Derde boek
Lokkende wereld
Eerste deel
1 Honingzoet
Zij was zo knap, en zo zachtmoedig, dat ze
haar Honingzoet noemden - hoewel haar naam Bisuneh was. Haar haar
reikte lot op de grond; het had de lichte, tere groengele kleur van
sleutelbloemen. Ze was de dochter van een arme geleerde en ze
woonden in een stad aan de zee. Honingzoet Bisuneh zou spoedig
trouwen met de knappe zoon van een andere arme geleerde. Terwijl de
vaders in de bibliotheek boven antieke boekdelen gebogen hadden
zitten mummelen, had-den de dochter en de zoon gewandeld in de
schaduwrijke tuin tussen de rozen en onder de metaalglanzende
bladeren van de oude vijgeboom, en eerst hadden hun handen elkaar
aangeraakt, en vervolgens hun lippen en toen hun jonge lichamen, en
weldra ook hun harten en geesten. Daarna volgden diverse beloften
en eden, verschillende uitwisselingen van giften. Omdat bruiloften
duur waren, vonden er toen listige verkrachtingen van de kunst
plaats: de ene oude geleerde dichtte een klaagzang op de dood van
een heer die tranen in de ogen bracht, en zilver in de buidel;
terwijl de andere geleerde zijn vertaling van een of andere lang
geleden gestorven dichter opdroeg aan een prins in een wit paleis,
wat goud opleverde. De echtgenotes van beide geleerden waren
overleden. Ze waren dol op hun kinderen, op de invasie van jeugd en
hartstocht in hun dorre huizen die slechts geurden naar stoffige
boeken.
Het was een maand voor het huwelijk.
De schone Bisuneh en twee knappe vriendinnen
zaten in de schemering in de
tuin onder de oude vijgeboom. In de hoogte werden de sterren helder
en in de verre diepte golfde dezee als
de rug van een donkere, langzaam zwemmende krokodil.
'Ik ken een toverijtje,' zei de ene knappe
vriendin. 'Ik kan je laten zien hoeveel kinderen je zult krijgen.'
De andere vriendin hield niet van toverij en was bang. 'O, 't is
iets heel eenvoudigs. Een paar woorden, een lok van Bisunehs haar,
een kiezelsteentje om te gooien.'
De andere vriendin had er nog steeds geen oren
naar, maar Bisuneh was wel nieuwsgierig. Ze verklaarde dat ze drie
lange zonen wilde hebben en drie slanke dochters. Niet meer, ook
niet minder.
En zo, onder het vlechtwerk van vijgebladeren
en sterren, werd er getoverd. Het was maar een heel klein
toverijtje. Normaal gesproken zou het niet opgevallen zijn. Maar
voor een demon was het minste vleugje magie een lokaas.
Een der Eshva was niet ver weg. Hij
avonturierde op de nachtelijke aarde, hing rond bij de donkere
golven voor de kust. Hij rook het toverijtje als een bloem die een
geliefde plaats in zijn geheugen innam. De Eshva waren de meest
slinkse van alle echelons van de Onderaarde, en het meest geneigd
tot dromen en romantiek, en deze Eshva was geen
uitzondering.
In zijn mannelijke gedaante sloeg hij de
glooiende weg van de kust omhoog in, omhuld door de samenballende
nacht. Hij kwam bij de muur om de tuin en gluurde door een spleet
die zelfs een vogel amper had kunnen vinden.
Hij zag twee knappe meisjes en één stralend
mooi meisje.
Een kiezelsteentje sprong op en kletterde op de
stenen.
'O,' zei het eerste knappe meisje, 'ik zie hier
helemaal geen kinderen. En toch - wacht. Ja. Een kind. Een
dochter!'
'Eentje maar,' jammerde het andere knappe
meisje. 'Kan dat betekenen dat Bisuneh zal sterven? Of haar
man?'
Het eerste meisje gaf haar boos een klap. 'Hou
je kop, idioot! Het betekent alleen dat het niet gewerkt heeft. Wie
gaat er nu over de dood zeuren?'
Maar Bisuneh schudde plechtig het hoofdje. 'Ik
ben niet bang. Het is maar een spelletje. Drie dagen geleden ben ik
naar de wijze vrouw geweest die in de Straat van de Zijdespinners
woont. Zij heeft me verteld dat mijn man noch ik zouden sterven
voordat we allebei heel oud waren, tenzij de zon in het oosten
mocht zinken, wat beslist moet betekenen dat niets ons kwaad kan
doen, want wie gelooft er nu dat de zon ooit in het oosten onder
zal gaan?'
Toen lachten de twee vriendinnen, ze zoenden
Bisuneh en vlochten witte bloemen in haar haar. Achter de muur
lachte ook iemand, geluidloos. Maar daar was niemand, alleen een
glanzende zwarte kat die wegrende over de kustweg met een flits van
zijn zilveren ogen.
De Eshva trad binnen in een vertrek van
zwarte jade en wierp zich neer voor een schaduw aldaar, kuste diens
voeten. De kus laaide op als een violette vlam in het
halfdonker.
De Eshva verhief zijn gloeiende ogen. Azhrarn
las er dit in: een wandeling in de droom van de aarde, de wereld
van de mensen, en een vorm daar als de gestalte van een meisje.
Haar huid was als het witte hart van een appel, haar haren een
fontein van sleutelbloemen.
Azhrarn liefkoosde de hals van de Eshva en
diens voorhoofd. Hij was zelf lange tijd niet op aarde geweest,
vele maanden, misschien een sterfelijke eeuw.
'Hoe is ze verder?'
De Eshva zuchtte onder de aanraking van
Azhrarns vingers. De zucht betekende dit: Als een witte vlinder in
de schemer, een nachtelijk bloeiende lelie. Als muziek gespeeld
door de weerspiegeling van een zwaan als die over de snaren
van een maanlicht
meer glijdt.
'Ik zal gaan kijken,' zei Azhrarn.
De Eshva glimlachte en sloot zijn
ogen.
Azhrarn ging door de drie poorten, van zwart
vuur, blauw staal en koud agaat. Als een adelaar vloog hij over de
paarse vlakte van de nachthemel; een veeg van dood rood gaf de
plaats aan waar de zon al lang onder was gegaan. Hij kwam hij een
stad aan de zee, in de kleine tuin van een klein huis. De zwarte
adelaar landde op het dak. Hij keek met zijn schitterende, opzij
geplaatste vogelogen, nu met het ene, dan met het
andere.
Hen oude geleerde dronk wijn onder een
vijgeboom. Hij liep: 'Bisuneh!' Er stapte een meisje uit het huis.
De gelorde gaf haar een klopje op de hand, liet haar een
aantekening zien die hij in een enorm oud boek had gemaakt, op een
blad dat gemarkeerd werd door een platgeperste papieren bloem. Het
licht uit een open venster spon de kleur van groene limoenen in het
lichte haar van het meisje. De adelaar keek roerloos toe, zijn
snavel als een kromsabel.
'Kijk, hier staat je moeders naam, en die van
mij,' zei de geleerde. 'En hier is jouw naam, en de zijne, de naam
van de man die je zult huwen en die mijn zoon zal zijn.'
De vleugels van de adelaar ruisten zacht, met
niet meer gerucht dan de wind in de bladeren van de vijgeboom
maakte.
Na een poosje gingen de oude man en het meisje
naar binnen. In een venster bij het dak gloeide een lamp aan en
ging toen weer uit. Het meisje ontkleedde zich en slechts gehuld in
heur haar lei zij zich in haar smalle sponde en viel in
slaap.
In haar slaap dreef een heerlijke geur naar
haar toe. Ze hoorde geklop op een open luik, een geluid als van
wandelende bladeren. Een stem zong in haar oor, plezierig als
fluweel. Bisuneh schrok wakker. Ze glipte naar het raam en keek
naar buiten.
Beneden haar in de tuin stond een donkere man;
ze kon hem niet goed zien. Gehuld in haar haar, als schaduw bij
haar raam keek zij naar hem, en hij leek ook een schaduw. Alleen
zijn ogen, die een mysterieus licht opvingen, glansden.
'Kom naar beneden, Bisuneh,' riep hij zacht.
Zijn stem leek op geen andere die zij ooit had gehoord. Bijna
leunde ze uit het raam, bijna zocht ze haar deur en de trap en de
weg naar de tuin - maar toen viel er een koude droppel in haar
geest die zei: Pas op. 'Kom,
Bisuneh,' zei de vreemde in de tuin. 'Ik bemin je al lang, ik heb
mijlen gereisd om je te vinden. Eén blik van jouw ogen is al wat ik
vraag, misschien ook één kuise kus van hartstocht van jouw
maagdelijke mond.'
Bisunehs lichaam antwoordde op deze stem zoals
de harp antwoordt wanneer de musicus haar tokkelt; haar zenuwen en
haar instincten dwongen haar naar de deur, of naar het raam om
eruit te springen in de armen van de man. Maar ze deed het
niet.
'Jij moet een boze geest zijn, dat je me zo
roept,' zei zij tegen hem. Ze sloeg de luiken dicht en grendelde
ze. Ze maakte een doosje open en pakte er een koralen halsketting
uit die haar minnaar haar had gegeven en daar sprak ze tegen, ze
streelde en kuste hem en gebruikte hem als een amulet tegen ieder
soort slechtheid waarmede de nacht haar zou kunnen bedreigen. Het
duurde niet lang voordat zij de verrukkelijke spanning in de lucht
voelde verzwakken. De slaap overmande haar. Met het koraal in haar
handen viel zij in slaap, en de volgende ochtend waande zij haar
angst een droom.
Het amuseerde Azhrarn dat hij versmaad was
door dit geschrokken, deugdzame maagdje. De eerste keer amuseerde
liet hem. Haar wilskracht, haar dwaze ongeloof in hem, haar
ingegeven door haar gezonde verstand, verrukten hem. De eerste keer
verrukten ze hem.
De volgende avond kwam hij terug. Er waren
gasten in de tuin die pret maakten. Later gingen ze weg, en het
meisje stond in haar eentje naar de zee te staren met de
koraal-ketting om haar nek.
Peinzend genietend van het parfum van de lila
rozen, merkte Bisuneh plotseling dat er een vrouw op de
kustweg Mond. Ze leek uit het niets te ontstaan, deze vrouw, maar toen ze
duidelijk werd, leek ze levendiger en reëler dan al het andere.
Bisuneh kon haar ogen niet van de vrouw afnemen. Ze was
indrukwekkend, majesteitelijk, haar haar blauwzwart, haar ogen
schitterend. Ze was niet bescheiden, niet schuchter of
gereserveerd. Ze kwam recht naar de tuinmuur toe en terwijl ze
Bisuneh aankeek met haar vreemde, hypnotische blik, zei ze: 'Laat
mij je toekomst voorspellen, kleine bruid.'
De stem van de vrouw was diep en melodieus. Ze
reikte over de muur en nam Bisunehs hand. Bij deze aanraking begon
Bisunehs hart te bonken, ze begreep niet waarom.
'Ik hoor,' zei de vrouw, 'dat je bang bent voor
mannen. Dat is ongelukkig, als je gaat trouwen.'
'Ik ben bang voor geen man,' stamelde
Bisuneh.
'Gisteravond was je bang voor een man,' zei de
vrouw.
Het meisje verbleekte bij de
herinnering.
'Het was een droom.'
'O ja? Kom, waarom was je bang voor hem? Hij
had geen kwaad met jou voor.'
Het meisje rilde. De donkere vrouw leunde over
de muur en kuste haar licht. Zo'n kus kende het bedeesde meisje nog
niet. De kussen van haar minnaar, de diepe honger van de jeugd,
hadden haar niet geroerd als deze kortstondige ontmoeting van hun
lippen. Tegelijk wekte de kus opnieuw de onrust van de vorige nacht
op; haar zintuigen wilden het een, haar verstand het andere. Ze
rukte haar hand los, haar mond.
'Wie ben jij?' vroeg zij, het ergens diep in
haar binnenste wetend maar zonder deze kennis te kunnen
bevatten.
'Een uitlegster van het lot,' zei de vrouw.
Haar gezicht was anders geworden, gereserveerd en wreed. 'Jij bent
koppig, en koppigheid ergert de goden. Maar ja, ze hebben je een
vrolijke oude dag voorspeld, is het niet? Totdat de zon in het
oosten zinkt.'
De vrouw schreed weg, maar toen wolkte haar
mantel op door de adem van een sterke windvlaag en opeens leek ze
te verdwijnen.
Het meisje rende het huis in. Ze pakte een
amulet uit een doos: een heilige man had deze amulet aan haar
moeder gegeven. Ze hing hem om en bad dat de demonen zouden
ophouden haar lastig te vallen.
De vrouw was Azhrarn geweest. Hij kon iedere
gedaante aannemen. Het meisje had hem nu twee keer afgewezen en nog
wel in twee verschillende vermommingen. Stervelingen wezen Azhrarn
niet af. Zijn stem, zijn ogen, zijn aanraking bewerkstelligden een
alchemie die sterfelijke zenuwen opjoeg, ze verblindde, hun wil
buiten werking stelde. Maar Bisuneh verzette zich en haar verzet
amuseerde hem nu niet meer. Haar deugdzaamheid was een zijden rok
geworden die erom vroeg verscheurd te worden, haar schoonheid een
beker die leeggedronken moest worden.
Hij had nog één kunstje. En dat stond hem wel
aan. Hij had haar verloving in de tuin aanschouwd, temidden van de
gasten. Nu nam Azhrarn de gedaante van haar minnaar aan - de
gelijkenis was volmaakt - en een uur na middernacht, gekleed in de
schijn van een mantel, klopte hij op het luik voor haar
raam.
Ze kroop naar het venster, bang. Fluisterend
vroeg ze wie daar was. Ze hoorde een stem die ze kende. Ze opende
het luik, hij ving haar in zijn armen. Het genot van zijn kracht
liet haar heviger ontbranden dan haar liefde voor hem tot
dusver.
'Ik hou het niet langer uit,' zei hij. 'Laat je
me wachten tot we getrouwd zijn?'
'Nee, ik zal je niet laten wachten, als je het
nu wilt.'
Er brandde geen lamp in de kamer, het was
pikdonker. Ze herkende zijn
handen, zijn armen, zijn lichaam, zijn mond, en herkende hem toch niet; het was allemaal nieuw, een
hernieuwde kennismaking. En het stoorde haar dat hij hier kwam, dit
steelse, de koele onstuimigheid, als met voorbedachten
rade.
De maan rees op uit zee. Hij verzilverde de
rozebladeren in de tuin, de stam van de vijgeboom, de tegels van
het huis. Zijn enkele oog staarde naar binnen door het open luik.
Toen Bisuneh begon te verdrinken in de wateren van het verlangen,
toen haar minnaar haar neervlijde op het bed, zag zij abrupt,
onverwacht, de zwarte glinstering van twee ogen-
Nee, dat kon niet. Het waren de ogen van haar
verloofde, gesluierd door de kwetsbare lusten van de man. Maar
toch, achter die ogen, eronder, aan de oppervlakte komend als een
zwarte haai uit de wateren van een onschuldige zee, keek een ander
paar ogen neer op haar, onoverwinlijk en groot.
Bisuneh stootte zich los van het getij dat haar
wilde overspoelen. Ze wierp zich van het bed en omknelde de
waardeloze amulet. In het donker verroerde haar minnaar zich en
zijn stem was veranderd.
'Dit is de derde keer dat je me geweigerd hebt.
Kun je raden wie het is die je afwijst?'
'Een demon.'
De maan vulde de kamer met een wit schijnsel.
Bisuneh zag Azhrarn voor zich staan. Ze verborg haar gezicht voor
zijn schoonheid en zijn stenen blik. Voor hem was zij haar waarde
kwijt. Zij verveelde hem nu. Hij hoefde haar alleen nog maar te
vernietigen, zoals de gewoonte van de demon is, haar vernietigen
als de koud geworden restjes van een feestmaal.
'Honingzoet,' zei Azhrarn, 'voortaan zullen je
dagen bitter zijn.'
Ze zag niet waarheen hij ging, maar hij was
verdwenen.
Bisuneh bezwijmde.
Bisuneh werd bleek en zwijgzaam. Ze weigerde
iemand iets te vertellen over Azhrarns dreigement. Vaak ging ze
naar de tempel om te bidden. Maar de tijd verstreek zonder dat er
geweld werd gepleegd of dat zij werd bedreigd. Opnieuw begon ze te
denken dat ze alles had gedroomd. Bruidjes waren onderhevig aan
zulke fantasieën tijdens de laatste dagen voor het huwelijk, had ze
zich laten vertellen. Bisuneh dacht weer aan de voorspelling van de
wijze vrouw: een blije oude dag tenzij, onmogelijk genoeg, de zon
in het oosten onderging.
De dag van de bruiloft brak aan, de schemering
viel, er was een fakkeloptocht, men strooide bloemen. De zoon van
de ene geleerde en de dochter van de andere werden verenigd en
weggedragen naar het huwelijksdiner in het huis van de vader van de
jongen, waar ook hun slaapkamer was klaargemaakt.
Er waren talrijke geschenken gebracht: twee
zilveren vazen, twaalf bekers van het fijnste porselein, een grote
gebeeldhouwde kast van cederhout, zoete gele wijn uit een
uitstekende kelder, een damastpruimeboom in een pot die het jaar
daarop vrucht zou dragen, een spiegel van stralend gepolijst brons.
Maar er was één geschenk waarvan niemand de schenker kende. En
hoewel het ongewoon mooi was en kennelijk enorm duur, wilde niemand
toegeven dat hij de gulle gever was. De vader van de jongen had het
gevonden op de galerij van zijn huis toen hij bij het krieken van
de dag opstond. Het was een enorm wandkleed, een avondtafereel van
bossen en watervallen, heel levensecht, vervaardigd uit honderd
verschillende kleuren prachtig geverfd garen. De vader wilde zijn
zoon en schoondochter ermee verrassen en toen het donker werd kreeg
hij een idee. Hij hing het tapijt klaar in de kamer waar het
tweetal de nacht zou doorbrengen op de kale muur waar geen raam
was. Die kamer leek nu bijzonder weelderig.
Na enige tijd verliet de bruid het diner en
ging naar boven, en de bruidegom volgde haar gezwind, omstuwd door
gelukwensen en schertsende opmerkingen. Ze sloten de deur, de twee
minnaars, nadat ze beleefd rond hadden gekeken, dankbaar voor de
verzamelde rijkdommen, de kom met paarse druiven, de kruik met
wijn, de geborduurde kussens, het prachtige, zinderende tapijt aan
de wand... De lamp stond laag, ze zagen nauwelijks iets, en
bovendien hadden ze alleen oog voor elkaar.
Ze lagen neer in hartstocht en vergaten verder
alles.
Het werd middernacht en later. Beneden waren de
meeste huwelijksgasten vertrokken. De straten van de stad werden
stil in de laatste uren voor zonsopgang. Hier en daar waren katten
op jacht, dribbelden honden, gluipten rovers; een rij meisjes met
verwelkte hyacinten in het haar, die hun lichaam voor een paar
munten hadden verkocht op een feest van een edelman, liepen
weemoedig, arm in arm terug naar hun stulpen. En er was nog Iets
dat over straat waarde, Iets dat niet zo duidelijk zichtbaar was.
Het repte zich in de schaduw van
de muur van het huis van de vader van de
bruidegom, klauterde in de klimop, naar de bovenste verdieping. Een
raam stond op een kier. De vreemde nachtgedaante wachtte even en
loerde naar binnen. Hij was als een dwerg. Hij droeg iets over zijn
arm.
Een Drin. Azhrarns boodschapper, omdat dit
karwei te grof en te lelijk was voor een Eshva: een Eshva zou het
niet kunnen uitvoeren. Over de arm van de Drin hing een
lappendeken, als de slappe huid van een gevild dier,
verkeerd aan elkaar genaaid: deels met borstelhaar, deels dofglanzende
schubben, deels een verknoopt harentapijt. Het was toch niet
mogelijk dat iemand de huid van een wild zwijn had genomen, alleen
zijn borst en voorpoten, met daaraan vastgemaakt de staart van een
reuzensalamander, vol schubben en stinkend, en de afgehouwen kop
van een wolf, en deze drie had verenigd met het stiksel van een
betovering en de spelden van een bezwering?
De glibberende dwerg schoot over de vensterbank
de bruidskamer in. Hij grijnsde tegen de nog verstrengelde
minnaars, die diep in slaap waren. Hij rolde de jongen opzij, liet
zijn plompe drinse vingers liefkozend over de slanke romp en de
stoere lendenen spelen, staarde naar en porde in het melkwitte
meisjeslichaam dat gebonden was met koorden van geel haar. Maar de
dageraad naakte. De Drin voelde het komen zoals het paard vuur
ruikt. Vlug wierp hij over de jongensgestalte de afschuwelijke
samengeraapte huid, Azhrarns tweede geschenk - het eerste was het
wandtapijt op de oostelijke muur, waar hij het door de
nietsvermoedende oude vader had laten ophangen.
De gore dierehuid kronkelde toen hij
neerdaalde, hij leek een eigen leven te bezitten, en toen verstilde
hij. De huid bedekte Bisunehs bruidegom geheel. Nu sloeg er een
glanzende staart waar de gespierde benen hadden gelegen, de
bemodderde buik en voorhoeven en de dikke nek van een wild zwijn
lagen waar eerst de borst van de jongen rustig had liggen ademen.
Het knappe gezicht, verzadigd en kalm, was vervangen door de
grijnzende nachtmerriekop van een wolf met lebberende tong en gele
tanden.
De Drin was alweer verdwenen. Het eerste roze
licht verscheen over de oostelijke horizon. Het schijnsel van de
nieuwe dag spreidde zich over het huis en spoelde na enige tijd
binnen door het westelijke raam van de kamer waar de gelieven
lagen.
Bisuneh opende haar ogen. Slaperig zag ze dat
het raam op het westen zacht verlicht was en ze keek waar het licht
in de kamer viel, hier een gloed, daar een blos. Eindelijk zag ze
het wandtapijt, tegen de oostelijke muur, waar het het daglicht
opving. Wat een prachtig kleed was het, de bossen met hun
dichtbebladerde bomen, de plenzende watervallen, zo levensecht dat
ze ze bijna kon horen. En daarboven de hemel van de zonsondergang,
de vermoeide zon die neerdaalde, de donkere zon van de avond die
niet te verwarren is met het frisse, bleke licht van de
dageraad.
Allengs drong er iets afschuwelijks door tot
Bisunehs nog maar half wakkere
geest. Ze kon er niet op komen wat precies, want ze voelde zich
gelukkig, rustig en het wandkleed was een kunststuk. Toen
herinnerde zij het zich. Op de oostelijke muur ging een zon onder -
hij zonk, zoals de wijze vrouw het had uitgedrukt - in het
oosten.
Het was onvermijdelijk dat ze overeind schrok.
Haar ogen zochten de jongen naast haar. Maar daar vonden ze een
monster.

Ze gilde totdat de twee vaders en de logerende gasten aan kwamen rennen. En toen gilde ze nog steeds, en de rest stond verstijfd van misselijke afschuw, en zij gilde tot het wezen op het bed zich verroerde en haar naam probeerde te zeggen, maar het gromde en blafte, en het zou zich op zijn twee voorhoeven opgericht hebben, terwijl zijn reptielenstaart zinloos achter hem aansleepte, als niet een van de mannen het neergeslagen had, en toen nog een ander en weer een ander, tot het monster roerloos lag.
Ze geloofden dat het monster door het raam
binnen was geslopen en de bruidegom in zijn geheel had verslonden,
en vervolgens van plan was geweest de bruid te schennen of op te
eten. Toen ze geen bloed of ander spoor van zijn gruwelijke dis
vonden, nam hun ontstelde afschuw nog toe. Nu waren ze dubbel
bevreesd, want het monster leek dood, zijn zwarte bloed welde op
waar de regen van slagen hem getroffen had, en ze vreesden een
duistere wraak uit nog duisterder bron - want het wezen moest wel
van demonische oorsprong zijn. Niemand dacht ook maar een ogenblik
dat het de jongen was, maar veranderd. Dat was niet verbazend, want
geen der aanwezigen zag het minste spoor in dit wezen van de knappe
en stoere jongeling die de zoon van de geleerde was geweest. En
omdat de afzichtelijke huid vergroeid was met de zijne, kan men wel
aannemen dat zijn hersens en zijn hart eveneens en op soortgelijke
wijze veranderd waren in een minderwaardige travestie.
Het gegil van de bruid was afgezwakt tot
gejammer. De vrouwen leidden haar weg, zelf in tranen. De buren die
begerig wilden komen kijken nadat haar gekrijt hen had gewekt,
werden met leugens naar huis gestuurd. Eer dan hulp te vragen aan
de stad, waren de bruiloftsgasten en de twee vaders het gloeiend
met elkander eens dat de hele afgrijselijke zaak geheim moest
worden gehouden, en niet alleen uit angst. Ze schaamden zich voor
dit treffen met een gruwel, hadden in hun binnenste het gevoel dat
het een straf moest zijn voor een of andere zonde van hen, een
collectieve of een individuele. Het dode wezen laadden ze in een
gesloten kar. Vervolgens trokken ze strootjes, en de twee sterke
zonen van de wijnkoper en de drie sterke zonen van de metselaar
viel de taak ten deel om de kar met inhoud onder de mantel van de
nacht naar de grens van de stad te brengen. Daar, tussen de
rotsheuvels, in een kaal ravijn waar zelden mensen kwamen,
kieperden ze het onthullende stigma uit de kar en gooiden het
brandend stro achterna voor alle zekerheid. Het kwam helemaal niet
bij hen op dat het wezen misschien nog leefde; het bewoog niet, het
leek morsdood, de stank kon licht worden opgevat als de stank van
rotting.
Maar misschien kon iets dat zo betoverd en
misvormd was niet sterven.
Terwijl de vijf jongelieden zich huiswaarts
haastten, hoorden ze een zwak, echoënd, onderbroken gehuil in de
diepte van de rotsen achter hen. De zonen van de metselaar keken
gauw de zonen van de wijnkoper aan. Nee, zij hadden er niets mee te
maken, het lawaai was slechts het roffelen van de donder. Dat
zeiden ze tegen malkander totdat ze het zelf geloofden en tegen die
tijd waren de geluiden allang verstorven.
Bisuneh lag lange tijd ziek te bed in haar
vaders huis. Men vreesde dat zij haar verstand verloren had. Ze
brachten haar bloemen om haar op te vrolijken, en de zachtmoedige
Bisuneh onthoofdde de bloemen. Ze brachten haar een zangvogel in
een kooitje, maar zij opende het deurtje en liet de vogel vliegen.
Binnen een oogwenk was het diertje ontdekt door een havik, die het
in de vlucht doodde, en toen zij dat zag, knikte Bisuneh alsof ze
niets anders had verwacht. Ze sneed haar prachtige haar af, ze
plengde geen tranen, ze sprak geen woord. Ze spaarde alles op, ze
liet haar haat en verbittering inwendig aan de kook komen. Ze wist
dit niet, het was een instinct.
De arts fluisterde tegen haar vader de
geleerde: 'Zij moet niet zo doorgaan. U moet haar meenemen naar een
andere plek. Haar schoot is bewoond. Zij is zwanger en het
interesseert haar niet. Zij zal sterven en het kind
ook.'
Bisuneh putte geen troost uit het vooruitzicht
op dit kind, het laatste wat zij van haar minnaar over had
gehouden. Ze wist zeker dat het kind zou sterven en zij met het
kind. Ze wist heel goed wie haar kwaad had gedaan, en waarom. Zij
werd mager terwijl haar buik opzwol.
Op een nacht was haar haat gerijpt. Zij merkte
het, en werd wakker met dit besef. Voor het eerst in maanden sprak
Bisuneh, en de kracht van haar haat overstroomde de woorden die ze
sprak. Zij deed wat geen sterveling durfde, zij deed het in de hoop
te sterven. Ze vervloekte Azhrarn. Toen ze dit had gedaan, zonk zij
uitgeput terug in de kussens en wachtte tot de dood erop zou
volgen.
In die dagen was een vervloeking of een
zegening als een vogel. Hij had vleugels en kon vliegen. En hoe
sterker de zegening of de vloek, hoe sterker de vleugels en des te
verder de vogel kon gaan.
De vloek van Bisuneh was heel sterk, want alles
in haar, die eens Honingzoet was genaamd, was bitter als gal
geworden. En de vogel van de vervloeking, die een kleur had welke
stervelingen slechts met het geestesoog konden waarnemen - de
schelle kleur van pijn en de donkere kleur van zwaarmoedig tobben -
vloog zonder aarzelen naar het midden van de aarde. Hij had geen
ogen, deze vogel, maar hij kon zien, en hij had geen stem. Hij
drong binnen in de Onderaarde via spleten en kloven die kleiner
waren dan een stofje, maar toch was de vogel groot genoeg zodat,
toen hij tussen de torens van Druhim Vanashta door was gevlogen en
door een smaragden raam binnen was gegaan, en op de schouder van
Azhrarn was gaan zitten, Azhrarn hem zowel kon zien als
voelen.
De Prins glimlachte. Misschien glimlacht de
winter ook wanneer hij de bladeren aan de bomen
doodbijt.
'Ach, een sterveling heeft mij vervloekt,' zei
Azhrarn.
Hij schudde de vogel in zijn hand en keek
ernaar, en hij zag het patroon van de hersens welke de vogel hadden
gevormd en weldra ook de schedel en het hoofd en het gezicht die
deze hersens omsloten. Toen kuste Azhrarn de ijzig koude vleugels
van de vogel. 'Beseft zij niet,' zei hij, 'dat geen enkele
vervloeking mij raakt, die de vader van alle vervloekingen is?'
Maar haar drieste haat plezierde hem. Hij had haar eens door
anderen laten straffen, en dat kon hij nog eens doen. 'Kleine
vogel,' zei hij, 'misleide kleine vogel.'