12
Het was halverwege de middag voor Glodstone bereid was op weg te gaan naar het Château.
“We moeten op alles voorbereid zijn en dat betekent dat we niets aan het toeval mogen overlaten,” zei hij. “En als we om de een of andere reden gedwongen worden uit elkaar te gaan, moeten we allebei een ijzeren voorraad hebben die genoeg is voor een week.”
“Nu snap ik waarom ze zoiets een ijzeren voorraad noemen,” zei Peregrine terwijl Glodstone nog eens vijf blikken corned beef in zijn rugzak propte. Glodstone negeerde die opmerking. Pas toen hij klaar was en zijn eigen rugzak trachtte op te tillen, besefte hij dat die naam heel goed was gekozen. Beide rugzakken bevatten tien geassorteerde blikken voedsel, een zaklantaarn met twee sets reservebatterijen, extra sokken en overhemden, een butagasstel en een Zwitsers legermes met apparaatjes waarmee je stenen uit de hoeven van paarden kon verwijderen en ook, wat beter van pas kwam, flessen kon openen. Aan de buitenkant waren een slaapzak en een grondzeil bevestigd waaronder een kampeerpot, een veldfles, een kompas en een kaart van het gebied in een plastic hoes hingen. Zelfs de zijvakken zaten volgepropt met noodrantsoenen: in het geval van Peregrine met vier repen chocola en in dat van Glodstone met een fles cognac en diverse blikken pijptabak.
“Dat is het wel zo’n beetje,” zei hij voor hij zich de Bentley herinnerde. Hij ging de loods binnen en kwam tien minuten later terug met de bougies.
“Zo kan niemand haar stelen. ‘t Is onwaarschijnlijk dat ze haar zullen vinden, maar we kunnen geen risico’s lopen.”
“Ik betwijfel of we überhaupt nog kunnen lopen,” zei Peregrine, die er nu pas in was geslaagd zijn rugzak op zijn schouders te hijsen en die nog extra werd gehinderd door een lange rol nylontouw om zijn middel.
“Onzin. We weten niet hoe lang we wegblijven en ‘t heeft geen zin de slappeling te spelen,” zei Glodstone, die daar onmiddellijk spijt van kreeg. Zijn eigen rugzak was zo zwaar als lood en enkel en alleen door het rotding eerst op een roestig olievat te tillen wist hij hem eindelijk op zijn rug te hijsen. Zelfs toen was hij nauwelijks in staat te lopen maar wankelde onvrijwillig voort, gedreven door het gewicht van de rugzak en het besef dat hij niet als eerste de slappeling mocht spelen. Een half-uur later dacht hij daar anders over en was hij al twee keer gestopt, zogenaamd om een kompaspeiling te nemen en de kaart te raadplegen. “Ik denk dat we ons een kleine vijfentwintig kilometer ten zuidoosten van het Château bevinden,” zei hij somber. “In dit tempo mogen we van geluk spreken als we er voor donker zijn.”
Peregrine zag de zaken optimistischer in. “Ik kan altijd nog vooruit gaan om een gemakkelijkere route te zoeken. Ik bedoel, vijfentwintig kilometer is niet echt ver.”
Glodstone hield zijn mening voor zich. In zijn ogen was vijfentwintig kilometer door dit duivelse, beboste en heuvelachtige gebied met zo’n vijftig kilo aan geassorteerde nooduitrusting op zijn rug gelijk aan tachtig kilometer over vlak terrein en het feit dat er nergens een pad te ontdekken viel was aan de ene kant wel geruststellend, maar aan de andere kant ook verdomd lastig. En Peregrines overduidelijk uitstekende conditie en het gemak waarmee hij steile hellingen beklom en zich een weg baande door het bos maakte het er ook niet makkelijker op. Hijgend en puffend zwoegde Glodstone verder, terwijl hij zich schramde en stootte aan boomtakken en diverse keren overeind moest worden geholpen. Tot overmaat van ramp vond hij dat hij, als leider van de expeditie, niet mocht klagen en enkel en alleen door voorop te lopen kon hij ervoor zorgen dat Peregrine tenminste niet het tempo aangaf. Zelfs dat kende zijn nadelen, in de vorm van Peregrines revolver.
“Doe dat rotding weg,” snauwde Glodstone toen hij voor de tweede keer onderuit ging. “‘t Laatste waar ik behoefte aan heb is een kogel in m’n rug.”
“Ik hou hem in m’n hand voor het geval we in een hinderlaag lopen. U zei zelf dat we overal op voorbereid moesten zijn.”
“Dat zal best, maar aangezien niemand weet dat we hier zijn en er geen spoor van een pad valt te ontdekken, mogen we veilig aannemen dat we niet worden opgewacht,” zei Glodstone, die moeizaam overeind krabbelde. Twintig minuten later en vierhonderd meter beboste helling hoger waren ze op de top van een heuvel en zagen een droog, rotsachtig plateau voor zich.
“De Causse de Boosat,” zei Glodstone, die de gelegenheid weer aangreep om zijn kaart te raadplegen en op een rotsblok te gaan zitten. “Als iemand ons ziet moeten we net doen of we toeristen zijn die een trektocht maken naar Frisson.”
“Maar Frisson ligt daar,” zei Peregrine, die naar het zuiden wees.
“Dat weet ik ook wel, maar dan doen we net alsof we verdwaald zijn.”
“Een beetje vreemd, gezien ‘t feit dat we kaarten en kompassen hebben,” zei Peregrine. “Maar goed, als u ‘t zegt.”
“Dat zeg ik inderdaad,” zei Glodstone grimmig en hij hees zich overeind. Het daaropvolgende uur sjokten ze over het rotsige plateau en werd Glodstone steeds prikkelbaarder. Het was bloedheet en zijn voeten gingen zeer doen. Desondanks dwong hij zichzelf te blijven lopen en pas toen ze bij een droge stroombedding met steile oevers kwamen besloot hij’ van tactiek te veranderen.
“t Heeft geen zin te proberen vanavond nog bij het Château te komen en bovendien lijkt dit me een geschikte plek om een voedselvoorraad te verbergen,” zei hij. “We laten de helft van de blikjes hier achter. We kunnen ze later altijd weer ophalen als we ze nodig mochten hebben.” Hij deed zijn rugzak af, liet hem op de grond ploffen en begon zijn veters los te maken.
“Dat zou ik maar niet doen,” zei Peregrine.
“Waarom niet?”
“Majoor Fetherington zegt dat je alleen maar last krijgt van opgezette voeten als je je laarzen uittrekt tijdens een afstandsmars.”
“Oh ja?” zei Glodstone, die een hekel begon te krijgen aan de weliswaar niet persoonlijke maar toch opdringerige aanwezigheid van majoor Fetherington. “Nou, toevallig wil ik alleen even m’n sokken ophijsen. Ze zitten vol plooien en ‘t laatste wat ik wil is blaren krijgen.” Desondanks hield hij zijn schoenen aan. In plaats daarvan maakte hij zijn slaapzak los, deed zijn rugzak open en haalde er zes blikjes uit. “Oké, we graven hier een gat en doen daar de noodrantsoenen in.”
Terwijl Peregrine een bergplaats uitgroef in de oever van de stroombedding stak Glodstone zijn pijp op en keek nogmaals op de kaart. Volgens zijn berekeningen hadden ze slechts tien kilometer afgelegd en nog vijftien voor de boeg. En als hij vandaag nog eens vijftien kilometer over dat verrekte rotsachtige terrein moest lopen, was hij rijp voor een rolstoel.
“We gaan nog een uur of twee door,” zei hij toen Peregrine de blikjes in het gat had verborgen en weer met aarde had bedekt. “Morgenochtend gaan we vroeg op pad zodat we in een goede positie zijn om het gebied rondom het Château te verkennen voor de anderen uit de veren zijn.”
Twee uur lang sjokten ze over het plateau en kwamen niets dreigenders tegen dan een paar broodmagere schapen. Peregrine bood aan er eentje dood te schieten.
“Dan hoeven we de blikjes nog niet aan te spreken en één enkel schaap wordt vast niet gemist,” zei hij. “De majoor adviseert ons altijd dat we van het land moeten leven.”
“Als hij nu bij ons was zou hij je heus niet adviseren schapen op de korrel te nemen,” zei Glodstone. “Je zou het schot op kilometers afstand kunnen horen.”
“Ik zou hem z’n keel af kunnen snijden,” zei Peregrine. “Dan hoort niemand iets.”
“Behalve het gekrijs van zo’n verdomd schaap,” zei Glodstone. “t Is trouwens onmogelijk. We zouden ‘t moeten koken en dan zouden ze de rook zien.”
Peregrine was nog niet overtuigd. “We zouden stukjes kunnen roosteren boven het butagasstel. Op die manier – ”
“Hoor eens,” zei Glodstone, “we zijn gekomen om de gravin te redden, niet om schapen af te slachten, dus laten we er geen woorden meer aan vuil maken.”
Uiteindelijk ontdekten ze een holte waar diverse bomen en struiken groeiden en daar hield Glodstone halt. “We kunnen hoogstens vijf kilometer van de rivier zijn en van daaraf is het mogelijk het Château te zien,” zei hij terwijl ze hun slaapzakken uitrolden en een pot met water op het vuur zetten. Boven hen begon de avondhemel al donker te worden en er waren een paar sterren zichtbaar. Ze aten sardientjes met witte bonen en zetten koffie en nadat Glodstone een scheut cognac in zijn kop had gedaan begon hij zich wat beter te voelen.
“Er gaat toch maar niks boven het leven in de buitenlucht,” zei hij terwijl hij in zijn slaapzak klom en zijn gebit in de lege koffiekop deed.
“Moet één van ons niet de wacht houden?” vroeg Peregrine. “We willen toch niet onverhoeds overvallen worden?”
Glodstone tastte naar zijn gebit. “Ten eerste weet niemand dat we hier zijn,” zei hij toen hij het weer had gevonden en in zijn mond had gedaan. “En ten tweede hebben we vandaag een hels eind gelopen en we hebben al onze kracht nodig als we het Château bereiken.”
“Och, ik weet niet. We hebben hoogstens twintig kilometer afgelegd en dat is echt niet zo ver. Ik wil best de eerste wacht houden en dan kan ik u om middernacht wekken.”
“Dat zou ik maar niet doen als ik jou was,” zei Glodstone, die zijn gebit weer in de beker deed. Hij ging liggen en probeerde het zich zo gemakkelijk mogelijk te maken. Dat was niet eenvoudig. De bodem van de holte was oneffen en hij moest weer gaan zitten om diverse stenen te verwijderen die door zijn slaapzak heen staken. Zelfs toen kon hij de slaap niet vatten omdat hij zich ervan bewust was dat zijn heup op een soort klein heuveltje scheen te rusten. Hij schoof een eind op en wist zijn heup tenslotte in een comfortabele positie te manoeuvreren, maar dat ging ten koste van zijn rechterschouder. Hij draaide zich om en rustte nu met zijn linkerschouder op een steen. Hij ging weer overeind zitten en duwde het ding weg, waarbij hij zijn koffiebeker omstootte.
“Verdomme,” mompelde hij en tastte naar zijn gebit. Terwijl hij dat deed kwam Peregrine, die wantrouwig over de rand van de holte had getuurd, naar hem toeglijden.
“Verroer je niet,” mompelde Glodstone onduidelijk.
“Waarom niet?”
“Omdat ik m’n verdomde kunstgebit kwijt ben,” prevelde Glodstone, die zich ervan bewust was dat zijn gezag werd aangetast door de onthulling dat hij een lichamelijk gebrek had en die doodsbenauwd was dat Peregrine op die rotdingen zou gaan staan. Uiteindelijk vond hij het bovengebit terug, dat rustte op iets dat verdacht veel als schapekeutels aanvoelde. Glodstone deed het ding haastig terug in de beker en prentte zich in dat hij het morgen vóór het ontbijt eerst goed moest schoonmaken. Het ondergebit was echter nog steeds onvindbaar. Hij pakte zijn zaklantaarn en wilde hem net aandoen toen Peregrine eens te meer blijk gaf van zijn superieure vaardigheid in het veld en betere gezichtsvermogen in het duister door te fluisteren dat hij dat niet moest doen.
“Waarom niet, in godsnaam?” vroeg Glodstone.
“Omdat er ergens iets beweegt.”
“Waarschijnlijk zo’n verdomd schaap.”
“Moet ik even gaan kijken? Ik bedoel, als ‘t een van die smeerlappen is en we hem gevangen nemen, zouden we hem kunnen dwingen ons te vertellen hoe we ‘t Château binnen moeten komen en wat er daar allemaal aan de hand is.”
Glodstone zuchtte. Het was een lange, diepe zucht, de zucht van een man die zijn ondergebit kwijt is terwijl zijn bovengebit naar alle waarschijnlijkheid overdekt is met schapestront en die zich voor de taak gesteld ziet te moeten uitleggen hoe onwaarschijnlijk het was dat een van die ‘smeerlappen’ (hij had er nu spijt van dat hij die uitdrukking zoveel had gebruikt) in het holst van de nacht over een kaal plateau rondzwierf.
“Hoor eens,” siste hij tussen zijn tandvlees door, “zelfs al is ‘t een van die…eh…ploerten, wat denk je dan dat ze zullen denken als hij morgenochtend niet komt opdagen?”
“Ze zouden misschien denken – ”
“Dat wij in de buurt zijn en hem gevangen hebben genomen en hem hebben uitgehoord. Dan zijn ze helemaal op hun qui-vive en – ”
“Op hun wat?”
“Op hun hoede, God nog toe. En we halen juist al deze toeren uit om ze te kunnen verrassen.”
“Ik snap niet hoe u dat wil doen,” zei Peregrine. “Ze weten tenslotte dat we eraan komen. Die valstrik met die olie in dat bos – ”
“Heeft ze ‘t idee gegeven dat we met de auto komen en niet door het veld. En hou nou je mond en ga slapen.”
Maar Peregrine was weer stilletjes naar de rand van de holte geklauterd en tuurde aandachtig door het duister. Glodstone zocht verder naar zijn gebit en vond het uiteindelijk onder het zand terug. Hij deed het in de beker en stopte die op een veiligere plaats in zijn rugzak. Toen wrong hij zich weer in zijn slaapzak en bad dat Peregrine hem niet meer lastig zou vallen. Maar het duurde nog even voor hij de slaap kon vatten. Het heimelijke gevoel knaagde aan hem dat hij een vergissing had begaan door Peregrine mee te nemen. Hij was niet jong meer en Peregrines fitheid en zijn verrekte vaardigheid in het veld irriteerden hem. ‘s Ochtends moest hij eens goed duidelijk maken wie de leiding had.
Het duurde echter maar een uurtje voor hij weer wakker werd. Het weer was omgeslagen en het motregende. Glodstone staarde met zijn ene oog zuur naar een grauwe mist en huiverde. Hij was stijf en had het koud en zijn ergernis werd nog groter toen hij zag dat Peregrine zijn grondzeil over zijn eigen slaapzak had gelegd en dat zich in de plooien plasjes water hadden verzameld. In het geval van Glodstone was dat door de slaapzak gesijpeld en de onderkant voelde uitgesproken vochtig aan.
“Als ik erin blijf liggen loop ik nog een longontsteking op,” mompelde hij in zichzelf. Hij kroop uit zijn slaapzak, deed een trui aan, sloeg het grondzeil om zijn schouders en stak het butagasstel aan. Van een kop koffie met een scheut cognac zou hij weer een beetje op temperatuur komen. Slaapdronken vulde hij zijn kampeerpot met water en deed zijn bovengebit in, voor de smaak van aarde en nog iets anders hem eraan herinnerde wat ermee was gebeurd. Glodstone spuwde het ding uit en spoelde het zo goed mogelijk af. Even later zat hij ineen gedoken onder het grondzeil koffie te drinken en probeerde hij zijn gedachten af te leiden van zijn fysieke ongemak door hun strategie uit te stippelen als ze eenmaal bij het Château waren. Dat was heel wat moeilijker dan hij gedacht had. Het was allemaal leuk en aardig om door Frankrijk te crossen en achtervolgers af te schudden, maar nu ze zo dicht bij hun doel waren begon hij obstakels te zien. Ze konden moeilijk naar de voordeur wandelen en naar de gravin vragen. Op de een of andere manier moesten ze haar duidelijk maken dat ze in de buurt waren en op haar instructies wachtten. En dat moesten ze zien te doen zonder het geheim van hun aanwezigheid op het spel te zetten. Die uitdrukking gaf hem plotseling te denken. “Op het spel zetten?” Tot nu toe had hij het grote avontuur altijd als een spel beschouwd, maar nu hij in een kille, natte dageraad in een afgelegen deel van Frankrijk in een holte gehurkt zat, had het een nieuwe, verontrustende realiteit en waren dood of marteling of andere, bijna even angstaanjagende zaken reële mogelijkheden. Eén kort moment voelde Glodstone intuïtief hoe onwaarschijnlijk het was dat een gravin die hij nooit had ontmoet hem zou vragen haar te redden van schurken die in haar eigen Château woonden. Een regendruppel die via zijn neus in zijn koffiekop viel maakte een eind aan die flits van inzicht. Hij zat hier in deze holte. Hij had haar brieven ontvangen en in Dover en het bos van Dreux waren pogingen gedaan om hem tegen te houden. Dat waren onbetwistbare feiten, die een einde maakten aan alle twijfel over de onwaarschijnlijkheid van zijn missie. “Dit is niks,” mompelde hij en hij stond op. Voorbij de rand van de holte dreven vlagen motregen over het plateau die de horizon versluierden en het oneffen terrein de aanblik gaven van het Niemandsland dat hij op foto’s uit de Eerste Wereldoorlog had gezien. Hij draaide zich om en gaf Peregrine een por. “‘t Is tijd om weer op weg te gaan,” zei hij. Tot zijn afschuw keek hij plotseling in de loop van een revolver.
“Oh, bent u het,” zei Peregrine, die overduidelijk een lichte slaper was die ogenblikkelijk wakker werd. “Ik dacht – ”
“‘t Kan me niet schelen wat je dacht,” snauwde Glodstone. “Moet je zo nodig met die verrekte revolver in je hand slapen? Je had me wel dood kunnen schieten.”
Peregrine gleed haastig uit zijn slaapzak. “Hij was niet gespannen,” zei hij zonder een spoor van verontschuldiging. “‘t Was alleen voor het geval ze ons ‘s nachts zouden aanvallen.”
“Nou, dat hebben ze niet gedaan,” zei Glodstone. “Het zou heel wat nuttiger zijn geweest als je me had laten weten dat het regende. Ik was doorweekt.”
“Maar u zei dat ik u niet wakker mocht maken. U zei – ”
“Ik weet wat ik gezegd heb, maar er bestaat verschil tussen geleuter over schapen die je voor mensen aanziet en me rustig een longontsteking laten oplopen.”
“‘t Was eerlijk gezegd een varken,” zei Peregrine. “Toen u begon te snurken kwam hij in onze richting en ik dacht dat ik hem maar beter tegen kon houden.”
“Oké, laten we wat eten,” zei Glodstone. “Het enige voordeel van die motregen is dat we nu ongezien bij het Château kunnen komen, vooral als we zo snel mogelijk op pad gaan.”
Het bleek echter gemakkelijker gezegd dan gedaan om in de buurt van het Château te komen. Na diverse kilometers eindigde het plateau plotseling in een diep ravijn, waarvan de wanden dicht met doornstruiken waren begroeid. Glodstone keek naar beneden en aarzelde. Het was duidelijk onmogelijk daar af te dalen. “Ik denk dat we beter naar het noorden kunnen gaan,” zei hij, maar Peregrine keek op zijn kaart.
“Als ik me niet vergis,” zei hij, gebruik makend van een uitdrukking die Glodstone als de zijne beschouwde en waardoor hij dus geïrriteerd werd, “dan zijn we al te ver naar het noorden. Het Château ligt vijf kilometer ten zuid-zuidwesten.”
“Waarom ben je daar zo zeker van?” zei Glodstone, die weer het gevoel had dat Peregrine de overhand begon te krijgen.
“Ik heb de passen geteld.”
“De passen?”
“We hebben zo’n drieduizend meter afgelegd en als we in de juiste richting waren gegaan hadden we nu die bossen bereikt moeten hebben.”
“Welke bossen?” vroeg Glodstone, die vermoeid om zich heen keek.
“De bossen op de kaart,” zei Peregrine. “Ze zijn met groen aangegeven en vlak daarachter loopt de rivier.”
Glodstone tuurde op de kaart en moest toegeven dat er bossen tegenover het Château lagen. “Er is zeker iets mis met m’n kompas,” zei hij. “Oké, ga jij maar voorop maar wees in vredesnaam voorzichtig en haast je niet. We mogen nu geen enkel risico lopen dat we ontdekt worden.” En na zo te hebben getracht ervoor te zorgen dat Peregrine niet het een of andere gruwelijke tempo zou volgen sjokte hij achter hem aan. Deze keer ging alles goed en een uur later bevonden ze zich in de bossen die op de kaart stonden. Ze glooiden vanaf het plateau omlaag en rezen vervolgens weer op tot een heuvelkam.
“De rivier moet aan de andere kant liggen,” zei Peregrine. “We hoeven alleen maar naar boven te klimmen en dan zou het Château tegenover ons moeten staan.”
“Alleen maar,” mompelde Glodstone, die zijn doorweekte broek losmaakte uit een braamstruik. Peregrine was echter al weer op weg en zigzagde tussen het kreupelhout door met een katachtige lenigheid en steelsheid die Glodstone hem met geen mogelijkheid kon nadoen. Voor ze op de top van de heuvel waren had hij al twee keer zijn monocle uit een struik moeten vissen en was één keer, toen Peregrine plotseling verstijfde en gebaarde dat hij dat ook moest doen, ongemakkelijk met één voet boven een hoop dode takken blijven staan.
“Waar wachten we in godsnaam op?” vroeg hij op schorre fluistertoon. “Ik kan hier moeilijk als de een of andere verrekte reiger op één been blijven staan.”
“Ik had kunnen zweren dat ik iets hoorde,” zei Peregrine.
“Waarschijnlijk weer zo’n verdomd schaap,” mompelde Glodstone, maar sarcasme was aan Peregrine niet besteed.
“Je treft nooit schapen aan in een bos. ‘t Zijn herkauwers. Ze eten gras en – ”
“Hebben twee verdomde magen. Dat weet ik ook wel. Ik ben niet helemaal hierheen gekomen om naar een verhandeling over dierlijke anatomie te luisteren. Schiet op.”
“Maar u zei – ”
Glodstone maakte een einde aan de discussie door zich langs Peregrine heen te duwen en tegen de heuvel op te sjokken. Toen hij de top bereikte bleef hij even staan om op adem te komen, die hem meteen weer werd benomen door het uitzicht. Als het een of andere heiligdom dat hij eindelijk bereikt had rees Château Carmagnac op zo’n kilometer afstand aan de andere kant van de Gorge du Boose op een rotspiek op. Zelfs in de ogen van Glodstone was het Château onwerkelijker dan hij ooit had kunnen denken. Torens en torentjes met spitse daken stonden samengedrongen rond een open binnenplaats die boven de rivier uit scheen te steken. Langs de rand van het ravijn liep een drukbewerkte balustrade en aan de zuidkant, onder de grootste toren, bevond zich een poort die door twee massieve deuren werd gesloten.
Plotseling besefte hij dat ze hem misschien konden zien en hij liet zich in het gras vallen. Hij pakte zijn verrekijker en bestudeerde het Château met een mengeling van extase en ongerustheid, alsof het een luchtspiegeling was die elk moment kon verdwijnen. Maar de verrekijker vergrootte zijn vreugde alleen maar. Alles aan het Château was volmaakt. De eerste verdieping was verfraaid met bakken geraniums en een stenen balkon; een piepkleine belvédère stond op een slanke rotspunt boven de klif; bakken met sinaasappelbomen flankeerden een trap die naar een deur in een ronde toren leidde en waarvan de muren op regelmatige afstand bezet waren met kleine raampjes, wat op de aanwezigheid van een wenteltrap wees. Kortom, alles was precies zoals Glodstone het zich wenste. Terwijl hij keek brak de zon door de wolken heen en baadden de steile daken en de met steen geplaveide binnenplaats in een zilveren licht.
Glodstone legde zijn verrekijker neer en bestudeerde het omringende landschap. Dat contrasteerde nogal onaangenaam met het Château. Dat zag er feestelijk uit, wat niet gezegd kon worden van de omgeving. Het landschap was, om er maar geen doekjes om te winden, even guur en kaal als het Château ornamentaal was. Er waren een paar nogal uitgedroogde walnootbomen aangeplant die een laan vormden langs dat deel van de oprijlaan dat zich het dichtst bij de hoofdingang bevond, bomen die sindsdien waarschijnlijk continu besproeid hadden moeten worden, maar verder was het Château omringd door open terrein dat geen enkele dekking bood. De oprijlaan zelf was ook niet mis. Hij was uitgehouwen in de rotsen ten zuiden van het Château en kronkelde tegen de klif op in een reeks ongelooflijke bochten die op een werkelijk maniakale zucht naar het spectaculaire van de ontwerper wezen. Een houten brug zonder leuning overspande de rivier en maakte het extra moeilijk om het Château over de weg te bereiken.
“Verrekte slim,” mompelde Glodstone. “Je kunt onmogelijk die brug oversteken zonder te laten merken dat je eraan komt.” Als om de juistheid van die opmerking te bewijzen sloeg er op de weg beneden hen een bestelwagen af die langzaam over de planken ratelde alvorens in de eerste versnelling tegen de uitgehakte oprijlaan op te kruipen. Glodstone keek hoe hij de walnootbomen bereikte en om de hoek van het Château verdween. Vervolgens wendde hij zich hoopvol naar het noorden om daar een gemakkelijkere weg naar boven te zoeken. De helling was daar weliswaar niet zo steil als de klif, maar de weinige dwergachtige doornstruiken die tussen de rotsen groeiden boden niet veel dekking. En de rotsen zelfwaren ook niet bepaald betrouwbaar, gezien het aantal dat naar beneden was gerold en nu een barrière vormde langs de rivier. De lijst met natuurlijke gevaren werd op gepaste wijze gesloten door de rivier zelf, die rond de voet van de klif kolkte met een donkere, boosaardige turbulentie die erop wees dat hij zowel diep was als onderhevig aan gevaarlijke stromingen.
“Nou, we hebben onze eerste indruk opgedaan,” zei hij tegen Peregrine. “Nu moeten we ergens uit het zicht een basiskamp inrichten en iets warms eten terwijl we onze volgende stap bepalen.”
Ze kropen vanaf de heuveltop omlaag en vonden een geschikte plek tussen de varens. Terwijl Peregrine een blik witte bonen opwarmde op het gasstelletje lurkte Glodstone op zijn rugzak gezeten aan zijn pijp en piekerde wat ze nu moesten doen.