6 Kazir en Ferazhin

Vele maanden lang zwierf Kazir over de aarde, Kazir de blinde dichter, Kazir de zanger van goud. Hij zocht een weg naar de Onderaarde, een weg naar Ferazhin. Hij was belast met een betovering, niet een van hebzucht maar een van erbarmen, en van liefde. Maar wie kon hem vertellen wat hij moest weten? Azhrarns naam werd slechts haperend uitgesproken in schaduwen en in fluisteringen; bovendien had hij zoveel namen: Heer van de Duisternis, Heerser van de Nacht, Brenger van Zielsnood, de Adelaargevleugelde, de Schone, de Onnoemelijke. De toegang tot zijn rijk was de kern van een berg in het midden van de aarde, maar wie kon die plek vinden, op welke kaart stond hij aangetekend? En wie zou erheen durven gaan, wie durfde een blinde te leiden naar zo'n plek waar trechters van rots enorme vlammen uitbraakten en de hemel een en al vermiljoenen rook was?
Kazir versaagde niet, hoewel zijn hart zwaar werd. Hij verdiende de kost met liederen en soms genazen zijn liederen de zieken of de gekken, want van zo'n aard was zijn magie. Hoewel hij blind was, wilden de bewoners van bijna ieder huis hem graag onderdak geven en hoewel hij blind was, zóu bijna iedere vrouw die hem zag, graag haar dagen aan zijn zijde hebben gesleten. Maar Kazir ging voorbij als een seizoen, slechts op zoek naar de weg tot Ferazhin.
Het collier droeg hij bij zich, verborgen in zijn hemd, wetend welk kwaad het de mensen zou brengen, maar als hij alleen was, stak hij zijn hand in zijn hemd en raakte de zeven edelstenen aan en in zijn geest verscheen heimelijk de aanwezigheid van Ferazhin. Hij zag haar niet, zelfs niet voor zijn geestesoog, want hij was te jong blind gemaakt om zich nog veel te herinneren van beelden, kleuren of vormen. Hij kende haar vooral zoals anderen een roos zouden kennen aan de geur in een donkere tuin, of een fontein door het verkwikkende water over hun handen te laten spelen.
Op een zeker schemeruur hoog op een weids tafelland, kwam hij bij een stenen huis. Hier woonde een oude vrouw die eens de kunsten van de magie had bedreven, en hoewel zij ten slotte zo verstandig was geweest haar boeken opzij te leggen, kleefde er aan deze plek nog altijd een zwakke geur van toverij.
Kazir klopte aan. De oude vrouw kwam naar buiten. Eén toverring had zij gehouden: als slechte mensen in haar buurt kwamen, brandde de ring, terwijl als goede mensen haar naderden, de steen in de ring groen werd. Nu straalde hij als een smaragd en de vrouw verzocht de bezoeker binnen te treden. Ze zag dat hij heel schoon was, en blind, en haar jaren van hekserij hadden haar wijs gemaakt. Ze zette voedsel voor haar gast neer en zei even later: 'Jij bent Kazir, de dwaas die de weg naar de Onderaarde zoekt. Ik heb gehoord dat je een verschrikkelijk serpent gedood hebt in een woestijndal en daar weggegaan bent met een fabelachtige schat.'
'Wijze vrouw,' zei Kazir, 'het serpent stierf van ouderdom en verdriet. De schat is gedrenkt in het bloed van mensen en niets waard. Ik ben er weggegaan met schrijnende pijn in het hart voor een ander, een jonkvrouwe in de Onderaarde die weent om licht en liefde.'
'Een schone jonkvrouwe,' zei de heks, 'een jonkvrouwe geschapen uit een bloem. Misschien ken ik een weg tot haar. Ben je dapper genoeg om die weg te gaan, blinde Kazir? Dapper genoeg om zonder ogen te zoeken langs de grenzen van de dood?'
'Zeg me slechts waar het is,' zei Kazir, 'dan ga ik. Ik kan niet rusten voordat zij rust heeft, die schone maagd daar onder de grond.'
'Mijn prijs is zeven liederen,' zei de heks. 'Een lied voor elk van Ferazhins tranen.'
'Ik zal u met genoegen betalen,' zei Kazir.
En hij zong, en de heks luisterde. Zijn muziek maakte haar stijve gewrichten los, ontwarde de knopen in haar handen en iets van haar jeugd sloop terug in haar lichaam zoals een vogel een raam binnenvliegt. Toen hij uitgezongen was zei zij: 'In de Onderaarde, aan de grenzen van Azhrarns rijk, slingert een rivier met water zo zwaar als ijzer en met de kleur van ijzer, en op de oevers groeit wit vlas.
De rivier van de slaap is het, en op de oevers ervan dwalen soms de zielen van slapende mensen. Daar jagen de demonenprinsen met honden op die zielen. Als je durft, kan ik een drankje voor je brouwen dat jou snel naar beneden stuurt zodat je aanspoelt op die oevers. Het is een oord vol vallen, maar als je aan die gevaren en de jachthonden van de Vazdru kunt ontkomen, en je steekt de vlakte over, dan kom je bij de Stad der Demonen en daar, als je wilt, verschijn je voor Azhrarn. Vraag hem dan om je meisje dat uit een bloem geschapen is. Als Azhrarn je die gunst verleent - en dat zou kunnen, want wie kan raden in welke stemming hij die dag is - dan zal hijzelf jou en haar gezwind terugsturen naar de wereld van de mensen. Maar als hij genadeloos en wreed is op het uur dat je hem treft, dan ben je verloren, en alleen de goden weten welke folteringen hij voor jou zal bedenken.'
Kazir reikte naar de hand van de heks en die rustig vasthoudend, zei hij: 'Het kind is misschien bang om geboren te worden en de moeder om het te baren, maar als het zover is, kan geen van beiden iets anders kiezen. Evenmin heb ik een keus. Dit is de enige weg die voor mij openstaat. Bereid dus uw drankje, vriendelijke tovenares, en laat mij vannacht die weg inslaan.'

Kazir passeerde het huis van de slaap zoals allen het passeren, zonder het te weten, en hij werd wakker op de oever van de brede rivier.
Soms, als ze sliepen, konden de blinden zien, als ze voor hun blindheid veel hadden gezien in het leven, en wie zou eraan kunnen twijfelen dat alle zielen zien kunnen wanneer ze eenmaal voorgoed vrij zijn van het lichaam. Maar het lichaam van Kazir leefde nog en hij had maar weinig gezien voordat hem het gezichtsvermogen werd benomen. Daarom was ook zijn ziel, die zich roerde op die koude, troosteloze oever, blind als zijn aardse vorm. Eigenlijk leek de ziel precies op Kazir-in-den-vleze, had ook zijn heldere ogen, droeg zelfs zijn kleren en in zijn handen had hij de geest van zijn blindenstaf.
Zo stond hij op de oever van de Slaaprivier waar het witte vlas groeide, en hij rook de ijzige geur van het water en hoorde het ijzeren geluid ervan, en rondom lagen de zwarte landen met hun bomen van ivoor en verguld draad, hoewel hij die niet zag.
Toen knielde Kazir op de grond en legde zijn hand op een kiezelsteen die daar lag.
'Naar welke kant ligt de Stad der Demonen?' vroeg hij. En hij voelde het steentje aan één kant een heel klein beetje warmer worden en toen stond hij op en hij begaf zich in die richting, weg van de rivier en voor zich uit tastend met zijn stok.
Hij liep een heel eind, maar soms stak hij zijn hand uit en raakte de metalen bast van een boom aan en daaraan voelde hij in welke richting hij moest gaan en hoe ver de stad nog was. Al die tijd was er geen geluid behalve de wind van Onderaarde. Maar plots voelde hij een aanwezigheid, kringelend als rook, en een stem murmelde: 'Sterveling, je bent ver gedwaald in je droom. Ik ben vergetelheid, de slaaf van de slaap. Zoek je mij? Laat mij dan mijn armen om jou heenslaan en alle herinneringen uit de beker van je hersens drinken, zodat wanneer je wakker wordt, de mensen je je naam zullen vragen en jij je die niet zult herinneren. Denk je in welke rust ik je bied - geen oude misdaden of schandes meer die je geest vertroebelen, vrij als de lucht van de aarde en je oude leven heb je dan afgeworpen als een oud kledingstuk.'
Maar er waren geen misdaden of schandes in Kazirs verleden die hij moest vergeten.
'Nee, jou zoek ik niet,' antwoordde hij. 'Ik zoek Azhrarn, de Prins.'
'Ga dan,' zei het rokende ding. 'Als je de zijne moet zijn, mag je de mijne niet worden.'
Zo ging Kazir verder, maar later verscheen er een nieuwe aanwezigheid, zoeter gestemd en met meer overredingskracht dan de eerste: 'Sterveling, je bent verder dan ver gekomen in je droom. Ik ben Fantasie, het kind van de slaap. Zoek je mij? Laat mij dan mijn haar om jou heen wikkelen, en de beker van je hersens vullen met danseressen en paleizen, zodat je me zult smeken je niet te laten wekken omdat je voor altijd door mijn veelkleurige ballons wilt dwalen.
Denk je in welke verrukking ik je bied, een tweede wereld die lieflijker is dan de eerste.'
Maar Kazir begreep de fantasie, want hij weefde er zijn liederen van.
'Nee, jou zoek ik niet,' zei hij, 'hoewel ik je goed ken. Ik zoek Azhrarn, de Prins.'
'Ga dan,' zei de zoete verschijning. 'Als je de zijne moet zijn, ben je de mijne al.'
Hierna vond Kazir een weg. Deze was van marmer en omzoomd met zuilen en de aanraking leerde hem dat de weg leidde naar de poorten van Druhim Vanashta, Stad der Demonen.
Maar hij liep nog niet lang over de marmeren weg voordat hij achter zich een geluid hoorde, zo afschuwelijk, zo angstwekkend, zo gelijkend op het janken van wolven - maar erger, veel erger - dat hij begreep dat de jachthonden van de Vazdru zijn reuk hadden gevonden.
In plaats van te vluchten of dekking te zoeken, bleef Kazir staan en draaide zich om. Hij hoorde dat het snauwen en janken dichterbij kwam, en de hoefslagen van de demonenpaarden, het rinkelen van de belletjes aan hun tuig en de kreten van de Vazdru. Toen verhief Kazir zijn stem rustig boven het rumoer en begon te zingen. En de ziel van Kazir zong met alle schoonheid van zijn sterfelijke stem en misschien wel mooier. Hij zong, maar waarvan hij zong is verloren gegaan. Wat het ook was, de honden staakten hun ren en legden zich neder op de weg, de paarden lieten de kop hangen en zelfs de prinsen zaten aandachtig te luisteren. Hun bleke, knappe gezichten rustten op hun beringde handen.
Toen het lied afgelopen was, bleef er een stilte, en in de stilte kwam een andere stem, even luisterrijk als die van Kazir, maar een stem die was als sneeuw vallend over de zingende vlam van de dichter, en niet goud van kleur maar zwart als de nacht.
'Dromer,' zei de stem, 'je bent ver van de weg gedwaald.'
Toen hij deze stem hoorde, verhief Kazir zijn blinde blik en zijn onziende ogen rustten op het schepsel dat gesproken had, nutteloos, maar uit wellevendheid.
'Verder hoef ik niet te gaan,' antwoordde Kazir, 'want ik ben hier gekomen in de hoop u te ontmoeten, Heer Azhrarn, Prins der Demonen.'
'Wat, ben je blind?' vroeg Azhrarn. 'Blinde ziel, je bent dwaas geweest, dat je je hier gewaagd hebt waar zelfs mannen met twee grote ogen sidderen. Wat kun je van mij wensen?'
'Ik wil u iets teruggeven, Heer van de Duisternis, dat uw onderdanen gemaakt hebben,' zei Kazir. En hij haalde het zilverwerk van Vayi te voorschijn dat hij meegenomen had naar de Onderaarde, aangezien het collier, gewrocht van schimmige zaken in een schimmig land, over de rivier van de slaap kon reizen zoals een sterfelijk ding - van vlees of metaal - niet kon. Kazir stak het collier voor zich uit en liet het toen op de weg vallen. 'O Prins,' zei Kazir, 'neem dit terug, uw speelgoed, want het heeft zoveel bloed gedronken dat zelfs u tevreden moet zijn.'
'Pas op,' waarschuwde Azhrarn zacht als fluweel, zacht als een kattepoot met alle klauwen gereed,, maar nog verstopt, 'pas op, zanger van liederen, wat je tegen mij zegt.'
'Heer Prins,' zei Kazir, 'als u dat wenste, zou u mij kunnen lezen als een boek. Wetend dat ik mijn gedachten niet voor u kan verbergen, spreek ik vrijuit. De deugden van de demonensoort zijn anders dan de deugden van de mens. Ik vertel slechts de waarheid in deze zaak: het collier heeft veel ellende gesticht en veel moord en doodslag op zijn geweten, wat niet anders is dan u zou wensen. Verheug u dus, Grenzeloze Prins, al moet ik, sterfelijk wezen, verdriet voelen.'
Hierop glimlachte Azhrarn en hoewel Kazir het niet zag, voelde hij het.
'Je bent dapper, blinde ziel, en waarheidslievend, zoals je zegt. Durf je ook mijn stad van slanke torens binnen te gaan en daar voor mij te zingen?'
'Met plezier zal ik voor u zingen. Maar ik zal wel een honorarium vragen,' zei Kazir.
Azhrarn lachte. Hoorde ooit een mensenziel zulk lachen in de slaap?
'Vermetele, blinde held,' zei de Prins, 'je honorarium zou te hoog kunnen zijn. Zeg het me nu, dan zal ik zien.'
'In uw stad weent een vrouw. Haar tranen zijn gevangen in dit collier van bloed. Ze is een bloem en smacht naar de zon. Mijn honorarium bestaat hieruit: haar vrijheid om te gaan en staan in de landen van de mens.'
Azhrarn antwoordde lange tijd niet. Alleen de tuigbelletjes van de demonenpaarden waren te horen. De blinde dichter stond stil op zijn staf geleund.
'Voor wat, hoort wat,' zei Azhrarn toen opeens. 'Kom naar mijn paleis, en daar zal ik je één vraag stellen, en jij zult mij je antwoord toezingen in een lied, en als het lied oprecht is en het antwoord juist, dan krijg je Ferazhin en Ferazhin krijgt de zon. Maar als je faalt, keten ik je ziel in de zwartste put van Onderaarde en daar zullen mijn honden jou net zo lang verscheuren tot je lichaam op de aarde hierboven stof is, en nog langer. Aanvaard nu mijn aanbod of ga. En ik zal je laten gaan zonder je te achtervolgen, want je hebt mij plezierig beziggehouden.'
'Voor mij alleen is er geen weg terug, Donkere Heer,' antwoordde Kazir. 'Leid mij naar uw stad en stel mij uw vraag, dan zal ik mijn antwoord zingen zo goed ik kan.'
Zo betrad Kazir Druhim Vanashta, waar stervelingen gewoonlijk niet kwamen.
Overal speelde eigenaardige muziek en vreemde wierookgeuren parfumeerden de lucht. De Vazdru leidden hem naar de grote zaal van Azhrarn.
Azhrarn gedroeg zich bijzonder hoffelijk. Hij zette zijn bezoeker heerlijke spijzen en geheimzinnige wijnen voor en hij maakte hem erop opmerkzaam hoe deze bokaal gemaakt was van malachiet met robijnen, en ginds bord van het fijnste glas, hoeveel kaarsen er rondom hen in zilveren houders brandden, en de kleur van alle draperieën en het onderwerp van alle mozaïeken in de vloer. Hij sprak ook over de prinselijke Vazdru, over de bereidwillige Eshva, over de knappe mannelijke demonen, hoe schoon en hoe subtiel zij waren; hij beschreef hun prinsessen en hun dienstmaagden, de lieftallige vormen van hun borsten, de geuren van hun haren en ledematen.
Toen gaf hij Kazir een rondleiding door zijn paleis, en vanaf hoge plaatsen vertelde hij welke torens in het noorden of zuiden stonden te glinsteren en welke parken hun tapijten naar oost en west uitspreidden. Hij vertelde Kazir ook over de ongetelde onderdanen in zijn stad, over de talloze paarden in zijn stallen, de ongelooflijke reikwijdte van zijn macht en zijn toverkracht en zijn kennis. Dit nam nogal wat tijd in beslag en toen hij uitgesproken was, zei Azhrarn vriendelijk: 'Dit alles bezit ik, dichtersziel. En meer van hetzelfde kan ik krijgen als ik dat wenste. Nu zal ik mijn vraag stellen en jij zult antwoorden met een lied.'
'Ik ben gereed,' zei Kazir en hij hoorde overal in het rond de afwachtende Vazdru en Eshva ritselen en ruisen.
'Denk jij,' zei Azhrarn, 'dat er iets is waarzonder ik het niet kan stellen, terwijl ik dit alles heb?'
De Vazdru applaudisseerden, de Eshva zuchtten. Zij konden zich geen enkel antwoord voorstellen op de vraag van hun Prins. Maar Kazir neeg even het hoofd, toen begon hij met opgeheven hoofd zijn antwoord te zingen zoals Azhrarn hem had gevraagd.
Hierop kwam Kazirs antwoord neer: ondanks al Azhrarns bovennatuurlijke rijkdommen, ondanks zijn eeuwige koninkrijk onder de aarde, had hij één ding nodig. En dat was de mensheid. 'Wij zijn uw speelgoed, uw bron van vermaak,' zei Kazir. 'Altijd komt u bij ons terug, om onze roem te verbrijzelen, om donker te lachen wanneer u ons bedrogen heeft. Zonder mensen op aarde, zou het de demonen en de Heer der Demonen zwaar vallen om de tijd door te komen.'
Toen ze dit hoorden, slaakten de Vazdru verachtelijke kreten, maar Azhrarn bleef zwijgen. Kazirs lied was echter nog niet afgelopen.
Hij zong de demonen een koude droom voor.
Hij zong over een plaag die van de randen van de wereld kwam en alle sterfelijk leven van de aarde wegwiste. Geen man of vrouw bleef over, geen kind, geen boreling. Geen ouwe wijven bromden krassende liederen boven hun brouwsels, geen prinsen reden uit op heroïsche queestes, geen legers voerden meer oorlog, geen schone maagden zagen meer smachtend uit hun torenvensters, geen zuigelingen huilden in hun wieg. Alleen de troosteloze wind zwierf kreunend over de aarde, alleen de grassen roerden zich. De zon rees en daalde boven leegte. En Kazir zong hoe de Prins der Demonen over het land vloog in de gedaante van een nachtadelaar, over de geruisloze steden en de verlaten landerijen. Geen licht brandde in geen enkel raam, geen enkel zeil spoedde zich over de zeeën. En de Prins zocht mensen. Maar geen enkel verheven hart was er nog om te bederven, geen enkele roofzuchtige juwelier om grappen mee uit te halen. En op de hele wijde wereld was er geen enkele tong meer die eerbiedig en in angst de naam van Azhrarn kon fluisteren.
De demonen waren heel stil geworden. Toen de laatste woorden van de dichter tussen hen neerdaalden, leken zij in ijs bevroren.
Kazir bleef tijdens die lange stilte in de zaal van de Prins staan. Toen zei Azhrarn: 'Ik heb mijn antwoord gekregen.' Niet meer, niet minder, en misschien hoorde alleen de dichter met zijn scherpe oor in die erkenning hoe de stem van Azhrarn veranderd was en koud geworden - als van pijn, of zelfs angst.
Maar de afspraak was gemaakt en even later snelde een van de Eshva het paleis uit om Ferazhin te roepen, die in een van de halfdonkere tuinen dwaalde.
Ze kwam Azhrarns zaal deemoedig binnen, treurend, met haar gezicht verborgen achter haar nevelige sluier.
Azhrarn wenkte haar bij zich en zei: 'Een sterveling heeft jouw vrijheid gekocht met een grafkoud lied. Zijn ziel moet teruggaan door de Slaaprivier, maar een vogel van de nacht zal jou terugbrengen naar de aardse bodem van waaruit jij gekomen bent.'
Ferazhin keek op. 'En zal ik de zon zien?' vroeg zij.
'Tot je er misselijk van wordt,' beaamde Azhrarn. 'En hem ook, je redder, zul je zien, want je wordt de zijne.'
Maar hoewel hij op zachte toon sprak, hoorde Kazir wat hij zei en daarom riep hij: 'Nee, Heer Prins. Zij is al te lang het eigendom van anderen geweest. Ik eis haar niet op. Ik heb alleen met u afgesproken dat zij vrij zou zijn.'
'Maar je houdt van haar,' zei Azhrarn, 'anders zou je niet gekomen zijn.'
'Sinds ik haar tranen in het collier van zilver vond, heb ik van Ferazhin gehouden,' antwoordde Kazir rustig, 'en nu ik haar dicht bij mij voel, houd ik nog inniger van haar. Maar zij kent mij niet.'
Ferazhin keek naar hem, want zijn stem had de kleur van de zon. Ze staarde naar zijn gezicht, zijn gestalte, zijn haar, zijn ogen en toen ging ze naar hem toe en ze zag dat hij blind was. Hij had zijn lichaam en zijn ziel voor haar geriskeerd, en niets in ruil gevraagd. Ze was op slag verliefd op hem: hoe kon het anders?
'Ik kom graag bij jou,' zei zij, 'en ik zal van je houden zolang jij dat wilt.' Toen ging ze terug naar Azhrarn en ze zei zacht: 'U heeft mij gekweekt uit een bloem en ik was onsterfelijk zolang ik in uw donker rijk woonde. Als Kazir oud wordt, zoals alle mensen, laat mij dan samen met hem oud worden, want ik wil niet anders zijn dan hij, en als hij sterft zoals alle mensen, laat mij dan ook sterven, want ik wil niet van hem gescheiden worden.'
'Als je mijn land verlaat en op aarde verblijft, ben je onderworpen aan de aardse wetten,' zei Azhrarn. 'je zult oud worden en je zult sterven, en daar wens ik je veel plezier mee.'
'En na de dood, zal ik dan bij Kazir blijven?' vroeg Ferazhin.
'Vraag dat aan de goden,' zei Azhrarn. 'Alle aardse schepsels hebben zielen, zelfs de bloemen die er groeien, maar misschien verliezen jullie elkaar in de nevels op de drempel van de dood.'
'Laat mij dan sterven op het moment dat Kazir sterft, zodat we hand in hand kunnen gaan.'
Azhrarns ogen als kolen werden felzwart, maar Ferazhins door haar dromen verblinde ogen zagen het niet.
'Dan zal dat mijn gift aan jou zijn,' zei Azhrarn. 'Jij zult sterven op het ogenblik dat je weet dat Kazir dood is.'
Ferazhin bedankte hem. De zaal vulde zich met het klapwieken van vleugels. Een sterrenvogel droeg Ferazhin heen, door de betoverde poorten, de berg uit en naar de heuvels en dalen van de wereld, terwijl een andere vogel Kazir terugbracht naar de Slaaprivier waardoorheen hij terug moest gaan om zijn lichaam terug te krijgen.
Ondertussen stond Azhrarn in een hoge toren met het collier van Vayi in zijn handen. De Prins der Demonen keek naar het noorden en oosten, het westen en zuiden, terwijl hij in gedachten de schatten van zijn rijk monsterde, maar zelfs daar kwam de stem van Kazir aan hem knagen terwijl hij zong over de verlaten aarde en de troosteloze aanblik daarvan, zong over hoe de Prins der Demonen, zonder de mensheid, alleen een naamloze mol onder de grond zou zijn. En weldra vermorzelde Azhrarn de ketting tussen zijn handen tot een vormloos gesmolten klomp en smeet die als een verwensing neer in de straten van Druhim Vanashta.

Tegen het ochtendgloren ontwaakte Kazir in het huisje van de heks.
'Je hebt vele dagen en nachten geslapen,' zei de heks, 'ofschoon het voor jou vast niet langer dan een uur of zo leek dat je in de Onderaarde was.'
Zij had hem al die tijd bewaakt en zijn slapend lichaam beschermd met haar spreuken. Nu hij overeind kwam en die lange slaap afschudde, stond de vrouw uit de open deur van haar huis te kijken.
De zon zeilde omhoog, de hemel ontbrandde als een lamp en over de vlakte in de bergen kwam een tengere gestalte aangewandeld met wapperend haar in de kleur van die hemel.
'Ik zie een meisje met tarwegeel haar,' zei de heks, 'en een bloemengezicht.'
Kazir ging meteen naar buiten en bleef voor het huisje staan wachten, en Ferazhin rende naar hem toe met uitgestrekte armen en ze lachte van geluk.
Daarna waren Kazir en Ferazhin een jaar lang bij elkaar en van hun dagen samen is geen verhaal te maken, want het waren fijne en blije dagen zonder incidenten. Ze hadden geen rijkdom, dat is waar, en ze zwierven van land naar land zoals de dichter altijd al deed, en ze verdienden de kost, hij met zingen en zij met dansen, want zij ontdekte dat ze kon dansen als een bloem in een korenveld in de zachte zomerwind. Ze hadden geen paleis van kristal en goud, maar hun zaal was groot genoeg, met zijn blauwe dak, zijn vloeren van gras geborduurd met narcissen en zijn grote zuilen van bomen. Beiden hielden van de wereld, elk hield van de ander. Zij vertelde hem alles wat ze zag, hij vertelde haar de geschiedenis die hij kon doorgronden met zijn aanraking, van een steen of een vervallen muur. Ze paarden dorstig, zoals de jongen voor wie de liefde een rivier zonder koers is. Ze kénden de volmaaktheid van de tevredenheid.
Toen, op een avond in de schemer aan het eind van het jaar, kwamen ze een jongen tegen op de weg.
Hij was heel jong, deze knaap, en heel mooi en hij had grote, donkere, doordringende ogen. Hij naderde hen langzaam, alsof hij onzeker was. Toen zei hij: 'Kan het zijn dat u Kazir bent, de blinde dichter wiens stem ziekten geneest?'
'Ik ben Kazir,' antwoordde Kazir. 'Op het overige beroem ik mij niet.'
Maar de jongen knielde neer op de weg en hij greep de zoom van Ferazhins jurk beet. 'Vrouwe, ik smeek u mij te helpen. Mijn vader ligt ziek te bed in ons huis en wil niemand bij zich laten - alleen om Kazir roept hij dag en nacht. Hij zegt dat het in zijn jeugd voorspeld is dat hij ziek zou worden en sterven zou, tenzij de blinde Kazir hem genas met een lied. Wilt u daarom de dichter overreden met mij mee te gaan en hem te redden?'
Kazir fronste. De woorden van de jongen stoorden hem. Maar hij zei: 'Ik zal met je meegaan als je dat wenst.'
De jongen sprong overeind en holde vooruit. Hij leidde hen over de weg naar een fraai huis met een openstaande ijzeren poort. Op de voorhof speelde een fontein en bij de fontein zat een gladde zwarte hond.
'Nu moet u alleen binnengaan, als u het niet erg vindt,' zei de jongen tegen Kazir, 'en de vrouwe moet buiten wachten. Mijn vader laat niemand in het huis behalve mij en zelfs ik mag de kamer niet in waar hij ligt.'
'Goed,' zei Kazir, hoewel de situatie hem niet beviel. Maar Ferazhin zette zich rustig neer bij de fontein en stak haar hand uit om de hond te aaien, maar die was blijkbaar verlegen want hij rende samen met de jongen het huis in.
Binnen was een trap met vele treden en een deur.
'Vader,' riep de jongen, 'ik heb Kazir gevonden.' Toen er niemand antwoordde, zei de knaap zacht: 'Hij is heel zwak. Ga naar binnen en zing voor hem, en maak hem beter als u kunt, dan zullen wij u zegenen.'
Kazir ging de kamer in. Maar hij zong niet. Hij had het idee dat de kamer verlaten was, hij voelde geen invalide in de buurt, en plotseling hing de kamer vol met een vreemd donkere wierook. Die deed hem denken aan andere geuren die hij slechts eenmaal eerder had geroken - toen zijn ziel door de straten van Druhim Vanashta liep.
Meteen probeerde hij de kamer te verlaten, maar er botste iets tegen zijn benen - het had de vorm van een hond, maar toen het hem raakte, herkende Kazir het meteen als wat het was: een demon. Het volgende ogenblik stormde een galmend niets Kazirs hersens binnen toen de droge uit het schimmenrijk zijn longen vulde. Tevergeefs probeerde hij het te weerstaan, naar de deur te gaan, tegen Ferazhin te roepen en haar te waarschuwen. Adelaars van de nacht smoorden zijn adem. Hij zonk neer en lag daar als dood.
Ferazhin op de voorhof schrok op. Ze had geen geluid gehoord, maar opeens was ze bang. Net op dat moment kwam de jongen het huis uit, met de hond op zijn hielen.
'Ferazhin,' zei de knaap, 'Kazir is dood.'
En de zwarte hond blafte.
Meteen kende zij hen - een van de Vazdru vermomd als de jongen, terwijl de inktzwarte hond - ze staarde in zijn kolenogen en zag Azhrarn. En het hele huis vervloeide, als rook. Nu was alles weg, het huis, de tuin, de fontein en de twee gedaanten. Ze stond op een glooiing bij een beek, koud onder de sterren, en voor haar lag Kazir.
Ze rende naar hem toe. Ze gunde zich geen tijd om na te denken. Ze nam zijn ijskoude handen beet en streek met haar vingers over zijn gesloten oogleden. Ze voelde geen hartslag, hoorde geen adem. 'Nu weet ik dat je dood bent,' fluisterde Ferazhin en zoals Azhrarn haar had beloofd, voelde zij haar eigen handen als steen worden, haar eigen hart stilstaan en haar adem stokte; haar oogleden vielen dicht en ook zij lag dood naast Kazir.
Maar Kazir was niet dood. Hij leefde nog, zoals de Heerser der Demonen het bedoeld had. Langzamerhand raakte de droge uit de Onderaarde uitgewerkt. Hij verroerde zich en ontwaakte. Toen voelde hij de kale glooiing van de heuvel, het sterrenlicht. Zich herinnerend wat er voorgevallen was, riep hij Ferazhins naam. Zij antwoordde hem niet. De blinde ging zitten en stak zijn hand uit, en zo vond hij haar. Hij hield haar in zijn armen en ontdekte meteen dat alle leven uit haar geweken was.
Een jaar lang was hij volmaakt gelukkig geweest en nu kende hij volmaakt verdriet. Hij begreep welke streek hem geleverd was; misschien dacht hij weer aan de rivier van de Slaap en een nieuwe reis naar Azhrarns paleis, maar die gedachte wees hij zeker af, want Azhrarn zou hem nu geen genade tonen: dit was zijn wraak op hen. Kazir beeldde zich in dat de ziel van Ferazhin, haar bloemenziel, verloren was op de nevelige drempel van de dood, eenzaam dolend, vergeefs de zijne zoekend en roepend. Zelf vervuld van pijn, sidderde hij bij de gedachte aan haar pijn en haar verloren gevoel.

Aan de andere kant van de heuvel lag een dorp en na enige tijd passeerden er mensen die op weg waren naar huis. Toen ze de knappe blonde vreemde met het knappe dode meisje in zijn armen zagen zitten, werden ze overvallen door medelijden en ontsteltenis. Voordat de maan opkwam hadden zij bij het beekje een graf voor Ferazhin gedolven en haar er zacht in gelegd en haar toegedekt en boven het graf sprak hun priester troostende woorden en de gebeden die hij kende. Toen smeekten ze Kazir met hen mee te gaan naar het dorp; elk van hen had hem met plezier onderdak verleend en voor hem gezorgd, maar hij wilde de plek waar zij lag niet verlaten. Toen ze hem smeekten, begon hij te zingen van zijn liefde voor haar en haar liefde voor hem, van het volmaakte jaar en de wanhoop die volgde. De klanken overstroomden zijn keel als tranen, maar hij huilde niet, zijn verdriet was te wreed voor tranen. Alleen de dorpelingen huilden en het begrijpend, lieten ze hem alleen en in stilte rouwen.
De hele nacht zat hij bij haar graf. Een nachtegaal zocht een plaatsje in een boom en maakte muziek, maar hij hoorde het niet.
Tegen het aanbreken van de dag viel hij allengs in slaap.
Hij droomde.
Hij droomde van de tovenares die hij had ontmoet, die hem naar de Onderaarde had gezonden om Ferazhin op te eisen, de oude vrouw met de ring.
'Zo, dus Azhrarn is je te slim af geweest,' zei zij, 'en jouw vrouw met de tarwekleurige haren ligt in de aarde. Kom nu, waar anders moet een bloem liggen wanneer haar seizoen afgelopen is? De Prins der Demonen heeft zijn magie, maar jij ook, de magie van je liederen. Je hebt een jaar met Ferazhin doorgebracht, nu wacht je een jaar bij haar graf, als je het geduld kunt opbrengen. Haal water uit de beek en besproei die plek, wied het onkruid dat daar groeit. En het beste van al: zing iedere dag bij haar graf hoe je haar waardeerde. Wees hierin trouw, en wie weet wat er in jouw tuintje mag opkomen.'
Kazir werd wakker toen de zon de hemel begon te kleuren; hij voelde hem op zijn gezicht, als de aanraking van een vriendelijke warme hand.
De dorpsbewoners, die met hem te doen hadden, hadden wat brood en een kruik melk achtergelaten. Kazir leegde de kruik - misschien dronk hij de melk op, misschien goot hij hem op de grond. Zich als altijd gidsend met zijn stok, begaf hij zich naar de rand van de beek. Daar vulde hij de kruik en hij droeg hem terug naar het graf en goot het water eruit zoals men een bloem begiet. Toen zette hij zich neder naast het graf en begon te zingen, het eerste van vele liederen voor Ferazhin onder de aarde.

'Hij is ziek, de blinde,' zeiden de mensen in het dorp. 'Van smart is hij gek geworden. Hij wil niet bij het graf weg. Hij brengt er iedere morgen water heen, en twee keer op een dag als het warm is. Van al het heen en weer lopen heeft hij een heel pad naar de beek uitgesleten. Hij heeft een hutje van klei en bladeren gebouwd. Hij zingt iedere keer als het licht wordt een keer, en iedere keer als het middernacht is, voor de dode.'
Maar de kracht van zijn muziek waren ze niet vergeten, de muziek waardoor ze voor hem geweend hadden. Een
man van het dorp had een dochtertje dat ziek werd en niet wilde eten, en hij ging in de koelte van de dag naar Kazir toe en hij smeekte Kazir te komen en zijn kind op te vrolijken met een lied of een verhaal. Kazir ging en hij zong: het kind lachte en was binnen het uur beter. Daarna vroegen ze Kazir dikwijls hen te helpen. Gek mocht hij dan zijn, maar een dichter en een genezer was hij ook. Ze werden dol op hem, en in tijden van overvloed zouden ze hem bedolven hebben onder geschenken, maar hij wilde niets aanvaarden, alleen een klein beetje voedsel en het recht om het graf van Ferazhin te verzorgen.
Maanden verstreken. Op een middag riep een herder die de hut passeerde met zijn hele wollige school om zich heen: 'Kazir, er groeit iets op de plek waar je vrouw ligt.'
Kazir stak zijn hand uit en raakte de scheut zacht aan.
'Ah, Ferazhin, zon van mijn blinde wereld...'
Al spoedig hadden de dorpelingen nieuwe stof voor hun gesprekken.
'Er komt een jonge boom uit haar graf. Een boom met alleen maar zilveren bladeren. Het ziet eruit als een boom die moet gaan bloeien, maar bloemen zitten er helemaal niet aan.'
Maanden stapelden zich op maanden. De winden kwamen en gingen, warme en koude, en ze lieten de bladeren van de bloemenloze boom schudden, en ze verwaaiden het lichte haar van de dichter die eronder zat te zingen. Het jaar was geweven op het getouw, voltooid en opgevouwen neergelegd op de stapel andere jaren in de hoge kasten van de Tijd.
Die nacht bracht de dichter geen water naar de boom. Hij weende er en de tranen voedden de wortels, zoals zijn liederen deze hadden gevoed.
Om middernacht veranderde er iets. Die verandering was moeilijk te preciseren - hij voelde hem als het wisselen van het getij. Kazir raakte de boom aan en vond een droom die zwoegde en wiegde binnenin de bast.
'Eén bloem,' fluisterde Kazir tegen de boom, 'één maar.'
Hij zag hem niet, maar hij wist het, het opzwellen van het zilveren ding op de stam, het splijten van dat zilver, de violette beker erbinnen die zich openvouwde, blad na blad totdat het hart blootlag.

Ze was in een schemerig, bleek oord aangekomen. Het was een oord van geesten, de drempel van de dood en het leven. Welke mysteries hier omgingen kon zij amper zeggen. Halfgevormde zielen die rumoerden omdat ze geboren wilden worden, zielen die wild waren van angst of woede, en als grijze vuren losbarstten in de vrijheid, weg van het bestaan.
Ferazhin stond doodstil in de drijvende nevels en riep Kazir. Hij antwoordde haar niet. Geen hand greep de hare, geen stem van zonlicht deed de schaduwen opbloeien. Alleen de schimmen fladderden als vieren om haar heen.
'Kazir, Kazir,' riep Ferazhin, maar alleen de vleermuis-stemmen klonken: 'Voort, voort,' floten zij, 'volg ons op deze grootse en verschrikkelijke reis!'
En anderen, donkere zielen die nog beperkt werden door zieke lichamen of wrede levens, sisten: 'Kom, je kunt hier niet talmen. Hier is Geen Plaats. Hier vergeet je alles, alles wat je was en alles wat je zou kunnen zijn. Hier sterven je gedachten zoals je aardse hersens al gestorven zijn. Vergeet, vergeet, niemand herinnert zich jou, kom mee.'
Maar Ferazhin dwaalde alleen door de mist terwijl ze Kazir smeekte haar te vinden.
In zo'n oord verstreek geen tijd, maar toch verliep er een soort tijd. Ferazhin vloog niet omhoog met de andere reizigers die door de poort stoven. Ze zocht tot het leek of ze niets anders kon dan zoeken, ze riep een naam totdat zij één vragende kreet was als een vogel in de woestijn. Ze wanhoopte en werd wanhoop. Ze vergat inderdaad alles. Ze vergat zichzelf, vergat de weg vanaf de drempel, en vergat uiteindelijk zelfs Kazir.
Toen werd dit voorgeborchte doorboord door een onzichtbare draad als van zijde, die zich om haar hart wikkelde zodat zij zich weer herinnerde dat ze een hart bezat. Langzaam maar onweerstaanbaar begon de draad aan haar te trekken, haar terug te trekken naar die monsterlijke krioelende deur waar ze was binnengekomen. Stukje bij beetje, duimbreed na duimbreed trok de draad haar mee. Ze leek muziek te horen en licht te zien, en ze hield ervan, hoewel ze niet meer wist wat het waren.
Toen kwam er een grote pijn, en angst en blijdschap. Ze overrompelden haar, verdronken haar, droegen haar weg. Ze tuimelde door zeeën van vuur en vlammen van pijn, ze bekleedde zich met vlees als een kokendheet kledingstuk, en messen trokken haar ogen wijd open voor een hemel van zwarte straling.
Ze stond in de beker van een enorme bloem, zoals eenmaal eerder. Ze zag een man, zoals eens. Hem ziend, hem terugvindend, wist ze alles weer.
Kazir sloeg zijn armen om haar heen en tilde haar uit de bloem. Ze klampten zich aan elkaar vast zoals de stam van de boom zich aan de aarde klampte. Wat ze zeiden en wat ze elkaar beloofden in dat ogenblik - wie moet dat van een ander horen?
Maar misschien sloeg er ergens in een stad onder de grond een donkere deur dicht met een donderslag.