Hoofdstuk 8

Toen ik die ochtend wakker werd door de geluiden van de dagelijkse bedrijvigheid die opklonk uit de aangrenzende winkels en straatjes, stond de zon al hoog aan de hemel. Junio (die bezorgd had zitten wachten tot ik was teruggekeerd) was al op en naar beneden gegaan, van waar de heerlijke geur van warme, vers van de straatventer gekochte haverkoeken, het met tussenpozen klinkende geluid van beitel op steen en een gemompel van dringende stemmen naar mij opsteeg. Ik scheen een klant te hebben.

Met moeite kroop ik mijn comfortabele bed van lappen en dekstro uit, besprenkelde mijn gezicht en handen met water uit de kan die Junio voor mij had neergezet, trok mijn tuniek recht, deed mijn gordel om, trok mijn sandalen aan en daalde de gammele ladder af naar de bijkeuken annex werkplaats van mijn nederige winkel.

Daar stonden de haverkoeken zichtbaar af te koelen op een platte houten schotel bij de haard, waarin al een vrolijk vuurtje brandde. Ik liet er begerige blikken op vallen, maar Junio's stem uit het voorste gedeelte van de winkel, achter het dunne afscheidingsgordijn, verjoeg het ontbijt voorlopig uit mijn gedachten.

'Ik zeg u toch dat hij slaapt en niet gestoord wil worden.'

Dan was dit dus geen klant. Junio wist wel beter dan iemand die voor zaken kwam de deur te wijzen. En een boodschap van Marcus zou het ook niet zijn - dan zou Junio de trap op gerend zijn om mij te halen, hoe vroeg of laat het ook geweest was. Dat vond ik vreemd. Een man in mijn situatie krijgt maar zelden bezoek voor de gezelligheid.

'En ik zeg u dat ik Libertus moet spreken. Misschien kan hij borg voor mij staan.'

Ik fronste mijn wenkbrauwen. Die stem herkende ik. Het afgebeten Italiaanse accent was onmiskenbaar - mijn bezoeker was de bleke jongeman met wie ik de avond tevoren kennis had gemaakt. En nu wilde hij dat ik "borg voor hem zou staan". Dat beloofde niet veel goeds.

Ik stapte om het afscheidingsgordijn heen, en het plotselinge daglicht deed pijn aan mijn ogen. 'Gegroet, Octavius. Je hebt mij gevonden, zoals je ziet. In welk opzicht had je gedacht dat ik je zou kunnen helpen?'

Zijn magere gezicht zag er holler uit dan ooit, maar de jongeman glimlachte en stak zijn ruwe werkhanden uit om de mijne stevig vast te grijpen. 'Libertus, hebt u het nieuws gehoord?

Maar natuurlijk hebt u dat. U was erbij, u moet het gezien hebben. Perennis Felix is dood. Vergiftigd. De hele stad praat erover. Ik wist niet wat ik moest doen en toen dacht ik aan u. Ik heb nagevraagd waar u woont, en ben onmiddellijk naar u toe gekomen, voordat ze mij zouden arresteren. U kunt in ieder geval getuigen dat hij nog leefde toen ik het banket verlaten heb.'

Ik maakte mijn handen los uit zijn greep. Onze pogingen om de mogelijke vergiftiging geheim te houden hadden dus gefaald. Arme Marcus, hij zou het eerst in aanmerking komen voor ondervraging. Sommige magistraten zouden daar genoegen in scheppen. Een groot man maakt tijdens zijn werkzaamheden vele vijanden. En als mijn beschermheer werd ondervraagd, zou ik natuurlijk de volgende zijn. Hij had de dag met mij doorgebracht. Ik deed mijn ogen even dicht. Toen ik ze weer opendeed, staarde Octavius mij zorgelijk aan.

'Had u het nog niet gehoord?'

'Ik had nog niet gehoord dat hij vergiftigd is,' zei ik, mijn woorden met zorg kiezend. 'Van wie weet je dat?'

'Van een bediende van de huurstallen, vanochtend,' zei de jongeman opgewonden. 'Daar was ik langs gegaan om te zien of...ik was daar al vroeg voor privézaken, en toen zei iemand tegen me dat Perennis Felix al dood was. Door iets wat hij tijdens het feestmaal had gegeten. Ik wist welke conclusie iedereen zou trekken. En ik had mezelf natuurlijk verdacht gemaakt door bij die stomme ouwe vent met zijn honden te zeuren of hij mij op het banket wilde toelaten.'

Dus hij was er als gast van Gaius geweest. Dat verklaarde tenminste één raadsel. Maar op het ogenblik had ik andere zaken aan mijn hoofd. 'En die stalknecht zei dat hij vergiftigd zou zijn? Weet je dat zeker? Wij dachten allemaal dat Felix simpelweg gestikt is in een noot.'

'Hij had zijn handen tegen zijn keel gedrukt en gaf over, zei hij. Hij beschreef het in geuren en kleuren.' Zijn gezicht klaarde op. 'Maar nu ik erover nadenk, heeft hij niets over vergif gezegd. Dat nam ik gewoon aan...' Beschaamd haalde Octavius zijn schouders op. 'Hij riep me zelfs nog na, maar ik bleef niet staan om naar hem te luisteren. Ik dacht dat de gerechtsdienaren al naar mij op zoek waren. Zetso heeft me gisteravond op het banket gezien, en hij wist...' Hij zweeg. 'Maar natuurlijk, als Felix gewoon gestikt is... Libertus, het spijt me dat ik u heb lastiggevallen. Het was dwaas van me, denk ik.'

Ik keek eens naar Junio, die niet langer probeerde voor te wenden dat hij het stuk marmer in zijn handen bewerkte en belangstellend meeluisterde. Ik ving zijn blik op en hij trok vragend zijn wenkbrauwen op. Ik knikte en hij verdween naar binnen om een plek in de werkruimte vrij te maken en een paar vouwstoeltjes op te zetten. Ik glimlachte goedkeurend. De woorden van de jongeman hadden niet alleen mij, maar ook Junio buitengewoon nieuwsgierig gemaakt.

Ik pakte mijn bezoeker zacht bij de elleboog. 'Je was vanochtend al vroeg in de weer, zei je daarnet, Octavius, dus je hebt zeker nog niet ontbeten? Je bent niet naar je logement teruggeweest, neem ik aan?'

'Ach, dat doet er niet toe. Ik eet 's ochtends toch meestal niets. Niet meer dan een beker water en misschien een stuk fruit.'

'Wil je dan hier met mij ontbijten? Ik heb een wat gezondere Keltische eetlust en we hebben een paar haverkoeken die nog niet helemaal zijn afgekoeld.'

Hij schudde zijn hoofd in een soort verwoede haast. 'Nee, dank u, nee. Het is heel vriendelijk van u, maar ik heb een paar dingen te doen die niet kunnen wachten.'

Ik verstevigde mijn greep op zijn elleboog. 'Octavius,' zei ik, 'volgens mij wil jij je medeplichtige spreken, wie dat ook is.' Tot mijn genoegen zag ik hem verbleken, en ik vervolgde onverbiddelijk: 'Maar eerst praatje met mij. Volgens mij heb jij iets uit te leggen. Eerst verschijn je op een banket waar je weinig te zoeken lijkt te hebben en dan verdwijn je daar weer bijna zonder een woord te zeggen. Vervolgens sluip je bij het ochtendgloren rond bij de huurstallen en ren je in paniek weg als je hoort dat Felix dood is. Als ik magistraat was, zou ik dat zeer verdacht vinden. En dan laat je het spoor naar mij leiden door in half Glevum rond te vragen waar ik woon. Je bent me ten minste een verklaring schuldig.'

Octavius keek naar zijn sandaalriemen en schudde zijn hoofd.

'Welnu,' zei ik, terwijl ik hem waarschuwend in zijn elleboog kneep, 'zal ik Junio dan de aediles maar laten halen? Zij zullen ongetwijfeld geïnteresseerd zijn in je handel en wandel. In je bezoek van vanochtend vroeg aan de stallen, bijvoorbeeld.'

Octavius trok zijn arm terug. 'Maar ik heb niets te verklaren. Het lijkt er toch op dat Felix niet vergiftigd is? En trouwens, wie zou er nou in mij geïnteresseerd zijn? Ik ben maar een nederig tegelmaker - en niet een machtig tiran, die beschermd is doordat hij bij de keizer in de gunst staat, zoals Felix.'

Ik keek hem doordringend aan. Een interessante woordkeus, dacht ik. Langzaam en op ferme toon zei ik: 'Octavius, ik begrijp dat jij uit Rome komt. Dat is een grote stad, en ongetwijfeld pakken ze de dingen daar anders aan. Maar dit is Glevum. Hier kent iedere belangrijke persoon ieder ander, en wekt alles wat ongewoon is verwondering. Jouw komst hier als bezoeker uit Rome - zal zijn opgevallen en besproken, door iedere pasteiverkoper, amuletmaker en paardenhandelaar in de stad. Kijk maar eens om je heen.'

Octavius keek nerveus de straat op en af, waar op dat moment een tiental kwajongens naar ons stond te gluren en een dikke boerin met een mand rapen op haar rug stond te fluisteren tegen een oude man met een volgepakte ezel, terwijl ze hem openlijk aanstootte en in onze richting knikte.

'Dus,' zei ik. 'Zal ik de aediles laten halen of ga je zitten en eet je een haverkoek met me mee? Voordat ze helemaal koud geworden zijn?'

Octavius keek me treurig aan. 'Het lijkt me,' zei hij, 'dat ik weinig keus heb.' Hij liet zich door mij om de afscheiding heen de binnenwerkkamer in leiden en keek vol ontzetting om zich heen naar de stukjes tegel en het half afgemaakte 'modelmozaïek' dat de halve tafel in beslag nam. Normaal gesproken ontvang ik geen bezoekers in deze duistere spelonk - normaal gesproken ontvang ik zelfs helemaal geen bezoekers - maar dit was een uitzonderlijk geval. Octavius, wist ik nu, had zijn tong niet in bedwang, en ik wilde hem binnen in de winkel hebben voor we door zijn gedrag allebei gearresteerd zouden worden.

'Nu dan,' zei ik toen hij het zich gemakkelijk had gemaakt en voorzien was van een haverkoek. 'Misschien wil je mij dan nu eens vertellen wat je werkelijk naar Glevum heeft gebracht? En zeg me nou niet dat je hier echt alleen bent om de tegelfabriek te bezoeken. Je hebt Perennis Felix gevolgd, niet?'

De jongen werd zo rood als zijn bleke gelaatskleur toeliet. 'In zekere zin.'

Ik zuchtte. Het was duidelijk dat het zwaar werk zou worden om hem aan de praat te krijgen. Even wenste ik dat Marcus erbij was. Eén blik op die brede purperen zomen en aristocratische gelaatstrekken, en de mensen struikelen over hun sandaalriemen om inlichtingen te geven, voordat hij een beroep kan doen op de onprettige officiële middelen om hun geheugen op te frissen. Het is een methode die ons in het verleden goede diensten heeft bewezen. Maar vandaag stond ik er alleen voor. Maar niet helemaal alleen. Junio kwam aanlopen met een beker water voor mij en een van onze beste drinkbekers vol aangelengde wijn voor de Romein. Terwijl hij me mijn beker aangaf, mompelde hij eerbiedig: 'Vergeef mij, meester, dat er vanochtend geen honingkoeken voor u zijn.'

Ik keek hem verbaasd aan. Ik koop bijna nooit honingkoeken, hoewel de haverkoekenbakker die wel verkoopt.

Junio wierp mij vlug een waarschuwende blik toe en vervolgde rustig: 'De verkoopster zei dat zij ze allemaal verkocht had. Gisteravond is er een Romeinse dame aangekomen, toen de stadspoorten al gesloten waren. Daarom had ze haar intrek moeten nemen in een herberg even buiten de muren.'

Ik knikte. Er is een aantal van zulke logementen, sommige van het stadsbestuur, andere in privébezit, maar geen van alle erg gezond. De uitbaters bestaan van de onfortuinlijke reizigers die, verrast door het duister, de nacht buiten de muren moeten doorbrengen. 'En?' vroeg ik.

'In dat etablissement kun je niet eten, maar de eigenaar had haar de honingkoeken aanbevolen, en vanochtend liet de dame er een stuk of tien kopen. Toen ik eraan kwam, waren er geen meer over. Ik ben bang dat de dochter van Perennis Felix er met uw honingkoeken vandoor is.'

Oude goden van boom en rots, zegen de jongen met regen!

Hij had een manier gevonden om mij van het nieuws te waarschuwen zonder de sociale code te overtreden die een slaaf verbiedt zijn meester te storen. En het was nog belangrijk nieuws ook. Eén blik op het gezicht van Octavius was genoeg om me dat duidelijk te maken. Hij had de rozerode kleur aangenomen van een gevilde zwaan aan het spit. Er ging mij een lichtje op.

'Je bedoelt Phyllidia, neem ik aan?'

De gevilde zwaan werd zo mogelijk nog roder.

'Dus zij was de reden dat je onder het banket bent weggelopen - nee, ontken het maar niet, je mompelde haar naam toen je wegliep.'

Octavius bloosde nog dieper, maar diende mij vinnig van repliek. 'Nou en? Daar heb ik de wet toch niet mee overtreden?

Phyllidia hoopte gisteren aan te komen, maar ze was zo laat dat ik dacht dat ze het niet gehaald had. En dat scheen Felix ook te denken: op het banket zei hij dat ze nog onderweg was.'

Ik herinnerde mij de beschrijving die Marcus van het meisje had gegeven. 'Een gezicht als een cavaleriepaard en een stem als ezelgebalk.' Maar toch gaf iets in de manier waarop Octavius over haar sprak mij sterk de indruk dat hij een veel geflatteerder beeld van haar had.

Ik deed een gooi naar de waarheid. 'Dus je had afgesproken dat je Phyllidia zou ontmoeten?' Hij ontkende het niet, en dus drong ik aan. 'Wist haar vader dat?'

'Haar vader? Bij Hercules...' Het was alsof ik de deuren van een sluis had opengezet. Tot dan toe had Octavius weinig gezegd, maar nu kwamen de woorden in zo'n stortvloed dat ik achterover leunde. Hij bezwoer bij alle goden van hemel en aarde - en ook bij enkele goden van de onderwereld - dat haar vader een tiran was, een mens geworden monster, harteloos, gevoelloos, meedogenloos. 'Als hij dood is, zo zij het,' besloot hij op boze toon. 'Dan heeft hij zijn verdiende loon.' En woest beet hij in zijn haverkoek.

Mijn algemene indruk was dat de jonge Octavius geen cent om Perennis Felix gaf. 'Ik denk, burger,' zei ik langzaam, 'dat je mij het hele verhaal maar beter van het begin af aan kunt vertellen. Hoe heb je Phyllidia leren kennen?' Het was een redelijke vraag. In de regel gaan dochters van Romeinse hoogwaardigheidsbekleders niet om met tegelmakers uit de volksklasse. Octavius haalde zijn schouders op. 'Ik had een klus aan het dak van een van de villa's van Felix, een paar mijl buiten Rome, waar ik mijn werkplaats heb. Ik had er een vrachtje tegels heen gebracht. Felix was er niet, hoewel ik op zijn verzoek een halve dag had gereisd, maar zijn dochter was wel thuis. Zij ontving me hartelijk - heel hartelijk. Volgens mij was ze blij dat ze met iemand kon praten. Weet u, burger, de arme meid zat daar min of meer gevangen in dat huis. Felix had haar meegenomen uit de stad, waar ze tenminste nog kennissen had en zich kon vermaken.'

'Had hij dat na de val van haar familielid, de prefect, gedaan?'

Als mijn gevolgtrekking hem verrast had, liet hij dat niet blijken. 'Dat beweerde hij, ja. Maar volgens mij heeft Felix nooit gevaar gelopen. Daar staat hij persoonlijk te veel voor in de gunst bij de keizer, en hij is meer in geld dan in politiek geïnteresseerd. Commodus was hem niet graag kwijt geweest. Hij leverde hem te veel jongens, wijn en snuisterijen voor die concubine van hem.'

Ik knikte. Marcus had hetzelfde gezegd. Felix had vast plezier gehad in het zoeken van die jongens, dacht ik. 'Dus Phyllidia hield niet van het platteland?'

Het gezicht van Octavius werd een paar tinten donkerder.

'Als zij een leven had gehad zoals iedere andere jonge vrouw, had zij het best prettig kunnen vinden. Maar haar vader vergalde het. Nadat haar moeder was overleden, had ze geen vrienden, geen vertier, zelfs geen bedienden meer, alleen een ouwe tang van een dienstmaagd, die iedere beweging van haar aan Felix doorgaf. Felix wilde haar zelfs geen secretaris geven om brieven voor haar te schrijven aan haar vriendinnen, en zelf kon ze dat niet. Ze had geen onderwijs gevolgd - hoewel het ouwe monster zich dat ruimschoots had kunnen permitteren, zelfs voor een dochter.'

'Dus jij en zij sloten vriendschap?'

'We waren veel meer dan vrienden. Als zij een burger was geweest, of een slaaf, had ik haar getrouwd. Ik hoopte bijna dat Felix een verbintenis tussen ons zou goedkeuren. Hij heeft jarenlang, tevergeefs, geprobeerd een echtgenoot voor haar te vinden, en nu is zij niet zo jong meer. Zelfs een huwelijk met mij had toch iets voorgesteld. Ik heb het hem gevraagd.'

'Maar hij wilde geen toestemming geven?'

'Toestemming geven? Hij gaf haar een pak slaag toen hij ervan hoorde, gooide mij eruit en wendde zijn invloed aan om mij zowat te ruïneren. En toch begreep ik niet waar hij nog meer op hoopte. Phyllidia is een blijmoedige meid, maar geen schoonheid, en het ontbreekt haar aan de sprankelende geest en de ontwikkeling die je nodig hebt in patriciërskringen. Dankzij haar vader kan zij niet eens een instrument bespelen of de dichters citeren. Toen ze jonger was, had ze een keer de kans om te trouwen, maar haar vrijer wilde een enorme bruidsschat, en haar vader was te gierig om die te voldoen. Ik had haar ook zonder bruidsschat genomen.'

Hij vertelde het zo eerlijk dat ik mij geroerd voelde. Ook ik had ooit op een soortgelijke manier van een vrouw gehouden, hoewel mijn Gwellia een welopgevoed meisje was geweest, en zo'n schoonheid dat een tiental mannen naar haar hand dong, of zij ze nu land en paarden zou opleveren, of niet. Trouwens, bracht ik mezelf in herinnering, die belangstelling was niet geheel ontdaan van eigenbelang. Bruidsschat of geen bruidsschat, op een dag zou Phyllidia vermoedelijk een groot fortuin erven.

Sterker nog, het was waarschijnlijk al haast zo ver. Ik keek Octavius belangstellend aan, maar hij mopperde nog steeds op Felix.

'Een of andere auspex had hem gezegd dat Phyllidia op een dag rijk en gehuwd zou zijn, en voor die ene keer besloot haar vader te geloven in de voortekenen. Hij probeerde haar uit te huwelijken aan een tiental mannen, allen rijk en niet goed snik - en allen uit op de gunsten van de familie Perennis, natuurlijk. Maar Phyllidia leerde zo dom en humeurig over te komen dat zelfs zij haar uiteindelijk niet wilden hebben. Dat was de enige manier waarop zij zich kon beschermen. En toen kwam dat complot om haar aan Marcus uit te huwelijken. De keizer zelf had het goedgekeurd, zei Phyllidia, en hoewel zij huilde en smeekte, was Felix onvermurwbaar.'

Dit gaf mij een nieuwe kijk op Phyllidia. Marcus zou ook niet met haar ingenomen zijn, dacht ik.

'Felix regelde een rijtuig en een chaperonne en betaalde een gewapende custos om hen te vergezellen. Phyllidia kon niets doen. Ze was niet meer dan de eerste de beste zending goederen, zei ze, die werd afgeleverd aan de koper. Felix zou vooruitreizen naar Brittannië - hij had nog wat zaken te regelen in Eboracum - en zij moest hem volgen en zou hem treffen in Glevum.'

Toen hij de noordelijke colonia noemde, liep er een rilling over mijn rug. Nog niet zo lang geleden had ik gehoord over een Keltische slavin genaamd Gwellia, die in Eboracum zou wonen. Ik zei: 'Dus je bent haar te paard gevolgd?' Ik had begrip voor zijn impulsieve actie. Als ik ook maar de kleinste kans zou krijgen, zou ik de lange, gevaarlijk reis naar Eboracum ondernemen - ook al wist ik niet zeker of de daar verblijvende Gwellia mijn vrouw was.

Octavius knikte. 'We zouden nog één keer een beroep doen op Felix, en als hij daar niet op in zou gaan, hadden we afgesproken...zouden we hem bedreigen... Maar dat doet er nu niet meer toe. Haar vader is dood. En niemand heeft hem vergiftigd. Dus moet ik Phyllidia zien te vinden en haar op de hoogte brengen van het nieuws. Waarschijnlijk heeft ze overhaaste conclusies getrokken en maakt ze zich zorgen over mij.'

'Octavius,' zei ik, 'je bent een vrije burger, en ik kan je hier niet vasthouden. Maar ik waarschuw je. Pas op dat je tong je niet verraadt. De mensen in Glevum zijn niet op hun achterhoofd gevallen en Commodus zal niet blij zijn met dit sterfgeval. De gezagsdragers zouden maar wat gelukkig zijn met een verdachte. Ik weet niet hoe je Felix wilde vergiftigen, maar ik begrijp wel waarom. Ik hoop oprecht voor je dat je niet in je opzet bent geslaagd.'

Octavius staarde mij aan. 'Maar... u zei toch dat Felix gewoon gestikt is.'

'Ik zei dat hij gestikt leek te zijn, en voorlopig ben ik bereid het publiek in die waan te laten. Maar er zijn enkele aanwijzingen, burger, waaruit zou kunnen blijken dat dat niet zo is.'

Zijn starende ogen sperden zich nog verder open. 'U bedoelt dat hij misschien toch vergiftigd is? Grote goden!' Octavius zette zijn drinkbeker neer en voordat een van ons beiden hem had kunnen tegenhouden, was hij voor de tweede maal de deur uit gevlucht.

Junio wilde hem achterna rennen, maar ik hield hem tegen.

'Laat hem gaan, Junio. Hij heeft al genoeg gespeculeer in de straat veroorzaakt door ons hier alleen maar te bezoeken. Hij zal niet ver komen.'

Junio pakte de drinkbeker op. 'Denkt u dat hij Felix vermoord heeft?'

Ik nipte van mijn water. 'Ik weet het niet. Volgens mij vreest hij dat hij het gedaan heeft. Dat, of hij denkt te weten wie het gedaan heeft. Maar het heeft geen zin hem terug te roepen. Hij zal ons voorlopig niets meer vertellen, en op deze manier kan ik tenminste zijn haverkoek opeten en' - ik gebaarde naar de drinkbeker - 'kun jij opdrinken wat daar nog in zit, als je wilt.'

Junio was als slaaf opgegroeid in een Romeins huishouden en drinkt 's ochtends graag aangelengde wijn.