1

Het feit dat Peregrine Roderick ClydeBrowne ter wereld was gekomen werd bevestigd door zijn geboorteakte. Zijn vader werd daarin omschreven als Oscar Motley ClydeBrowne, beroep advocaat, en zijn moeder als Marguerite Diana, geboren Churley. Hun adres was De Denneappels, Pinetree Lane, Virginia Water. Het werd ook bekend gemaakt in de Times met de toevoeging: “Met onze grote dank aan het personeel van de St. Barnabas Kliniek.”

Die dank was enigszins voorbarig, maar op dat moment oprecht gemeend. Meneer en mevrouw ClydeBrowne hadden al lang een kind gewild en stonden op het punt hun toevlucht te nemen tot medische hulp toen Peregrine werd verwekt. Mevrouw ClydeBrowne was toen zesendertig en haar man al veertig. Het was dus begrijpelijk dat ze in de wolken waren toen Peregine, na een verrassend makkelijke bevalling, op 25 maart 196* om zes uur ‘s ochtends het levenslicht aanschouwde. Hij woog ruim elf pond.

“Wat een mooie baby,” zei de hoofdzuster met meer consideratie voor de gevoelens van mevrouw ClydeBrowne dan voor de feiten. Peregrine had het meeste weg van een slachtoffer van een bijzonder lelijk auto-ongeluk. “En zo braaf.”

Dat kwam dichter bij de waarheid. Vanaf zijn geboorte was Peregrine braaf. Hij huilde zelden, at regelmatig en boerde precies voldoende om zijn ouders ervan te overtuigen dat hij volkomen normaal was. Kortom, gedurende de eerste vijf jaar was hij een voorbeeldig kind, en pas toen hij ook op zijn zesde, zevende, achtste en negende voorbeeldig bleef, gingen de ClydeBrownes zich afvragen of Peregrine niet een beetje al te voorbeeldig was voor een klein jongetje.

“Gedrag: onberispelijk?” zei meneer ClydeBrowne toen hij zijn rapport las. Peregrine zat op een peperdure lagere school. “Dat vind ik een beetje verontrustend.”

“Waarom in vredesnaam? Peregrine is altijd zo’n braaf ventje geweest en ik vind dat hij zijn ouders eer aandoet.”

“Dat zal best, maar toen ik zo oud was zei niemand dat mijn gedrag onberispelijk was. In tegendeel…”

“Jij was een ontzettend ondeugend jongetje. Dat heeft je moeder zelf gezegd.”

“Dat geloof ik graag,” zei meneer ClydeBrowne, die gemengde gevoelens koesterde voor wijlen zijn moeder. “En dat ‘doet zijn best’ dat bij alle vakken staat bevalt me ook niet erg. Ik had liever dat z’n werk onberispelijk was en zijn gedrag het nodige te wensen overliet.”

“Je kunt niet alles hebben. Als hij zich misdroeg zou je hem een vandaal of een herrieschopper of zoiets noemen. Wees blij dat hij zijn best doet en zich netjes gedraagt.”

Voorlopig liet meneer ClydeBrowne het daar maar bij en Peregrine bleef een voorbeeldig kind. Pas na nog een jaar van onberispelijk gedrag en zijn best doen, ging meneer ClydeBrowne naar het schoolhoofd om wat meer te weten te komen over zijn zoon.

“Ik ben bang dat hij geen kans maakt op een beurs voor Winchester,” zei het schoolhoofd toen meneer ClydeBrowne die hoop uitsprak. “Eerlijk gezegd betwijfel ik sterk of ze hem zelfs op Harrow zouden toegelaten.”

“Harrow? Ik wil niet dat hij naar Harrow gaat,” zei meneer ClydeBrowne die een conventioneel beeld had van ex-leerlingen van Harrow. “Ik wil dat hij de beste opleiding krijgt die met geld te koop is.”

Het schoolhoofd zuchtte en liep naar het raam. Hij had de leiding over een bijzonder dure school. “Eerlijk gezegd, en u moet niet vergeten dat ik al dertig jaar ervaring heb als leraar, is Peregrine een ongewone jongen. Een heel ongewone jongen.”

“Dat weet ik ook wel,” zei meneer ClydeBrowne. “Ik weet ook dat in elk rapport dat ik onder ogen heb gehad staat dat zijn gedrag onberispelijk is en dat hij zijn best doet. Ik kan de feiten heus onder ogen zien. Wilt u suggereren dat hij dom is?”

Het schoolhoofd maakte een bagatelliserend gebaar en keerde zijn rug naar het bureau. “Zo ver zou ik niet willen gaan,” mompelde hij.

“Hoe ver dan wel?”

“Misschien komt ‘traag van ontwikkeling’ dichter in de buurt. Peregrine heeft moeite met conceptualiseren.”

“Ik ook, wat dat aangaat,” zei meneer ClydeBrowne. “Wat betekent dat in godsnaam?”

“Nou, eerlijk gezegd…”

“Dat is al de derde keer dat u een zin waarin u helemaal niets eerlijk zegt met die uitdrukking begint,” zei meneer ClydeBrowne op zijn meest onaangename manier, die hij gewoonlijk voor de rechtszaal reserveerde. “Nu wil ik de waarheid horen.”

“Om kort te gaan, hij neemt alles als evangelie aan.”

“Als evangelie?”

“Letterlijk. Volkomen letterlijk.”

“Neemt hij het evangelie volkomen letterlijk?” zei meneer ClydeBrowne, die hoopte op een kans zijn gevoelens te luchten over godsdienstonderwijs in een rationele wereld.

“Niet alleen het evangelie. Alles,” zei het schoolhoofd, die het gesprek bijna even slopend vond als zijn pogingen Peregrine les te geven. “Hij schijnt niet in staat te zijn onderscheid te maken tussen algemene en specifieke instructies. Neem bij voorbeeld de tijd.”

“Wat voor tijd?” vroeg meneer ClydeBrowne met een glazige blik in zijn ogen.

“Gewoon, de tijd. Als één van onze leraren de klas een opdracht geeft en zegt: ‘Neem de tijd’, dan antwoordt Peregrine steevast ‘Elf uur’.”

“Antwoordt hij steevast ‘Elf uur’?”

“Of hoe laat het op dat moment ook is. ‘t Kan net zo goed half tien of kwart voor tien zijn.”

“In dat geval kan hij dus niet steevast ‘Elf uur’ zeggen,” zei meneer ClydeBrowne, die zijn toevlucht nam tot het kruisverhoor om enige duidelijkheid te scheppen in de verwarring.

“Goed dan, niet steevast elf uur,” gaf het schoolhoofd toe, “maar wel steevast het een of andere tijdstip. Hoe laat het op dat moment is op zijn horloge. Dat bedoel ik met alles letterlijk nemen. Het maakt lesgeven een uitgesproken ontmoedigende ervaring. Pas geleden zei ik tegen zijn klas dat ze de handen uit hun mouwen moesten steken en dat deed Peregrine ook prompt. Bij de bijbelles ging het precies hetzelfde. Dominee Wilkinson zei dat iedereen een nieuw blad moest omslaan. Gedurende de pauze ging Peregrine aan de slag tussen de camelia’s. Mijn vrouw was helemaal van streek.”

Meneer ClydeBrowne volgde zijn blik en bekeek de kaalgeplukte struiken. “Kunt u hem niet op de een of andere manier het verschil duidelijk maken tussen metaforische of figuurlijke en letterlijke uitdrukkingen?” vroeg hij klaaglijk.

“Alleen ten koste van een heleboel tijd en moeite. Bovendien moeten we aan de andere kinderen denken. De Engelse taal is niet gemakkelijk aan te passen aan zuivere logica. We moeten maar hopen dat Peregrine zich plotseling ontwikkelt en hem leren dat hij niet precies moet doen wat hem gezegd wordt.”


Triester maar niets wijzer keerde meneer ClydeBrowne terug naar De Denneappels. Die avond, na een verhit argument met zijn vrouw die hij de schuld gaf omdat ze Peregrine te gehoorzaam had opgevoed, trachtte hij zijn zoon uit te leggen wat voor risico’s het met zich meebracht als hij precies deed wat hem gezegd werd.

“Je zou je verschrikkelijk in de nesten kunnen werken, weet je. Mensen zeggen zo vaak dingen die ze niet echt menen en als jij dan doet wat ze zeggen zit je in de penarie.”

Peregrine keek verbaasd. “Waar is de Penarie, papa?” vroeg hij.

Meneer ClydeBrowne bestudeerde het ventje met een mengeling van behoedzame nieuwsgierigheid en slecht verborgen irritatie. Nu hij er op lette, had Peregrines hardnekkige letterlijke interpretatie wel iets weg van dezelfde sluwheid die mevrouw ClydeBrowne ten toon spreidde als ze werd geconfronteerd met feiten waar ze het liever niet over wilde hebben, zoals het over de balk smijten van het huishoudgeld. Misschien was Peregrines stupiditeit even opzettelijk als die van zijn moeder. Als dat zo was bestond er nog hoop.

“De penarie is nergens. Het is gewoon een uitdrukking, die betekent dat het slecht met je zal aflopen.”

Peregrine dacht even na. “Hoe kan ik daar zitten als het nergens is?” vroeg hij uiteindelijk.

Meneer ClydeBrowne sloot zijn ogen en deed een stil gebed. Hij sympathiseerde met de leraren die iedere dag met die afgrijselijke logica te maken kregen. “‘t Doet er niet toe wat het is,” zei hij terwijl hij zijn woede met enige moeite onderdrukte. “Ik wil alleen maar zeggen dat je je in je eigen vingers snijdt als je…nee, vergeet wat ik gezegd heb,” zei hij voor Peregrine een mes kon pakken. “Als je niet leert onderscheid te maken tussen de vermelding van feiten en louter aanmoedigingen, zit je dadelijk in de stro…in grote moeilijkheden. Begrijp je waar ik heen wil?”

“Ja, pappie,” zei Peregrine met een blik op de voordeur die alle hoop van zijn vader de bodem insloeg. Maar de voorraad clichés van meneer ClydeBrowne was uitgeput. “Maak dan dat je wegkomt en doe niet alles wat je gezegd wordt,” schreeuwde hij onvoorzichtig genoeg.


Gedurende de daaropvolgende dagen drong het pas volledig tot hem door hoe gruwelijk Peregrines perverse gehoorzaamheid was. Hij veranderde van een voorbeeldig kind in een voorbeeldige delinquent. Hij weigerde ‘s ochtends aan het ontbijt de marmelade aan te geven als het hem werd gevraagd; hij kwam met een blauw oog uit school omdat het schoolhoofd de jongens had gewaarschuwd niet te vechten; hij schoot de kat van mevrouw Worksop neer met zijn luchtbuks omdat zijn moeder hem op het hart had gedrukt dat niet te doen en om de zaak er nog erger op te maken zei hij mevrouw Worksop, als omgekeerde verontschuldiging, dat hij blij was dat hij haar poes had neergeknald.

“Ik begrijp niet wat hij heeft,” klaagde mevrouw ClydeBrowne toen ze ontdekte dat Peregine zijn kamer niet had opgeruimd, zoals ze hem had gevraagd, maaralle laden had leeggekiept en alles zo’n beetje kort en klein had geslagen. “Hij heeft zich nog nooit zo gedragen. ‘t Is heel vreemd. Je denkt toch niet dat we een klopgeest in huis hebben?”

Meneer ClydeBrowne antwoordde met onverstaanbare behoedzaamheid. Hij wist maar al te goed wat ze in huis hadden, namelijk een zoon met het morele onderscheidingsvermogen van een microprocessor en een griezelige flair voor het verkeerd toepassen van logica.

“Vergeet wat ik laatst heb gezegd,” snauwde hij terwijl hij Peregrine wegsleurde bij zijn voorheen overvoede konijn dat nu verhongerde. “Van nu af aan doe je wat je moeder en ik zeggen. Het kan me niet schelen wat voor rotzooi je er van maakt op school, maar ik laat van dit huis geen inferno maken en de katten van de buren neerschieten omdat je wordt gezegd dat niet te doen. Begrepen?”

“Ja, pappie,” zei Peregrine, die terugkeerde tot zijn minder verontrustende voorbeeldige gedrag.