3 De tweede nacht: gelieven ontmoet en gehuwd
Terwijl Yezade die dag een slaap van verdoving en betovering
sliep, verzonken in een schacht onder de grond, sliep Marsineh een
slaap van uitputting, opgerold onder een boom.
Zonder dat ze het wist was in de middaghitte een gevlekte lynx
voorbijgekomen met haar welp, die even aan Marsineh's
bloemengeurende haren hadden gesnoven -want ze had de haardoek van
haar jongenskleding afgerukt. En later, toen de zon naar het westen
glipte achter de luifel van het woud en het gulden groen van de
middag verkoelde tot een groen turkoois, had een oud hert, met een
gewei dat uit het woud zelf leek te ontspruiten, een ogenblikje
naar haar staan kijken, voor hij weer wegstapte op zijn enorme,
muisstille hoeven.
Maar Marsineh sliep diep in de armen van het verdriet en werd niet
wakker, hoewel ze een keer zacht schreide in een droom, en een
vlinder, die eruitzag als een kleurig stukje papier, haar tranen
opnipte.
Koeler en duisterder werd het grote woud, want de zon ging onder.
Tussen de reusachtige zuilen der bomen drapeerde zich de
schemering.
Marsineh ontwaakte. Ze was door en door koud, maar wat maakte dat
uit? Over de wilde weggetjes van het bos zou Dhur nu op weg zijn
naar de aangename herberg en de weggelopen jongen zou hij inmiddels
glad vergeten zijn. Elders in het woud liep de ezel nu te grazen,
als hij inmiddels niet was verslonden door een roofdier uit het
bos... En Marsineh begon opnieuw te schreien, om Dhurs vergeten, en
om de arme ezel. Tot ze te midden van haar tranen een wondermooi
geluid hoorde - of een onvergetelijk parfum rook, ze wist niet goed
wat het was, misschien zelfs heel iets anders... In elk geval
voelde ze zich gedrongen haar schreien te staken en aandachtig om
zich heen te kijken, en te luisteren.
Het woud was nu volstrekt stil en roerloos en ook volstrekt donker,
op een paar slierten sterrelicht na die op een of andere manier van
de boomtoppen omlaag kwamen gezweefd.
Marsineh durfde niet hardop te spreken, durfde zich zelfs niet te
verroeren van angst.
En op dat moment was het alsof de duisternis zich samenbalde op een
enkele plek, vlak voor haar, en het zwartst uit het zwart op haar
toekwam. Marsineh's adem stokte in angstige verwondering.
Want op nog geen drie pas afstand zweefde een bleek en opmerkelijk
gelaat, dat zich vooroverboog en haar in de ogen blikte. Het was
onmiskenbaar het gezicht van een jongeman, maar zo schoon, omlijst
door zulke in-zwarte haren, en met ogen van zulk een zwart en
lichtend vuur, dat Marsineh die blik eenvoudig niet verdragen kon.
Het was alsof een ijselijk zoete pijn door al haar zenuwen vlamde.
Ze deinsde terug en zou misschien op de vlucht geslagen zijn als
het wonderwezen op dat ogenblik niet zijn hand had uitgestoken. De
bleke slanke vingers beroerden haar wang, lichter nog dan de
vlinder van daarstraks, maar ze voelde de aanraking door heel haar
wezen, alsof er zijde door haar anderen vloeide. De aanraking
heelde haar van al die akelige menselijke aandoeningen als verdriet
en verwarring, angst en vormelijk gedrag. Ja, genas zelfs haar pijn
en haar stijve leden. En toen dus beide handen omlaag reikten en
Marsineh lokten overeind te komen, rees ze op en stond voor hem, zo
dicht bij de slanke kracht van zijn lichaam dat gehuld leek in
schaduw en bladeren en sterren, dat ze wel tegen hem aan moest
leunen. En toen streelde hij haar haren, en het was alsof een
meester-speelman amberen snaren beroerde want het was muziek. En
toen ademde hij op haar, of zuchtte, en de wierook van zijn adem
geurde schoner en was volstrekt anders dan enig ander parfum ter
wereld zodat Marsineh werd beneveld. En in de armen van de
vreemdeling gevat zei ze: 'O, je moet wel een god van het woud
zijn, je bent zo schoon. O, ik hoor het mezelf zeggen en ik sta er
van versteld. Maar ik geef nu niets meer om stervelingen. Ik geef
nergens meer om. ik geef alleen om jou.'
Toen beroerde de god van het woud Marsineh's gesloten oogleden met
zijn lippen, en toen ze ze weer opsloeg merkte ze dat ze het
nachtelijk woud kon zien als baadde het in de helderste, zuiverste
maneschijn. Want alles scheen gedrenkt en gedoopt in een woest en
lieflijk licht dat in het geheel geen licht was. De stammen van de
bomen stonden klaar afgetekend, elke vertakte bastribbel was
zichtbaar. En daarboven fonkelde het blad, elk afzonderlijk, als in
een droge regen van diamant. De nachtbloemen tooiden het gras als
rondgestrooide lovertjes. Marsineh hief haar handen op en haar huid
was als kristal.
'Kom nu mee,' zei de jongeman, hoewel hij geen woord tot haar
sprak.
En ze ging met hem.
Ze bewogen zich door de kronkelingen van het woud met een gemak als
waren ze lucht. Waar het sterrelicht de open plekken overgoot,
straalde de weerschijn van zilveren spiegels. Zwart met witte
dassen duikelden kopje voor hun voeten. Een slang kwam uit een
vennetje en kronkelde hen na om hen te liefkozen.
En daar was een glooiing met een peluw van mos als een fluwelen
pantervel, waar wilde rozen hun witte kelken openden en de nacht
vervulden van muskusgeur, en waar sleutelbloemen een dekbed hadden
geweven onder het gecapitonneerde afdak van wijnranken, waar wilde
druiven hingen als trossen agaten. Hierheen geleidde hij haar en
liet hij haar neerliggen. En daar lag zij bij hem, de ongetrouwde
bruid, op haar tweede huwelijksnacht die haar eerste was, in de
armen van iemand wiens naam ze niet kende, wiens stem ze niet had
gehoord, en leerde daar de verrukkelijke vervoeringen van de liefde
kennen, zonder weerstand, zonder na te denken.
Even voor het aanbreken van dag verliet hij haar. Ze voelde een
schrilheid in het woud, nog voor het daglicht zich liet zien. Dat
was het waar hij voor week, waarom hij zijn lichaam uit het hare
ontwond. Maar hij verliet haar met een onuitgesproken belofte - een
belofte van herhaling, van weerkeer. Hij liet haar achter, gehuld
in rozeblad, in wijnranken en schaduw, met bleke bloemen in heur
haar. En ook zij had geleerd te zwijgen, had zijn welsprekende
woordeloosheid overgenomen. Ze behoefde hem niet na te roepen O,
ik aanbid je, mijn geliefde en lief. En het was ook niet
alleen maar liefde die hij haar had gebracht - het was Liefde, het
ritme van de wereld. Hij verliet haar, maar uiteen gingen ze niet.
Ze kon zich haar naam niet herinneren (laat staan de naam van een
ander), nee, ze wist zelfs niet meer wie ze was. Het woud was haar
tehuis en was diep in haar ziel gedrongen. Ze lachte geluidloos
toen ze hem zag verdwijnen als een zwaard in de schede van de
wegstromende nacht. Ze rolde zich op en sliep tussen de
sleutelbloemen en de varens.
Yezade was, net als haar zuster Marsineh, wakker geworden toen de
dag in slaap viel. Maar Yezades gevoelens kwamen geheel en al voort
uit haarzelf. De vreemde schrik in het parelmoeren paviljoen, het
hoofdloze mechaniek dat Kolchash had voorgesteld, haar wanhopige
waanvlucht voor de koudogige vogel van vuur - ze wist maar al te
goed dat ze dat allemaal niet gedroomd had, ofschoon haar hoofd
gemeen pijn deed, waar ze tegen de steen was geslagen.
Daar was toverij geweest, die tegen haar was aangewend. Nu lag ze
in een warrig web van planten en zag boven haar, door de
hemelopening, de nacht. Ze besloot dat ze er heen diende te
klimmen. En dus zette ze zich met haar smalle handen en voeten
schrap tegen de stenen van de schachtwand en greep de klimranken
beet, en wist zich ten langen leste met veel moeite en wat pijn op
te trekken, tot ze in weer het open woud stond.
Na de duisternis in haar gevangenis kwam het nachtelijk woud haar
weids en zeer toereikend verlicht voor. Yezade hield haar hoofd
schuin en snoof of er magie in de lucht zat, als een amberen vos
die zijn hol verlaat. Maar de nacht scheen er nu van verschoond te
zijn. Datgene dat haar te pakken had genomen had zijn
belangstelling voor haar uitgeput. Desalniettemin mompelde Yezade
een bescheiden mantra ter bescherming, een van de dingen die ze van
haar moeder had geërfd.
Kolchash was, op zijn manier, een machtig tovenaar gebleken. En het
kwam Yezade nu voor dat zij vanaf het eerste begin betoverd moest
zijn geweest, zodat ze niet gezien had welk akelig spottend
spelletje hij met haar speelde. Want had zij niet zelf de droom
geweven en gezonden die Marsineh zo bang had gemaakt dat ze niet
meer wilde trouwen, en had Marsineh die droom niet tot in alle
kleinigheden aan Yezade verhaald? En toen Yezade al die
kleinigheden getrouw nagevolgd had gezien - op enkele kleine
afwijkingen na, zoals de zitstok van die griezelige vogel, die in
de droom verguld was geweest en in werkelijkheid zilver - had ze
zich toen niet dienen af te vragen hoe het kwam dat de
werkelijkheid haar eigen verzinsel zo brutaal nabootste?
En waar was die monsterlijke Kolchash nu? Marsineh achterna,
ongetwijfeld. Nu, dat was verder hun zaak. Yezade had echt geen
ruimte meer voor sentimentele gevoelens. Intussen was zijzelf nu
immers een uitgeworpene, eenzaam en verlaten, misleid door de
voorspelling van haar eigen moeder, en als ze niet was geweest die
ze was, dan zou ze het hebben uitgesnikt. Nu stampte ze alleen maar
nijdig met haar voet en trok haar boze voorhoofd in rimpels.
Net op dat ogenblik hoorde ze een merkwaardig geluid opstijgen uit
de diepte van het woud. Het leek op het dolle balken van een ezel -
en op dat moment schoten Yezade weer de vreemde vertelsels te
binnen die over het woud de ronde deden - dat elementaalwezens er
rondspookten en duivelsschepsels... Maar ze was al bang genoeg
geweest; ze keerde het geluid eenvoudig de rug toe en al snel
stierf het weg. En toen ze in plaats daarvan de zachte zang hoorde
van stromend water, liep ze die richting uit, want ze had
dorst.
Nu was Yezade geen heks maar haar moeder was er wel een geweest, en
ze had er wel iets van geërfd, met diverse toverspreuken die ze uit
haar hoofd had geleerd en dus wel toepassen kon. Toen ze dus afging
op de klanken van het water, bleef ze eensklaps als versteend staan
naast een boom en trachtte er zoveel mogelijk één mee te worden,
nog voor ze beseft had waarom.
Verderop lag een open plek, omzoomd door gras dat zo hoog stond als
een kind van zeven jaren. En opeens zag ze tussen en boven het gras
drie, vier, vijf flakkerende stralende lichtjes bewegen, van het
meest rokerige azuurblauw, het meest onwerkelijke en bleke purper
dat denkbaar was. Rondom en rondom dansten ze, langs elkaar en uit
elkaar, tot ze opeens helder opvlamden en dan uitdoofden - en
ineens waren daar wonderschone wezens, die op mensen geleken, maar
zich nog in eenzelfde sierlijk flakkerende dans door het gras
bewogen.
Hun huid was wit als sterrelicht - als sterrelicht ooit vlees zou
worden. Hun lange haar was zwart als middernachtswolken. Ze waren
gekleed in een zwart dat tevens zilver was. Ze bewogen zich heen en
weer in de dans, mannelijke en vrouwelijke wezens, jong als de
jeugd zelve, oud als de tijd. In hun vlammende middernachtelijke
ogen school een mysterieuze dromende blik. Zij waren die men wel
Kinderen van de Nacht heette, uit angst om ze andere namen te
geven. Demonen waren het van afkomst. Yezade had ze ogenblikkelijk
herkend, want haar moeder had haar voor hen gewaarschuwd, en Yezade
had het onthouden, ofschoon ze er niet helemaal aan had geloofd.
Demonen ja, de zwervende spraakloze kaste van de Onderaarde, de
Eshva, wat in de taal der Demonen betekende: zij die afzonderlijk
stralen.
Hoe schitterend straalden ze nu in hun onaardse donkerte. En Yezade
vergastte haar blikken en voelde hoe haar hart schroeide en kromp
van woordeloos verlangen, hetgeen vóór haar talloze andere
stervelingen al was overkomen bij de aanblik van de Eshva.
En toen gebeurde er opnieuw iets, iets dat nog vreeswekkender en
wonderbaarlijker was.
Aan de overzijde van de open plek ontstond een geluidloze explosie
van licht, en de grond barstte open. Te midden daarvan sprongen
drie paarden op, zwart en schitterend, met manen en staarten van
blauwe vonken, en op hun ruggen waren drie hoge heren gezeten, die
elkaar geleken als broeders uit één geboorte en tegelijk zo
verschillend waren als de sterren, wanneer men ze aandachtig
beschouwt. En ze waren zwart en bleek, net als de Eshva die daar
hadden gedanst, maar waar die Eshva straalden, vlamden dezen als
een fel vuur. En opnieuw herkende de toeschouwster wat ze zag, want
dit waren prinsen van de Vazdru, de hoge kaste der demonen, en nu
was Yezade werkelijk van doodsangst vervuld.
Niet zodra waren ze bovengronds, of ze toomden hun rijdieren in en
keken hooghartig om zich heen terwijl de Eshva, hun bewonderende
dienaren, hun eer bewezen. Toen nam een van de Vazdru het woord, en
zijn stem was als schoonheid en angst die elkaar beminden.
'Onze heer Azhrarn heeft zijn jacht dus gestaakt. Hij heeft haar
gevonden?'
'Het schijnt zo,' zei de tweede, niets minder schitterend, niet
minder dodelijk.
'Dat liefdespaar heeft zijn langste tijd gehad; die zullen voortaan
gescheiden zijn,' zei de derde, en ook hij was aan de anderen
gelijk.
Maar dit gezegd hebbende, leken ze zich toch niet behaaglijk te
voelen. Ze speelden met hun ringen en gispten de maan dat ze zo
kinderlijk slank was.
Tenslotte zei de eerste: 'Het is een oude twist. Het is beter dat
die nu eens beslecht wordt. En niemand kan onze heer, Prins der
Prinsen, evenaren.'
'Toch,' zei de tweede, 'riekt het woud naar waanzin.'
'Maar ook, en des te geuriger, naar de verpozing der demonen,' zei
de derde.
En daarop wendden ze de teugel en galoppeerden weg door de bomen,
als braakte de aarde een wind van vuur uit. En op datzelfde
ogenblik verdwenen alle Eshva.
Yezade viel op haar knieën neer. Ze had niets begrepen van wat er
gezegd werd, maar haar was een angstaanjagende ontdekking ten deel
gevallen. De stem van de derde Vazdru was haar bekend, want ze had
die de avond tevoren nog gehoord. Met deze stem, klankvol en
ijselijk, had de kil-ogige vogel haar toegesproken, wat haar
aangezet had tot haar dolle vlucht. Ze had gemeend slechts een
machtig magiër als tegenstander te hebben. Het besef dat ze zich de
vijandschap van een Vazdru op de hals had gehaald deed het
wijsneuzige kind bijkans ter plekke overlijden.
'Moeder mijn,' riep ze verwijtend, 'waar heb je me toe
gebracht?'
En snel zocht ze een holle boom op waar ze zich verstopte gedurende
heel die demonische nacht.
Nu sloeg het gesprek van de Vazdru op twee gelieven te weten Chuz,
Heer van de Waan, en Azhriaz-Sovaz, de dochter van de Prins der
Demonen (diezelfde held en heldin die met zoveel verbeelding waren
beschreven in De Tortelduif).
Azhrarn had hen gezocht, en hen ook gevonden, om hen te straffen en
van elkaar te scheiden. En in heel dat uitgestrekte woud vonden die
nacht epische gebeurtenissen plaats die elders zijn verhaald. Maar
zoals de aanwezigheid van deze twee bovennatuurlijke schepsels
zelfs op grote afstand het woud van vreemdheden had vervuld, zo'
was de toverij nog toegenomen toen de Eshva er kwamen en toefden.
En ook de Vazdru in het gevolg van hun Prins hielden iets meer
afstand van het schouwtoneel van zijn toorn en wrochtten hun eigen
kwaad en ondeugd in het woud - zoals krijgers een spelletje schaak
spelen voor de aanvang van de strijd. Slechts de intensiteit van
Azhrarns stemming en gedachtengang weerhield hen ervan verder te
gaan. Zijn woede leidde hen af van hun gebruikelijk tijdverdrijf,
zoals daarvoor zijn smart - en ook daarna, steeds opnieuw, tot ze
als leeuwen zouden beginnen te grauwen naar de zweep. Maar het feit
dat ze afgeleid werden betekende dat veel van wat ze daar
aanrichtten onafgemaakt bleef, hetgeen voor de mensheid wel zo
gunstig was.
Er was al het een en ander aangesticht, omtrent het huwelijk van
Kolchash, en ook iets aangaande de schoonheid van Marsineh, en een
Eshva jongeling die, door de brandende droom van de nacht zwervend,
haar een zoet antwoord vond op zijn begeerte. En er was nog meer
aanstaande, als gevolg van de demonische aanwezigheid die zich
tussen de bomen reeg als een snoer.
Slechts de dageraad kon de demonen remmen, daglicht was voor hen de
dood. Maar zekere zaken die zij in beweging hadden gezet werden
zelfs door de zonsopgang niet altijd teniet gedaan...