Hoofdstuk 9

Junio zette de drinkbeker neer. 'Meester,' waagde hij op te merken, 'ik zou dit eigenlijk niet mogen zeggen, maar Ik stond op. 'Ik was het nog niet vergeten,' zei ik. 'Ik zou hem vanochtend bijstaan. Als je mij eerder wakker had gemaakt, zou ik nu bij hem zijn. En de komst van Octavius heeft me nog meer opgehouden. Haal dus maar gauw mijn toga en help me mij gereed te maken. Marcus zal intussen wel ongeduldig zijn.'

Dat was onbillijk, natuurlijk. Het was niet Junio's schuld dat ik een gat in de dag geslapen had, en ik kreeg meteen spijt van mijn uitbrander. Maar hij bracht me mijn toga met een opgewekte grijns en begon hem flink te schudden om het stof eruit te verwijderen. 'Ik heb er mijn best op gedaan, meester, hem geborsteld en uit het raam gehangen in de frisse lucht, maar ik vrees dat deze toga toch echt eens een keer naar de volder moet.'

Ik stond op en begon het moeizame karwei van het mij omwikkelen met het ding.

'Gaat u direct naar Marcus, of probeert u eerst Phyllidia te vinden?'

Hij las mijn gedachten. Ik vroeg mij hetzelfde af. 'Ik moet wachten op mijn beschermheer. Maar hij heeft mij opdracht gegeven hem in het huis van Gaius te ontmoeten, dus ik denk dat die twee dingen in één moeite door kunnen gaan. Het is te verwachten dat zij naar het huis van haar vader komt.'

Marcus...'

'Zelfs,' zei Junio beschaamd, 'als hij "al" dood is. Dat was een interessante opmerking, vindt u ook niet?' Hij grijnsde naar me. Dit was een spelletje dat we soms speelden als ik probeerde Junio nog andere vaardigheden bij te brengen dan het maken van mozaïeken.

Ik speldde mijn fibula vast. 'Dus het is je opgevallen dat hij dat zei?'

'Het is mij opgevallen dat het u opviel. En dat u het verdacht vond toen hij zei dat hij 's ochtends vroeg in de stallen was geweest. Dat zette mij aan het denken. Hij was er niet heen gegaan om een paard te huren, anders had hij er nu een gehad. Dus moet hij een andere reden gehad hebben om er heen te gaan. Iemand spreken, misschien, of er achter komen welke paarden er de afgelopen nacht zijn teruggebracht. Hij ging er niet heen met het oog op de dieren - maar eerder om de staljongen te spreken.'

Ik knikte instemmend.

'Toen herinnerde ik mij wat de koekenverkoper had gezegd en trok ik mijn conclusies. Hij verwachtte de komst van Phyllidia en was gaan kijken of de paarden er al waren. Misschien had hij zelfs afgesproken haar daar te treffen, maar ik denk niet dat hij dat allemaal aan ons opgebiecht zou hebben.' Junio had mijn toga rechtgetrokken terwijl hij dat zei en stopte nu de opgevouwen uiteinden .netjes in mijn gordelriem.

'Daar, zo kunt u bij uw beschermheer aankomen. Of wilt u dat ik uw kin ook nog even bijknip? U bent weer een baard aan het krijgen.'

'Daar heb ik geen tijd voor, vanochtend, ik ben al te laat. Haal mijn mantel voor me.'

Toen hij ook nu weer met beide mantels aan kwam zetten, zei ik hem niet dat hij thuis moest blijven, en toen ik enkele ogenblikken later op weg ging en mij zo snel mijn toga toeliet voort haastte, volgde Junio mij op de voet.

De stad gonsde al van het nieuws. De woorden "banket", "Perennis" en "dood" schenen te weerklinken aan elk kraampje en in elke gaarkeuken. Groepjes burgers fluisterden met elkaar in deuropeningen, terwijl een ondernemende straatventer goede zaken deed met de verkoop van lange stroken donkere stof, die bij wijze van rouwband om een toga konden worden gedragen. Zelfs een broodmager keuterboertje, dat armetierige bossen brandhout aan de man probeerde te brengen, bood aan ons van "de laatste tijdingen" op de hoogte te brengen, in de hoop er een quadrans aan over te houden. Ik wierp hem een muntstuk toe, maar hij had geen nadere berichten, behalve dat er publiekelijk een bekendmaking van het overlijden was voorgelezen in het forum. Dat was interessant: het betekende dat de medewerkers van de begrafenisondernemer hun macabere taak hadden volbracht en dat de stoffelijke resten van Felix nu drie dagen opgebaard zouden liggen in het atrium van Gaius. Vermoedelijk zouden de eerste hoogstaande burgers daar nu op bezoek zijn om de laatste eer te bewijzen aan de favoriet van de keizer.

En inderdaad, toen wij het huis naderden, kregen we gezelschap van een klant van mij, een van de stadsmagistraten voor wie ik ooit een vloer had gelegd. Hij droeg een heuse rouwtoga, had as op zijn hoofd en een geschenk in de hand. Hij keek eens scheefjes naar mijn toga en mijn lege handen. 'Gegroet, burger.' Hij klonk verbaasd. 'Ik had niet verwacht mijn vloermaker hier te zullen treffen. Gaat u naar de opgebaarde?'

Ik legde hem uit dat ik een afspraak had met mijn beschermheer.

'Ach ja,' zei hij, 'de arme Marcus. Erg onfortuinlijk voor hem dat dit in zijn rechtsgebied is gebeurd. De keizer zal er niet blij mee zijn. Ik meen dat er al een boodschapper gestuurd is om hem op de hoogte te brengen - en ook een naar de gouverneur. En Gaius heeft ook pech. Het is niet erg opbeurend als een oude bekende doodvalt in je huis.'

'Dus Gaius kende Felix? Dat wist ik nog niet.'

Mijn klant schudde zijn hoofd. 'Hij heeft hem jaren geleden een keer ontmoet in Rome, tenminste, dat verhaal doet de ronde. Jupiter mag weten of het waar is - de stad gonst van de geruchten. Het maakt mij onrustig. Ik ga naar de opgebaarde, omdat het mijn plicht is de laatste eer te bewijzen, maar dan ga ik linea recta naar mijn landhuis en daar blijf ik tot er geen onaangename repercussies meer zijn. Dit sterfgeval mag dan een ongeluk geweest zijn, maar toch zal er iemand, ergens, voor moeten boeten.'

We sloegen een hoek om en kwamen terecht in een opstootje. Het smalle straatje voor de deur van Gaius was bijna niet passabel; er had zich een kleine menigte mensen verzameld, allen met geschenken in de hand - ongetwijfeld voorzien van de naam van de gever - die fel redetwistten over de vraag wie het eerst moest worden toegelaten. Zelfs nu hij dood was, dacht ik, oefende Felix nog invloed uit. De meeste belangrijke mannen hadden ervoor gekozen zelf te komen, in plaats van alleen een slaaf als hun vertegenwoordiger te sturen, en de vraag hoe de volgorde van belangrijkheid moest zijn, werd op geanimeerde toon besproken. Het verbaasde mij hoeveel er waren gekomen. Burgers hadden drie hele dagen om de laatste eer te komen bewijzen. Of misschien waren deze mannen, net als mijn klant, ook van plan de stad te verlaten zodra zij hun plicht hadden vervuld. Drie dagen was in ieder geval een interessante tijdkeus, dacht ik. In Rome, wist ik, lagen publieke figuren soms twee maal zo lang opgebaard, maar rond Glevum hebben oude overtuigingen een taai leven. Volgens het plaatselijke bijgeloof komt de geest na de derde dag uit het hiernamaals terug als het lichaam niet begraven wordt. Degene die de begrafenis organiseerde wilde kennelijk geen risico nemen met Felix.

Ik baande mij een weg door de menigte. Eerst kwam ik bijna niet vooruit, maar Junio baande zich met zijn ellebogen een weg voor mij en schreeuwde: 'Uit de weg, in naam van Marcus Aurelius Septimus,' en de menigte week als door toverkunst uiteen. Junio knipoogde naar mij en ik stapte handig de ontstane ruimte in. De naam van Marcus stelde nog steeds iets voor in de stad.

De mannen zullen wel een beetje verbaasd geweest zijn toen ze de nederige burger zagen voor wie ze plaats hadden gemaakt, en nog verbaasder toen de deurwachter mij onwillig toeknikte, ten teken van herkenning, en de deur op een kier opende om mij binnen te laten.

'Zijne excellentie is in het triclinium,' zei hij op gedempte toon. 'Hij heeft gevraagd of ik u naar hem toe wilde sturen. De slaaf daar zal u de weg wijzen.' Hij wierp mij nog een vernietigende blik toe en draaide zich toen om naar de rouwenden die stonden te wachten, om hen in een enigszins toepasselijke volgorde binnen te laten, zonder dat ze daarbij slaags raakten. Op de gang wendde ik mij tot Junio. 'Hier, pak aan,' zei ik, terwijl ik mijn leren geldbuidel losknoopte van mijn gordel. 'Ga naar het forum en zie wat je te weten kunt komen. Als je nieuws hoort over Zetso of die Kelt met zijn rode bakkebaarden, laat het mij dan weten. Kom hier weer bij me als de zon over de top van de basilica gezakt is.'

Junio knikte. Ongetwijfeld hadden de soldaten al overal in de stad vragen gesteld, maar soms komt een slaaf meer te weten door zijn oren en ogen de kost te geven dan een centurion te horen krijgt door met zijn roede te zwaaien. Veel humiliores hebben ontdekt dat je niets herinneren de veiligste manier is om met militairen om te gaan, ook al hebben de gebeurtenissen onder je eigen ogen plaatsgevonden. Junio ging weer, tot verbazing van de deurwachter, terwijl ik met de andere slaaf dieper het huis in liep. Het was een angstaanjagende ervaring, want de gepleisterde muren en betegelde vloeren leken te weergalmen van een onaards geweeklaag. Toen we langs het atrium liepen, zagen we de beroepsrouwklagers rond het bed verzameld, sommigen weeklagend begeleid door instrumenten, terwijl anderen jammerklachten uitten en in waarlijk professionele stijl op hun borst sloegen. Hun hartstochtelijke geweeklaag hing zwaar in de lucht, net als de geur en de rook van de kruiden en kaarsen rond de lijkbaar. Twee hooggeplaatste magistraten, die een beschaamde, heimelijke indruk maakten, hadden de verplichte hulde al gebracht en slopen weg. Felix zag er op zijn doodsbed lelijker uit dan ooit. Hij staarde boos, maar zonder nog iets te zien, de ruimte in. Zelfs op deze afstand was zijn gezichtsuitdrukking zo dreigend dat ik blij was toen ik het triclinium had bereikt. De eetkamer was aangeveegd en schoongemaakt. De extra tafels waren weg gegoocheld, de beschilderde schuifdeuren waren weer dicht geschoven en alleen de gebruikelijke drie ligbanken (waarvan de naam van dit vertrek is afgeleid) stonden er nog. De kamer gaf nu een indruk van ruimte en elegantie. Alleen de verbrande offergaven die op het altaar lagen, deden nog denken aan de afgelopen nacht.

Marcus lag lui op een van de banken en was in gesprek met Gaius, die moedeloos naast hem zat. Voor hen stond een klein schaaltje vruchten - een zeker teken dat ook Marcus nu zijn aandeel had geleverd in de rituele rouwklachten. Tot hij die rite voltrokken had, mocht hij niet eten. Beide mannen keken op toen ik binnenkwam.

'Libertus,' zei Marcus op gestrenge toon, terwijl hij een geringde hand naar mij uitstak. 'Ik had je eerder verwacht.'

Ik boog mij over de ring. 'Neemt u mij niet kwalijk, excellentie. Er is vanochtend een jongeman uit Rome bij mij op bezoek geweest, die ik hier gisteravond heb ontmoet. Hij vertelde mij dat Gaius hem had uitgenodigd.'

Als ik had gehoopt dat de oude man hiervan zou schrikken, had ik mij vergist. Gaius schudde bedroefd zijn hoofd. 'Die jonge ambachtsman met de behaarde handen? Ja, ik heb hem uitgenodigd. Hij kwam hier gisteren aan en wilde met Felix praten - hij maakte deel uit van de groep uit Rome, zei hij. Ik wilde hem wegsturen, maar hij liet mij een brief zien met het zegel van Perennis. Ik wist zo vlug niet wat ik met hem aan moest, en dus heb ik hem op het feestmaal uitgenodigd. Ik dacht dat hij wel op een kruk aan de laagste tafel kon zitten. Dus hij is gekomen? Ik heb hem niet meer gezien. En ik heb hem ook niet horen aankondigen.'

Nu ik erover dacht, had ik dat ook niet gehoord. Octavius was laat gearriveerd, toen de religieuze offers werden gebracht, en dus was zijn naam niet aangekondigd. En hij had tegenover mij gezeten, met zijn rug naar de hoofdtafel. Was dat opzet of een gelukkig toeval geweest? 'De jongeman heeft het feestmaal al vroeg verlaten.'

Gaius stond op. 'Net als de wagenmenner en die Keltische kerel met zijn bakkebaarden,' zei hij ernstig. 'Verstandige kerels. Ik wou maar dat ik de moed had gehad om hetzelfde te doen. Misschien had ik hem dan wel kunnen redden.' Hij schudde wanhopig zijn hoofd. 'Dood. Zo plotseling. En onder mijn eigen dak. Ik kan het nog steeds niet geloven. Dit is een schok voor mij geweest, weet u. Een vreselijke schok.'

Dat was het echt. Duidelijk. Gaius zag bleek, had ingevallen wangen en een gekweld gezicht en in zijn oude ogen was echte pijn te lezen. Dit was geen openbaar rouwbetoon, zijn verdriet was echt. Ik herinnerde mij wat mijn klant gezegd had. Misschien had Felix, toen Gaius hem in Rome had gekend, ook nog enkele verzoenende eigenschappen bezeten. Ik mompelde:

'Het spijt me. Dat had ik niet gedacht. Was hij... een goede vriend?'

'Meer dan een vriend,' zei Gaius. 'Meer een... broeder. Een zoon, bijna.'

Ik probeerde me voor te stellen hoe de kwaadaardige Felix het hart van deze zachtaardige oude man had kunnen veroveren, maar slaagde er niet in. 'Burger...' begon ik, maar hij viel mij in de rede.

'Ik heb gehoord dat er geruchten gaan dat u opdracht hebt gekregen voor een mozaïek op het openbare plein.'

Dat klonk hoopvol. 'Misschien, ja.' Ik wierp een blik op Marcus, maar hij schilde afwezig een vrucht met het zware mes dat hij aan zijn gordel droeg. 'Een klein gedenkvloertje, misschien, op het rostrum, om de plek waar het lichaam heeft gelegen aan te geven?'

Dat was de aangewezen plaats. Bij grote burgerbegrafenissen wordt de draagbaar altijd op een openbaar platform gezet tijdens de laatste rondgang, zodat het gewone volk zich eraan kan vergapen, terwijl de orator een opbeurende grafrede uitspreekt. Een klein, cirkelvormig mozaïek daar zou blijk geven van respect zonder het landschap te verstoren. Maar zodra ik het voorstel had gedaan, kreeg ik er al spijt van. Ik was vergeten hoe dicht dat mozaïek zich bij de plek zou bevinden waar het geradbraakte lichaam van de heraut van Marcus had gelegen. Maar Gaius was ergens anders met zijn gedachten. 'Welnu,' zei hij op dringende toon, 'als u dat mozaïek af hebt, kunt u nog een ander voor mij maken. Hier, in het triclinium, waar hij gelegen heeft. Teken de omtrek af met rechte lijnen en maak iets passends van. Iets wat mij aan hem doet denken. Kunt u mij uw prijs opgeven?'

Hij verbaasde mij. Ik had niet gedacht dat ik hier opdrachten zou krijgen. Maar ik wist wat een goed aanbod was als ik het kreeg. 'Ik wil uw opdracht met alle genoegen aannemen, burger. Maar u moet mij advies geven. U had het erover "iets passends" te ontwerpen. Welk motief denkt u dat geschikt zou zijn voor een gedenkteken voor Perennis Felix?'

Gaius keek mij aan alsof de goden mijn verstand verduisterd hadden. 'Perennis Felix? Die man was een tiran en een bullebak en de dood is nog te goed voor hem. Hij was een vloek in Rome, en nu heeft hij opnieuw een vloek over mijn huis gebracht. Moge hij vlug vergeten zijn en verrotten in het hiernamaals, of gevoerd worden aan Cerberus, mij om het even. Ik wil geen gedenkvloer voor Felix, maar voor mijn hond.'

En bedroefd zijn hoofd schuddend, alsof hij zich wilde bevrijden van het geweeklaag en tromgeroffel dat vanuit het atrium tot ons opklonk, boog hij zijn hoofd voor Marcus en liep hij de kamer uit.