vriendschap was het nooit gekomen. Vader verfoeide Chatha’s godsdienstijver, die hij niet alleen adverteerde met zijn uiterlijk – een kalotje, rechthoekige islamitische baard en een knielange Nehru-jas die hij nooit uit scheen te doen – maar ook met zijn conversatie. Chatha mocht graag vertellen wat God op de Dag des Oordeels met de Amerikanen ging doen. ‘Allah draait ze om en om,’ grapte Chatha dan, terwijl hij met zijn vlakke hand draaibewegingen maakte alsof hij een hamburger in een koekenpan om en om gooide. ‘Hij zal ze bakken zoals ze dat zelf bij hun vrijdagse visbakfeestjes bij hun kerken doen!’ En als Chatha’s minachting voor de ongelovigen nog niet voldoende was om vader tegen zich in het harnas te jagen, was er nog altijd het feit dat Chatha zijn vrouw, Najat – een vrouw met een universitaire opleiding – buitenshuis de volledige boerka liet dragen, compleet met een sluier die het hele gezicht bedekte.
‘Ik weet dat je hem niet mag,’ zei moeder, inbindend onder vaders dreigende blik. ‘Maar jij bent degene die altijd zegt dat je politiek moet bedrijven om in het leven vooruit te komen... Dus moet je misschien eens de daad bij het woord voegen en je best gaan doen. Je mag van hem zeggen wat je wilt, maar Najat is een fantastische vrouw.’
‘Een fantastische vrouw? Hoe weet je dat? Weet je zelfs maar hoe ze eruitziet?’
‘Natuurlijk weet ik hoe ze eruitziet. Ze is heel mooi om te zien.’
‘Dan ben je een van de weinigen,’ zei vader. ‘Gewoon barbaars,’ mompelde hij in zichzelf, alvorens verder te lezen.
‘Wie is Chatha?’ vroeg Mina.
‘Die apotheker van wie ik je heb verteld,’ zei moeder. ‘Die met die neef die gescheiden is. Weet je nog wel?’
Mina kon het zich niet herinneren.
‘Die z’n vrouw er met die Amerikaanse postbode vandoor is gegaan?’
‘O, die,’ zei Mina met een hoofdknik.
‘Het is een hypocriet, die man,’ zei vader.
‘Wat hij ook is, of niet is, hij is het middelpunt van de gemeenschap,’ zei moeder kortaf. ‘Het is geen wonder dat we geen Pakistaanse vrienden hebben. We doen er ook ons best niet voor.’
‘Je doet maar wat je niet laten kunt. Bel ze zelf maar op. Daar heb je mij niet voor nodig.’
Moeder keek naar Mina en daarna naar mij. Ze leek verrast, blij. Vader gaf onverwacht terrein prijs. Ze zweeg even en vervolgde toen, nu op zalvende, vleiende toon: ‘Maar als jij het doet, Naveed... dan weten ze niet wat hun overkomt. “Nodigt doctor Shah ons uit voor een barbecue? Daar zeggen we geen nee tegen!”’
‘Je hebt geen idee, Muneer. Die lui mogen mij niet. En jou trouwens evenmin...’
‘Misschien mogen ze je niet, maar ze bewonderen je wel. Iedereen bewondert je. Zelfs Chatha. Jij bent de intelligentste hier. En dat weten ze.’ Het was vreemd om moeder zo vleiend over vader te horen spreken, maar ze moet geweten hebben wat ze deed. Vader liet zich zichtbaar vermurwen.
‘Goed dan,’ gaf hij ten slotte toe. ‘Ik zal ze bellen.’
Moeder wendde zich stralend tot Mina: ‘En jij ook. Vraag je vriendinnen van de schoonheidssalon.’ Moeder bedoelde de salon waar Mina nu vier dagen per week werkte en waar ze al genoeg had verdiend om voor zichzelf een tweedehands Dodge Sedan te kopen.
‘Ik zal Adriënne vragen.’
‘Is dat die dikzak?’
‘Bhaj,’ waarschuwde Mina. ‘Ze is een goed mens. Ze zegt over jou alleen maar aardige dingen.’
Moeder grinnikte, met een onbekommerde uitdrukking op haar gezicht die inhield dat ze, als ze had geweten dat Adriënne aardige dingen over haar zei, niet gezegd zou hebben wat ze had gezegd, maar het nog wel zou denken. ‘Nou, vraag dan ook een paar andere vriendinnen van je... niet alleen Adriënne.’ Ze wendde zich snel tot vader: ‘En denk eraan dat je Nathan ook uitnodigt.’
Vader gromde iets.
‘Heb je me gehoord, Naveed?’
‘Hoe zou ik je niet kunnen horen?’ bromde vader. ‘Ik zei toch al dat ik hem zou uitnodigen?’
‘Dus je doet het?’
‘Als ik eraan denk.’
‘Het is zo’n aardige, intelligente man! Waarom kan er niet een beetje van zijn invloed op jou overgaan, Naveed?’
‘Muneer...’ waarschuwde vader.
‘Ik ga al, ik ga al,’ zei moeder. Ze stond op van tafel en wierp een blik op de klok boven het fornuis. ‘Half acht,’ mompelde ze. ‘Nog niet te laat om wat mensen te bellen.’
En daarop vertrok ze.
Wat me altijd het meest opviel aan Nathan Wolff was dat hij nooit zo klein leek als hij in werkelijkheid was. Met zijn lengte van nog geen één meter zeventig, smalle schouders en kleine hoofd vol rossige krullen zou Nathan in het niet moeten vallen naast vader – wiens lange, breedgeschouderde gestalte een van de redenen was waarom moeder zich, naar eigen zeggen, tot hem aangetrokken had gevoeld – maar dat was niet het geval. Nathan, gezegend met een warmte en hartelijkheid die al sprak uit de vrolijke vonk in zijn ogen, was een man met een breder besef van de dingen, en dit was, denk ik, de bron van die ondefinieerbare mildheid die hem groter deed lijken dan hij was.
Met zijn achtentwintig jaar was Nathan een soort medisch wonderkind, gespecialiseerd in een nieuwe techniek die mri heette. Het was vaders idee geweest om Nathan in te schakelen bij het scannen van de hersens van patiënten die met antidepressiva werden behandeld en in een paar jaar tijd waren ze met hun werk tot de koplopers van het neurologisch onderzoek gaan behoren. Vader sprak graag over hen tweeën als ‘de pioniers’, een etiket waar Nathan zich niet in kon vinden. Ik herinner me dat we op een avond in een pizzeria in de buurt van hun laboratorium zaten – ik was zeven, of acht. Moeder en ik waren erheen gegaan om er na werktijd met ons vieren te eten – en dat vader het woord toen gebruikte. Nathan corrigeerde hem meteen.
‘Wij waren niet de eersten die deden wat we doen, Naveed.’
‘Details, Nate, details,’ woof vader zijn bezwaar weg.
‘Dat zeg je steeds, maar dat waren we niet. Bij lange na niet. Dat weet je best.’
‘Oké, Nate. Misschien waren we niet de eersten...’ zei vader spottend, en hij liet zijn mond openhangen in afwachting van de rest van zijn zin die hij even uitstelde ter wille van het effect: ‘...maar je kunt toch niet ontkennen dat we de besten zijn, of wel?’
‘Ik wist niet dat het een wedstrijd was.’
‘Alles is een wedstrijd, Nate. Alles.’
‘Deprimerend, hoor. Hoe sta je ’s morgens op met zo’n instelling?’
Vader antwoordde niet, maar er verscheen een ondeugende glimlach op zijn gezicht.
‘O, nee.’
‘Wat is er?’
‘Die blik van jou.’
‘Er schiet me net een mop te binnen.’
‘Wat voor mop?’
‘Ik weet niet of je ’m wel kunt waarderen.’
‘Zeker weer een jodenmop.’
‘Misschien, ja.’
‘Als het een jodenmop is, wil ik hem niet horen.’
‘Je hebt gelijk, je hebt gelijk.’
‘Oké, vertel op.’
‘Ik dacht dat je hem niet wilde horen?’
‘Schiet op, vertel nou maar, Naveed.’
‘Goed dan. Waarom hebben joden grote neuzen?’
Nathan kreunde. ‘Kom op, Naveed. Dat is er een met een baard.’
‘O, ja? Wat is het antwoord dan?’
‘Omdat de lucht gratis is?’
Vaders gezicht begon te stralen. Zijn hoofd en bovenlijf schudden en hij bracht een vrolijk soort gehijg voort. Het was een vreemde manier van lachen, maar wel aanstekelijk. Algauw lachten we allemaal, zelfs Nathan.
Ze waren in zoveel opzichten tegenpolen: Nathan kwam uit Boston, was joods, wellevend en een gezelligheidsmens. Vader kwam uit een derdewerelddorp, was moslim, onbehouwen en sardonisch. Door hun collega’s in het ziekenhuis werden ze het ongelijke koppel genoemd en dat was niet voor niets. De talloze uren die vader en Nathan samen in het radiologielaboratorium doorbrachten gaven hun ruimschoots de gelegenheid een act te perfectioneren die bij hun collega’s als ‘de show’ bekendstond en die er voornamelijk op neerkwam dat Nathan als aangever fungeerde voor vaders vaak twijfelachtige clownerie. Vader stak voortdurend de draak met Nathan, met zijn uiterlijk, met zijn New Englandaccent, met het feit dat hij ons heet gekruide eten niet kon verdragen en, ja, ook met het feit dat hij jood was. Maar het mikpunt van vaders grappen was meestal Nathans liefde voor alles wat cultureel was: toneel, klassieke muziek, kunstmusea en bovenal boeken...
‘Hoe gaat het met doctor Wolff?’ hoor ik moeder aan tafel nog vragen, waarop vader geïrriteerd uitbarstte:
‘Die sukkel! Weet je dat hij tussen de middag een heel uur in een roman heeft zitten lezen? Wat een verspilling van hersenactiviteit!’
Vader maakte geen geheim van zijn minachting voor boeken. Hij geloofde dat zijn – gezien zijn bescheiden afkomst uit een Pakistaans dorp onwaarschijnlijke – succes in het leven te zwaar bevochten was om niet een ieder als voorbeeld te kunnen dienen, en dit succes, zo beweerde hij, was niet aan boekenwijsheid te danken, maar aan de wijsheid van ‘de straat’. Hij ging er luidkeels prat op dat hij nooit ook maar één boek zou lezen, zelfs niet op zijn eigen vakgebied – een vreemde bewering, die men op allerlei manieren had kunnen opvatten – als teken van zijn trouw aan de Amerikaanse traditie om iets van jezelf te maken door te doen in plaats van te denken, als veelzeggend voorbeeld van hoe knap en geweldig hij was, als bewijs van een oprecht gebrek aan achting voor boeken in het algemeen en voor romans in het bijzonder – maar hoe je het ook had kunnen opvatten, in elk geval niet als feitelijke constatering: want hoe speelde iemand het klaar nooit van zijn leven een boek te lezen terwijl hij intussen wel aan vijftien boeken als redacteur of schrijver had meegewerkt?
Zoals bij de meeste kuren van vader wist Nathan precies hoe hij die aan moest pakken: telkens als vader zijn onwaarschijnlijke bewering deed, ging Nathan ertegenin.
‘Doe niet zo mal, Naveed. Je werkamer staat boordevol boeken. Je maakt mij niet wijs dat...’
Uiteindelijk gaf vader dan wel toe, maar altijd met een listig lachje, nog steeds genietend van het verdraaien van de waarheid: ‘Ik heb artikelen gelezen, Nate. En hoofdstukken. Ik heb gelezen wat ik moest lezen...’ en nu lachend: ‘...maar ik ben nooit zo stom geweest om een heel boek te gaan lezen!’
Vader pleegde de beloofde telefoontjes, maar alleen om te horen dat Ghaleb Chatha diezelfde zaterdag een benefietfeest voor het Islamitisch Centrum van de South Side zou houden. Wat betekende dat het merendeel van de Pakistaanse families die moeder had opgenoemd ook niet bij onze barbecue aanwezig kon zijn. Vader was met deze gang van zaken zeer ingenomen.
We hadden dat weekend één Pakistaanse familie op bezoek, althans half-Pakistaans: de Buledi’s waren niet uitgenodigd bij de Chatha’s, want hoewel de psychiater Sonny Buledi in Karachi geboren was, werd hij door de plaatselijke Pakistaanse gemeenschap meestal met de nek aangekeken. Zijn Oostenrijkse vrouw, Katrina, maakte niet weinig vijanden door zich op bijeenkomsten te vertonen in mouwloze bloesjes en rokken tot de knie, en er geen geheim van te maken dat ze haar kinderen varkensvlees te eten gaf.
Een aantal van onze buren kwam wel opdagen, evenals Adriënne, Mina’s vriendin uit de schoonheidssalon. Adriënne was gekleed in een satijnen, wijnrode sjalwar-kamies, die haar tot haar grote vreugde ‘eerder gevuld maakte dan dik’, hoewel ik niet zeker wist of ze op mij wel die indruk maakte. Ik had haar tot dusver nog maar vluchtig gezien, de paar keren dat ze Mina kwam afhalen om samen bij de Red Lobster, hun favoriete restaurant, te gaan eten, en ik kon niet anders zeggen dan: ze was reusachtig. Misschien dat ze in haar wijde koerta en sjaal minder weghad van een grote bol met uitsteeksels dan in haar strakker zittende westerse kleren, maar als het al zo was dan was het verschil minimaal. En wat betreft het, althans in mijn ogen, meest opvallende effect van haar zwaarlijvigheid – haar gelaagde hals, waarvan de dikke plooien als de bolletjes van een ijscoupe op elkaar waren gestapeld en die bekroond werd met een rond, rood hoofd dat nietig leek in vergelijking met de rest van haar lichaam – daar konden de Pakistaanse kleren niets aan veranderen.
Nathan was er ook.
Ik stond met vader en Sonny bij de barbecue midden op het gazon toen hij op zijn gedenkwaardig onbeholpen manier zijn entree maakte. Mina en Adriënne zaten op de patio met hun handen in een kom gehakt kebabvlees die tussen hen in stond. De deur van de patio sloeg met een klap dicht en toen ik opkeek zag ik Nathan op de patio staan met drie grote flessen frisdrank tegen zijn lijf geklemd en een beduusde uitdrukking op zijn gezicht. Vader kreeg hem in het oog en zwaaide naar hem. Nathan beantwoordde zijn gebaar met een soort hoofdknik. Hij liep aarzelend langs de twee vrouwen en toen hij de patio afstapte, struikelde hij. Opeens lag hij op de grond en gleden de flessen frisdrank door het gras. Nathan stond op en wierp een gegeneerde blik naar de patio. Adriënne giechelde. ‘Sorry,’ zei Nathan, schaapachtig. Hij raapte de flessen op en kwam naar ons toe, met verse groene vlekken op de knieën van zijn beige broek.
‘Gaat het goed met je, chef?’ plaagde vader.
‘Ja, hoor... prima.’ Nathan zette de flessen op de tafel naast de barbecue en sloeg het stof van zijn kleren. ‘Ik zou maar even wachten met openmaken.’
‘Laat dat maar aan ons over, chef.’
Nathan knikte. ‘Hallo, Hayat,’ zei hij, terwijl hij weer tersluiks een blik naar de patio wierp.
‘Hallo, doctor Wolff.’
‘Zeg maar Nathan, Hayat,’ zei hij. ‘Dat heb ik je al eens gezegd...’
‘Oké.’
‘Nathan, dit is Sonny Buledi. Sonny Buledi, Nathan Wolff. Sonny is psychiater bij de medische faculteit,’ zei vader. ‘Nathan en ik werken samen in het ziekenhuis.’
‘Aangenaam kennis te maken,’ zei Sonny, met uitgestoken hand.
‘Insgelijks.’
‘Sonny vertelde me net een griezelverhaal over een paar Pakistanen hier ter plaatse,’ zei vader, terwijl hij de stukken kip met zijn tang op de grill verschikte. ‘Ze zijn niet zo erg op meneer Buledi gesteld...’
‘Daar zou ik wel mee kunnen leven,’ haakte Sonny in, ‘als ze maar niet aan mijn kinderen komen. Een paar weken geleden hadden we een etentje met de medische faculteit... De Navqi’s waren er ook...’
‘Anil Navqi, de anesthesioloog,’ verduidelijkte vader voor Nathan. ‘Die ken je toch, hè?’
‘Ik weet wie het is.’
‘En de kinderen van Navqi scholden Satya en Otto uit voor zebra’s. Omdat hun moeder blank is en ik Pakistaan ben. Hou je zoiets voor mogelijk?’
‘Zeker wel,’ zei vader. ‘De hele dag bidden. En het helpt allemaal niks. Hypocrieten zijn het.’
Hij sprak het woord vol vuur uit en prikte tegelijkertijd naar het vlees op de grill. ‘Wat betekent dat, papa?’ vroeg ik.
‘Wat? Hypocriet?’
Ik knikte. Ik had het hem al zo vaak horen zeggen.
Vader pakte de tang en wees ermee naar mij. ‘Als iemand voorgeeft iets te zijn wat hij niet is, dan is hij een hypocriet. Zo iemand als Chatha, die voorgeeft een goed moslim te zijn, maar die in werkelijkheid vol vergif zit jegens zijn medemens.’
Sonny knikte, hij was het er duidelijk mee eens. ‘Van vergif gesproken, weet je wat Otto me ook nog vertelde? Een van die kinderen van Navqi legde uit hoe je een kerk kon opblazen door er benzine in te gieten en dan een lucifer aan te steken.’
‘Wat?’ vroeg vader ongelovig.
‘Dat is wat de Navqi’s hun kinderen leren. Dat je kerken in brand moet steken omdat christenen kuffar zijn... Toen ik Otto dat woord hoorde zeggen, ontplofte ik gewoon.’
‘Walgelijk,’ mompelde vader.
‘Wat betekent kuffar?’ vroeg Nathan, omkijkend naar de patio.
‘Ongelovigen,’ antwoordde vader.
‘Op zo’n moment vertel ik ze allemaal gewoon dat ik atheïst ben,’ zei Sonny. ‘Dan weet ik tenminste zeker dat ze uit mijn buurt blijven. En wel zo ver mogelijk.’
Het was niet de eerste keer dat ik Sonny hoorde zeggen dat hij atheïst was. Maar die middag hoorde ik het opnieuw en begreep ik – dacht ik – voor het eerst wat het eigenlijk betekende. Niet alleen dat hij niet in God geloofde, maar wat bijna nog belangrijker was, dat hij geloofde dat er niets anders was dan het leven dat wij nu leefden. Want als er geen God was, dan was er ook geen hiernamaals. En als ik van mijn nieuwe Koranstudie iets had geleerd, dan was het wel dat er op niet in het hiernamaals geloven een zware straf stond:
Want als de bazuin wordt geblazen,
Die Dag zal een moeilijke dag zijn.
Niet gemakkelijk voor de ongelovige.
Hem zal Ik een zware straf opleggen.
Ziet! Hij dacht na en hij besloot!
Vervloekt zij hij, hoe besloot hij!
Dan keerde hij zich om en toonde zich hovaardig.
Hij zeide: ‘Dit is niets dan een nagebootste tovenarij.
Dit is slechts het woord van een mens.’
Weldra zal Ik hem in het Vuur werpen.
En wat weet gij wat het Vuur der hel is?
Het ontziet niets, noch laat het iets onverteerd achter,
Het verschroeit het gezicht.
Toen ik daar Sonny zo zag staan bekroop me een gevoel van ontroering. Er was niets in dat ronde, innemende gezicht – of in de warme, intelligente ogen die over de rand van zijn ziekenfondsbrilletje tuurden – dat verklaarde hoe zo’n aardige man tot zo’n vreemde, betreurenswaardige conclusie kon zijn gekomen.
‘Hoe lang doe je die bouten?’ vroeg Sonny aan vader.
‘Kijk, dat is nog eens een waardig gespreksonderwerp... Hangt af van de hitte. Maar in dit geval ongeveer vier minuten om en om. Niet te lang. Je moet oppassen dat je ze niet te droog laat worden.’ Vader porde nog eens met de tang in het kippenvlees: ‘Nog roze bij het bot. Een minuutje of twee, nog.’ Hij wierp een blik naar Nathan. ‘Wat gebeurt er daarginds, chef? Volgens mij ben je een beetje in de war.’
‘In de war?’ vroeg Nathan, snel wegkijkend van de patio. ‘Nee hoor... Ik geniet gewoon van de sfeer.’
‘Je geniet van de sfeer?’ herhaalde vader, verbaasd. Hij richtte nu zelf zijn blik op de patio, waar Adriënne zich giechelend met Mina onderhield en heimelijk onze kant uit keek.
Vader wendde zich tot Nathan en glimlachte spottend. ‘Stiekempjes, hè?’ plaagde hij.
‘Wat bedoel je, Naveed?’
‘Je hoeft niet zo lichtgeraakt te doen. Er is niks mis mee, hoor.’
‘Niks mis met wat? Ik weet niet waarover je ’t hebt.’
‘Ik ben niet van gisteren, Nate. Ik geef je groot gelijk... ze is een juweel.’
‘Wie?’
‘Wie denk je?’ zei vader sarcastisch, en hij schudde zijn hoofd. ‘Ze heet Mina. Ze is al van kindsbeen af Muneers beste vriendin. Ik heb je van haar verteld. Ze is bij ons in komen wonen.’
‘O,’ antwoordde Nathan beteuterd.
‘Het is een schoonheid, wis en waarachtig,’ zei Sonny.
‘Dat is ze zeker,’ antwoordde vader, plotseling op een voor hem ongewoon gevoelige toon. Hij keek nu omlaag naar de grill. ‘Ze doet me soms aan mijn zusje denken,’ zei hij zacht.
‘Huma?’ vroeg Nathan, opeens belangstellend.
Vader knikte. Het verwonderde me dat Nathan de naam van vaders zuster kende die aan longontsteking was gestorven toen ze beiden nog geen twintig waren. Hij had mij maar één keer over haar verteld. Haar dood, zei moeder weleens, was iets waar hij nooit overheen gekomen was en waarschijnlijk nooit overheen zou komen.
Vader stak abrupt zijn tang omhoog en richtte hem speels op Nathan: ‘Die vrouw verspilt ongeveer evenveel tijd met naar papier staren als jij. Jullie kunnen het vast goed met elkaar vinden... Het zal zeker klikken, zoals ze tegenwoordig zeggen.’
‘Naar papier staren?’ vroeg Sonny.
‘Naveed heeft iets tegen lezen,’ antwoordde Nathan. ‘Naar papier staren, noemt hij het. Ik snap niet hoe hij daarmee wegkomt. Ik bedoel, die man was als student de beste van zijn jaar...’
‘Niet door te lezen.’
‘Hoe dan?’
‘Luister, chef. Als je iets gedaan wilt krijgen, verzin je een manier.’
Nathans ogen verrieden een plotseling opkomende gedachte: ‘Door te spieken?’
‘Geen sprake van.’
‘Hoe dan?’
‘Laten we maar zeggen... door andere mensen voor me te laten lezen...’
Nathan en Sonny moesten lachen.
‘Naar papier staren,’ mompelde Sonny hoofdschuddend.
‘Heb ik gelijk? Of heb ik gelijk, Sonny?’ zei vader, breed lachend.
‘Eerlijk gezegd vind ik niet dat je gelijk hebt. Maar dat is niet wat je bedoelt, of wel?’
‘Heel goed, heel scherp van jou!’ zei vader, en hij richtte zijn tang nu op Sonny. Hij wendde zich tot mij: ‘Kun je mij dat bord even aangeven, behta?’
Ik gaf hem het langwerpige dienblad dat op de tafel naast me stond. Hij begon de stukken kip van de grill te halen.
‘Wat ik bedoel, Nate, is dat Mina en jij het misschien wel heel prettig zouden vinden om samen jullie tijd te verspillen.’
‘Wat volgens mij ook het recept is voor huiselijk geluk,’ voegde Sonny eraan toe.
‘Op dat punt schiet mijn kennis nogal te kort,’ grapte vader. Hij wierp een blik naar de patio. ‘Ze kijken naar ons. Ga erheen. Knoop een praatje met haar aan. Grijp je kans.’
‘Later, misschien,’ zei Nathan. ‘Zo te zien heeft ze het druk.’
‘Ze hééft het ook druk. Met de kebabs die jij bij haar moet gaan halen. Zeg maar dat ik erom heb gevraagd. Daar heb je je excuus...’
Nathan keek vader lang, nadenkend aan.
‘Schiet op, ga nu...’
‘Je bent me er eentje, Naveed,’ zei Nathan, hoofdschuddend. Daarop vertrok hij richting Mina. Ik zag dat hij op haar af liep en zijn hand uitstak. Zij stak met een hulpeloos gebaar haar handen omhoog, die beide besmeurd waren met het gehakt waarvan Adriënne en zij kebabs hadden gemaakt. Op dat moment stond Adriënne op om de kebabs weg te brengen die Nathan aan Mina had willen vragen. Nu Adriënne weg was, stelde Nathan haar een tweede vraag. Ze lachte. Nathan schoof een klapstoeltje bij en ging naast haar zitten.
Ik zag het aan met bonzend hart.
‘Hé, Hayat!’ hoorde ik. Het was Otto – Sonny’s bolle, sproetige zoon – die hijgend en puffend kwam aanlopen. ‘Satya gaat ninjaatje met ons spelen. Doe je mee?’
‘Toe maar, koerban,’ zei vader. ‘Ga spelen met je vriendjes.’
Ik keek om naar de patio. Mina draaide haar hoofd opzij. Nathan was aan het woord. Ik keerde hun beiden de rug toe en volgde de wegschommelende Otto.
Satya Buledi was maar een jaar ouder dan ik, maar hij was groot voor zijn leeftijd. Lang, breedgeschouderd, zag hij eruit alsof hij al op de middelbare school zat. Hij had een opvallend stroblonde kuif die aantrekkelijk afstak tegen zijn donkere, caramelkleurige huid. De meisjes waren kennelijk gek op hem.
Satya was een liefhebber van stripboeken, vooral van Daredevil, waarin hij pas de ninja’s had ontdekt. Ninja’s, legde hij uit, waren anders dan samoerai. Het waren spionnen en moordenaars en ze vochten niet openlijk en hielden zich niet aan de oorlogsregels. Het belangrijkste, zei hij, terwijl hij een servet uit zijn zak trok, was dat ninja’s hun gezicht bedekten. Daardoor kon niemand weten wie ze werkelijk waren. Satya bond het servet voor zijn gezicht. We werden nu allemaal samen ninja’s, zei hij, maar dan wel ninja’s die voor het goede vochten. Hij vroeg me of er nog misstanden in de buurt waren die moesten worden rechtgezet. Ik had geen idee, maar vertelde hem van een leegstaand huis aan het eind van de straat waar het volgens de kinderen uit de buurt spookte. We bonden dus servetten voor ons gezicht en slopen door een rijtje achtertuinen naar het bewuste huis, maar toen we er aankwamen zag Satya tot zijn grote teleurstelling door de ramen niets dan lege kamers vol rommel en stof.
‘Je zei dat het er spookte.’
‘Ik zei dat sommige kinderen dat zeiden.’
‘Waarom woont hier niemand?’
Ik haalde mijn schouders op. Ik had geen idee.
‘Nou, wat hier ook is gebeurd – en er moet hier iets zijn gebeurd – dat kan niet meer worden rechtgezet.’
Satya leidde ons langs struiken en door nog meer tuinen en liet ons door ramen van buren naar binnen kijken. We zagen veel vrouwen in de keuken bezig met eten koken of limonade maken en iets minder mannen die met hun zoons in de huiskamer naar het honkbal zaten te kijken. Maar dat was het wel zo’n beetje.
Op de terugweg verdween Satya achter het huis van Kuhlman, een groen- en witgeverfde split-levelwoning aan de overkant van de straat. Hij klom in een boom en nadat hij even door een slaapkamerraam had gegluurd leek hij eindelijk iets van zijn gading te hebben gevonden.
‘Hayat, dit moet je zien.’
‘Wat is er mis?’
‘Er is niks mis...’
‘Maar wat is er dan?’
‘Een meisje en een of andere jongen. Ze zitten te vrijen.’
‘Dat is Gina. Met haar vriend.’
‘Krijg nou wat. Dit moet je echt zien.’
‘Ik wil het ook zien,’ dreinde Otto.
‘Dan moet je niet zoveel chips vreten,’ snauwde Satya. ‘Je bent gewoon veel te dik om in een boom te klimmen.’
‘Ik ben niet te dik om...’
‘Blijf jij maar beneden en pas op het kind, Otto. Hayat, kom jij maar naar boven...’
Ik keek naar Otto en haalde mijn schouders op. Toen greep ik de stam en werkte mezelf langs de knobbels omhoog.
‘Kijk uit dat je ninjamasker er niet afvalt, Hayat,’ zei Satya.
Beneden jankte Imran dat hij ook de boom in wilde.
‘Jij kunt niet zelf in de boom klimmen,’ zei Otto tegen hem. ‘Je bent nog te klein.’
Ik hees mezelf de wirwar van takken in en vond de voetsteun vanwaar ik het plekje waar Satya zat kon bereiken. Achter het raam direct voor ons zat Gina op haar bed met haar vriendje te zoenen.
‘Ze ziet er leuk uit,’ zei Satya.
‘Dat is ze ook,’ zei ik.
Ik kende Gina niet goed – ze was drie jaar ouder dan ik – maar ze woonde al bijna twee jaar in het huis tegenover ons en bijna al die tijd had ze al verkering met de korte, stevige jongen die op haar bed zat. Ik wist niet hoe hij heette – Gina praatte niet met mij, net zomin als met de andere jongere jongens in de buurt – maar ik wist dat ze met elkaar gingen, want ik had hem vaak met haar van school naar huis zien lopen. Mijn eigen school, Mason Elementary, ging eerder uit dan de junior high school, en het gebeurde vaak dat ik op het gazon voor ons huis aan het spelen was en hen de straat in zag komen, Gina met haar boeken tegen haar boezem gedrukt en die jongen langzaam fietsend naast haar. En soms had ik vanuit onze woonkamer, die een goed uitzicht op Gina’s garage bood, gezien hoe ze elkaar op de lege parkeerplek stonden te kussen.
Toen ik op een middag voor het woonkamerraam stond te kijken, kwam moeder achter me staan: ‘Moet je dat zien,’ zei ze vol walging, ‘de leerschool van een blanke vrouw... Hoe oud is ze eigenlijk?’
‘Ik weet niet... Veertien?’
‘Veertien?’
‘Ik denk het.’
‘Veertien,’ herhaalde ze, ‘en moet je haar zien.’
Gina’s vriendje streelde nu haar haren en keek haar diep in de ogen. Het stel leek geheel op te gaan in een dromerig niets, omgeven door een zoete, volmaakte mist.
Moeder vervolgde, vinnig: ‘Nu al gebruikt ze zichzelf, gebruikt ze haar lichaam om mannen te krijgen. Schaamteloos is het. Het zijn net dieren... Nee, nog erger dan dieren. Zelfs dieren hebben nog een beetje zelfrespect.’ Toen wendde ze zich opeens tot mij: ‘Ga naar je kamer, jij. Je hoeft niet naar hoeren te kijken. Straks word je nog net als je vader. Vooruit... weg jij!’
In de boom was Satya inmiddels voorzichtig nog wat verder op de tak gekropen om nog beter te kunnen zien. Gina’s vriendje had nu zijn hand onder haar roze truitje, terwijl hij haar zoentjes op de mond gaf. ‘Moet je zien,’ zei Satya. ‘Hij gaat nu naar het tweede honk.’
‘Het tweede honk?’
‘Het eerste honk is zoenen. Het tweede is onder de bloes. Het derde is in de broek. En het vierde is het echt doen.’
Ik had geen idee waarover hij het had. ‘Het echt doen?’ vroeg ik.
‘Seks. Je weet toch wel wat seks is, of niet?’
Ik staarde Satya aan, niet wetend wat ik moest zeggen. Ik wist alleen dat ik het woord weleens had gehoord.
Hij lachte: ‘Je wil me toch niet vertellen dat je niet weet wat seks is?’
Achter het raam had Gina’s vriendje haar truitje opgelicht, zodat haar gladde, platte buik en de witte beha erboven nu zichtbaar waren.
‘Wat doen ze nou, daarbinnen?’ jengelde Otto, omhoog turend naar ons.
‘Kop dicht,’ siste Satya. Ik keek naar hem, zag de opwinding in zijn ogen boven het servet dat hij nog steeds droeg, over zijn neus en mond. Ik vroeg me af of mijn ogen er zo hadden uitgezien toen mijn moeder me betrapte bij het raam. Naar hoeren kijken, had ze het genoemd.
Satya merkte dat ik naar hem keek. ‘Wat is er?’ vroeg hij.
‘Niks,’ zei ik.
‘Ik snap niet waarom je naar mij zit te kijken. Zo mis je wat het spannendste is.’
‘Ik hoef het spannendste niet te zien.’
‘Wat mankeert jou toch?’
Ik trok het servet van mijn gezicht en begon omlaag te klimmen.
‘Waar ga je heen?’
‘Naar huis,’ zei ik vol weerzin.
Thuis zaten Mina en Nathan nog steeds samen op de patio. Zelfs op twintig meter afstand trof me de aanblik van Mina. Ze leek veranderd. Scherper. Nog onweerstaanbaarder dan anders. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden en ik herinner me nog de stomp, de steek in mijn maag. Ik besefte dat ze van me gescheiden was en voelde een overweldigende behoefte om die kloof te dichten, om haar op de een of andere manier te grijpen, haar tot de mijne te maken.
Ik begreep het niet.
Ik stapte de patio op en wilde naar de keuken lopen, maar toen ik haar passeerde, stak Mina haar arm uit en trok me naar zich toe. Ik voelde hoe haar benen zich om me sloten en me vasthielden. Ze bracht haar mond naar mijn wang voor een kus: ‘Hij is als een tweede zoon voor me...’ koerde ze, stralend. Haar doepatta-sjaal zat losjes om haar hoofd gedrapeerd, de doorschijnende zijde glansde in de late middagzon. ‘...en als ik mijn zin krijg wordt hij net zo’n boekenwurm als wij tweeën.’
‘Hij is al bezig... nietwaar, Hayat?’ vroeg Nathan met een lome glimlach. Hij had een versufte, verdwaasde blik in zijn ogen die ik bijna even verontrustend vond als Mina’s opnieuw weer verrassende schoonheid. ‘Met een beetje geluk, Hayat, hou jij de traditie levend en word je ook een doorn in je vaders vlees,’ zei Nathan lachend. Ook Mina lachte.
‘Dat zou nog zo gek niet zijn, hè?’ ging Nathan verder. ‘Als iemand hem ooit nog eens zover kan krijgen dat hij een boek leest, dan is het zijn eigen zoon. Denk je niet?’
‘Ik betwijfel het,’ zei Mina, met vonkjes in haar ogen.
Er was iets gaande, maar ik kon niet zeggen wat. Het leek of er een elektrische lading, of een wolk van dansende muggen tussen hen hing.
Mina praatte verder: over hoe knap ik wel was; dat ik bezig was de Koran uit mijn hoofd te leren; en wat een goed plaatsvervangend broertje ik voor Imran was geweest. En behalve dat ze over me praatte, hield ze me ook nog tussen haar benen gevangen en had ze haar armen om mijn middel geslagen...terwijl ze toch verder van me weg leek dan ooit. ‘Ik moet naar de wc, tante,’ zei ik ten slotte en trok mezelf los.
‘Goed, koerban,’ zei ze.
Ik ging naar binnen en sloeg de patiodeur met opzet achter me dicht. Maar toen ik omkeek door het raam, scheen geen van beiden iets te hebben gemerkt.
Ze hadden alweer plezier om iets anders.