Tweede deel

4 De woede van de magiërs

Tussen de rotsheuvels leidde een oude weg naar de stad en de zee, maar reizigers maakten er zelden gebruik van. Honderd jaar of langer had men deze weg gemeden omdat, zo verklaarden de reizigers, men zelfs op het klaarlichtste uur van de dag een monster kon horen janken in de rots onder je voeten, en hoe wist je zeker of het er niet een keer uit zou komen en je opeten? De machtige magiër evenwel, hij met de zwart en groene zijden jas en de robijnen ring zo groot als een gazellenoog, hij, boven wiens hoofd een dienaar een parasol met franje hield wanneer hij reed in zijn open koets, getrokken door zes paarden welks tuig droop van de parels -hij raakte niet in het minst onder de indruk van de verhalen over janken en eten. Zelfs de bedienden van de magiër moesten lachen.
'Hier is de Grote Kaschak,' zeiden zij. 'Stel dat er inderdaad een monster onder de weg verborgen is. Stel dat het eruitkomt. Neem dan maar aan dat Kaschak hem opeet!'
Zo ging de magiër op weg. Hij was van plan voor zonsondergang aan te komen in de stad en de zeehaven en hij koos deze weg omdat die het snelst was. Hij was naar dit land gekomen om een genezend wonder te bereiden voor de oudste zoon van een koning en nu dat wonder verricht was, wilde hij scheepgaan naar huis.
De oude weg was stoffig en hier en daar waren er stenen op gevallen. De magiër ruimde de stenen op met een gewichtig woord of twee, waardoor ze in rook opgingen. Een uur na de middag arriveerde het gezelschap van de magiër bij een droge put.
'Het is tijd om de paarden te drenken,' zei Kaschak. Hij sloeg op de zijkant van de heuvel; daar barstte een fontein naar buiten die een plas vormde, waaruit de paarden konden drinken. Op hetzelfde moment kwam er uit de droge put een in-treurig jammerend geloei.
De bedienden van de grote magiër toonden geen angst, want zij vertrouwden op zijn vermogens. Kaschak ging zelf naar de put en leunde over de rand om beter te kunnen luisteren. Spoedig klonk het ontzagwekkende gejank opnieuw.
'Ik geloof dat ik dit creatuur graag eens zou zien,' zei Kaschak. Hij liet een nog niet aangestoken fakkel komen. Deze vlamde aan toen hij ertegen blies. Hij liet hem een eindweegs in de put zakken en hing hem dan in de lucht terwijl hij door een magische spioneerlens tuurde wat er te zien was. 'Ah,' zei de magiër na enige tijd, 'net wat ik dacht. Een mens die door de fabuleuze methode van een demon in een eigenaardige gedaante is veranderd.' (Zulke dingen onthulde de lens.)
Kaschak knipte met zijn vingers en de vonken schoten eruit. Deze vonken tolden rond en vormden een net dat zichzelf in de put goot.
Toen werd er een ellendig rumoer gehoord, gekrabbel van hoeven, geknars van tanden, een glibberende klap, een kwijlend geblaf. Omhoog en de put uit zweefde de fakkel, en doofde. Vervolgens kwam het vonkennet met een afzichtelijk beest erin, in elkaar gerold en spartelend en verward.
De voorste helft van het beest was een zwijn, de achterste helft een reusachtige salamanderstaart. De kop was die van een wolf.
Het beest trappelde en brulde en gilde en het draaide met zijn ogen en liet zijn wolvekaken op elkaar klappen. Een eeuw of iets langer zwierf het al door de spleten en grotten waarmee de heuvels ondermijnd waren. Het kon niet sterven, omdat het voor altijd in het omhulsel van een demonische gril was gevangen. De slagen hadden het niet gedood, noch de val in de kloof; het brandende stro had het verschroeid en bij bewustzijn gebracht, maar niet gedood. Het begin van alles was het dier allang vergeten, dat het eens een man was geweest, knap, viriel en jong, die op het lichaam van zijn geliefde bruidje in slaap was gevallen en wakker werd in de gevangenis van de helse huid die de Drin op aanwijzingen van Azhrarn had vervaardigd. Bisunehs minnaar, nog immer in ellende gevangen, terwijl zij al tachtig jaar of langer stof was.
Kaschak zag dit alles, of genoeg ervan. Hij was niet iemand die gauw medelijden voelde, maar onrechtvaardig was hij ook niet. Terwijl de vuile, stinkende gruwel lag te trappen en kreunen in het tovernet, stuurde Kaschak zijn bedienden her en der om deze soort kalk en dat soort poeder te halen, om deze amulet uit de kist te pakken en die andere terug te leggen. Op het heetst van de middag begon Kaschak aan de onttovering. Het werk was pas voltooid toen de zon zelf moe begon te worden en op zijn verre bed van blauwe heuvels neerzonk. Het ding in het net had talrijke gedaanteverwisselingen ondergaan en in iedere gedaante weeklaagde het. Nu, toen het rode licht de hemel verliet, voer er een golvende beweging door de rug van het beest. Zoals een serpent uit zijn oude huid kruipt, zo kroop er nu iets uit de gerimpelde driedelige huid.
Het was een man die doodmoe voor Kaschak neerviel. Een man die niets jongs meer over zich had, geen spoor van een knap gezicht of viriliteit. Maar het was een man.
Zijn naam herinnerde hij zich niet, die was hij vergeten zoals hij het menselijk deel van zijn leven vergeten was. Hij bezat een vage herinnering dat hem onrecht was gedaan, dat hij wreedhartig van zijn blijdschap beroofd was zonder zelfs een voorteken te hebben gekregen om zich voor te kunnen bereiden. Verder herinnerde hij zich slechts donkere, druipende gangen, weergalmende grotten die bolstonden van zijn onmenselijke kreten, smerige holen waarin hij zich verstopt had voor betekenisloze schrikbeelden. Kaschak gaf hem te eten en wijn in een gele jaden beker.
'Jij zult mij twee jaar dienen om me terug te betalen voor mijn moeite. Ik noem je Qebba - hij-die-vaak-genoemd-is -want dat ben je in deze streken.'
'Qebba' stribbelde niet tegen, niet om zijn betrekking, niet om zijn naam. Hij had het grijze, ingevallen gezicht van iemand die sterft van honger en nooit genoeg eten kan krijgen. Hij herleerde de menselijke spraak slechts heel langzaam. Hij vond het goed om mee te rijden op de treeplank van Ka-
schaks koets. Soms als hij zichzelf vergat, bengelde zijn tong uit zijn mond en rolde hij afschuwelijk met zijn ogen. Degenen die hem zagen zitten toen de koets door de stad reed, dachten hem een waanzinnige en ze verwonderden zich waarom hij de Grote Kaschak vergezelde.
Het was al laat, maar het schip had gewacht op de magiër, omdat hij het was. Op de kade aangekomen maakte Kaschak een duister gebaar. De fraaie koets kreeg het formaat van een walnoot; hij stopte hem in zijn zak. De zes zwarte paarden die dropen van de parels veranderden in zes knappe zwarte torren met witte stippen. Hij borg ze op in een comfortabel doosje en toen, geflankeerd door zijn bedienden en toegejuicht door de verblufte en betoverde menigte, ging hij aan boord, en Qebba volgde hem.
De zeeën waren kalm en de wind kwam uit de goede richting. Twee dagen varen uit de kust kwamen ze bij een eiland, een allesbehalve aanlokkelijk brok obsidiaankliffen die zich schijnbaar tot in de hemel uitstrekten. Hier liep de sloep zacht op een grindstrand en de magiër en zijn gevolg gingen aan land. Deze kale klif was niet minder dan Kaschaks huis.
Het schip voer verder als een vuurrode meeuw. Kaschak sloeg op de ongenaakbare obsidiaanmuur en een tot dan onzichtbare, enorme poort vouwde open om hen doorgang te verlenen en draaide log weer dicht toen iedereen binnen was. Achter de muur van rots was het eiland helemaal niet zoals het van buiten geleken had, kaal en naargeestig, maar één grote glorieuze tuin van merkwaardige aard.
In de tuin van de magiër stonden rozebomen zo groot als heel grote pijnbomen. De bloemen waren het lichtste groen en het doorzichtigst purper. Roze wilgen stonden naast de roze vijvers die naar wijn smaakten. Op de blauwe grasvelden dartelden leeuwen - zij hadden de kleur van verse room met lichtblauwe manen - die op de magiër toe renden en speels als honden zijn handen likten. Uilen met ronde smaragden ogen zongen melodieus als jonge meisjes.
Het huis van de magiër was van groen porselein met een dak van veelkleurig glas dat het licht binnenliet. Een laan van zwarte bomen met zuiver gouden vruchten leidde naar de ingang.
Qebba staarde in het rond, even verwonderd om de tuin als om alles wat hem overkomen was.
'Een kleine waarschuwing,' zei Kaschak. 'In mijn dienst zul je noodzakelijkerwijs een beetje leren toveren. Probeer niet te veel te leren of zorgeloos te gebruiken wat je geleerd hebt. En bovenal: pluk nimmer het gouden fruit van die bomen.'
Het huis van de magiër was niet minder wonderlijk dan de tuin. Verschillend gekleurde lichtbundels uit het glazen dak kleurden de vertrekken en verlichtten talrijke voorwerpen van edelmetaal. Een reusachtige waterklok van koper en zilver in de vorm van een galjoen gaf het uur aan. Als het donker werd, ontstaken de lampen zichzelf.
In een verborgen kamer achter twee grote zwarte lakdeuren oefende de magiër zijn kunsten. De twee krukken van de deuren hadden de vorm van een hand van witte jade; om ze te openen moest men beide deuren een hand geven. Dit zag Qebba de meest vertrouwde bedienden van Kaschak bij bepaalde gelegenheden doen, als ze geroepen werden om te assisteren bij een experiment. Maar Qebba zelf werd hier niet toegelaten. Het kwam niet bij hem op ongevraagd binnen te lopen, maar naar verluidt was de toverkamer een indrukwekkend vertrek.
Qebba's taken waren eigenaardig. Let op of je tegen het middaguur een grote vogel in de lucht ziet. Tel hoeveel keer hij om het huis cirkelt alvorens weg te vliegen en schrijf dat op een perkament. Ga naar de twaalfde vijver, pluk een rietstengel, wrijf hem fijn in een vijzel en smeer de pasta op de drempels van het huis. Om de tien dagen kreeg Qebba opdracht op het dak te klimmen en het glas te poetsen - het moest heel dik zijn, want het brak niet onder zijn voeten. Of hij moest de leeuwen, die zich voedden met gras en wilde gele druiven, naar een ander deel van de tuin leiden.
Er gingen twee maanden voorbij. Qebba was niet gelukkig, ook niet ongelukkig. Hij vervulde zijn taken, at zijn vlees en brood en sliep op de hem toegewezen plek. Af en toe keek hij naar de zwarte lakdeuren met de witte handen, maar hij dacht er niet aan om binnen te gaan, hij dacht eigenlijk helemaal nergens aan. Zelfs nu vergat hij nog wel wat hij was en liet zijn tong dan uit zijn mond hangen en probeerde zijn achterpoten te laten slepen, zoals hij geil wongen was te doen toen de staart van de salamander nog aan zijn achterkant vastzat.
Op een morgen liet Kaschak hem bij zich komen en zei: Ga naar de zwarte bomen in de laan, Qebba, en pluk een gouden vrucht.'
Qebba draaide zich al om teneinde het bevel uit te gaan voeren, maar toen aarzelde hij en zei: 'Maar meester, u had gezegd dat dat niet mocht.'
Toen lachte Kaschak en hij liep verder. Hij had Qebba op de proef gesteld, om te zien of hij hem nog kon vertrouwen. Die middag riep hij Qebba weer en zei: 'Hier heb je een gouden zeef. Ga naar de tweede vijver en haal mij het wijnwater daaruit.'
Nu zei Qebba niets. Het was wel een zeef, maar als de magiër opdracht gaf hem te vullen, dan gebeurde dat. En ja, toen Qebba de zeef in de tweede vijver onderdompelde, liep niets van het water door de gaatjes weg. Hij bracht de zeef bij Kaschak, die lachte en zei: 'Zoals ik al dacht, hebben jouw jaren als betoverd beest in de ban van het demonendom jou enige aanleg voor thaumaturgie ingeprent. Kom nu, dan gaan we naar mijn werkkamer.' Het was een feit dat Qebba vermogens had verworven waarvan hij niets wist, precies als de magiër van het begin af vermoed had. Al zijn taken waren een proef geweest. De cirkelende vogel was onzichtbaar voor het gewone menselijk oog, het magische riet zou voor geen mens in pasta zijn veranderd. Onder andere voeten was het glazen dak al bij de eerste stap versplinterd en weinigen waren in staat de blauw met witte leeuwen te hoeden. Wat de laatste proef betrof, wie die niet begiftigd is met toverkracht zou water in een zeef kunnen dragen?
En zo kwam Qebba in de kamer achter de deuren van zwarte lak.
Er was daar een raam dat niet uitkeek op de tuin maar op honderd verschillende plekken op de wereld, die de magiër naar wens kon laten verschijnen. De kamer was donker, maar alles erin was te zien. Op een koperen stellage stond de gebleekte schedel van een stokoude Magus, die kon praten als Kaschak dat wenste. In een kristallen pot met een stop van agaat erin zat een vrouwtje ter grootte van een middelvinger, en klein als ze was, was ze heel mooi en haar haren had ze als een roestbruin blad om haar hoofd gewonden. Als Kaschak op de kruik tikte, begon ze wulps te dansen.
Temidden van deze curiositeiten begon Qebba vreemde kunsten te leren en de Grote Kaschak was zijn leermeester. De leermethode was bizar en er kwamen vasten, vuur, eenzaamheid en bloed aan te pas. Qebba's in al het overige trage hersens namen deze lessen vlug in zich op. En als zijn vermogens groeiden, ging er een rilling van opwinding door hem heen. Maar altijd zocht hij leiding van de magiër, hij noemde hem 'meester', kuste zijn robijnen ring en was dankbaar. Hij was het kind, Kaschak de vader. Dat plezierde Kaschak. Hij voorzag talloze mogelijkheden voor zijn pientere leerling, en zonder dat hij zelf gevaar zou lopen. Gekoppeld aan zijn ongekunstelde sufheid en kneedbaarheid, maakten Qebba's gaven hem tot de volmaakte en meest bruikbare helper en dienaar. Hij deed alles wat Kaschak vroeg, alles behalve één ding.
'Ga, pluk een gouden vrucht in de laan,' zei Kaschak.
Qebba antwoordde: 'U zei dat ik dat niet mocht.'
En Kaschak lachte.
Maar zelfs de wijzen zijn stom.
Het was de derde keer dat Qebba de gouden vruchten had horen noemen. Eens was hij jong en gelukkig en vlug van begrip geweest. Nu roerde zich diep in zijn geest een begraven gedachte. Hij droomde die nacht dat hij gouden vruchten plukte met massa's tegelijk, en ze regenden op hem neer, en iedere keer als een gouden vrucht hem raakte, voelde het aan als de warme kussen van een lieflijk meisje en de glans van het goud was als het schijnsel van haar haar in lamplicht.
Qebba werd met een kreet wakker. Nauwelijks wetend wat hij deed, rende hij de nachttuin in, door de laan van zwarte bomen en hij stak een hand omhoog en omvatte wat daar glinsterend groeide.
Ogenblikkelijk verscheen er een slang die om de takken kronkelde, een gevlekte slang, vuurrood en groen, die Qebba's hand beetgreep met zijn kaken. Maar Qebba kende nu een spreuk om dieren en vliegende wezens en reptielen te verslaan, en die spreuk uitte hij, en toen verschrompelde de slang. Hij kromp tot een gedraaid koord van rode en groene zijde dat tussen de struiken gleed.
Toen pakte Qebba de vrucht opnieuw beet, maar ditmaal werd deze heet als vuur en hij kon het brandende ding niet vasthouden. Maar Qebba had een koelingsspreuk geleerd, en die uitte hij nu en de vrucht was weer koud.
Toen nam Qebba de vrucht in beide handen, maar de vrucht wilde de boom niet loslaten. Daarom sprak Qebba een losmakingsspreuk en de vrucht viel.
Hij onderzocht het ooft dat op het blauwe gras van het gazon lag. Hij wist niet wat hij ermee moest doen nu hij het geplukt had. Maar na een ogenblik hoorde hij geritsel in de vrucht, alsof daar iets bewoog en weldra klonk er een ge krab alsof iets eruit wilde.
Qebba werd ongerust, maar sterker dan deze onrust was en gevoel dat hij op moest schieten. Er kwamen lampen uit het huis van de magiër gedreven, in de lucht hangend zonder dat iemand ze omhoog hield. Vlak daarachter zou Kaschak lopen, die kwam kijken wat er om middernacht in zijn tuin gebeurde.
Daarom sprak Qebba een openingsspreuk en de gouden vrucht brak in twee stukken. Uit het inwendige walmde een gazen rook op.
Wie zou zo'n rook tot zich durven noden? Voor sommigen zou hij genezend kunnen zijn, maar voor anderen een pest. Door de neus ingeademd leek hij de ogen en de oren en de hersens te vullen. Voor iemand die veel wist, zou hij nog veel meer openbaren, voor iemand die weinig wist zou hij ie veel openbaren. Zijn naam was zelfkennis.
Qebba ademde deze medicijn in en wankelde overeind, Terwijl hij de twee helften van de vrucht liet vallen en naar zijn hoofd greep. Hij had zich alles herinnerd - zijn verleden, zijn naam, zijn jeugd, zijn liefde, zijn verlies, zijn ellendige verblijf in de rotsheuvels - en hij had uitgerekend dat er honderd jaar voorbij waren gegaan, dat alles waar hij om had gegeven van de aarde verdwenen was. Hij was alleen, en hij was bedrogen. Hij had schuldloos geleden onder bovennatuurlijke boosaardigheid. De mensen hadden hem bespot en beschimpt, geslagen, verbrand en vervloekt. En zelfs nu, hier, probeerde iemand een suffe slaaf van hem te maken. Hij had Kaschaks rechtvaardigheid van zich afgezet, zijn eerbied voor hem weggeborgen en dacht niet meer terug aan hoe rustig hij zich in Kaschaks tegenwoordigheid had gevoeld, als een bang kind dat teruggevonden is door zijn vader. Hij dacht alleen, heel eenvoudig, dat hij weer eens bedrogen was. Hij kende zichzelf, en hij liep over van woede en haat en hij dorstte ernaar de wereld pijn te doen, zoals de wereld en zijn bewoners hem pijn hadden gedaan, arme Qebba, die zijn eigen naam niet terug wilde, ook al wist hij die nu weer, arme Qebba die stond te huilen in de tuin van de magiër.
De magiër was gearriveerd. Zijn schaduw viel scheef over Qebba's rug - een last die hij niet wilde dragen.
Hij schoot overeind en schudde de schaduw af.
'Jij wilde mij bedriegen,' riep Qebba. 'Jij hebt van mij een worm gemaakt, en in je vuistje mij uitgelachen. Te vaak heb je mijn domheid bespot. Kijk, ik heb alles ontdekt. Ik ben sluw; het was stom van je om mij zo goed les te geven. Ik ben ook een magiër.'
De magiër Kaschak sprak een woord dat Qebba steviger dan een touw had moeten binden, maar Qebba huiverde en sprak een ander woord en de spreuk gleed van hem af. Toen verbleekte Kaschak, en hij knauwde op de grote robijn in zijn ring. Het was waar, Qebba had zijn lessen uitstekend geleerd. Te laat zag Kaschak in dat hij er te zeker van was geweest dat het beest tam was.
'Kom,' zei Kaschak op vlotte, innemende toon. 'Je behendigheid doet mij genoegen. Je was mijn dienaar, maar je zult mijn broeder zijn. Ik heb je van een levende dood gered, wees niet overijld. Misschien is dit wel het beste.'
Maar Qebba grijnsde met zijn tanden bloot. Hij had nog iets van de wolf in zich.
'Eén heeft mij eerder bedrogen. Hij kwam 's nachts, zoals
jij, maar hem zag ik niet. Ik taal niet naar de leugenachtige vriendelijkheid van de mensen, noch van anderen dan mensen. Ik ben nu gewapend.' En hij keerde zich bruusk om en schreed weg door de tuin.
Toen werd Kaschak bang, zoals hij in twintig jaar niet bang was geweest. Zijn macht te hulp roepend slingerde hij zijn verraderlijke leerling een bliksemschicht achterna om hem te doden. Maar de rook van zelfkennis had Qebba's talenten aanzienlijk gescherpt. Hij hoorde de schicht komen en, snel rondtollend, smeet hij er zelf een, zodat de twee elkaar in de lucht ontmoetten en met een blauwe flits ontploften. Qebba lachte. 'Nu weet ik dat je bang voor me bent,' zei hij en hij rende de tuin uit.
Bij de poort in de rotswand stond een enkele leeuw. Hij zwiepte met zijn staart en snauwde. Qebba sloeg de leeuw dood met een glanzende lans die hij van lucht maakte. Hij ging door de poort en het grindstrand op. Ondanks zijn nieuwe vaardigheden bezat hij geen macht over de oceaan, omdat de zeeën tot een ander rijk behoorden dan de aarde en hun eigen heersers en hun eigen wetten hadden. Maar Qebba nam uit zijn gordel een houtblokje dat hij had opgeraapt, en hij scheurde een stukje stof van zijn mouw en nadat hij de juiste woorden had gesproken, wierp hij beide op het water. De stof en het hout werden een scheepje. Qebba stapte erin en voer weg van het eiland.
Kaschak zag hem vertrekken in het magische venster achter de lakdeuren. Zijn hart was zwaar van woede en onrust.

Qebba voer zeven dagen lang tot hij bij een rots in de zee kwam, zo lang als vier mannen die achter elkaar op de grond liggen en zo breed als drie mannen in dezelfde houding. Omdat schoonheid en comfort voor hem voorgoed hun smaak hadden verloren, maakte Qebba hier zijn thuis. Beschutting vond hij achter de punt van de rots en bepaalde constructies van steen en zeil. Om zich te voeden kauwde hij op aangespoeld zeewier en de vissen die de getijden op de rots gooiden. Als hij dorst kreeg, liet hij het regenen in zijn handen.
Toen begon er een verbeten en dodelijk gevecht tussen twee inventieve geesten die elk grote wilskracht bezaten. Kaschaks kracht lag in zijn magische vakkundigheid, Qebba's kracht in zijn nimmer aflatende, gevoelloze, stalen haat. Zoals iemand die door het ongeluk getroffen wordt blindelings in het rond gaat slaan, zo sloeg Qebba nu naar zijn vroegere meester omdat hij geen wraak kon nemen op wie hem jaren geleden werkelijk gewond hadden.
Aanvankelijk wilde Kaschak zichzelf slechts verdedigen. Qebba's daden waren kinderachtig maar wel onaangenaam. Het regende zwarte kikvorsen in Kaschaks tuin, of rode modder; tornado's braken tegen de rotswanden, de hemel verdonkerde door zwermen insekten en hele scholen uitgehongerde roofvogels. Maar al deze bezoekingen wist Kaschak te keren en onschadelijk te maken en niets zond hij terug naar zijn kwelgeest. Toen werd de tuin door een ziekte overvallen, een onzichtbare worm die de roze wilgen van binnenuit opvrat, de verfijnde rozen aantastte en de wijnvijvers met walgelijk slijm klonterde. Kaschak genas zijn tuin en verdreef de onzichtbare worm. Daarna beschermde hij iedere vierkante duimbreedte grond met zegels en vei-ligingen. Geen stofje kon er nog binnenkomen. Kaschak zat voor zijn magisch venster in zijn werkkamer en zocht hierin het eiland waar Qebba lag te piekeren. Zijn gezicht was groenig geworden van haat, zijn ogen waren weggezonken in de kassen als twee boosaardige dieren in hun holen. Zijn tanden waren geel en scherp van het knagen op zeewier en visgraten, even geel en scherp als toen hij nog een wolvekop had. Een van zijn benen was verlamd door gebrek aan lichaamsbeweging op het smalle eiland en het klamme weer. En hij sleepte met dat been als hij liep, zoals eens zijn salamanderstaart had gesleept. Maar zijn hart, als het hart van een wild zwijn, was taai en duurzaam.


Kaschak probeerde zich op allerlei manieren van zijn vijand te ontdoen. Hij stuurde stormen naar het rotseilandje, maar Qebba stuurde ze weg. Kaschak stuurde een vrouwelijk fantoom dat haar lendenen ontblootte en haar rosse haar losschudde, maar alle lusten op één na waren dood in Qebba; hij smeet haar met stenen tot ze opkraste. Kaschak stuurde Een bliksemschicht van immense grootte, die het eiland in tweeën spleet. Maar Qebba dook weer op op het grootste deel, grijnzend.
De twee magiërs kwamen zo niet verder. Kaschak sprak tegen Qebba door het magische venster: 'Laten wij dit geruzie staken. Wat wil je van me?'
'Je leven,' zei Qebba. Zijn diepgezonken ogen glansden vuil zijn haat. 'Jouw leven en het leven van de wereld. Mijn krachten nemen toe. Ik zal ervoor zorgen dat niemand meer gelukkig zal zijn, want ik ben nooit gelukkig geweest. Geen zal blijven leven, want ik heb nooit de kans gekregen om te leven. Geen zal liefhebben, behalve in het graf, want daar ligt mijn beminde.'
Toen begreep Kaschak dat het zinloos was. Hij was boos, maar zijn woede was niet als de hatende, grijnzende woede vuil Qebba. Kaschaks woede was loodzwaar en hij was ook bang.
Kaschak ontbood vier stormen, en van de vier zomen van hun vier enorme klederen vervaardigde hij een bovennatuurlijk net van verweven, kokende strengen. Vervolgens vroeg Kaschak met zijn kunsten een onderhoud met één van de heersers van de zee aan. Hoe deze heerser arriveerde is niet vastgelegd, maar misschien had hij wel een blauwe huid en was zijn haar als een stroom zilt water en zag zijn gevolg er ook zo uit, en misschien reden zij wel in koralen koetsen getrokken door spannen grote zwart met witte haaien, de mensendoders. Misschien waren hun ogen cirkels van goud rond een horizontale blauwe pupil, zoals bij zekere schepselen uit de diepte, en misschien werden ze wel prikkelbaar toen ze merkten dat de lucht van de aarde hen benauwde en misschien speelden hun tengere geschubde vingers, schitterend van juwelen gemorst uit verdronken mensenschepen, ongeduldig met de kettinkjes van glazen kommetjes waarin juwelen vissen, hun zeekanaries, heen en weer schoten en zongen met stemmetjes die alleen de zeebewoners konden horen.
In ieder geval werd er een overeenkomst gesloten. Er werd een ring van oceaanmagie vervaardigd die Qebba's rots omsloot en niets kon er meer uit, net zomin als er iets kon ontsnappen of gezonden worden door het net van stormen in de hoogte. In ruil voor deze dienst zou Kaschak ieder jaar op een bepaalde dag een fraai juweel in de zee gooien. En zolang Kaschak zich aan de afspraak hield, zo lang zou de zeeheer zich eraan houden.
En zo werd Qebba voor de tweede maal in zijn ellendig bestaan opgesloten. Zijn spreuken waren machteloos, zijn woede keerde zich tegen hemzelf.
In het begin tierde en schreeuwde hij tegen de onstoffelijke doch ondoordringbare muren van de val, maar het gieren van de stormen was harder. Hij probeerde eveneens een afspraak met de mensen van de oceaan te maken, maar zonder hoop, want hij had niets te bieden en de oceaan bleef stom. Eindelijk werd hij moe en hij ging op zijn gezicht op de glibberige rots tussen het zeewier liggen en verroerde zich niet meer.
Alleen zijn hersens werkten door. Ze knaagden naar binnen toe, als een rat. Zijn hersens waren een en al haat. Hij werd verslonden door haat. De haat bereikte zijn hart en ziel. Zijn haat kon nu nergens heen, hij kon niet ontsnappen. En dus, als iedere opgesloten grote kracht, begon hij te gisten, te zieden.
De tijd verstreek. Kaschak bereikte een gezegende leeftijd. Hij volvoerde talrijke wonderen en werd zeer geacht. En ieder jaar op een bepaalde dag wierp hij een juweel in de zee. Hij vergat het nooit. En toen op een nacht, in zijn twintigste decennium, glimlachte Kaschak, want hij had eindelijk genoeg van het leven, en hij stierf. En dat jaar werd er geen juweel naar de zeeheer gezonden en deze begreep dat het pact afgelopen was en het magische hek rond Qebba's rots verdween.
Maar Qebba had toch niet zo lang geleefd, zonder voedsel, zonder ruimte, zonder bezigheden? De pseudo-onsterfelijkheid, het leven dat de monsterhuid hem had verleend, was tegelijk met de huid geamputeerd. Nee, Qebba kon niet meer leven, en leefde ook niet meer. Zelfs zijn vlees was van de rots verdwenen, zijn beenderen waren er zelfs mee versmolten, bestonden niet meer.
Maar er was nog wel iets, iets dat niet kon sterven. Dat wat had staan zieden, koken en geraffineerd was in zijn ge-vangenis: Qebba's onverminderde, stervensloze, verhongerende haat.
En die kon nu ontsnappen.