13 Geloofsdaden
Wat ik vervolgens deed, zou ik het meest van alles betreuren.
Hoewel Mina met veel klem had beweerd dat ze nooit meer met Nathan zou praten, zou haar besluit geen stand houden. Ik hoorde haar tegen moeder zeggen dat ze hem weer wilde zien. En een dag later zag ik haar telefoneren, met het snoer door de keuken en uit het raam naar de patio getrokken, waar ze, over de hoorn gebogen, een innig gesprek voerde. Ik wist dat het Nathan was. En toen ik daar achter in de keuken naar haar stond te kijken, ging er iets donkers en duisters door me heen, als zwarte inkt die mijn aderen vulde. Ik ging naar mijn kamer en pakte het boek van de plank dat Nathan me eerder die zomer gegeven had. Ik ging naar de garage en gooide het in de vuilnisbak. Maar het boek op de stinkende berg witte vuilniszakken te zien liggen, schonk me niet de gewenste voldoening. Ik voelde me machteloos.
Toen kreeg ik een idee.
Ik ging weer naar binnen en liep de trap op naar Mina’s kamer. Mijn ogen vlogen langs de boeken in haar kast, en toen vond ik het. Het dunne boekje zonder titel op de rug. Ik opende het op de voorpagina waar ik Mina’s adres uit de tijd van haar huwelijk met Hamed had zien staan.
Daar stond het.
Ik nam het boek mee naar mijn kamer en ging aan mijn bureautje zitten. Omdat mijn rechterarm nog in het gips zat, kopieerde ik het adres met mijn linkerhand. Het duurde even. Toen ik naar Mina’s kamer terugliep om het boek op zijn plaats te zetten, met de zwartheid in mijn bloed, veranderde ik van plan. Met een brief zou het niet gaan. Het zou al te gemakkelijk te achterhalen zijn dat ik de afzender was. En toen herinnerde ik me opeens hoe Mina ons ooit het bericht had gestuurd van haar vlucht.
Per telegram.
Ik ging naar mijn kamer terug en dacht: maximaal tien woorden.
In mijn bureaula zocht ik het restant van de twintig dollar die ik een jaar geleden van vader had gekregen. Ik had er negen van uitgegeven, allemaal aan snoep, en had nu nog iets minder dan elf dollar over. Ik trok mijn gymschoenen aan en ging weer naar de garage. Het kostte me nog wel moeite om met mijn arm in het gips op mijn fiets te klimmen en mijn evenwicht te vinden, maar toen dat gelukt was, peddelde ik weg.
In de ongeveer twintig minuten die het me kostte om naar het winkelcentrum te rijden, kwam ik tot een conclusie. Ik kon het woord jood niet gebruiken. Dan zou het al te gemakkelijk zijn om erachter te komen dat ik de afzender was. Ik zou hem in plaats daarvan een kafir noemen, het woord dat de Koran zo dikwijls gebruikte. Een ongelovige.
Ik zette mijn fiets bij de struiken voor de ingang van het winkelcentrum. Binnen was het kantoortje van de Western Union leeg. Ik liep naar het loket. Voor mij zat de man met de verzengend blauwe ogen en de paarse vlek over zijn gezicht die ons Mina’s telegram had bezorgd. Hij schilde een sinaasappel. Hij keek op.
‘Wat kan ik voor je doen?’ vroeg hij kortaf. Ik wist niet of hij me herkende.
‘Ik wou graag een telegram versturen.’
‘Naar het buitenland?’
‘Ja.’
‘Hier,’ zei hij. Hij veegde zijn handen af aan zijn mouwen en schoof het formulier door de gleuf onder het raam naar me toe. ‘Invullen en hier terugbrengen. Basistarief voor maximaal tien woorden. Elk woord meer kost zeventig cent extra. Leestekens tellen mee.’
‘Oké.’
Iets in mij aarzelde toen ik het formulier aannam. Ik ging opzij staan om het in te vullen. Ik schreef zorgvuldig de boodschap uit en lette goed op dat alle letters leesbaar waren:
mina trouwt een kafir stop zijn naam is nathan
Toen ik daarmee klaar was, haalde ik het papiertje met het adres in Karachi uit mijn zak en vulde in de daarvoor bestemde ruimte het adres in:
Hamed Suhail
Dawes Lines Rd 14
Karachi, Pakistan
Eronder was een vakje voor het adres van de afzender. Daar had ik niet aan gedacht. Ik wilde eerst een naam en adres verzinnen, maar bedacht toen dat ik geen adressen kende buiten het stadsdeel waar we woonden.
Iets in mij fluisterde dat dit niet ging werken.
Ik keek naar het loket en zag dat de man al kauwend naar me zat te staren. ‘Heb je hulp nodig?’ vroeg hij.
‘Nee.’
‘Wat is het probleem?’
‘Niks. Ik denk gewoon even na.’
Hij knikte en draaide zich om, waarna hij verdween. Ik hoorde een radio kraken en toen het zwakke geluid van iemand die praatte.
Ik keek het kantoortje eens rond. Op de linoleum vloer lagen verscheurde vodjes papier, verfrommelde formulieren en hopen stof die in de hoeken waren geveegd. Aan het eind van de balie aan de muur tegenover het loket lag een gele gids.
Adressen, dacht ik.
Ik liep erheen en pakte het telefoonboek. Ik opende het op goed geluk en liet snel mijn blik over de bladzij gaan. Een advertentie in rood en blauw voor een Chevrolet-dealer trof mijn oog:
Gordon’s Chevrolet
2710 Oklahoma Avenue
Milwaukee wi 53215
Ik kopieerde het adres op het formulier, maar had nog geen naam die ik kon gebruiken. Ik las nog eens de tekst die ik had opgeschreven.
Kafir.
Ik zag opeens het gezicht van Sonny Buledi, de enige echte kafir die ik kende. Ik liep naar het loket terug.
De man met de wijnvlek op zijn gezicht stond in de open deuropening van een achterkamer te luisteren. Door de radio kwam een snerpende stem die sprak van de Heer en van Jezus. De man merkte me op. ‘Klaar?’ vroeg hij en hij kwam naar me toe.
Pas toen hij het formulier wilde aanpakken, voelde ik mijn eerste vleugje spijt. Het sjofele kantoor, het geschreeuw van de stem door de radio, de wijnvlek op het gezicht van de man...ik wilde er opeens niets meer mee te maken hebben. Toen de man het papier greep, hield ik het nog vast. Hij trok. Ik dacht heel even dat het zou scheuren. Toen pas liet ik het gaan.
Hij scheen niet te merken dat er iets mis was.
‘Dat is dan zes dollar,’ zei hij, de tekst overlezend. ‘Zes eenendertig inclusief btw.’ Ik haalde mijn geld uit mijn zak en telde zeven dollarbiljetten uit die ik door de gleuf schoof. ‘Wat betekent dat?’ vroeg hij, naar de tekst wijzend.
‘Wat?’
‘Kafir?’
‘Dat betekent... eh –’ Ik zweeg, twijfelend of ik wel verder moest gaan.
‘Ja?’
‘Iemand die niet in God gelooft.’
De man grinnikte wat in zichzelf en schudde zijn hoofd. Hij keek me aan met een kille glans in zijn blauwe ogen en heel even voelde ik me opgelucht in de veronderstelling dat hij me ging vertellen dat hij het telegram niet kon versturen.
‘Dat soort lui?’ zei hij ten slotte. ‘Die komen er gauw genoeg achter. Als de poorten van de hel opengaan en ze niet weten wat hun overkomt.’ Hij lachte in zichzelf. ‘Mafkezen, dat zijn het. Gewoon een zootje mafkezen.’ Hij keek me aan – het formulier in zijn hand – en glimlachte flauwtjes. ‘Ik zal het voor je versturen. Nu meteen.’
Wat volgde liet niet lang op zich wachten.
Ik heb een vage herinnering aan een tumult die nacht, een commotie waardoor ik even ontwaakte. De volgende ochtend trof ik moeder aan de keukentafel met een somber gezicht. Ze keek me aan:
‘Je zult het niet geloven, behta. Hamed weet het van Nathan. En hij dreigt haar het kind af te nemen.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ik bedoel, volgens mij kan hij dat helemaal niet... althans niet zolang ze hier in het land is...’ Moeder wendde haar blik af. ‘O, God,’ zuchtte ze.
Ik was gechoqueerd. Zo had ik het absoluut niet bedoeld.
‘Die man heeft haar ouders gebeld en het aan hen verteld. En die hebben toen midden in de nacht hierheen gebeld. “Wie is Nathan? Wat is er gaande?” Natuurlijk had ze hun niets verteld. Natuurlijk had ze gelogen. Ze had gezegd dat ze geen Nathan kende... En weet je wat haar vader toen zei? Dat, als ze met een kafir trouwde, ze niets meer met haar te maken wilden hebben.’ Moeder zweeg even. ‘En dat is nog niet alles. Hij zei dat hij al haar botten zou komen breken. En hij heeft er al eerder een paar gebroken.’ Ze zweeg en stond op van tafel. ‘Maar nu is het wel van de baan. Over en uit. Ik weet niet wat me bezield heeft. Verzot op verhaaltjes, dat ben ik, behta. En dat ben ik altijd geweest.’ Ze wees nu naar mij. ‘En dat zie ik ook in jou. Daar moet je je bewust van zijn. Verhaaltjes zijn voor dwazen, Hayat! Voor dwazen! Je moet geen dwaas willen zijn!’ Ze zweeg, en met een blik van verbijstering op haar gezicht zei ze, nu voornamelijk tegen zichzelf: ‘Sonny Buledi? Uitgerekend hij? Waarom? Hoe komt die nou aan hun adres?’
Moeder keek me niet aan. Had ze dat wel gedaan, dan denk ik dat ze gemerkt zou hebben dat ik me erg ongemakkelijk begon te voelen.
‘Waar is tante Mina nu?’ vroeg ik na een lange stilte.
‘Je vader is met haar naar een advocaat. Ze was totaal hysterisch... dat zul je wel begrijpen. Die schoft wil haar haar zoon afnemen!’ Moeder schudde nogmaals haar hoofd, nog steeds stomverbaasd: ‘Sonny Buledi... Wat bezielt die man?’
Moeder ging naar het fornuis om het ontbijt klaar te maken. Tijdens het eieren koken herhaalde ze keer op keer de weinige feiten van het verhaal op een toon die nu eens gekleurd werd door zelfverwijt, dan door woede, en dan weer door ongeloof dat zoiets überhaupt had kunnen gebeuren. Terwijl ik het keer op keer aanhoorde – dat Mina Imran kon verliezen, dat haar vader haar botten kwam breken – ging het me duizelen.
Wat had ik gedaan?
Moeder kwakte een bord met eieren en toast voor me neer, maar ik kon niet eten. Moeder was onverbiddelijk. ‘Het is allemaal al erg genoeg, maak het nu niet nog moeilijker voor me, Hayat.’
Ik at een paar hapjes. Ik prikte de dooier van mijn spiegelei door. Ik verplaatste het eten op mijn bord en maakte er een smeerboel van. Uiteindelijk mocht ik van haar van tafel.
Boven op mijn kamer knielde ik neer.
‘Zorgt u alstublieft dat ze Imran niet van haar afpakken, Allahmia. Alstublieft. Ik wil alles voor u doen. Wat het ook is. Ik zal de Koran nog sneller leren. Ik zal een maulvi worden. Wat u maar wilt. Wat het ook is. Maar zorgt u alstublieft dat ze Imran niet verliest. En dat haar vader niet al haar botten breekt. Alstublieft, alstublieft, alstublieft...’
Onder het bidden zag ik voor mijn geestesoog de man met de vlek op zijn gezicht, kauwend, en het postkantoor zelf met de vloer vol verscheurde en verfrommelde formulieren. Ik beleefde keer op keer het moment dat ik het formulier bleef vasthouden en verbeeldde me dan dat ik het niet had losgelaten. Wat had ik niet willen geven als het toen in tweeën was gescheurd!
Ten slotte, uitgeput door mijn wanhopige smeekbeden, ging ik naar bed. Maar ik nam de koran mee. Het was het enige wat ik wist te doen. Het enige wat Allah naar mijn mening van mij zou willen. Verdergaan waar ik gebleven was.
Zoals moeder had voorspeld, zei de advocaat met wie Mina die ochtend gesproken had dat ze zich nergens zorgen over hoefde te maken. Althans, zolang ze in dit land was. Moeder beloofde haar dat ze bij ons kon blijven zo lang ze wilde of nodig vond.
Ik zag Mina pas die avond. Ik durfde haar nauwelijks aan te kijken. Ik wilde haar vertellen wat ik gedaan had, maar ze leek zo ongenaakbaar. Ze had iets grimmigs en heftigs dat ik nooit eerder bij haar had gezien. Haar grote amandelvormige ogen waren geslonken tot smalle spleetjes en de lijnen in haar voorhoofd – en aan weerszijden van haar neus en in haar ooghoeken – waren diep en donker. Ze bewoog zich zelfs anders, kordaat en efficiënt, niet meer met dat schuifelende dat ze bij vroegere tegenslagen vertoonde. Haar blik had niets meer van het dromerige waardoor het vaak leek alsof ze naar een ander, oneindig veel beter oord was weggezweefd. Tegen mij deed ze koel. En dat zou ze nog dagenlang doen. In het begin dacht ik dat ze het wist. Maar toen drong het tot me door dat ze tegen iedereen zo deed. Er was iets in haar veranderd.
Ik droomde elke nacht van het kantoor van de Western Union en de man met de wijnvlek op zijn gezicht. De herinnering aan wat ik had gedaan – de pijn erom – was nooit lang uit mijn gedachten. Ik was doodsbang voor wat er nu met Mina en Imran kon gebeuren en ik voelde me machteloos. En het feit dat mijn machteloosheid mijn eigen schuld was, gaf voedsel aan een nieuwe vorm van schaamte. Ik zag nu duidelijk in dat ik me tegenover Imran afstandelijk had gedragen, zonder te weten wat ik deed. Ik had dankbaar moeten zijn dat ik hem had, dacht ik nu. Dus ging ik hem nu mijn broertje noemen, zoals hij mij al deed. En ik greep iedere kans aan om de schade te vergoeden die ik bij hem dacht te hebben aangericht. We speelden meer dan ooit samen, ik onderwierp me aan zijn stemmingen en ik gaf hem mijn speelgoed. Maar ook al probeerde ik mezelf te verliezen in mijn moedwillige vriendelijkheid, ik kon mijn daad niet vergeten. Het voelde aan als iets op mijn huid, zoals olie, of als de plak op mijn tanden die zich door geen tandenborstel liet wegpoetsen.
Aan het eind van de week, op vrijdag, hulden moeder en Mina zich in hun traditionele Pakistaanse kledij voor een feestje bij de Chatha’s waarvoor we allemaal uitgenodigd waren. Vader was ervan overtuigd dat de uitnodiging niet anders dan als een provocatie kon worden opgevat, in het licht van wat er in het Islamitisch Centrum was gebeurd. Hij vermoedde zelfs nog iets ergers: na een gesprek met Sonny Buledi – die in alle toonaarden ontkende iets met de kwestie te maken te hebben – had vader geconcludeerd dat het telegram alleen maar verstuurd kon zijn door iemand van die ‘kliek van wolven in schaapskleren’, zoals hij ze nu noemde. Hij begreep niet hoe moeder het in haar hoofd kon halen naar de Chatha’s toe te gaan.
‘We moeten meer uitgaan,’ zei ze. ‘Zij moet meer uitgaan. We moeten omgaan met mensen van ons eigen soort. En jij moet met ons mee.’
‘Geen sprake van,’ zei vader.
‘Oké,’ zei moeder koel. ‘Dan gaan we zonder jou.’ Vader bestelde kaaspizza’s en mozzarellasticks voor Imran en mij bij een pizzeria in de buurt. Terwijl Imran en ik zaten te eten en naar herhalingen van Three’s Company keken, stond vader telkens op en liep hij de kamer uit, om even later weer terug te komen. Na het programma viel Imran op de bank in slaap. Vader was kennelijk verdwenen.
Ik ging naar mijn kamer. Ik deed mijn bureaula open. Onder wat papieren lag de foto van Mina. Ik haalde hem eruit. Haar gezicht was volmaakt; het had de vorm van een naamloos gevoel in mijn binnenste dat alles scheen te omvatten wat ik wilde, een gevoel dat nu doortrokken leek van een heftig, onstuimig berouw.
Ik legde de foto terug en pakte mijn koran, maar ik kon mijn hoofd er niet bij houden.
Ik sloot mijn ogen en bad.
‘Lieve Allahmia, ik zal alles doen, ik zal alles opgeven, maar behoed Imran voor die man. En behoed Mina voor haar vader.’
Ik hoorde iets en opende mijn ogen. De deur van mijn kamer zwaaide wijd open. Daar stond vader.
Zijn rijzige gestalte tekende zich af tegen de donkere gang en zijn gezicht was amper zichtbaar in het licht van mijn bureaulamp, de enige aanwezige lichtbron. Maar ondanks het donker kon ik zijn ogen zien, die mij aankeken als smeulende kolen.
‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg hij. Zijn stem klonk gespannen en hij sprak onduidelijk.
‘Ik lees de Koran,’ antwoordde ik.
‘Ben je vergeten wat ik je in het ziekenhuis heb gezegd?’
Nu pas besefte ik dat het boek waarover hij het toen had de Koran was.
‘Geef hier,’ zei hij, naderbij komend.
Ik trok me terug en klemde het boek tegen me aan. Mijn hart ging tekeer.
‘Geef hier, zei ik!’ beval hij. Hij stond nu vlak naast me, met zijn hand geopend voor me.
‘Waarom?’ bracht ik ten slotte uit. Mijn stem – luid, opstandig – verraste me.
Hij keek op me neer en zijn kaaklijn verstrakte. Plotseling kwam zijn gesloten vuist omlaag naar mijn gezicht. Ik bukte en hij trof mijn nek. Toen sloeg hij me opnieuw en viel ik van mijn stoel.
Vader had nu mijn koran in zijn greep, zijn rechterhand om de rug en zijn vuist om een pak bladzijden. ‘Dit godverdomde ding...’ siste hij door zijn tanden, en zijn armen en schouders spanden zich terwijl hij uit alle macht trok, tot hij de inhoud uit de band had gescheurd.
Hij smeet grommend de band op de grond en begon vervolgens de bladzijden los te rukken. Hij trok en scheurde, terwijl bladzijden en flarden van bladzijden om hem heen neerdwarrelden. Hij bleef trekken en scheuren tot het tapijt met papier overdekt was. Toen begon hij erop te dansen en het onder zijn hakken te vermalen. Met een woeste blik in zijn ogen vertrapte hij als een bezetene de stukken van ons Heilige Boek. Hij wendde zich, nog dansend, tot mij: ‘Wou je je koran?’ schreeuwde hij. ‘Daar heb je je klotekoran!’ Ik had hem dat woord nog nooit horen gebruiken en het klonk onbeholpen uit zijn mond, alsof hij nog niet wist hoe hij het uit moest spreken. ‘Wat je gaat doen als je achttien bent moet je zelf weten. Maar voor het zover is – als ik je nog één keer met een koran betrap, doe ik letterlijk wat dit kloteboek zegt dat je met dieven moet doen! Dan hak ik verdomme je handen af! Allebei!’ Hij wees naar me en keek me woedend aan: ‘Heb je me verstaan?’
Ik was nu in tranen. Ik had geen macht meer over mijn adem. Hij bleef alsmaar steken in mijn keel, en mijn borstkas en hals trokken zich samen zonder dat ik er iets aan kon doen.
‘Heb je me verstaan?!’ schreeuwde hij.
Ik probeerde te knikken, maar mijn onwillekeurige gehijg maakte zelfs dat onmogelijk.
‘ik zei: heb je me verstaan?!’
‘J...a...a...’ kon ik ten slotte snikkend uitbrengen.
‘Juist, ja,’ zei hij, om zich heen kijkend, met zwoegende borst.
Mijn blik ging naar mijn open kamerdeur. Daar stond Imran met grote ogen naar mij te staren.
‘We zijn nog niet klaar,’ zei vader, naar mijn bed lopend. Hij rukte de dekens eraf en trok het hoeslaken eronder los. Hij gooide het op de vloer en begon het papier erin te schoppen. Terwijl Imran gefascineerd toekeek, zweepte vader zichzelf opnieuw op tot razernij, beurtelings met zijn linker- en rechtervoet werkend, wankelend, met een blik van telkens nieuwe verbazing op zijn gezicht, alsof hij maar niet kon geloven dat het gewoon maar papier was waar hij tegenaan stond te schoppen.
Toen hij de verscheurde bladzijden ten slotte op het laken had verzameld, trok hij de punten daarvan bij elkaar in zijn vuist en gooide hij het als een zak over zijn schouder. Daarop wendde hij zich tot mij: ‘Meekomen, Hayat!’ riep hij. ‘Nu!’
Ik stond op van mijn bureau. Ik had nog steeds geen greep op mijn ademhaling.
‘Wa... waar... gaan we naartoe?’ stamelde ik.
‘Schiet op!’
Vader stuurde me de trap af en de keuken in. Imran volgde ons. Vader trok een laatje open bij de telefoon en griste er een aansteker uit. Hij wees naar de deur van de patio. ‘Naar buiten, Hayat! Schiet op! Nu!’
Het was een droge avond. Er zat al een zweem van najaarskilte in de lucht. Aan het eind van het hellende gazon, boven de boomkruinen waarvan het silhouet zich nauwelijks zichtbaar aftekende tegen een zwarte lucht, hing een ragfijne maansikkel. Vader porde me vooruit. Ik hijgde nog steeds. Ik keek om naar ons huis en zag dat Imran door het raam van de patio-deur naar ons stond te kijken.
Vader liep tot achter in de tuin, achter de moestuin. Hij gooide de bundel op een kale, met as bedekte plek in het gras waar hij in de lente en zomer takken verbrandde en bladeren in de herfst. ‘Nee...eee!’ riep ik, toen het tot me doordrong wat hij ging doen.
Vader haalde de aansteker uit zijn zak, bukte zich en graaide een handje snippers van de koran bijeen in zijn vuist. Met zijn duim knipte hij de aansteker aan, die een lange, spitse vlam produceerde. Met een vals lachje hield hij de aansteker bij het papier en wachtte tot het vlam had gevat. Pas toen het echt begon te branden merkte ik mijn verbazing op. Ik had verwacht dat dat niet zou gebeuren.
‘Gewoon papier,’ zei vader, alsof hij mijn gedachten las. ‘Het kon mijn zus niet beschermen. En zichzelf net zomin.’ Hij liet de brandende snippers op de hoop vallen.
Het vuur kwam langzaam op gang, de vlammen groeiden. Ik vergoot tranen, dik en heet. Het vuur danste en zwom voor mijn betraande blik.
Vader zweeg.
‘Jij... gaat... naar... de... hel...’ zei ik tussen mijn snikken door.
‘Prima,’ zei hij.
‘Pr... prie... prima?’
Hij antwoordde niet.
De verscheurde bladzijden verschrompelden en werden zwart in het vuur. De zwarte stukken verbrokkelden en zweefden in de stijgende hitte omhoog. Als vlokjes donkere sneeuw die de verkeerde kant opgingen, verdwenen ze in de avondlucht. ‘Als je ook maar een woord tegen je moeder zegt...’ waarschuwde vader, ‘dan breek ik je andere arm, dat zweer ik je.’
Ik keerde me af van het vuur. Ik had hem niet tegengehouden. Maar ik hoefde er niet naar te kijken.