10
“Göh, fijn u te zien, meneer…ik bedoel Patton, meneer,” zei Peregrine toen de Bentley ‘s ochtends voor het station stopte. Glodstone staarde hem aan door zijn eenogige stofbril en moest toegeven dat hij ook nogal blij was Peregrine te zien. Hij was doodmoe, had vierentwintig uur lang niet geslapen en de grensovergang die Slymne voor hem had uitgezocht was zo obscuur dat het verscheidene uren had geduurd voor hij hem had gevonden.
“Ik ga iets eten terwijl jij je bullen pakt in het hotel,” zei hij. “Ik wil hier niet te lang blijven plakken, dus haast je een beetje. Ze weten namelijk wel dat ik onderweg ben, maar niet dat jij bij me bent.”
Na die merkwaardig accurate opmerking klauterde Glodstone uit de wagen en ging een café binnen waar hij tot zijn walging gedwongen was genoegen te nemen met café au lait en croissants. Een half-uur later was de Bentley, die een verontrustend aantal antieke autofanaten had aangetrokken, al weer onderweg.
“We zijn ze tot dusver een stap voor geweest,” zei Glodstone, “maar ze weten dat La Comtesse contact met me heeft opgenomen. Daaruit blijkt dat ze niemand kan vertrouwen en we moeten van nu af aan steeds op onze hoede zijn en opletten of we niets verdachts zien.” Hij vertelde over de man die de dreigende boodschap had afgegeven in het kantoor van de veerdienst in Calais. “Dat betekent misschien dat ze haar in hun macht hebben en haar iets zullen doen als wij toch komen.”
“Uw vrouw?” vroeg Peregrine. “Ik wist niet dat u getrouwd was.” Eventjes liet Glodstone zijn blik afdwalen van de weg om Peregrine woedend aan te staren en keek net op tijd weer voor zich om een botsing met een kudde koeien die de weg versperde te vermijden.
“La Comtesse, idioot,” schreeuwde hij terwijl de auto met piepende remmen tot stilstand kwam.
“Oh, die,” zei Peregrine. “Waarom zeiden ze dan dat uw vrouw dood was?”
Om zijn woede te koelen en lichamelijk geweld te vermijden drukte Glodstone op zijn toeter. De koeien bleven onverstoorbaar voor hen uit sjokken. “Omdat,” zei Glodstone, die met grote inspanning zijn geduld bewaarde, “zelfs de meest onbeschaamde smeerlap niet zo’n kantoor zou binnenlopen en zeggen: ‘Zeg meneer Glodstone dat La Comtesse sterft als hij niet blijft waar hij is’. Het laatste wat ze willen is dat de politie erbij wordt gehaald.”
“Dat zal wel, ja. Maar – ”
“En nog iets,” ging Glodstone verder voor Peregrine zijn bloeddruk nog meer omhoog kon jagen door zijn traagheid van begrip, “die kerel vroeg met welke boot ik zou oversteken en daaruit kunnen we afleiden dat ze niet wisten dat ik via Oostende overstak. Dat wisten ze in ieder geval gisteravond nog niet en voor ze er achterkomen moeten wij bij het Château proberen te zijn. ‘t Gaat om het verrassingseffect, dus laten we er vaart achter zetten.”
“Zodra die koeien uit de weg zijn,” zei Peregrine. “U denkt toch niet dat ze met opzet de weg versperren?”
Glodstone staarde hem een paar seconden ongelovig aan. “Nee, dat denk ik niet,” zei hij.
Even later konden ze doorrijden, en terwijl ze reden worstelde Glodstone met het probleem van de hotels. La Comtesse had de reserveringen zo geregeld dat ze onderweg contact met hem kon opnemen en als hij ze links liet liggen en doorstoomde, liep hij het risico een boodschap van vitaal belang te missen. Daartegenover stond de behoefte aan snelheid. Uiteindelijk sloot Glodstone een compromis en toen ze Gisors bereikten, waar hij eigenlijk de eerste avond had moeten logeren, stuurde hij Peregrine naar binnen om de reservering af te zeggen.
“Zeg maar dat ik ziek ben en niet kan komen,” zei hij. “En vraag of er soms een boodschap voor me is.” Hij parkeerde de Bentley om de hoek, uit het zicht, en Peregrine ging het hotel binnen. Hij was binnen vijf minuten terug. “De hotelhouder sprak Engels,” zei hij.
“Dat mag ook wel. We hebben die hufters tenslotte tijdens twee wereldoorlogen van de Moffen gered en er nooit één bedankje voor gekregen. In plaats daarvan zitten we nu met boterbergen en wijnplassen en die verdomde EG,” zei Glodstone, die zich had verheugd op een kort dutje. “Was er geen boodschap of brief voor me?”
Peregrine schudde zijn hoofd en Glodstone startte de Bentley weer. De hele dag vrat de grote auto kilometers en een enorme hoeveelheid benzine, maar Glodstone bleef op de achterafweggetjes van Slymnes kronkelroute. Het was al middag toen ze Ivry-La-Bataille bereikten en Glodstone in staat was het hotel binnen te wankelen en zijn stofbril af te doen. “Ik geloof dat er een kamer voor me is gereserveerd. Mijn naam is Glodstone,” zei hij in een Frans dat een tikje minder abominabel was dan dat van Slymne en oneindig veel begrijpelijker dan dat van Peregrine.
“O ja, monsieur. Nummer vier.”
Glodstone pakte de sleutel en bleef toen even staan. “Is er soms een boodschap voor me?”
De receptionist bladerde een stapel enveloppen door tot hij eentje met het vertrouwde wapen vond. “Deze is vanmiddag bezorgd, monsieur.”
Glodstone pakte de briefen scheurde hem open. Vijf minuten later hing de sleutel van zijn kamer weer aan het bord en was Glodstone vertrokken. “Laat die bagage maar in de auto,” zei hij tegen Peregrine. “La Comtesse heeft bericht gestuurd.”
“Een bericht?” zei Peregrine gretig.
“Hou je mond en stap in,” zei Glodstone, die wantrouwig door de straat keek. “Ik leg het onder het rijden wel uit.”
“En?” zei Peregrine, toen ze het stadje hadden verlaten.
“Bekijk dit maar eens,” zei Glodstone, die hem de brief gaf.
“‘t Is van La Comtesse, die u smeekt niet te komen omdat dat haar dood zou betekenen,” zei hij toen hij hem had gelezen.
“Waarom is het dan afgegeven door een man met een Engels accent die weigerde Engels te spreken? Met andere woorden, onze vriend die die waarschuwing heeft afgegeven in Calais. En nog iets. Je hoeft dit handschrift alleen maar te vergelijken met dat van haar eerdere brieven om te weten dat die duivels haar door marteling gedwongen hebben dit te schrijven.”
“Goeie hemel, bedoelt u – ” begon Peregrine, maar Glodstone had al een aantal nieuwe conclusies gefabriceerd. “Het betekent dat ze weten welke route we volgen en waar we ‘s avonds overnachten. Dat past misschien in hun straatje, maar ik ben niet van plan me aan het boekje te houden.”
“Welk boekje?” vroeg Peregrine, die een geestelijke bibliotheek doorliep die varieerde van The Thirty-Nine Steps tot De Dag van de Jakhals, met meer inzicht in Glodstones gedachtenproces dan hij besefte.
Glodstone negeerde die opmerking. Hij had het te druk met het uitwerken van een nieuwe strategie. “Je moet je in de positie van je tegenstander verplaatsen,” zei hij. “Ik weet zeker dat we in de gaten worden gehouden of worden opgewacht. Ze weten dat we die boodschap hebben ontvangen, en toch gaan we door. Dat zal ze te denken geven. We hebben nu al twee keer een waarschuwing gehad, snap je. Het wordt tijd dat we het spelletje gaan meespelen. Bij Anet keren we om en rijden terug naar Mantes en daar blijven we slapen. Morgen rusten we goed uit en bekijken we de bezienswaardigheden en morgenavond gaan we zodra het donker is weer op pad naar Carmagnac.”
“Dat zal ze aardig in verwarring brengen,” zei Peregrine terwijl de Bentley linksaf sloeg, de Eure overstak en terugreed naar het noorden.
Maar Slymne verkeerde al in opperste verwarring. Na de hele nacht door te hebben gereden naar Ivry-La-Bataille had hij daar niet durven overnachten maar was naar Dreux gegaan. Daar had hij in een hotel de brief van de gravin gekrabbeld en een paar uurtjes geslapen alvorens terug te keren en het onheilspellende bericht voor Glodstone af te geven. Daarna had hij de weg in de gaten gehouden vanaf een zandpaadje en had de Bentley voorbij zien komen. Met een gemompelde vloek startte hij zijn Ford Cortina en volgde op discrete afstand. Hij was net op tijd om te zien hoe de Bentley de brug overstak en even later afsloeg naar Mantes. Een paar minuten lang was Slymne dolblij, tot het tot hem doordrong dat, als Glodstone van plan was geweest met de expeditie te kappen, hij het hotel niet had hoeven verlaten en niet eerst naar het zuiden had hoeven rijden. Het was dan het meest voor de hand liggend geweest om te overnachten in Ivry-La-Bataille en de volgende ochtend terug te gaan naar Calais. Maar Glodstone had niet gedaan wat voor de hand lag en de zaak werd er nog ingewikkelder op doordat hij niet alleen was. Er had nog iemand in de Bentley gezeten. Slymne had zijn gezicht niet kunnen zien, maar Glodstone had blijkbaar een andere romantische halvegare overgehaald om aan het avontuur mee te doen. De zoveelste verdomde complicatie. Met een nieuw gevoel van ergernis volgde hij de Bentley en vroeg zich af wat hij nu moest doen. Het was in ieder geval niet moeilijk de enorme auto in de gaten te houden. Hij was zelfs uitermate opvallend, terwijl zijn eigen Cortina relatief anoniem was en de Bentley gemakkelijk bij kon houden.
Toen ze de buitenwijken van Mantes bereikten had Slymne een nieuw plan. Als Glodstone doorreed naar het noorden was alles prima, maar als hij afsloeg naar het zuiden zou Slymne snel naar het Château rijden en klaar zijn om actie te ondernemen voor Glodstone in contact kon komen met de gravin.
Wat dat voor actie zou zijn wist hij nog niet, maar hij zou iets moeten bedenken. Even later was hij echter gedwongen aan heel andere dingen te denken. In plaats van Mantes weer te verlaten stopte de Bentley voor een hotel. Slymne reed een zijstraatje in. Vijf minuten later was de Bentley uitgeladen en in de garage van het hotel gezet.
Slymne huiverde. Glodstone was duidelijk van plan te overnachten, maar het viel niet te zeggen hoe laat hij morgenochtend zou vertrekken en het idee om de hele nacht wakker te blijven voor het geval die idioot besloot met het krieken van de dag weer op pad te gaan was niet bepaald aanlokkelijk. Slymne was ook niet van plan in het zijstraatje te blijven staan. Volgens de wet der natuur moest Glodstone haast uitgeput zijn, maar hij was nog wel in staat een wandelingetje in de buurt van het hotel te maken voor hij naar bed ging en als hij de Cortina zag zou hij hem onmiddellijk herkennen. Slymne startte en reed terug zoals hij was gekomen voor hij weer ergens parkeerde en zich afvroeg wat hij in godsnaam moest doen. Hij kon moeilijk nog een boodschap van de gravin sturen. Tenzij die ouwe taart helderziend was kon ze onmogelijk weten waar Glodstone zat en bovendien legden brieven geen honderden kilometers afin een paar uur.
Slymne raadpleegde de kaart, maar die stelde hem niet gerust. Alle wegen mochten dan misschien naar Rome leiden, maar Mantes stond hoog genoteerd als het ging om wegen die er vandaan leidden. Er was zelfs een snelweg naar Parijs, waar ze onderdoor waren gekomen toen ze de stad binnenreden, maar die schrapte Slymne. Glodstone had een gloeiende hekel aan snelwegen en als hij inderdaad weer naar het zuiden ging, zou hij bij voorkeur de kleinere wegen volgen. Door het kruispunt aan de rand van de stad in de gaten te houden zou hij in staat zijn Glodstone te volgen als hij een van die wegen nam. Maar dat ‘als’ speelde naar de zin van Slymne een veel te grote rol en bovendien was volgen alleen niet voldoende. Hij moest ervoor zorgen dat die idioot het Château niet bereikte met zijn vernietigende brieven.
Slymne reed door tot hij bij een café kwam en besteedde het daaropvolgende uur aan een sombere maaltijd en het vervloeken van de dag dat hij naar Groxbourne was gegaan en nog meer van de dag dat hij met dat aburde plan was begonnen. “Ik moet niet goed snik zijn geweest,” mompelde hij terwijl hij een tweede glas cognac dronk en na te hebben betaald ging hij terug naar zijn auto en raadpleegde nogmaals de kaart. Deze keer concentreerde hij zijn aandacht op de streek rond het Château. Als Glodstone zijn verdomde missie voortzette, moest hij door Limoges en Brive óf kleine kronkelweggetjes zoeken waardoor hij die steden kon vermijden. Slymne piekerde nogmaal over Glodstones merkwaardige gedachtenprocessen en besloot dat dat laatste het meest waarschijnlijk was. Daarmee waren pogingen om die hufter voor te blijven van de baan. Hij moest de een of andere manier bedenken om hem te volgen.
Maar op dit moment had hij vooral behoefte aan slaap. Die wist hij uiteindelijk te vatten in een groezelige kamer boven het café, waar hij lang wakker werd gehouden door het geluid van een jukebox en de knagende gedachte dat Glodstone het hotel misschien al weer had verlaten en nu als een dolleman door het duister in de richting van Carmagnac reed. Maar toen hij om zes uur slaapdronken opstond en na diverse koppen zwarte koffie naar de stad liep, werd hij gerustgesteld door de aanblik van de Bentley die werd gewassen door een jongeman met zwart haar die hem merkwaardig bekend voorkwam.
Slymne, die aan de andere kant van de straat voorbij liep, bleef niet plakken maar ging de eerste de beste kledingzaak binnen en kwam weer naar buiten met een alpinopet op en een blauw jasje aan, in de waan dat hij er zo als een typisch Franse boer uitzag. De rest van de dag hing Slymne rond op hoeken, in café’s met uitzicht op het hotel en in winkelportieken op nog grotere afstand, maar Glodstone liet zich niet zien.
Glodstone werd met vrijwel hetzelfde dilemma geconfronteerd als Slymne. Na vierentwintig uur te hebben gereden zonder een oog dicht te doen was hij uitgeput en zijn maag was van streek doordat hij de avond tevoren teveel champignons had gegeten bij zijn biefstuk. Kortom, hij was niet in staat tot toeristische uitstapjes en begon ook zijn twijfels te krijgen over de brief van de gravin. “Die smeerlappen hebben haar duidelijk gedwongen dat te schrijven,” zei hij tegen Peregrine. “Maar hoe wisten ze dat we in Ivry-La-Bataille zouden logeren?”
“Ze hebben haar waarschijnlijk net zo lang gemarteld tot ze het vertelde,” zei Peregerine. “Ik bedoel, ze zijn tot alles in staat.”
“Maar zij niet,” zei Glodstone, die weigerde te geloven dat zelfs een hulpeloze heldin, en dan nog wel een gravin, zich zou laten beïnvloeden door de meest duivelse martelingen. “Die brief bevat een boodschap, als we hem maar konden lezen.”
Peregrine bekeek de brief nogmaal. “Maar we hebben hem al gelezen. Er staat…”
“Ik weet ook wel wat er zogenaamd staat,” snauwde Glodstone. “Ik wil weten wat ze ons probeert te zeggen.”
“Dat we terug moeten gaan naar Engeland omdat ze haar anders – ”
“Bill, beste kerel,” zei Glodstone met opeengeklemde tanden, “je schijnt het maar niet door je dikke schedel te kunnen krijgen dat schijn vaak bedriegt. Neem bij voorbeeld haar handschrift.”
“Ziet er best uit,” zei Peregrine. “Een tikje beverig, maar dat valt te verwachten als je net gemarteld bent, nietwaar? Ik bedoel, als ze duimschroeven of gloeiende poken hebben gebruikt – ”
“Goeie God,” zei Glodstone. “Ik probeer je alleen maar duidelijk te maken dat La Comtesse misschien een beverig handschrift heeft gebruikt om ons te laten weten dat ze in moeilijkheden verkeert.”
“Dat klopt toch?” zei Peregrine. “Ze vermoorden haar als we niet teruggaan naar Dover. Dat staat in de brief.”
“Maar meent ze dat ook? En zeg niet ja…Nou, ‘t doet er niet toe. Ik weet zeker dat ze die brief onder dwang heeft geschreven. En als ze haar straffeloos kunnen vermoorden, waarom hebben ze dat dan niet gedaan? Er klopt nog iets niet. In alle vorige boodschappen van La Comtesse stond dat ik de brief moest verbranden, maar in deze niet. Dat is een hint. Ze wil dat we doorgaan. We maken een afleidingsmanoeuvre. Zodra het donker is vertrekken we en volgen we de route die we ook zouden hebben genomen als we die brief nooit hadden ontvangen.”
Glodstone stond op en liep de gang uit naar de badkamer met een doosje lucifers. Bruisend van nieuwe euforie keerde hij terug en zag dat Peregrine uit het raam stond te staren.
“Zeg, Patton,” fluisterde hij, “ik weet zeker dat we in de gaten worden gehouden. Er staat een Fransoos op de hoek en ik zou kunnen zweren dat ik die al eerder heb gezien.”
“Waar?” vroeg Glodstone, die door de straat tuurde.
“Ik weet niet. Hij komt me gewoon bekend voor.”
“Dat bedoel ik niet,” zei Glodstone. “Waar is hij nu?”
“Hij is weg,” zei Peregrine, “maar hij heeft hier de hele dag rondgehangen.”
“Mooi zo,” zei Glodstone met een onaangename glimlach. “Hij is niet de enige die dat spelletje kan spelen. Vannacht worden we gevolgd en zorgen we dus dat we onze wapens bij de hand hebben. Ik zou graag willen weten wat onze spion te vertellen heeft. Geef me een seintje als je hem weer ziet.”
Maar Slymne liet zich niet meer zien. Hij had een verschrikkelijke dag achter de rug en koesterde vooral grote wrok tegen de auteurs van thrillers. Die eikels moesten zelf eens proberen vermomd als boer in een Frans stadje rond te hangen in een poging een hotel in de gaten te houden voor ze daar zo zorgeloos over schreven. Zijn voeten deden pijn, het trottoir was hard, het was bloedheet en hij had meer koppen zwarte koffie gedronken dan goed was voor zijn zenuwgestel. Hij was ook verwijderd door diverse winkeliers die er bezwaar tegen hadden een half uur lang te worden aangestaard door een louche figuur met een zonnebril en een alpinopet op. Bovendien zat hij met het probleem dat hij niet in de straat voor het hotel mocht komen, wat betekende dat hij een steegje door moest lopen, een andere straat uit en een tweede steegje door om op een andere hoek te komen vanwaar hij het hotel in de gaten kon houden. Slymne schatte dat hij die dag ruwweg zo’n vijfentwintig kilometer af had gesjokt. En al die moeite had niets opgeleverd, behalve het feit dat Glodstone zijn hotel niet had verlaten, of in ieder geval niet in de Bentley.
Vooral die Bentley interesseerde Slymne. Terwijl hij door de straten zwierf of zo dreigend in etalages staarde pijnigde hij zijn door teveel caffeïne opgepepte hersens in een poging een manier te bedenken om de auto te volgen zonder hem in zicht te hoeven houden. In boeken was dat heel eenvoudig, maar de werkelijkheid was anders. Aan de andere kant, als hij ervoor kon zorgen dat de Bentley op de een of andere afgelegen plek pech kreeg, zou Glodstone gedwongen zijn de auto te verlaten om hulp te halen. Slymne herinnerde zich de gelegenheid toen een ondernemend ventje van veertien op Groxbourne een aardappel in de uitlaat van de auto van de tekenleraar had gestopt, met zoveel succes dat hij de auto had moeten laten wegsiepen en de motor helemaal uit elkaar was gehaald voor ze hadden ontdekt wat er aan de hand was. En hij had ook wel eens gehoord over de auto van een andere leraar, die nog voor de oorlog naar de filistijnen was geholpen doordat ze suiker in de benzine hadden gedaan. Geïnspireerd door die herinneringen ging Slymne een café binnen en bestelde een calvados. Onder invloed daarvan, en van een tweede glas, draaide hij zijn prioriteiten om. Als Glodstone weer op weg ging naar het zuiden, kon Slymne hem voorblijven door de snelwegen te volgen. Maar niet in zijn Cortina. Als ze één glimp opvingen van zijn kenteken was hij verkocht.
Slymne verliet het café en ging op zoek naar een garage waar hij een auto kon huren. Toen hij die had gevonden laadde hij zijn bagage van de Cortina over in een Citroen, kocht twee kilo suiker, een kilo spijkers en diverse grote blikken olie, in verschillende garages, en parkeerde in de buurt van het hotel. Als Glodstone van plan was ‘s nachts te vertrekken stond hem een onaangename verrassing te wachten. Vermoeid keek hij op zijn horloge. Negen uur. Hij gunde Glodstone tot middernacht de tijd. Maar om half elf kwam de motorkap van de Bentley behoedzaam uit de garage tevoorschijn, stopte even en reed toen naar het zuiden. Slymne wachtte tot hij de hoek om was, startte toen zijn eigen wagen en volgde de Bentley. Vijf minuten later keek hij hoe hij afsloeg naar Anet. Slymne trapte op het gaspedaal en scheurde met honderdvijfenveertig kilometer per uur over de N183, en voor Glodstone in het Forêt de Dreux kon zijn, was de Citroen hem al zes kilometer voor.