Hoofdstuk 16
De ober had gelijk gekregen. De regenbuien van de vorige dag waren weggetrokken. De temperatuur was aanzienlijk gedaald.
Tessa zat op haar bed, de benen kruislings opgetrokken, de foto's voor haar uitgespreid op de sprei. Ze pakte ze stuk voor stuk op en bekeek ze van dichtbij. Foto's van Reuben, zijn vrouw Judith en de kinderen. Een foto van Léon Irrgang aan de vleugel, zijn hoofd enigszins voorovergebogen, een afwezige trek op zijn gezicht. Trouwfoto's van Hannah Green en Léon Irrgang. Praktisch op elke foto was te zien hoe de bruid met een blik van verering haar bruidegom aankeek. Dan Hannah met haar man op de fiets rijdend over een landweggetje, haar hand stevig geklemd om de onderarm van haar echtgenoot. Tessa hield niet van vrouwen die tijdens het fietsen de armen van hun partners vasthielden alsof die mannen hun bezit waren. Toch zag Hannah er niet onvriendelijk uit, maar dat bezitterige air van haar irriteerde Tessa. Als mensen van elkaar hielden, betekende dat niet dat ze elkaar bezaten. Er bestond geen eigendomsrecht van de ene mens op de andere.
Toen Tessa alle foto's had bekeken, wist ze eigenlijk niet wat ze ervan moest denken. Het verhaal van Ruby Green was maar één kant van de zaak geweest: de lieve, vriendelijke tante Hannah die het iedereen naar de zin wilde maken en zielsveel van haar man hield, en daartegenover de afwerende, zogenaamd overspelige echtgenoot Léon Irrgang, die haar liefde niet op prijs had gesteld en zijn vrouw in de steek had gelaten. Hannah de heilige en Léon de duivel. Dus niet, dacht Tessa. Eigenlijk kon ze Léon Irrgang wel begrijpen. Zij zou ook radeloos worden van iemand die haar de hele tijd in de gaten zou houden en haar wilde claimen als eigendom. Maar onmiddellijk daarna vroeg ze zich wel af waarom Léon Irrgang dan in vredesnaam met die vrouw was getrouwd. Voorzichtig schoof ze de foto's bij elkaar en stopte ze in een vak van haar handtas. Nu zou ze eerst maar eens op zoek gaan naar een restaurant. Het restaurant van de vorige dag was haar bevallen, maar Tessa hield van variatie.
Het beloofde een koude nacht te worden. Een diepblauwe hemel welfde zich over het landschap. Kleine sterren pinkelden als minidiamanten in het weidse firmament. De maan wierp een sprookjesachtig schijnsel over de daken van de huizen die blauwachtig oplichtten. Tessa had haar warmste kleren aangetrokken en liep door de kronkelige straatjes van Caustonbury op weg naar Abbey Road. Ze had uit voorzorg de gekopieerde herbariumbrieven in haar tas gestopt. Misschien had die kleinzoon meer bewijzen nodig dan die ene verlovingsfoto. Achter de kleine ramen van de huizen brandde vriendelijk licht. Wat zou het hier leuk zijn met kerst, dacht Tessa. En als er dan ook nog sneeuw viel, kwam de romantische tijd van Dickens helemaal tot leven.
Abbey Road slingerde vanuit het dorp naar beneden langs grote herenhuizen die in vroeger tijden in terrasvorm tegen de heuvels waren gebouwd. Hoe verder Tessa liep, hoe groter de ruimtes tussen de kapitale huizen werden. Ongeveer honderd meter buiten het dorp aan de rechterkant van het pad was het begin van een bos. Tessa begon het nu wel een beetje unheimisch te vinden. Ze bleef zorgvuldig aan de rechterkant van de weg lopen die spaarzaam verlicht werd door enkele lantaarnpalen. Beelden uit de detectiveserieMidsomer murders flitsten door haar hoofd. De lieflijke dorpjes waarin de meest afschuwelijke moorden gepleegd werden. Ach, ze moest niet zo gek doen. De dorpjes waren alleen maar een noodzakelijk decor geweest voor de serie. De misdaden waren er niet werkelijk gebeurd.
Gelukkig doemde al snel huisnummer 76 op. Het grote, laaggebouwde herenhuis lag, in tegenstelling tot de aangrenzende huizen, gelijk met de weg en werd omringd door een uitgestrekte tuin. Een withouten hek gaf toegang tot een smal pad naar de voordeur. Het huis lag er donker en verlaten bij. Tessa legde haar handen op het hek. Dus hier had Léon Irrgang na de oorlog gewoond. Jammer dat er geen licht brandde. Ze had graag een blik door de lage, brede ramen geworpen. Maar om nu zomaar naar het huis te lopen... Het was doodstil. Ergens in de verte kolkte een beekje met gedempt klatergeluid over de rotsachtige grond. Morgen moest ze maar weer terugkomen. Misschien was de jongste kleinzoon van Léon Irrgang dan wel aanwezig. En anders moest ze maar een briefje achterlaten. Teleurgesteld keek ze nog een keer naar het huis. Zou ze...? Haar nieuwsgierigheid won het van haar schroom. Kordaat duwde ze het hek open en liep over het pad naar het huis. Als er nu maar niemand kwam, want dan zou het net lijken of ze wilde inbreken. Ze ging naar een van de lage ramen en tuurde naar binnen. Er was bijzonder weinig te zien in het duister. Jammer. Plotseling klonk er een geluid achter haar. Verschrikt draaide ze zich om. Onhoorbaar was iemand naderbij geslopen. Een stem zei spottend: 'Er valt hier weinig of niets te halen.'
Tessa deed haar hand naar haar keel. Mijn heden, je zou er een hartverzakking van oplopen, dacht ze. Bij het maanlicht zag ze een man met donker krulhaar, donkere ogen in een bleek gezicht en een mond die gewend was te lachen. Hier stond onmiskenbaar de kleinzoon van Léon Irrgang, die dacht dat hij met een inbreker van doen had. Wat vreselijk gênant.
'Ik ben op zoek naar de bewoner van dit huis, Jesse Irrgang,' zei ze haastig. Van schrik sprak ze Nederlands. 'En nog Hollands ook,' begreep de man in gebroken Nederlands. 'Ik ben Jesse Irrgang.' Hij stak zijn hand uit. 'Met wie heb ik het genoegen?' ging hij over op het Engels. Nog steeds klonk de spottende klank door in zijn stem.
'Tessa van Anrooy,' antwoordde het meisje, terwijl ze haar hand uitstak. Op de een of andere manier voelde de greep van Jesse Irrgang warm en geruststellend aan. 'Het lijkt me beter dat we naar binnen gaan, dan mag je me uitleggen wat je hier komt doen,' zei de man.
Het eerste wat Tessa opviel toen ze de enorme huiskamer binnenliep, was een grote, glanzende, zwarte vleugel. De klep was omlaag. Toen ze verder om zich heen keek, zag ze dat de lage, brede ramen in de muren waren voorzien van glas-in-loodruitjes. De kamer was verder ingericht met lichthouten meubels. Op de honingkleurige parketvloer lagen een paar ouderwetse Perzische tapijten die hier en daar slijtageplekken vertoonden. Een paar opvallend mooie kasten stonden tegen de muur. Jesse Irrgang keek het meisje aandachtig aan. 'Weet je dat je op...' begon hij.
'Ja, dat weet ik. Dat heb ik al zo vaak gehoord,' onderbrak Tessa hem snel. Het viel haar mee dat ze zich redelijk verstaanbaar kon maken in het Engels. 'Wat bedoel je? Weet je dan wat ik wilde vragen?'
'Ja, je wilde vragen of ik wist dat ik op Kristin Scott Thomas leek. Toch?'
'Wie in de vrede is Kristin Scott nog wat?'
'Een Engelse actrice. Bedoelde je die niet?' Ze kleurde. 'Welnee, ik ken die hele vrouw niet eens. Ik wilde zeggen dat je sprekend op een figuur van Tolkien leek, een of andere elfenkoningin,' antwoordde Jesse geamuseerd. Spotte die man dan altijd, vroeg Tessa zich af. 'Sorry, ik heb nog nooit iets van Tolkien gelezen.'
'Ken je 'In de ban van de ring' niet?' vroeg Jesse. Hij trok zijn wenkbrauwen iets op.
'Nee. Ik ben er wel eens in begonnen, maar ik vond het een vreselijk langdradig boek,' antwoordde ze verlegen. Die man dacht vast dat ze een cultuurbarbaar was. Nou ja, ze hield nu eenmaal niet van Tolkien. Ze hield meer van realistische verhalen.
'Waarom wilde je mij spreken? Voor zover ik weet hebben we elkaar nog nooit ontmoet,' zei Jesse nieuwsgierig. 'Dat klopt,' gaf Tessa toe. 'Ik heb je naam en adres van een ver familielid van je gekregen, miss Ruby Green.'
'Ah, Ruby, de kletstante van het dorp.'
'Ze was heel erg aardig,' merkte Tessa op verdedigende toon op.
'O ja, heel aardig. M/ss Ruby Green strooit de mooiste verhalen over ons uit,' zei Jesse grinnikend. 'Mijn grootvader is een soort duivel in haar ogen en de rest van de familie deugt ook niet.'
'Ze heeft het alleen over je grootvader en grootmoeder gehad, dat ze misschien niet zo goed bij elkaar pasten,' zei Tessa voorzichtig. 'Ik was eigenlijk op zoek naar je grootvader, maar ik hoorde van miss Green dat hij weer in Nederland woont.'
'Zullen we er maar bij gaan zitten?' stelde Jesse voor. Hij wees op een roodfluwelen clubfauteuil naast de gashaard, terwijl hij zelf plaatsnam op eenzelfde stoel ertegenover. 'Waarom zoek je mijn grootvader?' wilde hij toen weten.
'Heeft je grootvader wel eens verhalen verteld over vroeger?' wilde het meisje weten.
Jesse fronste zijn wenkbrauwen. 'Vroeger? Ooit heeft hij wel eens iets verteld over zijn onderduiktijd.'
'Nee, dat verhaal bedoel ik niet.' Tessa zweeg even. 'Het betreft verhalen van voor de oorlog.'
'Waarover moeten die verhalen dan gaan?
'Over de tijd dat hij samen met zijn ouders in Amsterdam op de Brouwersgracht woonde.'
Jesse schudde zijn hoofd.
Dat werd lastig, dacht Tessa. Hoe moest ze nu beginnen? 'Verleden jaar overleed mijn grootmoeder.'
Jesse trok even zijn wenkbrauwen op.
'Ze liet me iets na, een herbarium.'
'Dus je grootmoeder was dol op planten en bloemen.'
Tessa knikte. 'Het was echter een bijzonder herbarium.
Tussen de planten en de bloemen zaten brieven verstopt waarin mijn grootmoeder een soort dagboek had bijgehouden. Door het lezen van de brieven kwam ik erachter dat oma Beatrijs voor de oorlog verloofd was geweest met... met jouw grootvader.'
'Mijn grootvader?' Niet-begrijpend keek Jesse het meisje aan.
Tessa knikte. Ze haalde het bewijsstuk uit haar tas en liet de foto aan de man zien.
Het bleef een lange tijd stil. 'Ik wist het,' mompelde Jesse toen voor zich uit.
'Wat wist je?' vroeg Tessa.
'Ik heb altijd een vermoeden gehad dat mijn grootvader van iemand anders hield.' Hij zweeg even en ging toen verder. 'Jaren geleden, ik was een jongen van een jaar of vijftien, logeerde ik bij mijn grootouders. Mijn grootvader was in zijn kamer. Ik wilde hem iets vragen en liep onverwachts bij hem binnen. Mijn grootvader zat aan zijn bureau en had mij niet in de gaten. Heel ingespannen bekeek hij een foto en drukte er even later een kus op. Zijn gezicht stond intens treurig. Hij fluisterde een naam, maar die kon ik niet verstaan. Opeens kreeg hij mij in de gaten. Haastig stopte hij de foto in de la van zijn bureau en keek me zo afstandelijk, bijna boos aan, dat ik het hart niet had om naar die foto te vragen. Iets werd mij toen wel duidelijk: waarschijnlijk hield mijn grootvader van iemand anders. Ik had dus gelijk.' Jesse keek aandachtig naar de foto in zijn hand. 'Waarom is jouw grootmoeder niet met hem getrouwd? Hield ze niet van hem?' vroeg hij toen. 'Mijn grootmoeder hield vreselijk veel van hem, maar door de oorlog zijn ze elkaar kwijtgeraakt,' antwoordde Tessa. 'Jouw grootvader was Joods en kon dus bijna niet meer op straat lopen uit gevaar opgepakt te worden. Op een dag was hij zomaar verdwenen. Mijn grootmoeder dacht dat hij was opgepakt tijdens een razzia en omgekomen in een concentratiekamp. Daarom trouwde ze later met iemand anders. Maar Léon Irrgang is altijd haar grote liefde gebleven. Ze hebben elkaar nog een keer gezien op de Breitnertentoonstelling van 1969, maar ze hebben elkaar niet gesproken. Allebei hadden ze hun partner bij zich. Mijn grootmoeder was vreselijk verdrietig. Ze voelde zich schuldig omdat ze niet op Léon Irrgang had gewacht. Vlak voor haar dood vroeg ze me of ik jouw grootvader wilde opzoeken om hem te zeggen dat ze nooit gestopt was om van hem te houden.'
'Wat een tragisch verhaal,' vond Jesse. 'Maar je gaat me toch niet vertellen dat je naar Engeland bent gekomen om alleen dit zinnetje aan mijn grootvader door te geven?'
'Nee, het verhaal is nog niet af. Mijn grootmoeder liet me beloven dat ik twee mensen op zou zoeken die ik moest vertellen dat ze haar hele leven steeds van hen was blijven houden. Die ene was jouw grootvader en de ander was haar zoon... die ook de zoon is van jouw grootvader.' Tessa zag de plotselinge verbijstering op Jesses gezicht. 'Zoon? Bedoel je...? Heeft mijn grootvader nog een zoon?' Ongelovig schudde hij zijn hoofd. 'Wist mijn grootvader dat?'
'Nee,' schudde Tessa haar hoofd.
'Maar hoe...? Waar is die zoon? Leeft die nog? Waarom heeft jouw grootmoeder dat niet verteld aan mijn grootvader?'
'Onze familie heeft ook nooit geweten dat oma Beatrijs nog een zoon had. Daar kwamen we pas achter toen ik haar dagboek las. Nog voordat ze hem kon vertellen dat ze in verwachting van hem was, verdween jouw grootvader. Maanden later werd hun zoon geboren. Om veiligheidsredenen moest oma de baby afstaan. Ze heeft zich altijd schuldig gevoeld en er vreselijk onder geleden, maar het kon nu eenmaal niet anders.'
'Ongelooflijk,' zei Jesse hoofdschuddend. Eindelijk was het geheim van zijn grootvader ontrafeld. 'Weet je waar die zoon is?' vroeg hij toen aan Tessa. 'Ja, ik heb hem na wat speurwerk gevonden. Hij lijkt sprekend op jouw grootvader. Hij heet Maarten Dekker en is de halfbroer van mijn vader en mijn ooms.'
'En dus ook de halfbroer van mijn vader,' merkte Jesse op.
'Arme paps. Hij zal beslist niet blij zijn.'
Tessa keek hem vragend aan.
'Mijn vader was dol op zijn moeder. Hij had haar altijd op een soort voetstuk gezet en stond, wat er ook gebeurde, vierkant achter haar. Niet eerlijk, vond ik zelf. Ik heb mijn grootmoeder niet bewust meegemaakt, want ze overleed toen ik een jaar was. Wat ik dus weet, heb ik uit de verhalen. Daaruit bleek dat ze best een aardige vrouw was, maar dat onder haar vriendelijke uiterlijk een behoorlijke hoeveelheid tirannie verborgen zat. Volgens mijn moeder, die niet dol was op haar schoonmoeder, had oma het liefst mijn grootvader aan een hondenriem vastgebonden zodat hij alleen maar iets kon ondernemen onder haar controle. En zo werd de familie Irrgang verdeeld in twee kampen: mijn vader en de beide oudste zoons tegenover grootvader Léon, mijn moeder en ik. Nu had ik toch al niet zoveel op met mijn vader en mijn broers.' Er verscheen een sarcastische trek op zijn gezicht. 'Ik begrijp niet hoe je in een paar uur duizenden ponden en euro's kunt verdienen door alleen maar te schuiven met aandelen en hypotheken. Dat moet een keer fout lopen, lijkt me. Je kunt volgens mij niets verdienen aan zeepbellen en luchtkastelen. Nou ja, ze moeten het zelf maar weten. Om maar weer naar ons vorige onderwerp terug te keren: dat huwelijk van mijn grootouders moest wel op een ramp uitlopen.'
'Was het zo erg?' vroeg Tessa aarzelend. 'Ja,' antwoordde Jesse beslist. 'Oma Hannah claimde opa Léon en daar kon mijn grootvader niet tegen. Ruby Green zal ongetwijfeld verteld hebben dat mijn grootvader vaak dagen wegbleef en soms ook nog de weekenden. Dat praat ik niet goed, maar ik kon zijn vlucht wel begrijpen. En dat verhaal over zijn minnaressen... Volledig uit de duim gezogen. Zo was mijn grootvader niet. Maar de meeste mensen willen nu eenmaal het slechte van iemand denken. Ik vergeet mijn plichten als gastheer. Thee, koffie of een glas rode wijn?' Vragend keek hij haar aan. 'Rode wijn,' antwoordde Tessa. Veiligheidshalve hield ze het op wijn. Ze had die dag genoeg thee gedronken en de koffie in Engeland was meestal niet te drinken. 'Stond er nog meer over mijn familie in dat dagboek van je grootmoeder, bijvoorbeeld over mijn overgrootouders? Dat vond ik altijd zo'n mysterieus stel,' zei Jesse toen hij weer plaatsgenomen had in zijn stoel vlak bij de gashaard waarin de lange rij regelmatige vlammetjes een blauwachtig licht verspreidden.
'Jouw overgrootmoeder Rachel zat in een rolstoel, je weet wel, zo'n hoog, ouderwets geval. Volgens mijn grootmoeder moet ze heel knap en heel charmant zijn geweest. En ook heel lief, want oma Beatrijs hield veel van haar. Mijn grootmoeder kon niet zoveel hoogte krijgen van je overgrootvader Reuben. Ze was een beetje bang voor hem. Hij zag er wat streng, maar ook wat eenzaam uit. Toch mocht ze hem wel en de genegenheid was later wederzijds. Jouw overgrootvader bezat een handelsbank waar ook je grootvader werkte. Ze woonden in een prachtig huis aan de Brouwersgracht, dicht bij de bruidswinkel waar mijn grootmoeder werkte. Het huis had een echte oranjerie en een grote tuin. Mijn grootmoeder vond het er prachtig, want ze was dol op bloemen, planten en alles wat maar met de natuur te maken heeft. Ze was graag bij jouw overgrootouders. Oma Beatrijs was écht een liefje.' Trots, maar vooral liefde klonk door in Tessa's stem. 'En jij mist haar nog steeds,' zei Jesse. Tessa knikte. Ze voelde de tranen opkomen. Even zuchtte ze diep en ze drukte haar lippen stevig op elkaar. Geen tranen in het bijzijn van een vreemde, hoewel Jesse Irrgang om onnaspeurbare reden heel vertrouwd aandeed. 'Om op mijn grootvader terug te komen: nu begrijp ik dat je hem wilt opzoeken,' trok Jesse de conclusie. Als hij al wat had gemerkt van Tessa's ontroering, dan liet hij het zeker niet merken. Zijn stem klonk heel gewoon. Tessa was hem er dankbaar voor. Als hij nu iets op meelevende toon had gezegd, was ze gegarandeerd in tranen uitgebarsten. Jesse stond op, pakte een kaartje en schreef daarop het adres van zijn grootvader. 'Hij woont in Bussum in een aanleunappartement van een verzorgingstehuis. Zijn gezondheid liet niet meer toe dat hij op zichzelf kon wonen. Maar ja, hij is ook bijna eenennegentig.' Hij gaf het kaartje aan Tessa. Toen hij weer zat, zei hij: 'Wanneer wil je mijn grootvader bezoeken?'
'Het liefst volgende week.'
'Lijkt het je een goed idee als ik met je mee ga? Mocht er eventueel iets gebeuren - je weet maar nooit hoe oude mensen reageren als ze iets schokkends horen, want schokkend is het nieuws natuurlijk wel - dan ben je tenminste niet alleen. Ik was toch al van plan om mijn grootvader te bezoeken. Hij is vrij eenzaam.'
'Dat zou ik erg prettig vinden.' Nu hoefde ze niet meteen voor altijd afscheid van hem te nemen. Nou ja, zeg, ze moest niet zo overdreven doen, vermande ze zichzelf. Jesse was een leuke man, maar ze moest zich niet meteen zo laten gaan. Misschien kwam het wel door de wijn dat ze de zaken niet meer helder op een rijtje had. Morgen zag alles er vast anders uit.
'Als je mij nu jouw adres geeft, haal ik je volgende week met de auto op. In het weekend neem ik het vliegtuig naar Holland om iets langer bij mijn grootvader te kunnen zijn. In het appartement is gelukkig een logeerkamer.' Tessa schreef haar adres in Utrecht op een kaartje dat ze van Jesse had gekregen.
'Schrijf ook maar even je telefoonnummer erbij. Heb je e-mail? Dat is nog makkelijker om contact te houden,' adviseerde Jesse. Hij stak Tessa's kaartje naast andere papiertjes en verbleekte ansichtkaarten in de lijst van de grote spiegel die aan de muur hing.
'Jouw grootvader speelde vaak op de vleugel voor zijn moeder. Die was dol op romantische muziek, bijvoorbeeld van Tsjaikovski,' zei Tessa, die zichzelf weer onder controle had.
Jesse Irrgang stond op en liep naar de vleugel. Hij deed de klep omhoog en ging op de kruk voor de vleugel zitten. Even draaide hij aan de grote houten knoppen van de pianokruk om de hoogte te verstellen, toen zette hij zijn vingers op de toetsen en begon te spelen. Een langzame, treurige melodie zweefde door de kamer: Chanson Triste van Tsjaikovski, de lievelingsmuziek van oma Beatrijs. Het leek wel of in de muziek een wanhopige vraag werd gesteld waarop eigenlijk geen antwoord was te verwachten. Elke keer als Tessa de muziek vanuit het huis van haar grootmoeder hoorde, wist ze dat oma Beatrijs treurig was. De reden van het verdriet was onbekend gebleven tot Tessa de brieven uit het herbarium had gelezen. Ze keek gefascineerd naar Jesse, die licht voorovergebogen vol overgave de prachtige, melancholieke muziek speelde. Geen spoor van spot of lacherigheid was meer te bekennen op zijn gezicht. Kon je van het ene moment op het andere verliefd worden? Tessa had deze vraag altijd ontkennend beantwoord. Haar grootmoeder mocht dan halsoverkop verliefd zijn geworden op Léon Irrgang, Tessa zelf was ervan uitgegaan dat dit haar niet zou overkomen. Daarvoor was zij te nuchter. Maar wat gebeurde er dan nu met haar? Kwam het door de treurige melodie dat er een bres was geslagen in haar nuchtere kijk op de wereld en dat ze zich zonder meer liet meeslepen door haar emoties? Ze probeerde uit alle macht de plotseling opkomende tranen in haar ogen weg te knipperen. Tevergeefs, haar wangen werden nat. Haastig pakte ze een zakdoek en wreef over haar wangen. Ze slikte, zuchtte diep en drukte toen haar lippen zo stevig op elkaar dat het pijn deed. De tranen droogden snel op. Gelukkig dat er maar een paar schemerlampjes in de kamer brandden, waardoor de tranensporen niet zo duidelijk te zien waren. De muziek ebde weg in een berustend antwoord. Alsof de componist zich had neergelegd bij een voldongen feit. Het werd stil. Voorzichtig deed Jesse de klep weer dicht, hij bleef in gedachten verzonken even zitten en liep toen weer naar Tessa. 'Nog een glas wijn?' vroeg hij luchtig. Het meisje knikte.
'Wat doe je voor de kost,' wilde Jesse weten. Tessa vertelde van haar studie en dat ze eigenlijk nog niet wist wat ze ermee in de toekomst zou doen. Voordat ze het wist vertelde ze over haar ouders, over haar thuis in Dalsum, over oma Beatrijs en over de herbariumbrieven. Zij, die haar privé-leven altijd afschermde voor de meeste kennissen en vrienden, praatte zomaar honderduit over haar ouders en de rest van de familie. Tessa op haar beurt kwam erachter dat het huwelijk van Jesses ouders niet geweldig was. 'Pap zit de meeste tijd in Londen, en mams reist met een stel vriendinnen het land af om aan bridgedrives deel te nemen. Onderschat het niet, bridge is niet zomaar een spelletje voor haar. Ze speelt om geld en heeft al aardig wat bij elkaar gesprokkeld. Doordat mijn ouders elkaar weinig zien, houdt hun huwelijk stand. En jouw ouders, hoe is het daarmee? Zijn ze nog steeds bij elkaar of hebben ze allebei een nieuwe liefde in hun leven gevonden?' vroeg Jesse enigszins cynisch.
'Mijn ouders zijn nog steeds bij elkaar. Ze zijn onafscheidelijk, hoewel ze elkaar echt niet claimen,' antwoordde Tessa een beetje afstandelijk.
Jesse begon te lachen. 'Kom niet aan mijn ouders,' zei hij geamuseerd.
Tessa haalde haar schouders op. 'En wat voor baan heb jij?' gooide ze het gesprek over een andere boeg. 'Ik laat antieke meubels die in verval zijn geraakt, restaureren door een stel oudere schrijnwerkers, die werkeloos waren omdat er geen vraag meer was naar gekwalificeerde specialisten op het gebied van de meubelmakerij. Mijn taak is om ze daarna te verkopen op internet,' antwoordde hij. 'Je moest eens weten hoeveel meubels van Sheraton en Hepplewhite er nog rondzwerven op het platteland. De zaken lopen als een tierelier. Als je wilt kan ik je morgen laten zien hoe die mannen werken, zo zorgvuldig en met zoveel eerbied voor het materiaal.' De stem van Jesse had een warme, enthousiaste klank gekregen. Tessa glimlachte. Ze vond het prettig om naar dat gezicht te kijken met die snelle afwisseling van emoties, van spot naar ernst. Beheers je, zei een stemmetje in haar achterhoofd, hij hoeft dan niet getrouwd te zijn, misschien heeft hij wel een vriendin. Ze schrok. Een vriendin? Nee, vast niet. Dan zou hij dat wel hebben laten merken. En wat dan nog? Ze kenden elkaar pas een paar uur, hoewel het langer leek, moest ze zichzelf toegeven. Het werd de hoogste tijd om naar huis te gaan voordat haar fantasie helemaal met haar op de loop ging. Ze stond op. 'Wanneer vertrek je weer naar huis?' vroeg Jesse. 'Morgenavond. Ik moet om zeven uur op Heathrow zijn.'
'Heb je zin om een bezoekje aan mijn werkplaats te brengen en dat ik je daarna Oxford laat zien? Of ben je daar al eerder geweest?'
Tessa schudde haar hoofd. 'Ik zou het erg leuk vinden. Maar ik moet nu wel naar het hotel. Straks zit de boel op slot en kan ik er niet meer in.'
'Dan mag je hier slapen,' zei hij.
'Ja hoor, vast,' zei ze. Wat ongemakkelijk. Het werd echt tijd dat ze wegging.
'Ik breng je naar het hotel,' zei Jesse.
'Dat hoeft niet,' zei Tessa haastig.
'Je dacht toch niet dat ik je alleen in het donker naar het hotel liet lopen?' Jesse haalde spottend zijn wenkbrauwen op. 'Kom.'
Samen liepen ze door de stille nacht. De klok van Sint Mary's sloeg twaalf diepe bronzen slagen.
'De tijd van de geesten en de spoken,' zei Jesse schertsend.
'Ben je bang voor de Engelse geesten en spoken, Tessa van Anrooy?'
'Nee,' antwoordde Tessa. Maar wel voor onverwachte verliefdheden, voegde ze er onmiddellijk in gedachten aan toe.
'Morgenochtend om half tien haal ik je op,' zei Jesse toen ze bij het hotel aankwamen. 'Welterusten en tot morgen.' Hij glimlachte even. Toen draaide hij zich om en liep weg.
Op haar kamer bleef ze voor het raam staan en keek naar het slaperige dorp. Nog steeds zag het eruit als een nachtvoorstelling uit een sprookje van Walt Disney: de diepblauwe lucht versierd met een overdaad aan sterren, de bleke maan die de daken van de schilderachtige huizen van een zachtblauwe gloed voorzag, het glinsterende haantje op de toren en de kleine, wazige lichtcirkels van de lantaarns die langs de kronkelige straten stonden. Tessa zuchtte. Ze kon nu wel naar bed gaan, maar ze was klaarwakker. In haar hoofd heerste verwarring. Kon ze haar gevoelens nu maar met iemand delen. Vroeger ging ze naar haar grootmoeder, die haar zo goed begreep en geduldig naar haar verhalen, zorgen en problemen wilde luisteren. Haar vader kon ze weinig vertellen omdat hij zich meteen zorgen maakte, en haar moeder had het meestal te druk met haar werkzaamheden in de tuin, in huis en met de dieren. Plotseling herinnerde ze zich de herbariumbrieven van grootmoeder Beatrijs. Oma had toch ook niemand gehad met wie ze haar geheimen kon delen, en daarom had ze maar brieven geschreven aan een vriendin, die niet eens haar vriendin was geweest en die al lang was overleden. Waarom kon Tessa voor deze ene keer geen brief aan haar grootmoeder schrijven? Naderhand kon ze de brief toch gewoon verscheuren? Tessa liep naar de tafel, waar een blocnote lag met het logo van het hotel op het schutblad. Ze pakte haar pen en begon langzaam te schrijven.
Lieve oma Beatrijs,
Ik moet iemand vertellen wat ik heb meegemaakt en wat ik nu voel, maar er is niemand. Daarom doe ik maar alsof u nog leeft. U zou me begrijpen, want ik denk dat ik hetzelfde meemaak als u voor de oorlog hebt meegemaakt. Wat zou het toch leuk zijn als God een luikje in de hemel opende waardoor u kon zien wat er hier op aarde gebeurde. U zou beslist blij zijn met wat u zou zien. Niet dat ik geloof dat zoiets gebeurt, maar het zou wel aardig zijn. Vanavond heb ik de kleinzoon van uw ex-verloofde ontmoet. Hoe kom ik nu bij die kleinzoon. Dat is een nogal ingewikkeld verhaal. Weet u nog dat u mij, vlak voordat u overleed, vroeg of ik uw geadopteerde zoon en uw ex-verloofde Léon Irrgang wilde zoeken om hun te vertellen dat u zo ontzettend veel van ze had gehouden? Ik ben op zoek gegaan. Die zoon heb ik gevonden, maar dat verhaal doet er even niet toe. Op het moment zit ik in Caustonbury, een heel lief en schilderachtig plaatsje in Engeland. Ik wist namelijk dat uw verloofde Léon na de oorlog hiernaartoe was verhuisd. Verrassing, oma, hij woont weer in Nederland, in Bussum in een aanleunappartement. Dat hoorde ik onder andere van Ruby Green, de nicht van Hannah, de vrouw van Léon. (Via een koster van een begraafplaats ben ik achter Ruby's adres gekomen.) Die Hannah is overleden. Léon hield niet van haar. Gek hè, oma, ik werd blij toen ik dat hoorde. Ik vind namelijk dat Léon alleen van u mocht houden. U hoorde bij hem. Hannah was erg bezitterig (dat type dat tijdens het fietsen de hand op de arm van haar echtgenoot legt). Dat heb ik weer gehoord van die bewuste kleinzoon van uw Léon. Hij heet Jesse en lijkt sprekend op zijn grootvader. Ik heb namelijk een groot aantal foto's van miss Green gekregen waarop de verschillende leden van de familie Irrgang staan. M/'ss Green wilde ze toch niet meer hebben, want ze is niet erg gesteld op de familie Irrgang. Vanavond ben ik op bezoek gegaan bij Jesse Irrgang. Hij dacht eerst dat ik een inbreekster was, omdat ik in het donker door de ramen keek. Ik voelde me vreselijk opgelaten, maar gelukkig liet hij me binnen. Jesse is de reden dat ik u schrijf. Ik vind hem leuk, vooral als hij spottend lacht en dat doet hij de hele tijd. Dan ben ik tegelijkertijd een beetje bang voor wat hij zal doen of zeggen, maar ik vind het ook spannend. Hij heeft een gevaarlijke glimlach. Had uw Léon die ook? Gek hè, toen ik in uw brief las over uw ontmoeting met Léon Irrgang en u schreef over dat ene magische moment, vond ik dat romantisch, maar ik dacht ook dadelijk dat dat mij niet kon overkomen. Daarvoor vond ik mijzelf te nuchter. Helaas heb ik dat magische moment niet meegemaakt, want daarvoor zijn twee mensen nodig, maar toen ik Jesse achter de vleugel zag spelen (Chanson Triste, uw favoriete muziek, zou het misschien een teken zijn?) werd ik geraakt en, ik geef het toe, misschien wel een beetje verliefd. Jesse is zo anders dan de mannen en jongens die ik ken, en zeker anders dan die vervelende Arend-Jan Kist. Jesse doet vertrouwd aan. Kunt u zich voorstellen dat ik zomaar alles vertel over mijn studie, over pap en mam en Dalsum aan iemand die ik nauwelijks ken? Ik, die altijd verwijten krijg dat ik zo gesloten ben. Nu pas begrijp ik een beetje wat u gevoeld moet hebben toen u uw Léon voor het eerst zag.
Morgen ga ik met Jesse mee naar zijn werkplaats, waar schrijnwerkers oude meubels voor hem restaureren die hij verkoopt op internet. Daarna wil hij me Oxford laten zien. En hij gaat in het weekend al naar Nederland om erbij te zijn als ik volgende week zijn grootvader, uw grote liefde, bezoek om hem te vertellen dat hij nog een zoon heeft. Ik ben zo benieuwd naar Léon Irrgang. Gek, ik voel me niet meer zo verward, oma, zelfs een beetje opgelucht nu ik alles onder woorden heb gebracht. Hoe dit nu moet aflopen... Eigenlijk wil ik niet verliefd worden, want het heeft geen zin. Jesse Irrgang is waarschijnlijk de eeuwige vrijgezel. Door het slechte huwelijk van zijn grootouders en ook het halfbakken huwelijk van zijn eigen ouders heeft hij geen hoge pet op van het huwelijk. Maar ik ben bang dat je bepaalde gevoelens niet kunt tegenhouden. Ik ga nu maar slapen, want morgenochtend om half tien komt Jesse mij ophalen. Hè, was u maar hier.
Tessa
Even bleef Tessa nog zitten en staarde naar het volgeschreven blad papier. Het was natuurlijk nonsens: schrijven naar iemand die er niet meer was. Maar toch begreep ze waarom haar grootmoeder de brieven had geschreven aan dat meisje, Annabel. Het enige verschil was dat Tessa de brief zou verscheuren, terwijl oma Beatrijs haar brieven had bewaard. Heel voorzichtig ritste ze het papier uit de blocnote. Ook al kon niemand in het hotel Nederlands lezen, Tessa vond het toch veiliger om de brief in haar tas te stoppen. Verscheuren kon altijd nog.
Het zou een stralende dag worden. De bleekblauwe lucht was wolkeloos, een ijskoude wind waaide over het land van de Cotswolds.
Jesse Irrgang stond voor het hotel naast zijn auto op Tessa te wachten. Over haar schouder droeg ze een citybag die nogal vol leek te zijn. Hij glimlachte toen hij het meisje zag, zijn wenkbrauwen iets opgetrokken. Een intrigerende glimlach, vond Tessa, maar ze had zich gewapend. Ze moest helemaal niets achter intrigerende glimlachjes zoeken. Galant hield Jesse het portier van de auto voor haar open. Ze reden door het land van de schilderachtige dorpen en de oude steden. Tessa kwam ogen tekort om alles in zich op te nemen. Zo had ze wel uren kunnen rijden. Na een uur reden ze het kleine dorp Flowerton binnen. Ze stopten voor een enorme schuur met een rieten dak, die aan een kronkelig weggetje lag. Jesse stapte uit en deed het portier voor Tessa open. 'Mijn koninkrijk,' zei hij spotlachend met een weids armgebaar, maar Tessa meende toch trots te horen in zijn stem. In de schuur, een grote ruimte met hoge hanenbalken die in tweeën was gedeeld, waren vier mannen aan het werk. Ze stopten toen Jesse met het meisje binnenkwam en groetten beleefd, maar beslist niet onderdanig. Het waren mannen die wisten dat ze iets in hun mars hadden.
Verwonderd keek Tessa om zich heen. Tegen de wanden stonden oude, defecte meubels met deuren die schuin in de sponningen hingen, tafels met bekraste bladen en gebroken glas, en beschadigde kroonlijsten. Tafels en stoelen lagen uit elkaar op een hoop. Er stonden werktafels met bankschroeven, kasten met gereedschap, zaag- en freesmachines en overal hing de geur van hars, geschaafd hout en lijm. Na de begroeting gingen de mannen weer aan het werk.
'Kom eens mee.' Jesse pakte de hand van Tessa en trok haar mee naar de deur waarachter de opslagruimte lag. Hier stonden de gerestaureerde meubels. Nog steeds met haar hand in de zijne liep Jesse naar een indrukwekkende boekenkast en gleed liefkozend met zijn hand over het glanzende hout. 'Een Breakfront boekenkast,' legde hij uit. 'Mahonie. Voel eens.' Hij liet haar hand over het hout glijden. 'Zacht en koel als satijn,' zei hij. Hij keek Tessa blij aan. Hun ogen haakten in elkaar. Hoe lang het duurde, wist Tessa niet, maar ze werd er verlegen van. Snel sloeg ze haar ogen neer. Ze voelde hoe ze begon te kleuren en trok haar hand terug uit de hand van Jesse. Toen draaide ze zich om en liep lukraak op een andere kast af, die ze vol aandacht bekeek. Ze wist zich met haar houding geen raad. Er klonk een geamuseerd lachje achter haar. Toen zei Jesse op neutrale toon: 'Kom eens hier. Dit is op dit moment het pronkstuk van de collectie.' Tessa draaide zich om. Jesse stond naast een buffetkast van massief notenhout dat in een warme, roodbruine kleur was gepolitoerd. 'Zelfs het glas is nog origineel.'
'Prachtig,' zei Tessa. Gelukkig had ze zichzelf weer in de hand.
Het werd een wonderlijke dag. Na afloop van het bezoek aan de werkplaats reed Jesse naar Oxford, waar ze eerst de lunch gebruikten in een ouderwetse pub. 'Wist je dat ze Oxford de stad der dromerige spitsen noemen?' vroeg Jesse toen ze voor een van de ramen van het restaurant hadden plaatsgenomen. 'Die naam heeft de stad te danken aan de vele torens, vooral die van de universiteit,' legde hij uit.
'Voor mij is het de stad van Inspector Morse,' merkte Tessa op.
'Ach ja, de stad van de aantrekkelijke, vrijgezelle politieman,' zei Jesse lachend. 'Wist je dat, toen die man nog leefde, groepen van vooral dames van middelbare leeftijd naar Oxford kwamen om de stugge inspecteur te ontmoeten?' Er klonk spot door in zijn stem. 'Hij was ook leuk,' nam Tessa het voor de dames op. Niet dat zij achter iemand aan zou lopen, maar je hoefde er ook niet neerbuigend over te doen.
'Weet je dat je een erg aardig meisje bent?' zei Jesse. Hij keek haar warm aan.
Dat moest hij nu niet doen, dacht Tessa ongemakkelijk. Zo raakte ze van haar stuk. Ze was tot de conclusie gekomen dat verliefd worden op Jesse Irrgang geen optie was, want ze zouden elkaar in de toekomst toch niet meer zien. Hij woonde in Engeland en zij in Holland en daartussen zat een grote plas water. Tessa concentreerde zich op het eten en probeerde zo veel mogelijk de blikken van Jesse Irrgang te ontwijken.
Ze dwaalden door het oude centrum van Oxford, waar de eeuwenoude universiteit stond met zijn ontelbare torenspitsen, en liepen langs de Christ Church Cathedral, thuishonk van beroemde koren. Ze slenterden langs de Theems. Jesse vertelde zo boeiend dat het leek of hij de mensen over wie hij vertelde, persoonlijk had gekend: Rowan Atkinson, de beroemde acteur die mr. Bean speelde, Bill Clinton en Margaret Thatcher die er gestudeerd hadden. En natuurlijk over de beroemde schrijver Tolkien. 'Je weet wel, die van dat mooie boek 'In de ban van de ring', dat jij zo saai vindt,' merkte Jesse plagerig op. Tja, wat moest ze daarop nu zeggen. Ze kon alleen maar haar schouders ophalen.
De middag vloog voorbij. Om vijf uur bracht Jesse haar naar de trein die haar naar Londen zou brengen. Op het perron bleven ze wat onwennig staan. Opeens kreeg Tessa een ingeving. De brieven! Als oma Beatrijs nog in leven was geweest, had ze het vast wel goedgevonden dat de kleinzoon van Léon Irrgang de brieven uit het dagboek las. Ze deed haar citybag open en haalde de brieven tevoorschijn. Aarzelend zei ze: 'Dit zijn kopieën van de brieven uit mijn grootmoeders herbarium. Zou je ze misschien willen lezen?'
'Meen je dat echt?' vroeg Jesse verrast. 'Ja.' Tessa overhandigde hem het pak brieven. 'Ik zal er heel voorzichtig mee zijn,' beloofde hij. 'Dank je wel voor je vertrouwen, Tessa.' Zijn stem klonk liefkozend en hij keek Tessa met zo'n speciale blik aan, dat ze ervan bloosde. 'Ik mail je nog wanneer ik je kom ophalen,' ging hij verder. 'Stap nu maar in, want straks rijdt die trein voor je neus weg.' Plotseling sloeg hij zijn armen om haar heen, kuste haar op beide wangen en zei met een plagende glimlach: 'Dag mijn lieve, afstandelijke elfenkoningin.'
Verward keek Tessa hem aan. Wat moest ze hiervan nu denken?
Een doordringende fluit klonk.
Jesse liet haar los. Haastig stapte Tessa de trein in. Ze was net op tijd, want de deuren sloten zich onmiddellijk achter haar. Langzaam zette de trein zich in beweging. Ze zag nog net hoe Jesse zwaaide, maar terugzwaaien had geen zin. De trein maakte vaart en reed al het station uit. 'Mijn lieve, afstandelijke elfenkoningin,' mompelde Tessa verbaasd voor zich uit. 'Nou, zeg!'