3 Kille oever, stralende stad
Neerstortend schreeuwde hij het opnieuw uit, nu van angst. Maar
de lucht was zo ijl, dat hij geen adem meer kreeg. Pereban raakte
buiten westen. Maar toen kreeg hij een dusdanige schok dat hij weer
bijkwam.
Hij snakte naar adem, hij voelde zich bont en blauw en al zijn
botten leken in zijn vel rond te rammelen van de klap. Maar hij had
iets onder zich. Iets dat hem ondersteunde; hij viel niet meer. En
hij was niet dood.
Een steek van verdriet ging door Pereban heen en hij dacht: het was
allemaal een droom. De god. Het gevleugelde paard, en mijn vlucht
door de hemel. En in mijn droom heb ik gezondigd. En
vervolgens was hij van zijn strozak op de grond gerold. Hij sloeg
dus zijn ogen op en zag dat de vloer waar hij naar keek blakend wit
was, en dat er een fel schijnsel vanaf sloeg, en een dichte, traag
kolkende nevel, die overal leek te zijn en alles verhulde...
Buitendien was de vloer zo heet als een stenen bakplaat. Pereban
vermande zich en stond op, zodat hij alleen nog zijn voetzolen
schroeide. Zou het...? Was hij dus niet mijlen diep gevallen en aan
stukken uiteengespat op de heuvels van de aarde, maar in plaats
daarvan op veel kortere afstand neergestort op het oppervlak van de
maan? Dat zou betekenen dat hij omhoog moest zijn gevallen,
en dat de maan dus op een of andere manier zijn lichaam of zijn
levenskracht had aangezogen als een magneet.
Daar stond de jonge man, wippend van de ene voet op de andere,
nahijgend van de klap en de ontoerijkende lucht, terwijl de
spookachtige mist onophoudelijk rondom hem dwarrelde.
Ja, dit was de maan, daar was hij dus. Hij was niet omgekomen, maar
wat bestond er nu nog voor hoop? De maanschijf was weliswaar
reusachtig groot, zodat hij er zonder bezwaar kon blijven (en
gaarbakken), maar ze zou zeker verder niets te bieden hebben. Het
paard had hem en zijn onbestemde plannen verraden - ongetwijfeld
dartelde het nu ergens beneden hem door de lucht, en zou het snel
een legende worden in de landen der mensen... Maar hij werd nu
gestraft voor zijn zonde, zijn vleselijke geneugt. Hij zou sterven,
langzaam sterven bovendien; verbranden, verhongeren, snakkend naar
lucht. Het zou beter zijn geweest als hij te pletter was gevallen
op de boezem van zijn moeder de aarde.
Aangezien het echter onmogelijk was lang op een plaats te blijven
staan, op het braadroosterhete oppervlak, ging Pereban haastig op
pad. Hij had geen herkenningsteken, geen idee van richting, en de
nevel verhulde wat voor en achter hem lag, zowel als de hemel. Wie
weet liep hij in kringetjes zijn dood tegemoet. En misschien
huisden hier zelfs monsters, maanwezens die hem ineens zouden
bespringen...
Pereban bleef staan en liet zijn voetzolen nog wat schroeien. Voor
hem verhief zich een gedaante in de mist. Half zo hoog als hijzelf,
en het bewoog niet. Misschien was het juist ineengedoken,
voorafgaand aan de sprong.
'Wat wil je?' zei Pereban. 'Ik ben slechts bewapend met mijn handen
en voeten maar ik zal me weren.'
De gedaante gaf geen antwoord.
Nu kwam het Pereban voor, terwijl hij van de ene voet op de andere
sprong, dat er van het monster een heel flauwe koelte uitging. Hij
besloot te sterven en marcheerde voorwaarts, en stootte prompt zijn
teen tegen het onderste lidmaat van het monster, hetgeen hem tot de
ontdekking bracht dat het slechts een verhoging was op het witte
oppervlak. Bovenin de top van het heuveltje was een soort schijf
ingelaten, doorschijnend als porselein. En het was die schijf die
een vleug van koele lucht afgaf. Instinctief wierp hij zich er dus
op, maar niet zodra had hij dat gedaan of de schijf kantelde en
wierp hem naar binnen, en wederom omlaag. De maan had hem
opgeslokt.
Hij zweefde in een zilveren schemering, gedragen als door een
wiegende rivier. Verderop straalde een helder vuur met een onaards
schijnsel, als een winterzon, bleek als een narcis. Onder hem
strekte zich een spiegel van onyx uit, doortrokken met golflijnen
in zwart en wit. Maar Pereban was nu zo door en door koud dat hij
het niet meer harden kon. Traag om en om wentelend door de lucht,
steeds lager dwarrelend, bevroor hij en meende dat hij stierf. En
nu en dan kwam zijn geloof boven en bad hij dat het echt een droom
mocht zijn en dat hij er spoedig van verlost zou mogen zijn.
Maar het was geen droom, al was alles als in een droom. De lucht
was hier rijker dan buiten, alleen veel kouder, zodat de tuimelende
avonturier haar zonder bezwaar had kunnen ademen. Desalniettemin
bezat de lucht een bijzondere dichtheid. Daardoor viel hij slechts
langzaam en werd hij om en om gewenteld, heel traag, als een stukje
vlees in een omgeroerde stofpoot.
Ver weg straalde nog de narciszon, maar steeds bleker en verder weg
naarmate hij lager kwam. De schemering leek een eigen schijnsel te
verspreiden, zo kwam het hem voor. Bijna ongewild nam Pereban, in
zijn ontsteltenis en onbehagen, alles in zich op wat hij om zich
heen zag, en na een tijdje ook wat beneden hem lag, ziende dat hij
op het punt stond er middenin te belanden.
Nu hij zoveel dichterbij was zag hij iets dat leek op een grote
zee, die heel traag bewoog en zo dik was als room. Ze bezat twee
tinten, zwart als inkt en wit als melk, die steeds bijeenkwamen en
weer uit elkaar gingen doch zich nimmer vermengden tot grijs. Lange
sombere golven van inkt en melk rolden aan op een land dat zelf een
en al rokerig wit was met rokerig zwarte schaduwen, vooral aan de
voet van een bergrug die daar lag.
Pereban nam juist deze bergen enigszins wantrouwig in ogenschouw,
want ze leken wel te zijn gehouwen en bijgeschaafd, zo glad en
gepolijst oogden ze, toen een snelle beweging pal beneden hem zijn
blik trok. En daar zag hij hoe uit de diepten van de zee een
parelmoeren zeewezen opdook, dat twee vinnen of vleugels bezat van
kantwerk waarmee het druk wapperde, en een staartvin als een kanten
waaier, die, terwijl het dier weer onderdook, waterdroppels deed
opstuiven die zo groot waren als een mensenhand. Ze troffen Pereban
als een vlucht vreemde donzige keien. Maar het volgende ogenblik
rolde de lucht hem opnieuw om en legde hem neer op een lang wit
strand.
Dit was waarachtig een onaards oord. De grond was van eenzelfde
materiaal als de bergen, volstrekt glad met slechts hier en daar
flauw zichtbare ribbels waar de getijden van de zee, af en aan
gaand naar hun aard, de steen als een camee in lagen hadden
uitgeslepen. Mijlenver strekte de vlakte zich uit, naar links en
rechts tot aan de horizon, met aan de derde zijde de zee en aan de
vierde zijde de bergen in het binnenland. De narcisbleke zon, als
het inderdaad een zon was, stond daar nu vlak naast en overgoot de
kammen met een bijna etherisch bleek goud.
Pereban had echter weinig aandacht voor dit alles, bibberend van
koude op de kille kust gelegen. En toen opnieuw grote waterstenen
op hem neerpetsten, wond hij zich er maar amper over op dat een
grote groep walvisbeesten nu vlak onder de kust doken en speelden
in de zee van inkt en melk.
Maar toen hoorde hij een luid geschetter, in de verte, dat steeds
werd herhaald en immer luider werd. En hij voelde een dreunen dat
al spoedig te onderscheiden viel als roffels op diverse grote
trommels. Pereban legde echter deze geluiden naast zich neer als
gedruis in zijn eigen hoofd, voortkomend uit zwakte, of uit de
hallucinaties die aan de naderende dood vooraf gingen. En uitgaande
van dit idee verzonk hij in een theosofische meditatie over de
vraag of hij mogelijk inmiddels reeds overleden was, en de goden
hem bij wijze van straf naar deze andere wereld hadden verstoten.
Zozeer ging hij op in zijn halve appelflauwte en zijn redeneringen,
dat de grote stoet die over de vlakte op de kust aanging, al bijna
bij hem was voor hij er aandacht aan besteedde. Maar ineens zwegen
de schetterende trompetten en dreunende trommels, die niet in zijn
hoofd maar in de stoet hadden geklonken, en viel er een daverende
stilte. Dit nu trok Perebans aandacht. Hij opende zijn ogen en zag
het volgende.
Het leek of de grond was uitgebarsten in een veelheid van vormen -
honderden lichtblonde soldaten bijvoorbeeld, in harnassen van wit,
en omgord met zwaarden van staal. En ook had ze zich gevormd tot
een menigte lage zilveren strijdwagens, getrokken door spannen
albino-honden. Ze had stromen ivoorwit hoog opgestoten en
uitgesponnen tot wimpels, geborduurd met voorstellingen van het
witste azuur en het meest bloedeloze geel. Ze had zich verdonkerd
lol zilveren trompetten in de handen van blazers met grijze zijde
tulbanden waarop pluimen stonden als smeulende rook uit hun eigen
hersenen. En ze had zich verlicht tot trommels en trommelslagers in
gevlekt asgrauw. En tenslotte was al het wit uit het landschap
saamgelopen tot drie reusachtige sneeuwwitte beren die op allevier
hun poten liepen terwijl Op hun ruggen zich stuk voor stuk een
witgouden zetel bevond, onder een parasol als een blauwe papaver.
Drie grote heren bezetten deze zetels. De voorste was juist bezig
af te stijgen met behulp van een trapleer. Hij was net als zijn
beer gehuld in een witte pels en van zijn kruin en kin stroomde
eerbiedwaardig wit haar, slechts een tintje lichter dan dat van de
blonde legeraanvoerders en de pagekinderen die hem bijstonden. Nog
duidelijker bewezen de groeven in zijn gezicht dat hij oud moest
zijn en bovendien iemand die meestal aan het langste eind trok. Op
zijn hoofd droeg hij een diadeem van blinkend narcisgeel goud. (In
tegenstelling daarmee droegen de twee andere grote heren, op de
tweede en derde beer, slechts grijsachtige pelzen en op hun
eerbiedwaardige hoofden slechts diademen van het alomtegenwoordige
zilver.)
De oude man met het goud schreed over de marmeren zee-oever tot hij
met zijn schoenpunten welhaast in Perebans ribben porde. De oude
man boog, en legde zijn handen voor zijn gezicht op rituele wijze.
Toen boog hij zich voorover en raakte heel even Perebans oorlellen
aan en diens lippen. 'Heer, zoals voorzegd bent u uit de zon komen
vallen.'
Pereban was inmiddels vervallen tot een koortstoestand van
versuffing en was maar al te geneigd tegenspraak te bieden.
'In het geheel niet,' zei hij.
'Men heeft het zien gebeuren, heer,' wees de oude heer hem streng
terecht. 'Men heeft waargenomen hoe u, als een vonkje vuur, uit de
hemel afdaalde. Bovendien, we herkennen u aan uw gouden haar.'
Pereban wilde best verder redetwisten, maar kon alleen nog maar
huiveren. Zijn tanden klapperden zo hevig dat een paar honden die
voor de spannen stonden meenden dat hij tegen hen grauwde en terug
begonnen te grommen.
'Zonneheer,' zei de oude man. 'Zie slechts hoe u oogt, en vandaag
is het immers al bijna zomer? Wat zou u anders zijn dan een wezen
afkomstig uit de zon?' En hij wenkte een paar pages die toe kwamen
snellen en Pereban een mantel offreerden van bont en goudlaken.
Toen de jongeman hierin geholpen was, hielden ze een flacon van
maansteen aan zijn mond. De drank smaakte waterig maar bracht hem
in een oogwenk onvoorstelbaar bij zijn positieven. Zijn aderen
vulden zich met broodnodige warmte en hij sperde zijn ogen wijd
open en staarde de verzamelde menigte aan met een mengeling van
ongeloof en schrik.
'Ik ben weer bij zinnen en toch droom ik nog. Dit is geen
droom?'
'Dit is geen droom. U bent hier ingevolge onze profetieën,' snibde
de oude man.
Fluwelen schoeisel werd om Perebans benen geschoven, fluwelen
handschoenen aan zijn handen.
'Waar is mijn kroon?' vroeg Pereban terwijl hij de hoofdtooi van de
oude eens opnam; hij had nu toch wel gemak van die enkele mythen
die de Priesters kenden. Als zijn komst het antwoord was op een
voorzegging, dan mocht hij het beste van het beste verwachten.
'Later zult u tot koning worden gezalfd. Wilt u nu zo goed zijn
mijn zetel op het rijdier met mij te delen?'
Pereban was wel zo goed en klom uitermate lenig aan boord van het
dier, na nog een flinke slok van het maandrankje. De oude man kwam
krakend achter hem aan.
'Wat valt dat gelukkig uit,' zei Pereban, 'dat we dezelfde taal
spreken.'
'In het geheel niet,' zei de oude man. 'Dat heb ik magischerwijs in
orde gebracht toen ik u op de oren en de mond tikte.'
De trapleer werd weggenomen, de beer gromde en begon waggelend aan
de terugtocht. De trommen en trompetten zetten opnieuw in. In de
oceaan van inkt en melk doken de walvissen onder.
'En waar nu heen?' vroeg Pereban zorgeloos.
'Naar de Stralende Stad.'
'Vooruit! Vooruit!' schreeuwde Pereban, daas om zich heen kijkend,
en maaiend met zijn armen (wat de maanbeer danig ergerde) want hij
was van maanwijn dronken.
De oude man met het goud, wiens titel Heer Een was, bleek een groot
deskundige te zijn in vrijwel alles, en ge-durende de tocht, die
naar schatting enkele aardse uren duurde, bleef hij aan het woord.
Zo nu en dan wierpen heer Twee en Heer Drie (de tweede en derde
oude heer, op de belendenende beren) er een beverige, bitse
aanvullingof anekdote tussendoor. 'Besteed er maar geen aandacht
aan,' ried Heer Een. 'Ze zijn allebei seniel. Terwijl ik ouder ben
en mijn duizendste verjaardag al heb bereikt, maar nog in de kracht
van mijn leven ben.'
Pereban geloofde die bewering niet zo hard. Heer Een was vast niet
ouder dan negentig, en die andere bejaarden zagen er nauwelijks
veel ouder uit, misschien zelfs wel jonger.
Intussen had de stoet, aangevoerd door de witte beren, ren in
terrassen gevormde helling bestegen die door dezelfde
reuzenwerktuigen leek te zijn afgewerkt en opgepolijst als de rest
van het landschap, en was een ravijn binnengegaan dat door de
bergen heen voerde.
Hierdoor gierde een straffe wind als een doedelzak; de toppen van
de bergen leken wel te roken. Heer Een vertelde Pereban dat dit
droog ijs was dat in de winter en lente daar was afgezet en nu werd
weggeblazen. 'In de zomer komt de grote hitte,' zei hij, 'en zoals
u ziet lopen we om deze tijd van het jaar welhaast naakt, met maar
één pelsmantel.'
'Maar de buitenzijde van deze schijf,' zei Pereban die zich
verzekerd had van voortdurende toegang tot de wijn in de maanstenen
flacon, 'is ziedend heet. Hoe komt dat?'
'Over welke schijf hebt u het?'
'Over de maanschijf, waar wij ons nu in bevinden.'
'Wat een onzin,' zei Heer Een. 'Buitenzijde, zoiets bestaat
immers niet. Ik begrijp het al, u tracht mij op de proef te
stellen. Nee, het enige wat bestaat is dit land, en natuurlijk de
schijf van de zon waar u huisde voor u omlaag viel.'
'Zoals u zegt,' zei Pereban. Want als priester in de tempel had hij
wel geleerd dat het minder vermoeiend is om halvegaren niet tegen
te spreken.
'Dit land waar u terecht bent gekomen, of liever waar u in gevallen
bent, is het land van Dooniveh. En het wordt omgeven door de zee
van Dooniveh. En zodadelijk, wanneer we door de ringbergen van
Dooniveh gegaan zullen zijn, zullen we de Stralende Stad van
Dooniveh bereiken.'
'En daar word ik koning van Dooniveh?' vulde Pereban hem aan.
'Ja, mits u aan de voorwaarde voldoet.' zei Heer Een.
'Welke voorwaarde dan?'
'Daarover zwijg ik voorlopig liever,' zei Heer Een. Over allerlei
andere onderwerpen deed hij er echter het zwijgen niet toe en
Pereban trachtte uit zijn breedsprakigheid enkele feiten te
peuren.
Dooniveh, de wereld in de maan, omvatte een oceaan en een
vasteland, waarop zij zich nu bevonden. In de lichtende grijze
hemel van Dooniveh heerste één enkel object, de zon. ' Deze liep
rond het hele land in een zijdelingse kringloop. Ze nam niet toe of
af en bewoog zich ook nimmer dwars over of zelfs onder het land
door, en kwam niet op en ging niet onder, zoals de begeleiders van
de Vlakke Aarde (ja, zoals deze maan in het binnenste waarvan zij
zich bevonden).
Maar de zon van de maan was een krachteloze bloem naar Perebans
maatstaven. Ze draaide om het land heen, arriveerde nevens de
bergrug en boven de stad die in het midden lag en dan werd de zomer
uitgeroepen. De inwoners legden hun pelzen af, op de laatste en een
stuk of tien onderklederen na, en loofden het milde warme weer.
Een jaar in Dooniveh duurde een maand, en telde vier seizoenen. De
zomer duurde zeven dagen, dagen zonder nacht wel te verstaan.
Daaraan vooraf ging een lente van zeven dagen terwijl de zon
aankwam over de oceaan en naar het binnenland trok, en de zomer
werd gevolgd door een herfst van zeven dagen wanneer de zon verder
trok over het vasteland, en weer naar zee verdween. In de winter,
een periode van iets meer dan zeven dagen, bevond de zon zich op
haar verst van het land en voer ze over de wijde wateren. Vanaf de
kust was ze slechts te ontwaren als een heel klein puntje licht. En
in die tijd heerste er slechts nacht en bittere koude.
Het viel Pereban nu in dat, ofschoon de tijdrekening enigszins
afweek, en het waarneembare effect ietwat anders uitviel, deze
innerlijke reis van de kleine zon de veranderlijkheid verklaarde
van de vorm van de maan zoals ze vanaf de aarde werd waargenomen.
Doonivehs zomer was volle maan; de late dagen van de lente en de
eerste dagen van de herfst - wanneer de zon de stad naderde of er
zich van verwijderde - moesten overeenkomen met eerste kwartier,
halve maan en laatste kwartier. De aardse nachten zonder maan
vielen samen met het winternadir in Dooniveh; de maan-zon bevond
zich dan aan de overkant van de zee, tegen de achterkant van de
maanschijf. Met andere woorden, de maan was nog wel aanwezig in de
hemel van de aarde, maar was lichtloos.
Kennelijk bezat de buitenzijde van de maan een magische eigenschap
waardoor het koele, breekbare binnenlicht naar de aarde werd
gestraald als hitte en schijnsel...
O, als de maanlanders zich wat beter bewust waren geweest van hun
situatie, wat zouden ze een vreemde metafysica en lunagrafica
hebben kunnen bespreken met hun bezoeker.
Er was bijvoorbeeld een boek in Perebans tempel waarin werd
uitgelegd dat de maan elke aardse ochtend wegzonk In de oceaan van
de chaos, en daar elke aardse nacht weer uit opsteeg met hernieuwde
levenskracht. Misschien was dat bad in de chaos de oorzaak dat
alles op het buitenoppervlak van de maan zo glad gepolijst was.
Maar bij de gedachte dat de bol waarin hij zich nu bevond bezig was
langs de hemel van de aarde omlaag te glijden, en op het punt stond
in de afgrond te duiken - en dat moest nu inmiddels wel het geval
zijn - werd Pereban bepaald duizelig. En daarbij had het boek ook
nog gesteld, dat chaos niet verenigbaar was met ware materie, dus
hoe kon dat had ooit worden overleefd?
Op dat ogenblik trok de stoet juist tussen twee kegelvormige
bergpieken door en verliet het ravijn, en daar beneden lag
Doonivehs Stralende Stad, onder haar zon, en gelukkig gaf dat
Perebans gedachten een andere wending.
De stad leek gemaakt te zijn van ijs, zoals Pereban wel eens gezien
had op de top van de parasolberg waaronder hij geboren was. De
gladde witte terrassen en torens waren half doorschijnend,
doorbloosd met allerlei zwemen van pasteltinten. Het schijnsel van
de zon deed de stad met recht stralen, maar op een kille,
glibberige manier. Pereban voorvoelde al direct dat hij hier wel
kunstzin zou kunnen aantreffen, maar dat het niet zou meevallen om
het lekker warm te krijgen.
En dat is dus de straf voor mijn hete, onkunstzinnige zonde,
dacht hij met onbehaaglijke gelijkmoedigheid.
Een kille heirbaan voerde tot de stadspoorten. Trommelend en
trompetterend daalden ze erlangs af, zich spiegelend als in een
bevroren meer, en traden de stad binnen onder een machtige
poortboog.
Vanaf ijzige balkons langs de route keken joffers met bleekblond
haar op Pereban neer met opalen ogen. Ze brachten hem niet in
verleiding, schoon als ze waren.
De straten van de stad waren breed en dikwijls liep er een gracht
langs met traag zwart of wit water, waarin vissen gevangen waren,
die wachtten tot de vloeistof zou ontstollen.
Wat de gebouwen van de stad aanging, het leek allemaal één groot
gebouw, slechts gekerfd in blokken en schijven door grachten,
straten en pleinen. Ten leste bereikte de processie na vele hoeken
een enorme voorhof, waarin bomen stonden die in niets leken op de
bomen die Pereban kende. Ze waren hoog en dun en bezaten geen
takken, maar her en der prijkten op de stakerige stam trossen
blikkerend gouden vruchten. Daarachter verhief zich nog een schijf
stad. Heer Een, die aan een stuk door aan het woord was geweest en
elk onderwerp had uitgesponnen met filosofische uitweidingen en
aforismen, gebaarde naar een tweetal blauwe deuren. 'Het paleis. We
zijn er.'
Wat leek de stad ineens stil, toen de trommelaars en blazers, de
voortrollende strijdwagens en de dieren - en Heer Een - allemaal
tegelijk ophielden met hun lawaai. Geen geluidje viel te horen,
alleen het zingen van de bergwind en nu en dan een merkwaardig
pling afkomstig van de vruchten aan de bomen.
Perebans zucht naar avontuur, de smaak van zijn vrees en de smaak
van de wijn, lieten hem op eenmaal in de steek. Vol angstige
voorgevoelens klom hij van de reusachtige beer af en werd het
paleis binnengevoerd.
Ze zetten een divan van bloedeloze zijde voor hem gereed, in een
vertrek dat was als een ijskelder, verwarmd door vuren van asgrauw
blauw. In Dooniveh was het de zede de weelderige koude van midzomer
na te bootsen. Buiten de dunne zilveren ruiten jankte en huilde de
vriezende zomerwind als bakkeleiende katten.
Bleke, zij het best bekoorlijke, dienaressen droegen voor Pereban
op schotels van vrijwel onzichtbaar glas waterig maanvoedsel aan en
in soortgelijke roemers soortgelijke wijnen. Ook werd hem een
schotel voortgezet met maanabrikozen afkomstig van de staakbomen
buiten. De gele vruchten waren klaarblijkelijk van metaal gemaakt,
en nadat hij vergeefs getracht had ze te schillen of door te
bijten, liet
Pereban ze verder met rust. Hij stak alleen een vrucht heimelijk in
de gordel van zijn kleed voor het geval hij er later gemak van zou
hebben.
De Heren Drie, Twee en Een zaten bij hem.
Pereban had zijn onbevredigende maaltijd beëindigd en zat met een
volle wijnbeker somber te peinzen over de aanstaandheid van de
chaos, toen Heer Een hem onderbrak.
'Vertelt u ons eens iets over uw land, de zon.'
'U weet daar niets van, dan?' informeerde Pereban.
'Volstrekt niets.'
'Dan staan wij op gelijke voet.'
'Maar hoe mag dat wel zijn?'
'Toen ik omlaag werd geslingerd,' sprak Pereban met grote nadruk,
'raakte ik alle herinnering kwijt aan mijn oorsprong en ik kan mij
nu niets meer van mijn eigen land te binnen brengen.' (De Heren
Twee en Drie wisselden een schichtige blik.)
Heer Een opende zijn mond ten einde opnieuw een monoloog aan te
snijden. Doch op dat punt interrumpeerden de Heren Drie en Twee hem
met schrille kreetjes.
Heer Een hief zijn hand op en vroeg om stilte.
'Zij gispen mij,' zei hij, 'omdat ik u nog niet de voorwaarden tot
het koningschap heb uiteengezet. Ik ben daar weinig toe genegen
aangezien het een zaak is die mijn persoonlijke eer raakt. De eer
van de twee anderen evenzeer, als hun verdorde toestand niet alle
gevoel bij hen had uitgewist.'
Op die trotse uitspraak volgde een woordenwisseling. Maar een
ogenblik later werden de deuren tot de zaal opengeworpen en traden
zeven dienaren binnen. Ze waren gekleed in het wit met gouden
franjes. De drie Heren deden er ogenblikkelijk het zwijgen toe en
wendden het hoofd af.
'Zonneheer,' zei de eerste der dienaren tot Pereban, 'u dient met
ons mee te gaan.'
Pereban dronk zijn roemer leeg en stond op. Opnieuw gingen oude
verhalen en mythen door zijn gedachten. Nu zou natuurlijk een
beproeving volgen en aan de hand van de uitslag zouden deze lieden
bepalen of hij Dooniveh al dan niet mocht regeren. Nu wilde hij dat
niet eens, maar aangezien hij toch nergens anders heen kon liep hij
gevankelijk mee.
Nu ging het omlaag. De gangen boorden door de rots, en werden
verlicht door lampen als dolken van ijs.
'Prachtig zomertje, niet waar?' zei Pereban, dansend van de kou. De
begeleiders besteedden er geen aandacht aan.
Tenslotte bereikten ze een grote ijzeren poort en bleven daar
staan. De voorste begeleider boog met zijn handen voor zijn
gelaat.
'Zonneheer, u moet deze deur openen en de plaats binnengaan die
daarachter is. Daar ligt immers de vorstin van onze stad te slapen,
reeds zevenhonderd jaren of daaromtrent, bewaakt door een
angstaanjagend beest. Open de deur, overweldig het beest, wek de
vrouwe en ze zal de uwe zijn, en mede de Stralende Stad van
Dooniveh.'
'Dacht ik het niet,' mompelde Pereban. 'Als het aan mij lag mochten
ze een kransje breien van hun stomme deuren en beesten en slapende
koninginnen. Maar ja...' zei Pereban. 'Het is niet anders, en ik
zal mijn lot aanvaarden.'
De begeleiders verwijderden zich buigend.