24


Terwijl de rouwstoet langzaam het crematorium verliet, staarde Glodstone vol misère naar het achterhoofd van de chauffeur. Eén van de ironische aspecten van het bijwonen van zijn eigen begrafenis was dat hij zich nu herinnerde dat ‘chauffeur’ was afgeleid van het Franse woord voor stoker; waarschijnlijk was er zelfs bij moderne verbrandingsovens iemand nodig om de as te verwijderen. Degene die net tot stof was weergekeerd (waarschijnlijk een onbekende zwerver of iets waarmee ze klaar waren in de snijkamers van één van de academische ziekenhuizen), was onder de naam Glodstone aan de vlammen toevertrouwd. Die naam stond op de akte van overlijden en binnenkort zou er een klein berichtje verschijnen in de Old Groxbournian. Het Grote Avontuur was in rook opgegaan.

“Ik weet precies hoe je je voelt,” zei de gravin, die hem op zijn hand klopte. “Mourir c’est partir un peu.”

“Watte?” zei Glodstone.

“Doodgaan is een beetje afscheid nemen. Maar dat duurt niet lang. Tegen de tijd dat de chirurg klaar is ben je een heel nieuw mens.”

“De chirurg?” zei Glodstone. “Wat voor chirurg, verdomme nog an toe?”

“De plastische chirurg. Ze zeggen dat ‘t een kei is met brandwonden.”

“Brandwonden? Als je ziet wat er zogenaamd van mij over is, moet ‘t godverdomme wel een genie zijn.”

“Ik wil dat soort taal niet horen,” zei de gravin scherp. “Ik heb kosten noch moeite gespaard en ik wil niet dat je zo vloekt.”

Glodstone bedacht dat haar eigen taalgebruik ook een hele verandering had ondergaan en zei maar niets. Die buitengewone vrouw had iets dat hem angst aanjoeg, en pas toen ze aan de rand van Hampstead Heath stopten en naar het metrostation liepen, begon hij weer over brandwonden en plastische chirurgie.

“Waarvoor heb ik in vredesnaam plastische chirurgie nodig? Nog afgezien van degene die net is verast…”

“Daar gaan we nu niet verder op in,” zei de gravin. “Dat is allemaal verleden tijd. Je moet naar de toekomst kijken en omdat je niet naar Brazilië wilt, moet je doen wat ik zeg. Om te beginnen moet de vorm van je oren veranderd worden. Die verraden je altijd meteen en ze zijn ook het eerste waar de politie naar kijkt. Daarna – ”

“Maar met die pruik op kan niemand die verdomde oren zien,” zei Glodstone.

“Ik ben niet van plan te trouwen met een man met een toupetje. Dat staat niet en bovendien past ‘t niet bij je image. Wat de rest betreft…”

Maar Glodstone luisterde niet meer. “Zei je ‘trouwen’?” vroeg hij.

“Ja, natuurlijk. Je dacht toch niet dat ik van plan was met jou in zonde te leven?”

Een half uur later stapte Glodstone een kliniek in de buurt van Portland Place binnen. Een koperen plaatje op de deur scheen te suggereren dat ze zich voornamelijk bezighielden met abortus, maar dat kon Glodstone niets meer schelen. Hij had genoeg aan de wetenschap dat hij ging trouwen. Dat was oneindig veel beter dan de rest van zijn leven in Brazilië doorbrengen.

“Mijn held,” zei de gravin, die hem lichtjes op zijn wang zoende. “Vergeet niet je in te laten schrijven als meneer Smith.”

Waar zit Slymne?” zei de rector toen majoor Fetherington een week later terugkwam, vergezeld van twee agenten van de veiligheidspolitie.

“Rampton,” zei de majoor.

“Rampton? Dat is toch die afschuwelijke inrichting voor tbr-patiënten? En wat is er in godsnaam met je gezicht gebeurd?”

“Hondedrol in Shrewsbury,” zei de majoor, die nog niet helemaal was hersteld van het waarheidsserum en de lange ondervraging.

“Dat was je achterwerk, en nou kom je terug met een gezicht dat er uitziet als een…”

“Hondedrol in Shrewsbury,” zei de majoor.

“Jezus,” zei de rector. Slymne was misschien zo geschift dat hij in Rampton moest worden opgenomen, maar de majoor kon ook wel enige behandeling gebruiken. “En Glodstone?”

“Daarom zijn wij hier,” zei een van de mannen en hij liet zijn identificatie zien, die de rector behoedzaam bekeek.

“Veiligheidspolitie?” vroeg hij zwakjes.

De man knikte. “Wat die Glodstone betreft,” zei hij. “We zullen zijn kamers moeten doorzoeken en we willen graag dat u enkele vragen beantwoordt. Heeft u bij voorbeeld wel eens een communistische inslag bij hem opgemerkt?”

“Een communistische…Ik dacht dat die hufter lid was van een rechtsradicale club. Hij las in ieder geval de Daily Telegraph.”

“Dat zou een dekmantel kunnen zijn. Geen homoseksuele neigingen? Alcoholisme? Lichtgeraakt wat zijn maatschappelijke positie betrof? Iets dergelijks?”

“Allemaal,” zei de rector fervent, en hij keek uit het raam. Er was een vrachtwagen gearriveerd met een stel soldaten, die uitstapten op de oprit. “Wat moeten die hier?”

“Als u even wilt tekenen, meneer,” zei de agent, die een papier op zijn bureau legde.

De rector las het met toenemende ongerustheid door. “De wet op de staatsgeheimen? Willen jullie dat ik – ”

“Alleen een voorzorgsmaatregel, meneer. Meer niet. Als u natuurlijk liever gedagvaard wordt in verband met bepaalde geweldsmisdrijven in Belfast…”

“Belfast? Ik ben nog nooit in de buurt van Belfast geweest,” zei de rector, die dacht dat hij Slymne dadelijk gezelschap zou kunnen houden in die inrichting. “Jullie willen dat ik die officiële geheimhoudingsverklaring teken of anders beschuldigd worden…Godallemachtig, waar is m’n pen?” Hij krabbelde haastig zijn handtekening onder het formulier.

“En nu graag de sleutel van de wapenkamer.”

De rector overhandigde hem en terwijl de ene agent hem naar de officier bracht die de leiding had over de soldaten, nam de ander op een stoel plaats. “Ik moet u wel waarschuwen dat, mocht er iemand vragen stellen over meneer Glodstone of een zekere ex-leerling, het in uw eigen belang is om niet te antwoorden,” zeihij. “De beschuldiging voor die zaak in Belfast is nog niet ingetrokken, en nu u die verklaring heeft getekend, zouden de gevolgen wel eens lichtelijk vervelend kunnen zijn. Moet ik nog meer zeggen?”

“Nee,” zei de rector onduidelijk, “maar wat moet ik aan meneer ClydeBrowne vertellen?”

“Wie, meneer?”

“Jezus,” zei de rector. Buiten begonnen de soldaten de hele inhoud van de wapenkamer in de vrachtwagen te laden. Dat was in ieder geval een opluchting. Hij had altijd al een hekel gehad aan die dingen.

“Zoudt u me nu even naar de kamers van Glodstone willen brengen?” Ze staken de binnenplaats over en liepen de trap op. “Niet dat ik verwacht veel belangwekkends te vinden,” zei de man van de veiligheidspolitie. “Als de Russen iemand als ‘slaper’ inzetten, doen ze alles grondig. Waarschijnlijk hebben ze die verrader gerecruteerd toen hij op Cambridge zat.”

“Cambridge? Ik had nooit gedacht dat Glodstone ook maar in de buurt van een universiteit was geweest. Hij heeft er in ieder geval nooit iets over gezegd.”

“Natuurlijk niet. Die kerel is duidelijk een expert. Dat zie je meteen aan ‘t soort boeken waarmee hij zich omringd heeft.”

De rector staarde naar de verzamelde werken van Sapper en voelde zich heel vreemd. “Ik kan het nog steeds niet echt geloven,” zei hij. “Glodstone was wel een vreselijke vent, maar hij was veel te stom om ingezet te worden als…hoe noemde u het ook weer?”

“Als slaper,” zei de agent, die de sigarendoos met de brieven van de gravin in een plastic zak deed. “Waarschijnlijk in code.”

De rector probeerde de zaak optimistisch te bekijken. “Ik ben in ieder geval van die stomme kerel af,” zei hij. “Dat is een hele opluchting. Hebben jullie er enig idee van waar hij is?”

De agent aarzelde. “Ik kan ‘t u nu wel vertellen. Gisteren hebben we z’n Bentley teruggevonden in de buurt van Tilbury. Woensdagnacht is daar een Oostduitse trampboot vertrokken.”

Ze liepen terug naar de studeerkamer van de rector.

“Dat lijkt me voorlopig alles, meneer. Als u iets te binnen schiet dat van belang zou kunnen zijn, zouden we ‘t op prijs stellen als u dit nummer belt. ‘t Is een contactnummer, dus u hoeft alleen maar uw naam te zeggen.”

“En hij dan?” vroeg de rector, die ongerust naar majoor Fetherington keek.

“Wat is er met hem?”

“Ik heb niks aan een leraar die de hele tijd in het bijzijn van de jongens ‘Hondedrol in Shrewsbury’ mompelt. Hij is zo gek als een ui.”

“Dan zou u meneer Slymne eens moeten zien,” zei de agent grimmig. “De majoor gaat best. Die is een held, vergeleken met Slymne. En u kunt ‘m altijd nog als terreinknecht gebruiken.”


In Pine Tree Lane waren de gevoelens echter het meest gemengd.

“Ik vergeef ‘t je nooit. Nooit,” jammerde mevrouw ClydeBrowne, zonder acht te slaan op de aanwezigheid van tien geheime agenten in overalls, die al dubbele beglazing hadden aangebracht en nu druk bezig waren het hele huis opnieuw te schilderen. “Als ik bedenk dat ik m’n arme Peregrine nooit meer terug zal zien!”

“Ach, dat weet ik nog zo net niet,” zei meneer ClydeBrowne opgewekt. “Waarschijnlijk krijgt hij af en toe wel verlof. Ze kunnen niet eeuwig hetzelfde garnizoen op de Zuidpool laten zitten.”

“Maar hij is niet gewend aan kou en hij heeft zulke gevoelige longen.”

“Dat is waar,” zei meneer ClydeBrowne bijna vrolijk. “Je kunt altijd nog bloemen op zijn graf leggen. En hij hoeft in ieder geval niet gebalsemd te worden. Diepgevroren vlees blijft altijd goed.”

“Vuile, moordzuchtige…Nee, ik wil geen velouté behang met fleurs-de-lis in de keuken,” gilde ze toen een van de agenten haar tactvol een stalenboek onder haar neus duwde, “en ik wil ook niet dat de hal roze wordt geschilderd. Dat is een William Morris ontwerp.”

Meneer ClydeBrowne blies de aftocht. Hij was met een interessante echtscheidingszaak bezig waarbij het erom ging wie de kat mocht houden en nu Peregrine uit de roulatie was, was het misschien wel een goed idee om zijn eigen vrouw het leven nog wat zuurder te maken.


In Bognor Regis keek Glodstone in de badkamerspiegel en zag een vreemde. Dat was niet de eerste keer, maar het was nog steeds een schok om iemand die hij niet kende met zoveel akelige verbazing terug te zien kijken. En akelig was het juiste woord. De gravin had gelijk gehad toen ze beweerde dat die plastische chirurg een kei was in brandwonden, hoewel ze daar naar de woedende mening van Glodstone eigenlijk nog de woorden ‘het toebrengen van’ aan had moeten toevoegen.

“Als ik die eikel in handen krijg!” had hij geschreeuwd toen het verband was verwijderd en hij eindelijk in de spiegel mocht kijken. “Hij heeft godverdomme zeker een vlammenwerper gebruikt? Waar zijn m’n wenkbrauwen gebleven?”

“In de afvalemmer,” zei de hoofdzuster. “Bovendien heeft u speciaal om een totale verandering van uw uiterlijk gevraagd.”

“Een totale ver…godverdergodver, dat heb ik helemaal niet gedaan! Ik dacht dat m’n oren een beetje bijgesnoeid zouden worden, niet dat jullie me zouden veranderen in iets waar de meest geharde Heli’s Angel zich een beroerte van zou schrikken! En waarom ben ik zo kaal als een biljartbal?”

“We hebben uw hoofdhuid getransplanteerd op een andere patiënt met alopecia totalis. ‘t Heeft heel goed gehecht.”

“En wat heb ik dan, vliegende biljartitis?”

“U hoeft in ieder geval uw haar niet meer te kammen.”

“En me niet meer te scheren,” zei Glodstone. “Wie hebben jullie bij mij als donor gebruikt, een lepralijder met steenpuisten?”

“Dat noemen we ‘t Spitfire-effect,” zei de verpleegster.

“Een hele hoop piloten die tijdens de Battle of Britain zijn neergestort zien er zo uit.”

“Dat lijkt het Messerschmidt-effect me heel wat toepasselijker,” zei Glodstone. “Moet ik de rest van m’n leven met die karbonkels op m’n gezicht rondlopen? D’r zit er zelfs eentje precies op wat vroeger m’n neus was.”

“Dat zijn alleen maar bloedzuigers. We gebruiken ze voor het verwijderen van – ”

“Godver,” zei Glodstone, die in bedwang moest worden gehouden om te voorkomen dat hij de beesten zou losrukken.

“Als u zich niet als een brave jongen gedraagt, moeten we u een kalmeringsmiddel geven.”

“Mevrouw,” zei Glodstone, die wat van zijn waardigheid bijeen wist te schrapen nu hij bedreigd werd met een spuitje. “Ik kan bogen op een niet geringe ervaring met jongens, en geen enkele jongen die goed bij z’n hoofd is zou z’n gezicht laten gebruiken als voederplaats voor bloedzuigers. Ik kan wel tetanus krijgen of doodgaan aan bloedverlies.”

“Onzin. We zorgen ervoor dat ze volkomen gezond zijn en ze ruimen alleen het littekenweefsel op.”

“In dat geval staat ze verschrikkelijke indigestie te wachten,” zei Glodstone. “D’r is genoeg eten voor een heel weeshuis. En haal dat kloteding uit m’n linkerneusgat. Ik kan ‘t niet met m’n handen in het verband. Waar is dat trouwens voor?”

“Verwijdering van vingerafdrukken,” zei de verpleegster, zodat Glodstone daarna kon mijmeren over een leven zonder enig fysiek bewijs voor zijn identiteit. Zelfs zijn beste vrienden zouden hem nu niet meer kennen. Of dat willen.

De gravin had het in ieder geval prachtig gevonden. “Oh schat,” zei ze, toen ze hem op kwam halen. “Je ziet er geweldig uit.”

“Dan heb je toch wel een kloterige smaak,” zei Glodstone, die meteen op zijn vingers werd getikt vanwege zijn taalgebruik.

“Je hebt in de oorlog iets heel geheims gedaan waar je liever niet meer over praat. Dat is de beste smoes,” zei ze. “En van nu af aan moet je me Bobby noemen.”

“Dat is een jongensnaam,” zei Glodstone, die zich afvroeg of hij op het punt stond te trouwen met een soort lesbienne met een afschuwelijke voorliefde voor mismaakte mannen. Het was nog een wonder dat ze hem niet meteen van geslacht had laten veranderen.

“t Klinkt heel leuk en een beetje dertiger jaren. Toen heetten zoveel meisjes Bobby en bovendien past ‘t goed bij de pekinees.”

Glodstone huiverde. Hij had een gloeiende hekel aan pekinezen en het was duidelijk dat hij van nu af aan niets meer te zeggen had over zijn eigen leven, laat staan zijn gezicht.


Die voorspelling was maar al te goed uitgekomen. Na een haastig huwelijk voor de burgerlijke stand, waarbij hij moest verklaren dat hij Clarence Sopwith Hillary heette, een combinatie die Glodstone als vernederend en onnodig provocerend beschouwde en van uitermate slechte smaak vond getuigen, waren ze in Bobby’s snoezige kleine Mini (“De buren moeten niet denken dat wij ons beter voelen,” zei ze tegen Glodstone, die maar al te goed wist dat hij zich nooit meer helemaal beter zou voelen) naar de bungalow in Bognor Regis gereden. Die had aan zijn somberste verwachtingen beantwoord. Van het groene dak tot de petunia’s om het smetteloze gazonnetje en het kubistische vloerkleed in de woonkamer, belichaamde het alles wat hij het meest veracht had.

“Maar het is puur art-deco, Clarence. Het past helemaal bij ons.”

“Misschien bij jou, maar zeker niet bij mij,” zei Glodstone. “En moet je me persé Clarence noemen? Dat klinkt haast even stom als Cecil.”

“Goed, schat, dan noem ik je Soppy. En dit is Beatrice.”

“Godver,” zei Glodstone, die net in zijn enkel was gebeten door de Pekinees.

Terwijl hij in de badkamer naar zijn eigen nietszeggende gezicht staarde, wist hij dat hij was verslagen. Ze zouden de hele avond bridgen met de Shearers en hij zou op zijn donder krijgen omdat hij slecht had geboden en koffie moeten zetten en die stomme Beatrice moeten uitlaten voor ze naar bed gingen. En hij wist al wat ze zouden drinken. Crème de menthe. Constance Sugg was weer zichzelf.


In een heg in South Armagh staarde Peregrine, nu nummer 960401, door het infraroodvizier van zijn geweer naar de gedaante die beneden hem door het veld sloop. Het zou een Zuidierse politieman kunnen zijn, maar dat kon hem niet schelen. Hij had al vijf IRA-leden, twee stropers en een agent van de Noordierse politie die geen dienst had, om nog maar te zwijgen over een Landrover van het leger, zo feilloos uitgeschakeld dat zelfs de plaatselijke protestanten zich bij de IRA hadden aangesloten toen die zijn zestien vierkante mijl tot verboden gebied verklaarden en ook het leger meed het als de pest. Niet dat Peregrine dat iets kon schelen. Hij was in zijn element en deed waar hij voor was opgeleid. Om de zoveel weken dreef er een onbemande ballon over (er had een ongelukkig incident plaatsgevonden met een helikopter) die hij neer kon schieten om zo aan munitie en proviand te komen.

Dat laatste had hij eigenlijk niet nodig. Hij had een schaap geschoten voor zijn avondeten, dat op hem lag te wachten in het hol dat hij halverwege een oude waterput had uitgegraven en hij verheugde zich wel op een lekkere bout. De majoor had gezegd dat je van het land moest leven en dat deed hij ook. Hij haalde de trekker over en keek hoe de man neerviel. Vervolgens gehoorzaamde hij aan nog een uitspraak van de majoor, namelijk dat een soldaat het beste marcheerde op een volle maag, en kroop drie kilometer terug naar zijn schuilplaats. In de gelukkige overtuiging dat hij precies deed wat hem gezegd werd maakte hij even later zijn geweer schoon, oliede het en deed zich tegoed aan een lamskotelet.

EOF