2

Uit de ontdekking dat hun zoon niet hetzelfde was als anderejongetjes trokken de ClydeBrownes verschillende conclusies. Mevrouw ClydeBrowne hield vast aan haar overtuiging dat Peregrine een genie was, met de excentriciteiten van een genie terwijl haar man, praktischer ingesteld en met heel wat minder enthousiasme voor het ongemak dat werd veroorzaakt door een adolescent wonderkind, eerst hun huisarts raadpleegde, toen een kinderpsychiater, vervolgens een pedagoog en tenslotte een beroepskeuzeadviseur. Hun bevindingen waren niet bepaald eensluidend. De huisarts sprak zijn persoonlijke medeleven uit; de psychiater maakte een paar hatelijke insinuaties over het seksleven van de ClydeBrownes, voor zover je daarvan kon spreken en de pedagoog, een volgeling van Ivan Iljitsj, kraakte Peregrines schoolopleiding af omdat men van hem verlangd had dat hij iets zou leren. Alleen de beroepskeuzeadviseur gaf de praktische raad die meneer ClydeBrowne zocht en zei dat Peregrine naar zijn mening de meeste toekomst had in het leger, waar het onvoorwaardelijk gehoorzamen aan bevelen, hoe krankzinnig ze ook mochten zijn, juist prijzenswaardig was. Met dat in gedachten ging meneer ClydeBrowne aan de slag om Peregrine op de eerste de beste kostschool te krijgen die hem wilde hebben.

Ook daarbij stuitte hij op moeilijkheden. Mevrouw ClydeBrowne hield vol dat haar kleine schatteboutje het allerbeste onderwijs nodig had. Meneer ClydeBrowne pareerde door erop te wijzen dat, als die kleine imbeciel een genie was, hij helemaal geen onderwijs nodig had. Maar het voornaamste probleem vormden de schoolhoofden van de diverse kostscholen, die de wanhoop van meneer ClydeBrowne blijkbaar even alarmerend vonden als Peregrines schoolprestaties. Uiteindelijk kwam meneer ClydeBrowne slechts via een cliënt die het geld van een golfclub had verduisterd en verzachtende omstandigheden wilde aanvoeren, van het bestaan van Groxbourne te weten. Aangezien Peregrine al vijftien was liet meneer ClydeBrowne er geen gras over groeien en reed meteen naar de school, hoewel het nieuwe semester nog niet was begonnen.

Groxbourne, gesitueerd in het golvende, bosrijke heuvellandschap van South Salop, was vrijwel onbekend in academische kringen. In Oxford en Cambridge beweerde men er in ieder geval nog nooit van gehoord te hebben en de weinige reputatie die Groxbourne genoot scheen beperkt te zijn tot een paar landbouwscholen.

“Maar u geeft wel een goede vooropleiding voor het leger?” vroeg meneer ClydeBrowne gretig aan de rector, die op het punt stond met pensioen te gaan en bereid was Peregrine te accepteren en aan zijn opvolger over te laten.

“Dat kunt u het beste aflezen aan het gedenkteken in de kapel,” zei de rector met treurige bedeesdheid en hij ging meneer ClydeBrowne voor. Die bekeek de verschrikkelijke lijst en was onder de indruk.

“Zeshonderddrieëndertig in de Eerste Wereldoorlog en driehonderdvijf in de Tweede,” zei de rector. “Ik denk dat er maar weinig scholen in dit land zijn die zo’n royaal offer hebben gebracht. Ik wijt onze prestatie aan onze uitstekende sportfaciliteiten. De speelvelden van Waterloo en zo.”

Meneer ClydeBrowne knikte. Zijn hoop voor Peregrines toekomst was de grond ingeboord door de ervaring.

“En we hebben natuurlijk een speciaal programma voor Overactieve Zwakbegaafden,” ging de rector verder. “Majoor Fetherington, M.C., heeft de leiding en we hebben gemerkt dat de meer praktisch begaafde jongens aan wier behoeften niet voldoende tegemoet wordt gekomen door schoolwerk alleen, er veel baat bij hebben. Het is natuurlijk een extra, maar het zou uw zoon misschien goed doen.”

Dat was meneer ClydeBrowne heimelijk met hem eens. Wat Peregrines behoeften ook waren, hij zou nooit baat hebben bij schoolwerk alleen.

Ze liepen door de kruisgang van de kapel naar de achterkant van het squashterrein waar ze begroet werden door een salvo van schoten. Een tiental jongens met geweren lag op de grond en schoot op doelen op een schietbaan voor wapens van klein kaliber.

“Ah, majoor,” zei de rector tegen een keurig geklede man die met een rottinkje tegen zijn glimmend gepoetste rijlaarzen tikte. “Mag ik meneer ClydeBrowne voorstellen? Zijn zoon komt volgend semester bij ons.”

“Prima, prima,” zei de majoor die zijn rotting onder zijn linkerarm deed en meneer ClydeBrowne een hand gaf terwijl hij vrijwel tegelijkertijd de jongens het bevel gaf het geweer af te zetten, te ontladen, de grendel uit te nemen en het schoonmaakkoord te gebruiken. “Houdt uw zoon van schieten?”

“Heel veel,” zei meneer ClydeBrowne, die zich het incident met de kat van mevrouw Worksop herinnerde. “Ik geloof zelfs dat hij vrij goed is.”

“Prima. Als we klaar zijn met het schoonmaakkoord gebruiken we een lapje met olie.” De jongens volgden zijn instructies op en olieden de loop.

“De majoor laat u de rest van de school zien,” zei de rector en hij verdween. Even later, nadat de geweren waren geïnspecteerd en de kleine colonne terugmarcheerde naar de wapenkamer, kreeg meneer ClydeBrowne een rondleiding over de stormbaan. Op een hoge muur van baksteen waar touwen aan hingen volgde een modderige sloot, nog meer touwen die tussen twee bomen over een greppel waren gespannen, een prikkeldraadversperring, een smalle tunnel die half vol water stond en tenslotte, aan de rand van een steengroeve, een houten toren van waaruit een strakke staalkabel schuin omlaag liep naar een paal op zo’n dertig meter afstand.

“De Doodsglijbaan,” legde de majoor uit. “Je haalt een koord met handvaten door ‘t water zodat het niet schroeit, slaat ‘t om de kabel, pakt ‘t stevig met beide handen beet en hup, naar beneden.”

Meneer ClydeBrowne tuurde nerveus over de rand naar de rotsen zo’n vijftien meter lager. Hij snapte precies waarom het een Doodsglijbaan werd genoemd. “Vinden er niet erg veel ongelukken plaats?” vroeg hij. “Ik bedoel, wat gebeurt er als ze die ijzeren paal daar beneden raken?”

“Gebeurt nooit,” zei de majoor. “Voeten komen eerst op de grond en dan laten ze los. Leren ze eerst de techniek van parachutelandingen. Knieën soepel houden en op linkerschouder rollen.”

“Juist, ja,” zei meneer ClydeBrowne twijfelend. Hij sloeg het aanbod van de majoor om het zelf ook eens te proberen af.

“We doen ook aan bergbeklimmen. Zijn we heel goed in. Aanvoerder gaat eerst naar boven en maakt touw vast en na een beetje training kunnen we een groep in twee minuten omhoog krijgen.”

“Verbazend,” zei meneer ClydeBrowne. “En er gebeurt nooit een ongeluk?”

“Af en toe een paar gebroken benen, maar die zouden ze toch wel breken op ‘t rugbyveld. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de jongens die deze cursus volgen eerder andere mensen lelijke verwondingen zullen toebrengen dan ze zelf oplopen.”

Ze gingen naar de gymzaal en keken naar een karate-demonstratie. Tegen de tijd dat die voorbij was had meneer ClydeBrowne een besluit genomen. Wat de gebreken van Groxbourne ook waren, ze zouden er wel voor zorgen dat Peregrine in het leger kwam. Hij keerde tevreden terug naar het kantoor van de rector.

“Juist. Nou, ik denk dat we hem op de afdeling van meneer Glodstone plaatsen,” zei de rector terwijl meneer ClydeBrowne zijn chequeboekje tevoorschijn haalde. “Glodstone is geweldig met jongens. Wat het schoolgeld betreft…”

“Ik betaal drie jaar vooruit.”

De rector keek hem spottend aan. “Wilt u niet eerst even afwachten of de atmosfeer hem hier bevalt?”

Maar meneer ClydeBrowne was onverbiddelijk. Nu hij Peregrine eenmaal op iets dat op een kostschool leek had weten te krijgen was hij niet van plan hem weer van school te laten sturen. “Ik heb er duizend pond aan toegevoegd voor de restauratie van de kapel,” zei hij. “Ik zag dat u om bijdragen vroeg.”


En na een cheque van tienduizend pond te hebben uitgeschreven vertrok hij in een opperbest humeur. Hij was vooral opgemonterd door het feit dat de cursus voor Overactieve Zwakbegaafden zich uitstrekte tot in de zomervakantie, wanneer majoor Fetherington met de groep naar Noord-Wales ging om ‘een paar bergjes te beklimmen en wat afstandsmarsen te maken met gebruik van kompas’.

“Dan kunnen we eindelijk eens met ons tweetjes weg,” dacht meneer ClydeBrowne blij terwijl hij naar het zuiden reed. Dat was echter niet het argument dat hij gebruikte om zijn vrouw te overtuigen, die van een vriendin had gehoord dat Groxbourne wel de allerlaatste school was waar ze haar zoon ooit heen zou sturen.

“Elspeth zegt dat ‘t er een beestachtige toestand is, dat de jongens bijna allemaal boerenzonen zijn en het niveau van het onderwijs om te huilen is.”

“Het is óf Groxbourne óf de plaatselijke mavo.”

“Er moeten toch andere scholen zijn…”

“Die zijn er ook. Een heleboel zelfs, maar die weigeren Peregrine te nemen. Als je wilt dat je zoon in aanraking komt met die kleine sletjes op de mavo, dan zeg je het maar.”

Mevrouw ClydeBrowne zei het niet. Eén van haar meest diepgewortelde overtuigingen was dat enkel en alleen arbeiders hun kinderen naar de mavo stuurden en dat Peregrine nooit het risico mocht lopen hun betreurenswaardige gewoonten over te nemen.

“Het is zo zonde dat we geen privéleraar kunnen betalen,” jammerde ze, maar meneer ClydeBrowne was onverbiddelijk.

“Die jongen moet leren op z’n eigen beide benen te staan en de realiteit onder ogen te zien en dat gebeurt niet als hij thuis in de watten wordt gelegd door jou en de een of andere verlopen mislukkeling die als privéleraar poseert,” een opmerking die zowel getuigde van zijn eigen opvatting van de afschuwelijke realiteit van het leven als van zijn schijnbare overtuiging dat Peregrine gedurende vijftien jaar op twee benen van andere mensen of op één eigen been had gestaan.

“Dat is helemaal mooi,” zei mevrouw ClydeBrowne met enig vuur.

“Dat is het helemaal niet,” zei haar man die zich tot een defensieve woede opwerkte. “Als jij hem niet zo nodig op had moeten voeden alsof hij een porseleinen pop was zou hij nu niet zo’n idioot zijn. Maar nee, ‘t moest van ‘Peregrine, doe dit en Peregrine doe dat’ en ‘maak je kleren niet vuil, Peregrine’. Als je er over nadenkt is het een wonder dat die jongen niet helemaal gestoord is.”

Daarmee deed hij zijn vrouw onrecht aan. Peregrine had zijn merkwaardige karaktertrekken net zozeer te danken aan zijn vader als zijn moeder. Door meneer ClydeBrownes carrière als strafpleiter had hij de neiging de wereld te verdelen in totaal onschuldigen en volkomen schuldigen, zonder enige nuance. Peregrine had zijn rigide opvattingen van goed en kwaad geërfd van zijn vader en ze waren nog versterkt door zijn moeder. De sociale pretenties van mevrouw ClydeBrowne en haar weigering het ergste te denken van iemand uit hun kennissenkring, die uitsluitend uit aardige mensen moest bestaan omdat de ClydeBrownes hen kenden, hadden ervoor gezorgd dat volkomen goede mensen alleen voorkwamen in Virginia Water en dat iedereen daarbuiten volkomen slecht was. De televisie had zijn blik ook niet bepaald verruimd. Zijn ouders hadden zo’n strenge censuur toegepast dat hij enkel programma’s mocht zien waarin cowboys en politiemensen zo voordelig mogelijk naar voren kwamen terwijl indianen en verdachten werden afgebeeld als schurken, zodat Peregrine alle onzekerheden of morele twijfels bespaard waren gebleven. Je was goed als je dapper, oprecht, en eerlijk was en bereid was iedereen te doden die niet goed was: iets anders en je was slecht.

Behept met die onberispelijke vooroordelen werd hij naar Groxbourne gebracht en aan meneer Glodstone overhandigd door zijn ouders, die bij het afscheid van hun zoon een waarlijk Brits flegma ten toon spreidden. Meneer ClydeBrowne hoefde daar niet veel moeite voor te doen, maar zijn vrouw uitte haar gevoelens zodra ze het schoolterrein verlaten hadden. Vooral het afdelingshoofd had haar van streek gebracht.

“Meneer Glodstone zag er zo merkwaardig uit,” jammerde ze door haar tranen heen.

“Ja,” zei meneer ClydeBrowne kortaf. Hij weerhield zich ervan erop te wijzen dat je van een man die bereid was zijn leven te besteden aan een poging het werk van een oppasser in een dierentuin, een gevangenisbewaarder en een leraar voor imbecielen te combineren moeilijk kon verwachten dat hij er normaal uit zou zien.

“Ik bedoel, waarom droeg hij een monocle voor een glazen oog?”

“Waarschijnlijk om met het andere oog niet al te duidelijk te hoeven zien,” zei meneer ClydeBrowne raadselachtig en hij liet haar over die opmerking piekeren tot ze weer thuis waren.

“Ik hoop maar dat Peregrine gelukkig zal zijn,” zei ze toen ze Pinetree Lane inreden. “Als hij dat niet is moet je beloven…”

“Dat hij naar de mavo gaat,” zei meneer ClydeBrowne die daarmee een einde maakte aan de discussie.