Hoofdstuk 10
Nadat de bejaarde magistraat was vertrokken viel er een stilte. Marcus schilde verder aan zijn appel, prikte stukjes aan zijn mes en stopte die in zijn mond. Ik zei niets. Aan zijn gefronste wenkbrauwen zag ik dat mijn beschermheer nadacht.
Ten slotte zei Marcus weer iets. 'Ik vrees voor die man, Libertus. Hij is gek van verdriet. Om Felix zo hatelijk te vervloeken, terwijl deze catastrofe onder zijn eigen dak heeft plaatsgevonden.'
Ik knikte. 'Het lijkt me niet erg wijs van hem,' zei ik voorzichtig. 'De keizer heeft overal betaalde ogen en oren.'
'Precies.' Marcus reeg het laatste stukje appel aan zijn mes en stopte het in zijn mond. 'Ik ben verbaasd. Gaius mag dan incapabel zijn, maar hij was wel altijd zo slim om niet in de problemen te raken. Vandaar ook dat hij zo'n succesvol zakenman was. Maar nu schijnt hij niets meer om zijn eigen veiligheid te geven. Hij is alleen begaan met zijn hond.'
Ik kende Gaius niet goed genoeg om er iets over te kunnen zeggen, maar het scheen mij toe dat de oude man tijdens de hele geschiedenis niet zichzelf geweest was. En, herinnerde ik mij plotseling, hij had Felix de avond tevoren ook een soort brouwsel gegeven, waarvan hij had beweerd dat het geneeskrachtig was. Ik bracht dit echter niet in herinnering bij Marcus. Dan zou hij de oude man onmiddellijk en met alle geweld onder bewaking willen laten stellen, en dat zou twee gevolgen hebben: tegen de avond zou het gerucht dat er moord in het spel was in heel Glevum bekend zijn en zelf zou ik nooit de kans meer krijgen om Gaius te ondervragen.
Ik sneed een ander onderwerp aan. 'Ik neem aan dat Zetso en Egobarbus niet gevonden zijn, excellentie?'
'Nog niet gevonden,' corrigeerde Marcus. 'Maar dat is een kwestie van tijd. We hebben de soldaten bij de stadspoort vanochtend vroeg al gewaarschuwd en ze hebben nog niemand gezien die aan de beschrijving voldeed en de stad uit probeerde te komen. Ze zien er allebei tamelijk opvallend uit en gisternacht waren de poorten dicht. Ze moeten nog steeds ergens in Glevum zijn. We zullen hen wel vinden.' Hij keek me doordringend aan. 'Denk jij dat ze samen zijn?'
Dat idee was nog niet bij me opgekomen. Maar eigenlijk had ik daar wel aan moeten denken. 'Ik denk, excellentie...,' begon ik, maar Marcus was me voor.
'Je bent een scherpzinnig man, Libertus. We hadden die mogelijkheid niet over het hoofd mogen zien. Als wij op zoek zijn naar een flamboyante, donkerharige soldaat en een roodharige Kelt, zouden we twee kleurloze, donkerharige burgers in tunieken wel eens over het hoofd kunnen zien - hoewel die rode snor onder alle omstandigheden moet opvallen.'
'Misschien wel te veel opvallen, excellentie,' zei ik. 'Een snor is geen baard - een goede barbier kan hem met twee sneden van een scheermes verwijderen. Maar toch kijk je er meteen naar. Zou u weten hoe die zogenaamde Egobarbus eruitziet zonder geruite mantel en snor?'
Marcus keek enkele ogenblikken laatdunkend voor zich uit.
'Natuurlijk. Hij was... hij was... hij had een rood hoofd en hij was iets kleiner dan ik,' zei hij tenslotte weinig overtuigend. 'Ja, mijn oude vriend, ik begrijp wat je bedoelt. Die beschrijving is van toepassing op wel tien vreemdelingen die de stad iedere dag in-en uitgaan. Er leven een heleboel roodharige Siluriërs aan de westgrenzen.' Hij wenkte de bejaarde bediende die bij de deur had rondgehangen in afwachting van orders. 'Jij daar!
Ga een boodschapper halen. Iemand die rap ter been is. Ik wil nieuwe orders naar de poorten sturen.'
De slaaf ging onmiddellijk op zoek naar een loopjongen en Marcus wendde zich weer tot mij. 'En jij, Libertus, wat stel jij voor? Als het kan, zou ik deze zaak graag tot op de bodem uitzoeken, voordat het nieuws de keizer bereikt. Ik vertrouw Perennis Felix niet en we zouden wel eens in troebel water kunnen vissen.' Hij wreef zijn mes schoon aan een linnen servet en stak het terug in de schede aan zijn gordel. Je hebt mijn permissie om te ondervragen wie je wilt. Discreet, natuurlijk, maar als ze moeilijk doen, mag je ze doorsturen naar mij. Ik blijf hier, voor het geval de wachters erin slagen Zetso te arresteren, of die verduivelde Kelt, nu we het toch over hem hebben.'
'Hen arresteren, excellentie? Op welke aanklacht? Met alle respect, maar mag ik u eraan herinneren dat er geen enkele officiële aanwijzing is dat zij een misdaad hebben gepleegd?
Volgens mij zou het beter zijn om Zetso dringend op te laten sporen om hem op de hoogte te brengen van het overlijden van zijn meester; en de Kelt ook. Felix deed belangrijke zaken met hem, heb ik hem horen zeggen. Meer dan één persoon is vroeg weggegaan op het feestmaal, en het is niet onze bedoeling de indruk te wekken als zou er iets verdachts aan de dood van Felix zijn. Dat gerucht zou ook de keizer bereiken.'
Marcus had nogal somber voor zich uit zitten kijken, maar door mijn laatste opmerking schoot hij wakker, zoals ik had gehoopt. 'Lieve Jupiter, grote goedheid! Dat kunnen we niet laten gebeuren. Ja, je hebt gelijk. Ik had niet goed over mijn woorden nagedacht. Natuurlijk zal ik hen niet laten arresteren, maar alleen hierheen laten brengen om het nieuws te vernemen en de gepaste rouwplichten te vervullen.' Hij stond op. 'Nu dan, waar zullen we beginnen? In het forum, misschien, om te zien wat we daar wijs kunnen worden?'
Hij stuurde me weg. Voorzichtig zei ik: 'Ik denk, excellentie, dat ik het liefst in het huis zou beginnen. Ik heb Junio er al op uit gestuurd om vragen te stellen in de stad.'
Marcus maakte een vaag, wuivend handgebaar. 'Wat jij wilt. Hoewel ik betwijfel of je veel wijzer zult worden. Gaius en ik hebben al met de bedienden gesproken. Zetso is naar buiten gegaan tijdens het vermaak. Hij zei dat hij gestuurd was door zijn meester, en niemand heeft Egobarbus meer gezien na de dood van Felix. Maar je mag het proberen. Zodra ik die boodschap naar de poorten heb gestuurd, ga ik naar het librarium, waar Gaius mij een slaaf en schrijfmateriaal heeft beloofd. Ik moet nog een paar brieven schrijven.'
Het waren mijn zaken niet, maar ik vroeg: 'Aan Pertinax?'
'Natuurlijk.' Marcus glimlachte. 'En aan mijn moeder ook. Om haar te laten weten dat haar smeekbeden eindelijk verhoord zijn en dat ik een vrouw gevonden heb.'
'Nu we het er toch over hebben, excellentie,' zei ik, 'wist u dat de dochter van Felix in Glevum is? Kennelijk was ze te laat aangekomen om er gisteravond nog bij te kunnen zijn, en heeft ze de nacht doorgebracht in een herberg buiten de stadsmuren.'
Marcus keek mij ongeïnteresseerd aan. 'Sterker nog, zij is hier in dit huis. Ze is aangekomen terwijl ik bij het lichaam zat te rouwen. Ze had nog niet gehoord dat haar vader dood was en we moesten haar een glas sterke wijn laten drinken, haar naar boven helpen en op bed leggen. Als ze bijgekomen is, zal zij zich in rouwkleding hullen en hier zelf klaagzangen komen zingen.'
Dus, dacht ik, was Octavius er niet in geslaagd haar te vinden.
'Hebt u haar dan zelf niet gesproken?'
Marcus schudde geërgerd zijn hoofd. 'Nee, ik geloof dat Gaius haar heeft ontvangen. Natuurlijk zal dit dubbel hard bij haar aankomen - erachter te komen dat zij zowel haar toekomstige echtgenoot als haar vader verloren heeft.'
Ik dacht aan wat Octavius mij had verteld. Het zou best kunnen dat Phyllidia getroost kon worden - wat beide zaken betreft. Het zou echter tactloos geweest zijn dat tegen Marcus te zeggen. In plaats daarvan haalde ik diep adem en zei ik simpelweg: 'Onder wiens jurisdictie valt zij, excellentie, nu Felix dood is?'
Dat was een gedurfde vraag van mij. Het was duidelijk dat Marcus wilde gaan. Maar het was een redelijke vraag. Een vrouw is, evenals een kind, volgens de wet niet verantwoordelijk voor zichzelf: hoewel er veel welgestelde vrouwen zijn, van wie sommigen met succes grote landgoederen beheren, staan die vrouwen officieel altijd onder voogdijschap van een vader of echtgenoot, of een andere door de wet aangestelde man die hen in rechte kan vertegenwoordigen. Marcus, bijvoorbeeld, werd in het testament van Delicta's man aangeduid als haar voogd.
Op bescheiden toon voegde ik eraan toe: 'Ik vroeg mij af of Felix iemand als voogd voor Phyllidia had aangewezen. U misschien, omdat hij wilde dat u haar man zou zijn.'
Marcus keek me verschrikt aan. 'Geen idee. Zijn testament bevindt zich waarschijnlijk in Rome, dus het zal even duren voordat ik het kan lezen.'
Nu ik de overhand had, drong ik aan. 'En wie moet er in de tussentijd besluiten voor haar nemen? Haar beide ouders zijn dood, en al haar familieleden zijn na de val van de prefect terechtgesteld.'
Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Aangezien zij een voogd moet hebben, denk ik dat we de praetor moeten vragen er een aan te stellen. Het zal een hooggeplaatste magistraat moeten zijn uit Glevum. Gaius, misschien, omdat dit zijn huis is - of anders, denk ik, komt die taak aan mij toe. Bij de grote Mars, Libertus, jij komt me wel met de rampzaligste ideeën! Heb je die meid al gezien? Ze is net zo aantrekkelijk als een schaap - en nu, neem ik aan, zal het mijn taak zijn om een echtgenoot voor haar te zoeken.'
Ik dacht aan Octavius en glimlachte. 'Het zou kunnen, excellentie, dat ik u daarmee zou kunnen helpen. De jongeman die mij vanochtend heeft bezocht wil dolgraag met haar trouwen, of ze nu zo aantrekkelijk als een schaap is of niet. Hij is geen vermogend man, maar nu haar vader dood is, beschikt zij over een aanzienlijke bruidsschat.' Die tijdelijk beheerd zou worden door haar voogd, dacht ik, maar dat hield ik voor mij. Marcus keek me bedachtzaam aan. 'Misschien heb je gelijk, Libertus. Het is mijn plicht haar beslissingen te nemen. En als zij een vrijer heeft, des te beter. Natuurlijk kan ze niet meteen met hem trouwen - dat zou niet netjes zijn, nu haar vader pas is overleden.'
Dus het beheer van de nalatenschap stond hem wel aan. Ik probeerde niet te grijnzen. 'Natuurlijk,' zei ik ernstig, 'als het testament eenmaal voorgelezen is...'
Hij begreep wat ik bedoelde. Als er een querula zou worden ingediend - waarin het optreden van de voogd onder verwijzing naar het testament werd aangevochten - zou het wel eens een kostbare zaak kunnen worden. Zulke rechtszaken hebben vaak tot gevolg dat de hele erfenis in de keizerlijke schatkist verdwijnt. Het zou veel beter zijn het meisje - en haar vermoedelijke landerijen - zo vlug mogelijk aan een echtgenoot te helpen. Marcus knikte geërgerd. 'Ja, ja. Welnu, tijd genoeg om daaraan te denken na de begrafenis. Binnen!' Dat laatste riep hij de bejaarde slaaf toe, die intussen aan de deur terug was met een jongere page en daar stond te treuzelen omdat hij ons niet wilde storen. Achter hem zag ik Junio, teruggekeerd van zijn missie in het forum, op zijn tenen langs het atrium lopen. Hij zag er ontdaan uit.
Ik verontschuldigde me bij Marcus en liep op mijn slaaf af. Hij wenkte me naar een alkoof in de gang en daar bleven wij een ogenblik staan, terwijl de page op een draf langs ons de straat op liep, waar enige opschudding was ontstaan.
'Heb je nieuws?' vroeg ik, tamelijk overbodig. Junio's gezicht had de kleur van mijn toga - een soort modderachtig wit. Hij knikte en slikte. Bezorgd zag ik dat hij tranen in zijn ogen had.
'Junio,' drong ik aan, 'wat is er? Wat zeggen ze in het forum?
Beschuldigen ze mij? Of Marcus?' In beide gevallen zou ik gevaar lopen, dacht ik, en dat maakte de jongen misschien van streek.
Junio schudde zijn hoofd. 'Nee, meester,' zei hij, met bevende stem. 'Er is niet veel nieuws van de mannen die aan het zoeken zijn. Wel veel geruchten, maar geen betrouwbare - alleen dat het rijtuig van Egobarbus bij de noordpoort is aangekomen, en niet vanuit het zuiden, zoals je zou verwachten. Zetso is niet meer gezien sinds hij gisteren met de soldaten bij de stadspoort heeft staan flirten. O ja, en het lichaam van de heraut is niet ver van het woud, langs de weg naar Isca, aan een paal gebonden.'
Net als alle slaven overal, deed hij zijn plicht en bracht hij rapport uit over de zaken die ik hem gevraagd had te onderzoeken. Het echte nieuws, dat hij me dolgraag wilde vertellen, moest wachten tot hij zich van die plicht had gekweten.
'Goed gedaan, Junio,' zei ik, om zijn leed te verzachten. 'En wat is het andere nieuws, het bericht dat je een gebroken hart bezorgd schijnt te hebben?'
Hij keek me verdrietig aan. 'Het andere nieuws betreft Julia Delicta, de vrouw van uw beschermheer.' Hij zuchtte. 'Herinnert u zich de slavin met het kale hoofd nog, het meisje dat zij had gekocht voor haar haren en dat toen is kaalgeschoren?'
'Ja.' Ik stond op het punt eraan toe te voegen: 'en met wie jij hebt geflirt, terwijl dat verboden was', maar een blik op Junio's gezicht leerde mij dat dit niet het juiste moment was om hem op stang te jagen. 'Ga door.'
'Ze was vanochtend vroeg uitgegaan,' zei Junio, 'om een lap nieuwe stof voor een stola uit te kiezen... Delicta, bedoel, ik, niet de slavin. Ze was erg opgewonden - ze wilde dolgraag naar Glevum komen en wilde allerlei nieuwe spullen hebben voor haar nieuwe rol. Ze had haar dienstmaagden meegenomen - of beter gezegd, zij liepen achter haar draagstoel aan - om te winkelen en haar aankopen af te halen en naar huis te dragen. En toen is het gebeurd. Het duurde zo lang voordat ze terugkwam dat er een slaaf op uit gestuurd werd om haar te zoeken. Ze hebben het lichaam gevonden in een steeg, naast de draagstoel, en een van de dragers lag naast haar in een plas bloed. Ze waren allebei neergestoken en alle aankopen waren gestolen.'
Vol ontzetting staarde ik hem aan. 'Is Delicta dood?'
Hij slikte. 'Niet Delicta, meester. Zij is hier. Ze heeft de boel onmiddellijk achtergelaten en is direct naar Glevum gekomen. Ik heb het huurrijtuig zien staan bij het appartement van Marcus. Op die manier ben ik te weten gekomen wat er was gebeurd - een van de bedienden heeft het me verteld.'
'Maar wie...' zei ik, doch ik hoefde mijn vraag niet af te maken.
'Het was Rosita, meester,' en nu deed hij geen pogingen meer zijn tranen te verbergen. 'De kale slavin. Ze is in haar rug gestoken, achtergelaten en toen is ze doodgebloed. Toen ze haar vonden, snuffelden de honden al aan haar... Och, meester toch!'
In hogere kringen is dit geen geaccepteerd gedrag, maar ik sloeg mijn arm om de jongen heen en drukte hem tegen mij aan. 'We zullen hem vinden, Junio, wie dit ook gedaan heeft. Zodra ik mijn onderzoek hier heb afgerond, zullen we naar hem op zoek gaan, dat beloof ik je.'
Ik had het met zo'n felheid gezegd dat een geüniformeerde slaaf, die de dodenkamer met een geschenk van vers gemaakte kaarsen was binnengekomen, zich omdraaide en mij verbaasd aanstaarde.
Junio wist zich met moeite te vermannen. 'Misschien, ja. Delicta is expres naar Glevum gekomen om er bij Marcus op aan te dringen hem te zoeken.'
Ik liet hem los. 'Is Delicta erg van streek?'
'Ze is erg boos. Ze zegt dat de slavin haar bezit was en haar erg veel geld gekost heeft. Het haar was bijna lang genoeg om af te knippen en nu heeft het meisje geen enkele waarde meer. Om nog maar te zwijgen van de aankopen die gestolen zijn. Sommige daarvan waren zelfs nog meer waard dan de slavin. Ze zegt dat de dief gevonden moet worden, en gedwongen worden tot schadevergoeding.'
Hij had het op bittere toon gezegd, alsof het hem ergerde dat zijn vriendin als minder waard werd beschouwd dan een lap stof.
Ik zei: 'Het zal niet gemakkelijk zijn hem te vinden. Ik neem aan dat het een man was? Jammer dat niemand een glimp van hem heeft opgevangen.'
'Maar dat is het nu net, meester. Misschien is hij wel door iemand gezien. Vanochtend is er een man aan de achterpoort van het huis van Delicta geweest, die vroeg naar de vrouw des huizes. Hij kreeg te horen dat zij er niet was en dat ze naar de stad was vertrokken. Hij droeg een cape en was alweer verdwenen voordat de poortwachter hem kon ondervragen, maar die had wel even zijn gezicht gezien. Delicta heeft de poortwachter meegenomen, zodat hij het verhaal aan Marcus kan vertellen.'
'Weet je wat hij heeft gezegd?'
'Dat de bezoeker jong en donker was en een schuldbewuste manier van doen had. Hij heeft een lap zijde voor Delicta achtergelaten. Als huwelijkscadeau, zei hij.'
'Als huwelijkscadeau? Wie wisten er dan van het huwelijk af?'
Junio haalde zijn schouders op. 'Dat heb ik ook gevraagd, meester, maar schijnbaar doet het verhaal de ronde al in de stad. De getuigen bij de plechtigheid...'
Ik knikte. Nieuws verspreidt zich snel in de provincies. 'Dus het was een plaatselijke bewoner?'
'Dat hoeft niet, meester. De poortwachter had hem nog nooit gezien. En hij sprak met een onbekend accent. Natuurlijk kan er verband bestaan tussen die twee gebeurtenissen. De overvaller hoeft niet dezelfde persoon te zijn als de man die aan de achterpoort kwam. Maar het is wel toevallig, vindt u ook niet?'
'Eerst is Marcus aanwezig bij een sterfgeval in Glevum,' zei ik langzaam, 'en de volgende ochtend pleegt iemand een overval op zijn vrouw - of iemand die van achter gezien als twee druppels water op zijn vrouw lijkt. Je hebt je kale slavin de laatste tijd niet meer gezien, Junio. De kleur van haar haren is echt heel bijzonder en Delicta draagt er een pruik van. Mij lijkt dit allemaal wel erg toevallig - twee sterfgevallen zo dicht bij Marcus in zo'n korte tijd.'
Toch was mij een heel belangrijke zaak ontgaan. En ik had het niet bij het rechte eind over de sterfgevallen. Het waren er niet twee, maar drie. Ik had de dood van de draagstoeldrager over het hoofd gezien.
Toen ik mij dat later realiseerde, verweet ik het mezelf. Zulke fouten maak je evenwel gemakkelijk. Hij was ook maar een slaaf.
Intussen wendde ik mij tot mijn eigen bediende. 'Junio, ik moet beginnen met mijn onderzoek. Ik ga Gaius opzoeken, onder het voorwendsel dat ik hem wil spreken over vloeren. Hij is naar zijn studeerkamer gegaan. Daar kun je mij vinden. Maar ga jij eerst naar Marcus en waarschuw hem dat zijn vrouw op hem wacht.'
Ik liet hem achter met die opdracht en vond een slaaf om mij naar het librarium te leiden.