Hoofdstuk 21
Aan de reis die volgde zal ik niet te veel woorden vuil maken. Ik word te oud om hotsend en botsend door het land te rijden, en twee van zulke tochten binnen drie dagen was echt te veel van het goede. Ik zal er alleen maar over zeggen dat de blauwe plekken die ik had opgelopen bij mijn val in de steeg door het gebrek aan vering nog verder aangroeiden. Het risico na de begrafenis kou te zullen vatten verdubbelde nog door een vreselijke rivieroversteek, waarbij een wiel van het rijtuig bleef steken in een ondiepe voorde en Junio en ik ons gedwongen zagen eruit te klauteren en naar de kant te waden, met onaangenaam vochtige gevolgen voor ons schoeisel en onze onderkleding. Ik was blij dat ik voor deze keer mijn toga thuis gelaten had. De gebeurtenissen van de vorige dag hadden hun tol geëist van het toch al beklagenswaardige kledingstuk. Ik nam aan dat ik bij het ondervragen van een vrijgeboren boer mijn officiële kenmerk van burgerschap niet nodig zou hebben en ik had Junio ermee naar de volder gestuurd voordat wij op weg gingen, in de vergeefse hoop dat het zou worden gereinigd en opgeknapt. Omdat zelfs mijn lange tuniek en mantel vochtig tegen de achterkant van mijn knieën plakten, bad ik de goden om steun voor mijn beslissing. De volmacht van Marcus, en zijn rijtuig, zouden mij alle gezag verlenen dat ik in de herberg nodig had.
Voor deze ene keer had Junio's gezelschap geen opbeurend effect op mij. De jongen voelde zich ellendig en angstig. Hoe verder we van de bekende wegen rond Glevum verwijderd raakten, des te nerveuzer hij werd. Sinds het blonde dienstmeisje was neergestoken zat hij in zak en as en deze reis leek de laatste druppel.
Ik begreep hem wel. Plaatsen als Letocetum waren voor hem niet meer dan namen, en ik betwijfel of hij verbaasd geweest zou zijn als de weg plotseling was verdwenen en wij in volle vaart de vergetelheid in zouden zijn gegaloppeerd. Zelfs ik, die het halve eiland ben rondgereisd (hoewel grotendeels in de boeien) kwam tot bezinning, toen ik bedacht dat Romeinse ruiters in de regel vijftig mijl per dag afleggen en dat het leger te voet bijna de helft van die afstand aflegt, met hun zware ransels op hun rug.
We reden naar de mansio, een officiële herberg en halteplaats op zo'n dagmars afstand, waar vermoeide ruiters van de post verse paarden konden krijgen, reizigers met officiële civiele zaken een badhuis en onderdak konden vinden, en zelfs een contingent marcherende soldaten kon rekenen op voedsel, water en een plaats om hun kampement op te slaan. Ook ik verlangde naar voedsel en water: het was intussen allang middag geweest en ik begon te begrijpen waarom reizigers altijd over dorst klagen.
Eindelijk kwamen wij aan op onze bestemming, een niet al te groot gebouw met stallen en een groot omheind stuk terrein, gelegen bij een kruispunt. Het was het centrum, niet zozeer van een nederzetting, maar van een aantal boerderijen en huizen van burgers, die er dicht genoeg bij stonden om ze te kunnen zien. Een brommende bediende kwam ons met angst en beven begroeten, terwijl hij een paar erg weifelende blikken wierp op mijn simpele tuniek en mantel.
Je kunt over Marcus zeggen wat je wilt - maar zijn zegel op een brief doet wonderen voor de hartelijkheid waarmee je wordt ontvangen. Eén blik op het document en de militaire herbergier opende zijn deuren alsof ik een bezoekende belastinggaarder was en bood aan de soldaten te laten halen, die het lichaam uit de put hadden gehaald. Een klein contingent wachters onder aanvoering van een octio, zo bleek, maakte gebruik van zijn faciliteiten op weg naar Letocetum, en zij hadden het macabere karwei opgeknapt.
Ik beaamde dat ik graag met de octio wilde praten en er werd een bediende op uit gestuurd om hem te zoeken.
Intussen bleef de brief van Marcus wonderen doen. De paarden en de menner werden weggevoerd om te worden opgefrist, terwijl wij een kleine maar aangename kamer werden binnengeleid met in het midden een tafel met krukken eromheen, geen ligbanken, maar toch tamelijk gerieflijk. Algauw stonden er vleeswaren, kazen en voor ieder van ons een homp vers brood op tafel. Junio ving mijn blik op. Thuis hadden we veel kariger geluncht. Ze lieten ons alleen onder het eten, dat we kameraadschappelijk naast elkaar gezeten nuttigden met behulp van mijn mes - hoewel Junio, toen de commandant van de wacht even later bij ons binnen keek, natuurlijk opsprong en probeerde te doen alsof hij zich op de voorgeschreven, gedienstige manier gedroeg.
De octio keek mij gestreng aan. 'Wij hebben het lichaam weer opgehaald voor uw inspectie... burger,' voegde hij eraan toe, na even te hebben gezwegen.
Hij zei 'weer', vernam ik later, omdat het ging om een anoniem lichaam zonder rouwklagers (en daarom niemand om voor de begrafenis te betalen). Daarom was het lijk op een kar gegooid en lag het gereed om te worden vervoerd naar de stad, waar het - zonder enig ceremonieel - in het dichtstbijzijnde armengraf zou worden gegooid. Uit achting voor mijn verschijning was het evenwel teruggebracht naar de mansio en nu lag het daar op een schraagtafel bij de ingang, in afwachting van mijn onderzoek. Ik waste mijn handen in de mij aangeboden schaal water, veegde de kaaskruimels van mijn mond en volgde mijn gids. Dit scheen mijn maand voor weerzinwekkende taferelen te zijn. Het lichaam voor mij zag eruit alsof het zich had vermengd met het water en op sommige plaatsen begon de grotesk gerimpelde huid los te komen van de botten. Het was gekleed, zoals Marcus had gerapporteerd, in een geruite broek, maar ik zag geen gordelriem en de stof was uitgerekt en gescheurd alsof er stenen in waren gestopt om het lichaam te verzwaren. Het gezicht was wreed, ook als het niet zo afgrijselijk bleek en opgezwollen was geweest, en nagenoeg gladgeschoren, maar er zaten schaafplekken op het voorhoofd en de kin en een pluk korte rode haren op de bovenlip. Ook de borst vertoonde ernstige schaafwonden. Wat echter vooral mijn aandacht trok, was de hand die opgezwollen van het water langs zijn zijde bungelde. Het was een vierkante, lelijke hand, en er waren nog steeds krullende rode haartjes op te zien en een aantal fraaie bronzen ringen - die nu zo strak zaten dat ze in het vlees sneden - aan iedere vinger, op één na. Er zat geen ring om de pink, omdat die verschrompeld en misvormd was. Het gezicht had ik misschien niet herkend, nadat het in het water had gelegen, maar die verminking kende ik uit duizenden.
'Ja,' zei ik tegen niemand in het bijzonder. 'Dit is de echte Egobarbus.'
'Een rijk man, zo te zien,' merkte de octio op. 'Die ringen zijn echt vakwerk.' Hij wendde zich tot een van zijn mannen. 'Hij had toch ook nog een gesp toen we hem hierheen gebracht hebben?'
De man liep donkerrood aan en verdween, om even later terug te komen met een prachtige leren gordel van ossenhuid, met een grote, bronzen gesp in de vorm van een draak die zijn staart opeet. Het was een kunstwerk.
'Die moet op de grond gevallen zijn toen we hem verplaatsten,' zei de soldaat, maar daar trapte niemand in. Met afgrijzen besefte ik waarom het vlees boven de ringen zo wreed was ingescheurd. Als ik niet tijdig was verschenen, zou mijn oude vijand misschien zonder vingers terug de put in zijn gegooid. Hoewel de wachters weinig te verwijten viel. In de regel worden de kleding en sieraden van terechtgestelde criminelen verdeeld onder de beulen. Waardevolle zaken verloren laten gaan is zinloos.
Ze lieten de eigenaar van het gehuurde huis halen (hij had geen toestemming gekregen de mansio te verlaten) en ik hoorde het verhaal nu uit zijn eigen mond. Omdat ik geen officieel gewaad droeg vertrouwde hij mij misschien, maar in ieder geval praatte hij honderduit omdat hij bang was. Zijn verhaal was ongecompliceerd. Hij was de vorige ochtend teruggekeerd naar het pand, zoals hij had afgesproken. 'Die Romeinse heer had mij vooruit betaald, ziet u, en op grond van wat hij had gezegd verwachtte ik het huis leeg te zullen vinden. Ik had er niet meer aan gedacht, tot die koerier aankwam en vragen begon te stellen. Omdat ik natuurlijk een gezagsgetrouw man ben, heb ik hem verteld wat ik wist.'
Ik gaf geen antwoord, hoewel hij mij hoopvolle blikken toewierp.
'En toen ging ik water halen voor mezelf en heb ik hem in de put gevonden. En hij is er niet in gevallen,' besloot hij. 'Ik heb mijn put afgedekt met een stenen plaat, dan vallen de varkens er niet in, en het deksel lag op zijn plaats toen ik hem gevonden heb. Nee, iemand heeft hem erin geduwd en hem verdronken, dat zeg ik ervan.'
Zelf twijfelde ik daaraan. De ontvellingen op het gezicht en de borst wezen er volgens mij op dat het lichaam na het overlijden naar de put was gesleept en erin was gestopt - misschien als grove maatregel om van het lichaam af te komen. Dat klopte ook met het vergifflesje. Wat ik niet wist, was wie het gedaan had.
'Er is een flesje gevonden op de weg,' zei ik, 'een mijl of twee van hier. Er zat wat vloeistof in. Weet je daar soms iets van?'
Zijn gezichtsuitdrukking van gekwetste onschuld maakte plaats voor een blik van pure verbazing. 'Een flesje? Nee. Ik heb wel een amfora wijn naar buiten gezet - dezelfde wijn die ik altijd mijn bezoekers schenk - en op tafel stond een kan met drank van hem erin. Over een flesje weet ik niets.'
'Welaan, burger,' zei de octio tegen mij, toen ik de ondervraging beëindigd had en wij onze informant - tijdelijk althans hadden laten gaan. 'Wat wilt u doen met het lichaam?'
Het was nu mijn lijk, besefte ik, omdat ik het een identiteit had gegeven. Ik aarzelde. Egobarbus was niet een man om wie ik treurde, maar hij was wel een Kelt. Op een of andere manier kon ik het niet over mijn hart verkrijgen dat hij in een armengraf zou worden gegooid. Ten slotte gaf ik opdracht hem op de Keltische manier te begraven - opgekruld als een pasgeboren baby en met zijn gezicht naar de opkomende zon - gewikkeld in een lap linnen en de gordel met de fraaie gesp aan zijn zijde. De soldaten gehoorzaamden onmiddellijk, uit ontzag voor mijn officiële volmacht en zegel en omdat ze gewend waren orders op te volgen, hoewel ze zichtbaar verbijsterd waren door het idee van een begrafenis bij daglicht. Ze keken verbijsterd toe terwijl ik een gebed voor hem prevelde - gericht tot de oeroude goden van aarde en steen - en toen lieten we mijn oude vijand achter onder een hoop aarde en stenen. Ik had geen traan gelaten.
'En, meester,' fluisterde Junio, terwijl we terugliepen naar de mansio. 'Wat bent u te weten gekomen?'
Dat was een goede vraag. De huiseigenaar was aanwezig geweest bij de begrafenis - niet geheel uit eigen keus - en bij gebrek aan een duidelijker plan stelde ik voor dat ik zou beginnen met het bekijken van het huis. De eigenaar was een dikke, groezelige man met een gezichtsuitdrukking van dwaze hebzucht en een nogal pafferige buik, die erop duidde dat hij de kost niet alleen verdiende met het bewerken van zijn landerijen. Ik had het goed gezien. Het huis was tamelijk groot - twee ruime, tochtige kamers op de begane grond en een paar vlonders erboven, allebei met muffe gordijnen voor een van de muren en ruwe stromatrassen op de vloer. Beneden stond her en der verspreid wat lelijk, afgeleefd meubilair. Het huis was niet echt vuil, maar er hing een algehele sfeer van smoezeligheid: zelfs het geweven kleedje voor de haard, dat misschien ooit vrolijk gekleurd was geweest, was in de loop der jaren verbleekt tot een somber grijs met aarde en roet. Buiten, op een armetierig veldje, stonden een magere koe en een schurftig schaap.
Een vreemde plaats, dacht ik nogmaals, die Felix voor zichzelf gehuurd had.
'Vertelt u mij alles,' zei ik. 'Vanaf het begin. Wie heeft u gevraagd het huis te verhuren en wanneer?'
Er verscheen een geduldige, nadenkende blik op het vettige gezicht. 'Dat heb ik u al gezegd,' zei hij. 'Het moet een halve maan geleden zijn. Die Romeinse kerel kwam hier aanzetten en wilde het huis. Voor twee mensen, zei hij - er zou een vriend van hem komen. Nou, dan weet ik wel wat ik denken moet.' Hij grijnsde me hoopvol toe. Hij had op de begrafenis vernomen dat ik de burgerstatus had, maar scheen me nog steeds te beschouwen als medesamenzweerder tegen het gezag. 'Hij wilde niet alleen een kamer, zoals sommigen, maar het hele huis. Ik was hem aanbevolen, zei hij, door een paar wachters uit Letocetum, dus hij wist dat ik discreet was en hij was bereid te betalen - meer dan het gebruikelijke tarief. Natuurlijk stemde ik toe.'
Junio wierp een blik op mij, grijnsde breed, en toen ging mij een licht op. 'Heeft u hem... vermaak geboden?'
De kerel glimlachte zelfgenoegzaam. 'Ik heb hem een paar meisjes aangeboden, natuurlijk. Brandschoon zijn ze, mijn meiden, geen ziektes, geen rotte tanden. Maar hij was niet geïnteresseerd. Hij leek me niet dat soort man, als u begrijpt wat ik bedoel.'
Ik begreep hem heel goed. Plotseling realiseerde ik mij wat voor een huis dit was en wat voor soort afbeeldingen er schuil konden gaan achter die onuitnodigende gordijnen boven. Uit de inlichtingen van de spionnen van Marcus was dat niet op te maken geweest.
De man vatte mijn stilzwijgen op als aanmoediging. 'Alles wat hij wilde, was een schaal voedsel op tafel - goed eten en wijn voor twee, en een eenvoudige hap voor de bedienden. Ik moest de deur op een kier laten staan en ver uit de buurt blijven.' Hij glimlachte gluiperig. 'Ik wist hoe ik dat moest aanpakken. Je leert je mond te houden in dit vak, en hij betaalde goed.'
'Maar toch bespioneerde u hem?' opperde ik. Hij begon gekrenkt te kijken en ik voegde er haastig aan toe: 'U hebt de Kelten zien aankomen.'
'Dit is mijn huis, burger. Ik woon er niet, maar het is mijn eigendom. Natuurlijk houd ik het in de gaten. Dat doe ik altijd.'
In de hoop later geld af te kunnen persen van zijn klanten, vermoedde ik. 'En wat hebt u gezien?'
Hij haalde zijn schouders op. 'Die Keltische kerel met de snor en zijn bedienden kwamen aanzetten en ik zag ze naar binnen gaan. Ze zagen eruit alsof ze vermoeid waren van het lopen en blij waren dat ze hier waren aangekomen. Ik had verwacht een Romein te zien, maar die kwam niet opdagen. Ik denk dat hij later die avond bericht gestuurd heeft, want toen hoorde ik paardenhoeven en toen ik ging kijken zag ik iemand aan de deur.'
'U hebt de boodschapper gezien? Hoe zag hij eruit?' Ik verwachtte een beschrijving van Zetso. Het was niet moeilijk te raden aan wie Felix die boodschap zou hebben toevertrouwd. Maar teleurstellend genoeg schudde de kerel zijn hoofd. 'Dat kan ik u niet zeggen, burger. Ik kon het niet zien. Het was donker en hij droeg een mantel en had een kap over zijn hoofd. Hij droeg een van die chique, met franjes versierde militaire capes, niet zo'n simpele wollen cucullus zoals u.' Hij knikte naar de cape die ik droeg. 'Toch was hij een goed ruiter - ik hoorde hem ervandoor gaan, en hij vertrok in galop - en in het donker. Het moet een man zonder vrees geweest zijn.'
'Ging hij naar binnen?'
'Nee. Ik weet zeker van niet. Daar is hij niet lang genoeg voor hier geweest. Hij kwam gewoon, gaf een boodschap af aan de deur en vertrok weer. Ik dacht dat zijn meester wel opgehouden zou zijn. Ik ben niet langer blijven wachten. Ik ging naar bed. Toen ik 's ochtends naar buiten keek, stond het rijtuig buiten en maakten de Kelten aanstalten te vertrekken. Ik wachtte tot gisteren, zoals ik had beloofd, en ging toen naar binnen om het huis schoon te maken. De rest weet u.'
'En toen u het huis in ging,' drong ik aan, 'wat vond u toen?'
Hij haalde zijn schouders op. 'Niets. Niets wat je niet zou verwachten. Iemand had de helft van het eten opgegeten, alle wijn opgedronken, en de bedden waren beslapen. Anders niet. Geen tekenen van een worsteling, als u dat soms had gedacht.'
Dat had ik gedacht, ja. Twijfelend schudde ik mijn hoofd. 'En Felix nam het huis in bezit. Bent u daar zeker van?'
Hij spreidde zijn handen in een gebaar van wanhoop. 'Lucius Tigidius Perennis Felix. Dat is de naam die hij mij zelf genoemd heeft, en ik heb zijn zegel gezien. Ik zal hem niet vlug vergeten. Klanten als hij krijg ik niet vaak.'
Ik glimlachte. 'Dat zal wel niet.' De naam Perennis betekende klaarblijkelijk niets voor hem; het enige wat hij wist was dat Felix een zeer rijk man was die belangstelling had voor laagbij-de-gronds vermaak. 'Geen wonder dat u in de verleiding bent gekomen om te spioneren. Een man met zulke purperen zomen moet uw achterdocht gewekt hebben.'
De bordeelhouder schudde zijn hoofd. 'Ik weet niets van zijn togaranden af, burger; hij droeg niet meer dan een tuniek en een mantel. En die stonden hem goed. Hij was een opvallend heerschap.'
Ik staarde hem aan. 'Perennis Felix,' zei ik behoedzaam, 'is of beter gezegd, was - een vierkante Romein van middelbare leeftijd met een lelijk gezicht. Niets staat hem goed.'
Mijn informant haalde zijn schouders op. 'Niet deze Perennis Felix, burger. Hij was de knapste jongeman die ik ooit op een paard heb zien zitten. Maar ik heb geruchten gehoord dat hij dood zou zijn.' Plotseling pakte hij mij bij mijn arm en wees door de open deur achter mij. 'Maar die geruchten kunnen niet waar zijn. Dat "was" van u gaat niet op, burger. Daar is hij, op de oprijlaan. Vraagt u het hem zelf maar.'
Ik draaide mij om in de deuropening en keek naar de ruiter. Het was Zetso, natuurlijk. Een ogenblik herkende hij mij klaarblijkelijk niet - de laatste keer dat hij mij had gezien was ik gekleed in een toga. Toen drong het tot hem door en aan zijn gezichtsuitdrukking zag ik dat hij even geschrokken en verbaasd was als ik. Als de wachter aan de poort niet bliksemsnel zijn zwaard getrokken had en zijn hand op de teugel had gelegd, zou Zetso volgens mij zelfs rechtsomkeert gemaakt hebben en zo snel zijn paard hem wilde dragen weg zijn gegaloppeerd.