21
“Godver. Nou zijn we de klos,” zei majoor Fetherington toen ze met piepende remmen tot stilstand kwamen bij een wegversperring voorbij Boosat. Drie gendarmes met pistoolmitrailleurs omsingelden de auto terwijl een vierde agent zijn pistool op Slymne richtte en om hun paspoorten vroeg. Terwijl de man ze doorbladerde staarde Slymne voor zich uit. Hij staarde al honderden kilometers lang recht voor zich uit naar de weg terwijl de majoor naast hem doezelde en nu was dat allemaal tevergeefs. Er was blijkbaar de een of andere catastrofe gebeurd. Zelfs de Franse politie zette geen wegversperringen op en hield de inzittenden van auto’s niet onder schot met pistoolmitrailleurs zonder goede reden, maar Slymne was haast te moe om zich er iets van aan te trekken. Ze moesten maar een telegram sturen aan de rector en dan ergens een hotelletje zoeken zodat hij een beetje kon slapen. Dat was één schrale troost. Wat er daarna gebeurde deed er niet meer toe. Hij maakte zich zelfs geen zorgen meer om de brieven. Als Glodstone ze inderdaad bewaard had, kon niemand bewijzen dat hij ze had verstuurd. In zekere zin was hij opgelucht. Het was allemaal voorbij.
Dat was het niet. Hij werd uit die rapsodie van uitputting gewekt doordat de portieren van de auto werden geopend en ze het bevel kregen uit te stappen terwijl ze nog steeds onder schot werden gehouden.
“Onmogelijk,” zei de majoor onverbiddelijk. “Cen’estpas possible. Ma verrekte derrière est blessé et je m’assissurune tube de pneu.” Maar ondanks zijn protesten werd hij naar buiten gesleurd en tegen een muur gezet.
“Een grof schandaal,” mompelde hij terwijl ze gefouilleerd werden. “Zoiets zou een Britse bobby nooit uithalen. Auw!”
“Stil,” zei de brigadier. Ze werden uit elkaar geduwd terwijl de auto werd doorzocht en hun bagage op de weg werd uitgespreid, waaronder de binnenband en de fles die de majoor gebruikt had om in te piesen, zodat hij niet elke keer onder helse pijnen uit hoefde te stappen. Vijf minuten later stopten twee politiewagens aan de andere kant van de wegafzetting en kwamen er diverse mannen in burger naar hen toe.
“Ze schijnen onze paspoorten nogal interessant te vinden,” zei de majoor, die prompt te horen kreeg dat hij zijn kop moest houden. Slymne staarde over de muur naar een rij populieren langs de rivier en probeerde zijn ogen open te houden. Het was warm in de zon en vlinders fladderden en doken door de bladstille lucht boven de weide en streken zonder duidelijke reden neer op een kleine bloem terwijl er een paar decimeter verder een veel grotere stond. Slymne putte troost uit hun lukrake keuze. Alles wordt geregeerd door toeval, dacht hij, en ik ben niet verantwoordelijk voor wat er is gebeurd. Als ik niets zeg kunnen ze ook niets doen.
Het kleine groepje politiemannen dat zijn paspoort bestudeerde hield er een heel andere mening op na. De ticket van de veerboot zat erbij. “Gisteren in Frankrijk gearriveerd en nu al hier?” zei commissaire Ficard. “Ze moeten de hele nacht zijn doorgereden.”
Hij keek veelbetekenend naar de fles van de majoor met zijn troebele inhoud. “Beroep: leraar. Dat kan een dekmantel zijn. Zit er iets verdachts in hun bagage?”
Twee rechercheurs kiepten de koffers leeg op de weg en doorzochten de inhoud.
“Niets.”
“En wat heeft die binnenband te betekenen?”
“Die andere man zat erop, monsieur Ie commissaire. Hij beweerde dat zijn zitvlak gewond was.”
Bij het horen van het woord ‘gewond’ hakte commissaire Ficard de knoop door. “Neem ze mee naar het bureau,” zei hij. “En ik wil dat die auto uit elkaar wordt gehaald. Niemand rijdt zonder goede reden zo snel van Calais naar hier. Ze moeten sowieso de snelheidslimiet hebben overtreden. En vraag inlichtingen bij de veerbootmaatschappij. Ik ben in die twee geïnteresseerd.”
Toen de majoor het busje werd ingeduwd maakte hij de zaak er nog erger op. “Blijf met je smerige poten van me af, stomme hufter,” snauwde hij en een ogenblik later lag hij gestrekt. Slymne ging rustig mee. Er was een last van zijn geweten gevallen nu hij gearresteerd was.
Een eindje voor Poitiers draaide de gravin de duimschroeven aan. “We moeten tanken. Als jij wilt stoppen bij het eerstvolgende benzinestation terwijl er een beschrijving van een man met een glazen oog circuleert, is dat jouw probleem. Ik wil er niks mee te maken hebben. Zet me hier maar af, dan loop ik wel.”
“Wat stel je dan voor?” vroeg Glodstone. Hij had al lang elke poging opgegeven om zelf te denken.
“Dat je het eerste het beste stille weggetje inslaat en dat Al Capone en jij je daar even koest houden terwijl ik de wagen vol laat gooien.”
“‘t Is niet makkelijk rijden in een auto zoals deze, weet je. Je moet ervaring hebben met zo’n ouderwetse versnellingsbak en…”
“Je moet double-clutchen. Ik oefen wel even.”
“Misschien is ‘t wel een goed idee,” gaf Glodstone toe en hij sloeg een zijweggetje in. Tien minuten lang reed de gravin terwijl Peregrine achterin zat en Glodstone bad dat ze de versnellingsbak niet in puin zou draaien.
“Oké?” vroeg ze uiteindelijk.
Glodstone knikte, maar Peregrine had zijn bedenkingen. “Hoe moeten we weten dat u terugkomt? U zou gewoon weg kunnen rijden en…”
“Zo’n slimme jongen alsjij laten oppikken door de politie? Zo stom ben ik ook weer niet. Bovendien wilde ik gered worden en daar zijn jullie tenslotte mee bezig. Maar ik wil m’n paspoort wel achterlaten als je dat prettiger vind.”
Ze stapte uit en zocht in haar koffer tot ze het juiste paspoort te pakken had. “Ik koop meteen iets te eten,” zei ze. “Rusten jullie maar uit in dat veld. Doe een dutje, en als ik over twee uur niet terug ben roep je de politie.”
“Wat bedoelde ze daarmee?” vroeg Peregrine terwijl ze wegreed. Glodstone klom over het hek naar het veld.
“Een grapje,” zei hij hoopvol en hij ging in het gras liggen.
“Toch vind ik – ” zei Peregrine.
“Hou je kop!”
Vijf kilometer verder stopte de gravin en besteedde enige tijd aan het verstoppen van de goudstaven achter de achterbank. Toen trok ze een zomerjurk aan en zette een zonnebril op, terwijl er constant allerlei mogelijkheden door haar hoofd maalden. Ze konden nog steeds gesnapt worden, maar nu ze eenmaal zo ver waren gekomen zonder te zijn aangehouden, leek het onwaarschijnlijk dat er een opsporingsbevel was uitgevaardigd tegen twee mannen en een vrouw in een antieke Bentley. Om het zekere voor het onzekere te nemen haalde ze weer twee staafjes achter de bank vandaan en na goed te hebben gekeken of er niemand in zicht was, verborg ze die in de heg achter een telefoonpaal.
Een uur later was ze weer terug. De tank was vol en ze had het eten gekocht dat ze nodig hadden, plus een thermoskan vol pikzwarte koffie en een planteschopje. Daarmee groef ze een gat naast de heg en begroef de twee goudstaven. Ze wilde iets achter de hand hebben voor het geval de douane de andere staven ontdekte en als dat niet gebeurde kon ze ze altijd later ophalen. Maar het mooiste van alles was dat de twee motoragenten die haar passeerden toen ze terugkeerde naar een slapende Glodstone en een wantrouwige Peregrine, haar nauwelijks een blik waardig keurden.
“Op pad, jongens,” zei ze. “We hoeven ons geen zorgen te maken. Deflics zijn niet naar ons op zoek. Ik ben er net twee tegengekomen. Geen probleem.” Ze schonk voor Glodstone een beker koffie met suiker in. “t Is zo sterk dat het een luiaard een week uit z’n slaap zou houden en je kunt onderweg iets eten.”
“Toch haal ik ‘t nooit naar Calais,” zei Glodstone. “Niet in één dag.”
“We gaan naar Cherbourg en je haalt ‘t wel.”
Tegen middernacht stonden ze op de parkeerplaats bij de terminal van de veerboot en lag Glodstone te slapen boven het stuur. De gravin schudde hem wakker. “Galahad en ik steken vannacht over als voetpassagiers,” zei ze. “Jij komt morgenochtend met de eerste boot. Goed?” Glodstone knikte.
“We zullen op je wachten,” zei ze. Ze stapte samen met Peregrine uit en liep naar het bespreekbureau. Het duurde echter nog twee uur voor ze uiteindelijk de douane en de paspoortcontrole passeerde met een Amerikaans paspoort waarin ze mevrouw Natalie Wallcott heette. Een eindje voor haar uit wandelde een jongeman genaamd William Barnes naar het cafétaria, waar hij een cola bestelde. Hij zat ook te slapen toen ze afvoeren. De gravin kocht een fles whisky bij de belastingvrije winkel, ging aan dek met haar plastic tasje en boog zich over de reling. Toen ze weer naar binnen ging zonken de tas, de fles whisky en alle documenten die gesuggereerd zouden kunnen hebben dat ze de gravin de Montcon of Anita Blanche Wanderby was geweest, naar de bodem van het Kanaal. Morgen zou ze weer Constance Sugg zijn. Dat was ze nu al. Ze moest moe zijn.
Dat was Slymne niet meer. Hij was door de barrière van de uitputting heengebroken naar een nieuwe, lichthoofdige dimensie waarin hij niet wist of hij nu wakker was of sliep. De vragen die hem werden gesteld door de twee rechercheurs tegenover hem, wezen in ieder geval op het tweede. De manier waarop ze werden gesteld was heel vriendelijk, maar de vragen zelfwaren afschuwelijk. Door dat contrast kreeg hij een nog onwerkelijker gevoel. “Ik ben geen lid van een subversieve organisatie en bovendien is de Britse geheime dienst niet subversief,” zei hij.
“Dus u geeft toe dat u tot een tak van die dienst behoort?”
“Nee,” zei Slymne.
De twee mannen gaven hem nog een kop koffie en raadpleegden een dossier dat voor hen lag. “Monsieur Slymne, u bent op twaalf april in Frankrijk gearriveerd en de tweeëntwintigste vertrokken. De zevenentwintigste kwam u terug en drie augustus vertrok u weer. Eergisteravond kwam u voor de derde keer terug en hebt u in één ruk negenhonderd kilometer afgelegd. Enige uitleg lijkt ons op zijn plaats.”
Daar was Slymne het eigenlijk wel mee eens, maar een schijnbaar ververwijderd deel van zijn geest nam de zaak over. “Ik geef aardrijkskunde en ik houd van Frankrijk. Natuurlijk kom ik dan vaak op vakantie.”
“Dat verklaart waarschijnlijk waarom u onze taal zo vloeiend spreekt,” zei inspecteur Roudhon glimlachend.
“Dat is iets anders. Ik ben niet erg goed in talen.”
“Maar u moet wel ongelooflijk fanatiek zijn op het gebied van aardrijkskunde om negenhonderd kilometer aan één stuk door te rijden. En dan nog wel ‘s nachts. Tenzij…” Hij zweeg even en stak een sigaret op. De kamer stonk naar muffe rook. “Tenzij, monsieur Slymne, en ik fantaseer nu maar een beetje, moet u begrijpen, u al in Frankrijk was en iemand u een alibi heeft bezorgd door in uw naam een overtocht naar Calais te boeken.”
“Een alibi? Waarom in vredesnaam?” zei Slymne, die trachtte te voorkomen dat alles wazig werd. De situatie begon steeds idioter te worden.
“Dat kunt u beter aan ons vertellen. U weet wat u hier doen moest. Wat de opdracht van majoor Fetherington en u is.”
“Nee,” zei Slymne, “want we hebben geen opdracht. Vraag maar aan de majoor.”
“Dat hebben we al gedaan. En hij was zo verstandig het te zeggen.”
“Te zeggen? Wat heeft hij gezegd?” Slymne was nu klaarwakker.
“Wilt u dat echt weten?”
Slymne wilde niets liever. De rechercheur verliet de kamer en kwam even later terug met een getekende verklaring.
“Majoor Fetherington heeft bekend dat hij lid is van de Special Air Services. Hij is vanuit een klein vliegtuig in het bos bij Brive gedropt…”
“Vanuit een klein vliegtuig?” zei Slymne, die het gevoel kreeg dat hij stapelgek begon te worden.
“Ja, monsieur, zoals u heel goed weet. Hij heeft zelfs het type en het vliegveld waar hij is opgestegen genoemd. Het was een Gloster Gladiator en hij is dinsdag om vier uur ‘s ochtends van Bagshot vertrokken – ”
“Maar…maar Gladiators worden al eeuwen niet meer gemaakt,” zei Slymne. Wat voerde de majoor in godsnaam uit? En er kon onmogelijk een vliegveld zijn in de buurt van Bagshot. Hij moest helemaal knetter zijn geworden.
“Bij het neerkomen heeft hij zijn rug bezeerd, maar zijn parachute begraven en zich naar de weg boven Colonges begeven, waar hij door u werd opgepikt,” ging de rechercheur verder. “U moest hem zijn orders geven…”
“Orders?” piepte Slymne. “Wat voor orders in jezusnaam?”
De rechercheur glimlachte. “Dat kunt u beter aan ons vertellen, monsieur.”
Slymne keek wanhopig de kamer rond. Majoor Fetherington had hem tot zijn strot in de puree gewerkt. Over afschuiven van verantwoordelijkheid gesproken. “Ik weet niet waar u ‘t over heeft,” mompelde hij. “Ik ben nog nooit in de buurt van Brive geweest en…” Hij gaf het op.
“Als ik u een goede raad mag geven, monsieur Slymne, dan kunt u ons beter nu vertellen wat u weet,” zei de inspecteur. “Dat kan u een ontmoeting met bepaalde heren uit Parijs besparen. Het zijn geen politiemensen, snapt u, en ze hebben zo hun eigen methoden. Ik heb persoonlijk nog nooit zulke mannen ontmoet en hoop ook nooit iets met ze te maken te krijgen. Ik heb begrepen dat ze niet erg aardig zijn.”
Slymne bezweek. Maar toen hij een uur later de verklaring had ondertekend en de inspecteur de kamer verliet, werd hem nog steeds de slaap ontzegd waar hij zo naar snakte. Daar wilde commissaire Ficard niets van weten.
“Denkt die grappenmaker dat wij achterlijk zijn?” schreeuwde hij. “We zitten met de moord op één van Amerika’s meest vooraanstaande politicologen en de verminking van de Russische afgevaardigde en dan wil hij ons wijsmaken dat de een of andere Engelse leraar verantwoordelijk is? Terwijl die ander al heeft toegegeven dat hij van de SAS is? Nee, daarmee ben ik niet tevreden. De minister is niet tevreden. De Amerikaanse ambassadeur eist dat we onmiddellijk actie ondernemen en de Russische ook en dan wil die clown ons doen geloven…” De telefoon ging. “Nee, ik zeg niets meer tegen de pers. En ik zou graag willen weten wie gisteren dat verhaal heeft laten uitlekken. Er rennen tientallen journalisten rond in helikopters. Hoe bedoel je dat ze niet kunnen rennen in helikopters? Eerst landen ze en dan…” Hij smeet de hoorn op de haak en kwam log overeind. “Als ik die Engelse kloothommel in handen krijg scheur ik de waarheid uit hem los, ook al moet ik z’n ingewanden meenemen.”
“We hebben al gezegd dat er speciale agenten onderweg zijn vanuit Parijs, monsieur Ie commissaire,” zei de inspecteur.
“Dat is niet nodig. Als ik eenmaal met hem klaar ben, is er niks meer voor hen over.”
Majoor Fetherington lag op zijn buik met zijn hoofd opzij en staarde onzeker naar de muur. Net als het voltallige politiekorps van Boosat had hij er geen flauw idee van wat er werkelijk was gebeurd in Château Carmagnac, maar voorlopig had hij zich de folteringen die Slymne duidelijk onderging weten te besparen. Het klonk de majoor als de meest duivelse martelingen in de oren en hij was blij dat hij die eikels had gegeven wat ze wilden – een hoop geleuter. En in zekere zin was het heel bevredigend. Die ouwe Gloddie moest wel iets vreselijks hebben uitgevreten om in aanmerking te komen voor wegversperringen, helikopters en de beschuldiging dat Slymne en hij agenten waren van de Britse geheime dienst. Dat kon de majoor wel waarderen. Hij had nooit veel opgehad met de Fransen en Gloddie had ze goed te pakken genomen en weten te ontkomen. Hij was niet van plan die ouwe idioot te verraden aan een stel Fransozen die met Slymne deden wat ze ook deden (daar dacht de majoor liever niet aan). Hij tastte naast zijn bed en vond zijn sokken waarmee hij zijn oren dicht probeerde te stoppen. Dat was hem gedeeltelijk gelukt toen Slymne ophield met gillen en de deur van zijn cel open ging.
“En m’n kleren dan?” vroeg de majoor met trillende stem toen ze hem overeind sleurden. Inspecteur Roudhon keek vol walging naar zijn gevlekte onderbroek.
“Die heeft u niet nodig op de plaats waar u heen gaat,” zei hij zachtjes. “Maar misschien wel schoenen. Geef hemeen deken.”
“Wat gaat er gebeuren?” vroeg de majoor, die nu echt in de rats zat.
“U brengt ons naar de plek waar u die parachute heeft begraven.”
“Oh, mijn God,” jammerde de majoor. Hij zag nu in dat hij een vreselijke vergissing had begaan.