Hoofdstuk 6
Het lijkt wel of je jezelf hebt opgesloten in je kamer!' riep Minoes uit. Ze keek Tessa met felle ogen aan. 'Wat mankeert je?'
Tessa zuchtte. Uitleggen had geen zin. Ze kon toch moeilijk zeggen: 'Ik leef op het moment in 1938 en ben doodnieuwsgierig naar de lotgevallen van mijn grootmoeder en wat er is gebeurd met haar grote liefde.' Minoes zou haar absoluut niet begrijpen. Haar vriendin was iemand die alleen maar leefde in het nu.
'Ben je nog steeds bezig met die brieven van je grootmoeder? Hoeveel heeft ze er dan wel niet geschreven? Het lijkt wel een boek.'
Het is ook een boek, een spannend boek over een grote liefde die op een of andere manier niet uitmondde in een huwelijk. En nog steeds wist Tessa de reden niet; wist ze niet welke mensen ze moest zoeken om de daden van haar grootmoeder uit te leggen. Maar welke mensen en welke daden?
'Tes?' klonk de ongeduldige stem van Minoes. 'Je hebt gelijk, ik heb je verwaarloosd. Zullen we overmorgen naar de film gaan? Jij mag hem uitkiezen.'
'Geweldig.' Minoes was onmiddellijk weer in een goed humeur. Ze keek Tessa aan. 'Weet je wat ik nog steeds niet begrijp? Dat jij je ziel en zaligheid verpand hebt aan biologie. Wat je eraan vindt!'
'Noes, heb je wel eens een druppeltje slootwater onder een microscoop gezien? Geweldig, al die algjes: eencellig, meercellig, draadvormig, stervormig...'
'Bespaar me, Tes, ik vind echt helemaal niets aan algjes,' onderbrak Minoes het geestdriftige betoog van haar vriendin.
Tessa zuchtte. 'Wat ben jij de laatste tijd ongelooflijk saai geworden!
'Ik vind ook dat je totaal niet past tussen al die nerds. En ik kan me je ook niet voorstellen in zo'n afschuwelijke regenjas met rubberlaarzen aan al baggerend door de modder. Jakkes.'
'Ik vind het heerlijk om door de modder te baggeren en niet iedereen die biologie studeert, is een nerd. Er lopen ook heel leuke meiden rond,' merkte Tessa op.
'Ik ben ze nog niet tegengekomen, Tes, en die mannen vind ik tien keer niks. Meestal dragen ze geitenwollen sokken en ruiken ze ongewassen.'
Tessa lachte. Een beetje gelijk had Minoes wel. 'Zullen we het voor de verandering eens over jouw studie hebben?' vroeg ze.
'Alsjeblieft niet. Het is dat je met rechten veel kanten uit kunt, anders had ik die stomme studie nooit gekozen. Intens saai.'
'En dat begrijp ik nu weer niet.' Tessa keek haar vriendin hoofdschuddend aan. 'Hoe kun je nu een studie nemen die je niet leuk vindt, alleen maar omdat de vooruitzichten op een baan zo goed zijn.'
'Dat zul jij ook nooit begrijpen, Tes,' snibde Minoes. 'Ik houd nu eenmaal van geld, een goed leven en een baan met status. En schud alsjeblieft niet zo met je hoofd, want dan lijk je precies op zo'n linksige wereldverbeteraar en je weet dat ik een vreselijke hekel heb aan die lui.' Tessa schoot in de lach. Minoes en de wereldverbeteraars, een onvoorstelbare en vooral onwenselijke combinatie die steevast uitmondde in een daverende herrie. Hoewel Tessa snakte naar de brieven van haar grootmoeder, legde ze zich erbij neer dat er die avond van lezen weinig terecht zou komen. Ze kon Minoes moeilijk wegsturen, want dan waren de rapen werkelijk gaar. Haar vriendin was nu al zo wrokkig dat Tessa zo weinig aandacht voor haar had. 'Zullen we wat gaan eten bij Mejuffrouw Janssen?' stelde ze daarom maar voor. Mejuffrouw Janssen was een gezellig restaurant in een van de werfkelders aan de Oudegracht met een bijzonder aardige bediening en een Franse keuken. Tessa at daar vaak omdat de prijzen zo schappelijk waren. 'Tot vanavond, oma,' fluisterde Tessa onhoorbaar voor haar vriendin toen ze haar kamer verliet en Minoes volgde naar de kleine hal. Ze wist heel zeker dat ze die avond alsnog een paar brieven ging lezen.
Tegen twaalven kwam Tessa thuis. Ze maakte snel een kop koffie, installeerde zich op de bank en nam de volgende brief uit het herbarium. Toen ze hem openvouwde, keek ze verbaasd naar de datum: 15 maart? Dan hoorde deze brief vast nog bij de vorige brief, want die was op dezelfde datum geschreven. Ze begon nieuwsgierig te lezen
Edam, 15 maart, 1938 Lieve Annabel,
Het is al laat, het carillon van de speeltoren heeft al gezongen, maar ik moet je toch nog even schrijven wat er vanavond is gebeurd. Om acht uur stapte ik de winkel binnen. 'Kind, wat ben je laat!' riep papa, die in het halfdonker nog de planken bijvulde met potten jam en dozen hagelslag. 'Ja, hè,' antwoordde ik. Snel liep ik naar binnen, waar mama me opwachtte. Het verbaasde me dat ze niet boos was. Ze keek me opgewonden aan. 'Ik zal eerst even je eten halen - ik heb het warm gehouden op het oliestel - en dan moet je me alles vertellen. Kind, wat geweldig dat je nu de eerste verkoopster bent geworden in die deftige winkel.'
'Alleen voorlopig, hoor, mam,' merkte ik waarschuwend op. 'Ach welnee, je zult zien dat mevrouw Laméris geen andere eerste verkoopster meer wil hebben.'
'Niet waar, ze vindt me nog te jong,' bracht ik ertegen in. Maar wat ik ook zei, mijn moeder wilde niet luisteren. Ze haalde alleen maar haar schouders op en haalde mijn eten: hutspot met een bal gehakt, niet bepaald mijn lievelingseten.
Ik vind de lucht afschuwelijk en ik houd ook niet van gekookte uien.
Papa was intussen binnengekomen en ging aan de tafel zitten. 'Vertel,' zei mama op gebiedende toon. Opeens viel haar blik op de ring die nog steeds om mijn wijsvinger zat. 'Hoe kom je daaraan? Gekocht, of misschien gekregen van mevrouw Laméris?' vroeg ze.
Ik slikte. Moest ik nu meteen al van Léon vertellen. Ik schudde mijn hoofd. 'Straks vertel ik wel van wie ik de ring heb gekregen,' hield ik de boot nog even af. 'Ik wil eerst vertellen wat er vanmorgen is gebeurd.'
'En laat dat kind nou eerst eens eten, Nita,' stelde papa voor. 'Ja, want ik heb nogal honger,' beaamde ik. Wat verzon ik de laatste tijd toch veel leugentjes om bestwil, maar waarom waren mijn ouders dan altijd zo nieuwsgierig? Ik had toch wel recht op wat persoonlijke vrijheid? Dapper begon ik aan de wortelenprak. Toen ik de laatste hap door mijn keel had gewurgd, legde ik mijn bestek neer en begon te vertellen wat er die morgen was voorgevallen. 'Ze zei dat ze ons nog wel zou krijgen als die vreselijke Hitler bij ons de baas zou worden. Ik werd er gewoon bang van,' zei ik. 'Ze keek daarbij zo gemeen.'
'Wat een vreselijk brutaal mens om in ons land de Hitlergroet te brengen. Ze moet maar gauw naar haar eigen land teruggaan,' zei mama verontwaardigd.
'En nu ben ik voorlopig de eerste verkoopster,' beëindigde ik mijn verhaal.
'Wat een geweldig nieuws, hè vader? Je krijgt toch zeker wel meer geld, want voor niets gaat de zon op,' merkte mama op. Ik knikte. 'Ik krijg nu zeventien gulden vijftig per week, maar die verhoging had ik ook gekregen als ik geen eerste verkoopster was geworden. Mevrouw Laméris is erg tevreden over mij.'
'Prima, dan kun je ons ook wat meer geven voor kost en inwoning. Wat vind je van zeven gulden vijftig? Dat is toch niet te veel voor kost, inwoning en bewassing.' Mama keek me onderzoekend aan.
Ik vond het eerlijk gezegd wel wat veel. Bijna de hele week zat ik in Amsterdam en ik zorgde daar zelf voor mijn brood, maar ik ging er maar niet tegen in. Als mama iets vindt, dan kan ik dat toch niet veranderen.
'We moeten per slot van rekening ook denken aan onze oudedagvoorziening,' zei mijn moeder beslist. En daar moet ik voor zorgen, dacht ik. Ach, wat kon het mij ook schelen. Over een jaar of twee ging ik toch trouwen met Léon.
Er viel even een stilte.
'En nu die ring. Wie heeft die gegeven?' Mijn moeder pakte mijn hand en bekeek de ring. 'Ziet er duur uit. Zeker geen dingetje uit de Franse Bazaar.'
Meteen werd ik weer herinnerd aan mijn eerste leugentje over de hanger die ik van Léon had gekregen. Ik haalde diep adem. Het was tijd voor de waarheid. 'Ik heb hem van... die vriend gekregen.'
Papa keek me niet-begrijpend aan, maar mama wist dadelijk wie ik bedoelde. Ze ging rechtop zitten, haar ogen begonnen te blikkeren.
Toch niet die ouwe man?'
'Hij is helemaal niet oud en ik houd van hem.'
'Ik had je nog zo verboden om met hem om te gaan. Heb je dan helemaal geen respect voor je ouders? Je hebt een belofte gebroken. Je moest je diep schamen. Je brengt die ring morgen ogenblikkelijk terug en je zoekt maar een baan hier of in de omgeving.'
Plotseling verdween mijn bangheid. Ook ik ging rechtop zitten. 'Ik geef toe, ik heb mijn woord niet gehouden, maar ik houd van hem en ik ga met hem trouwen,' zei ik kordaat. 'En ik zoek ook geen ander baantje. Ik blijf in Amsterdam.'
'Over wie hebben jullie het nu?' vroeg mijn vader klagend. 'Over Léon Irrgang, papa, een Joodse jongen die met zijn ouders tegenover de bruidswinkel woont op de Brouwersgracht.'
'Joods?' riep mijn moeder verwilderd uit.
'Joods,' zei ik koel. Mama moest niet zo hysterisch doen. Ik was al achttien en ik was niet van plan om langer naar haar pijpen te dansen. 'Of jullie het nu willen of niet, ik houd van Léon en ik ga met hem trouwen.'
'Jij... doet... niets,' zei mijn moeder met verheffing van stem. Haar gezicht had een dieprode kleur gekregen. 'Wij geven gewoon geen toestemming tot een huwelijk met die man. En daarmee uit.'
'Ik trouw met hem, met of zonder jullie toestemming, al moet ik tot mijn dertigste wachten, of we trouwen gewoon voor de kantonrechter.'
Mijn ouders keken me aan of ik niet goed in orde was. Mijn moeder barstte in tranen uit. Huilen is haar laatste wapen als woorden niet helpen. Zo brengt ze mijn vader in het geweer. En inderdaad, haar list lukte.
'Heb je nu je zin?' vroeg mijn vader verontwaardigd. 'Nita, toe, niet huilen, meisje. Beatrijs meent het niet. Zeg onmiddellijk tegen je moeder, Bea, dat je het niet meent.' Maar ik meende het wel en deze keer gaf ik niet toe. Het ging om mijn geluk en mijn leven. Ik schudde mijn hoofd en zei kalm: 'Al gaat heel Edam huilen of op zijn kop staan, ik trouw met Léon.'
Kennelijk sprak ik zo overtuigend dat de tranenstroom van mijn moeder acuut opdroogde. Ze houdt niet van verspilling, zelfs niet van tranen.
'En Mathijs dan?' vroeg ze wrokkig. Al haar dromen gingen in rook op door mij. 'Zo'n goede partij. Die jongen is dol op je.'
'Mam, ik weet zeker dat Mathijs trouwt met een lief meisje uit Edam, maar dat zal ik niet zijn, want ik houd niet van Mathijs van Anrooy en in de toekomst zal ik ook niet van hem houden.'
'En wat vinden die ouders van die, hoe heet hij ook alweer?'
'Léon, Léon Irrgang.'
'... van die Léon Irrgang ervan dat hij met een niet-Joods meisje thuiskomt?' maakte mijn moeder de vraag af. 'Dat weet ik niet. Léon zou het vanavond zijn ouders vertellen. Hij zat namelijk een paar maanden in Engeland en is vandaag teruggekomen.'
'Wat doet die man voor de kost?' wilde mijn moeder weten. 'Léon is bankier, net als zijn vader. Ze zijn eigenaar van een bank in Amsterdam.'
Ik zag mijn moeder opveren. Er kwam een opgewonden trek op haar gezicht. Een bankier? Maar dat veranderde de zaak natuurlijk. Ik wist precies hoe ze dacht. Mama is altijd al gevoelig geweest voor status en geld, hoewel ze zelf beweert dat dat niet het geval is.
'Als je maar niet naar een synagoge moet.'
'Ik denk niet dat zijn ouders en hij naar de synagoge gaan. Léon is wel Joods, maar draagt geen keppeltje. Hij ging ook met mij mee naar de Westerkerk.'
'Dan is hij dus bekeerd,' merkte mijn vader voldaan op.
Ik wist niet of Léon bekeerd was. Daarvoor kenden we elkaar te kort. Gek dat geloven altijd voor problemen zorgt. Waarom zijn er nou zoveel religies? Eén is toch meer dan genoeg, vind ik.
'Die hanger heb je natuurlijk ook van hem,' merkte mijn moeder opeens op. Ze keek naar het emaillen sieraad dat ik van Léon had gekregen op Valentijnsdag. Ik knikte beschaamd.
'Nou, je bent zeker niet in de eerste leugen gestikt,' zei mama afkeurend. Ze pakte mijn bord met daarop het bestek en bracht het naar de keuken. Toen ze terugkwam, zei ze: 'Breng die jongen dan maar eens hier, dan kunnen we zien wat hij voor man is.'
Ik glimlachte. Ik had gewonnen.
Annabel, ik ben zo gelukkig, meer dan ik je schrijven kan. Liefs van je Beatrijs
Die oma Beatrijs, dacht Tessa verwonderd. Ze had nooit verwacht dat haar grootmoeder zo koppig was geweest en zo voor zichzelf was opgekomen. Oma had altijd zo meegaand geleken. Wel was ze een kampioen geweest in het vermijden en ontwijken van lastige situaties en conflicten. Zo gauw bijvoorbeeld tante Hil en haar kroost het huis van Tessa's ouders via de voordeur binnenstapten, verdween oma meestal geruisloos door de achterdeur naar buiten naar haar eigen huis.
Tessa las nog een keer de laatste passages van de brief. Oma, die als jong meisje niets had gevoeld voor Mathijs van Anrooy, was toch later met hem getrouwd. Wat was daarvoor de reden geweest? En voor zover Tessa had gezien was het huwelijk van haar grootmoeder erg harmonieus geweest. Kon je dan zomaar van de ene liefde naar de andere overstappen?
Ze borg de brief op en opende de volgende envelop.
Edam, 21 maart, 1938 Lieve Annabel,
Het is avond en ik ben bloednerveus. Ik ben er zelfs misselijk van. Morgenmiddag ga ik naar de ouders van Léon. Hij haalde me vanmiddag op van mijn werk en vertelde het me. 'Wat vonden je vader en moeder van mij?' vroeg ik toen we langs de grachten wandelden. 'Ze kennen je toch niet?' zei hij verbaasd. 'Ik bedoel dat je met een niet-Joods meisje thuiskomt.' Léon haalde zijn schouders op. 'Ze hebben niets te vinden. Ik heb alleen maar iets te vinden en ik vind jou een aanbiddelijke, kleine prinses.' Hij sloeg zijn arm nog vaster om me heen. Ik bloosde. Aanbiddelijk... Dat woord gebruikten wij alleen voor God. Natuurlijk bedoelde Léon heel iets anders, maar als hij dat woord maar niet gebruikte als mijn ouders erbij waren, dacht ik benauwd. Ik zag het gezicht van mijn moeder al voor me. Morgen zal ik mijn mooiste jurk maar meenemen en die 's middags aandoen.
22 maart, 1938
Hèhè, het is achter de rug. Vanmiddag heb ik voor het eerst de vader en moeder van Léon ontmoet. Bibberend van de zenuwen stond ik in de winkel te wachten tot Léon me zou ophalen. Ik droeg een kort jasje over mijn zondagse jurk en witte handschoentjes.
'Ze eten je heus niet op, lieve kind,' zei mevrouw Laméris. 'Je ziet er heel mooi uit.'
Haar woorden hielpen me niet echt.
Léon haalde me op. Hij lachte om mijn zenuwen. 'Mijn moeder is vast verrukt van je als ze je ziet, evenals mijn vader. Je ziet er schitterend uit,' zei hij verliefd. 'Maak je maar geen zorgen.'
Even later stonden we voor de deur van het statige pand aan de Brouwersgracht. Léon belde aan en een dienstmeisje deed open. Stel je voor, Annabel, een dienstmeisje zoals alleen de burgemeester heeft, jij kent ze natuurlijk wel, compleet met witkanten kapje op haar hoofd en een wit schortje afgezet met een broderierandje over een zwarte jurk, heel chic. We liepen over een donkergroene loper door een hoge, lange marmeren gang met een zachtgroen gelakte lambrisering. Vanaf het plafond hingen twee prachtige kristallen kroonluchters. In de gauwigheid zag ik ook nog een kleine Breitner aan de muur: een in oranjerode kimono gekleed meisje liggend op een sofa. Je moet toch wel erg rijk zijn wil je zo'n schilderij aan de muur hebben hangen, of zou dat schilderij niet echt zijn geweest? Nee, dat kan ik niet geloven. Aan het einde van de gang opende het dienstmeisje een deur. We kwamen terecht in een oranjerie, een soort serre maar dan veel groter, met openslaande deuren naar een lange tuin met een gazon en een paar oude bomen. Overal bloeiden de eerste krokussen en narcissen.
'Dag mam, dit is nu mijn liefste Beatrijs Voordewind,' zei Léon en hij trok me mee naar een paar palmboompjes in potten die in de oranjerie stonden. Verscholen tussen deze boompjes zat de moeder van Léon in een rolstoel. Haar grijze krulhaar was nu in een wrong opgemaakt. Haar donkere ogen - Léons ogen - straalden in haar ronde gezicht. Ze lachte toen ze haar beide handen uitstak naar mij: 'Welkom, lieve kind,' zei ze hartelijk. Mijn zenuwen smolten weg als sneeuw voor de zon. Ik pakte haar handen. Na de begroeting moest ik naast haar komen zitten in een stoel van glanzend rotan met een stel zijden sierkussens. Alles om me heen straalde luxe en rijkdom uit: de glanzende houten vloer die ingelegd was met motieven; de stoelen en tafeltjes die vast afkomstig waren uit Indië; de sierkussens die geborduurd waren met exotische vogels en bloemen en de dunne kanten gordijnen die heen en weer wiegden in de wind die door de openslaande deuren de oranjerie in kwam. Ik keek mijn ogen uit.
'Wat vindt u van mijn uitverkorene, mam? Is ze geen plaatje met dat klassieke gezichtje?' vroeg Léon. Hij schoof een stoel erbij en ging naast me zitten. Ik bloosde. Nog nooit eerder had iemand zoveel complimenten over mijn uiterlijk gemaakt. 'Ik vind haar beeldschoon en bovenal lief,' meende Léons moeder. 'En wat een geweldige achternaam: Voordewind. Die kan onze familie wel gebruiken met alle tegenslagen van de afgelopen jaren.' Ze lachte uitbundig. De deur ging open. Twee dienstmeisjes - hoeveel dienstmeisjes liepen er wel niet rond in dit huis? - kwamen binnen. De een droeg een blad met glazen en diverse soorten limonades en de ander een schaal met petitfours. Ik herkende ze meteen: de kleine taartjes waren afkomstig van bakkerij Rombouts in de Spuistraat. Nu kon ik ze eindelijk zelf proeven en ervan genieten. 'Straks moet je me alles vertellen: over jezelf, wie je ouders zijn en wat ze doen,' zei mevrouw Irrgang. De moed zonk me plotseling in de schoenen. Had ik maar een dokter, een notaris of een burgemeester als vader en woonden we maar in een groot, deftig huis, dan was er niets aan de hand geweest en had ik zelfs een beetje kunnen opscheppen. Maar er was niets chics aan mijn ouders. Mijn vader was kruidenier en moest heel hard werken om zijn hoofd boven water te houden, terwijl mijn moeder hem meehielp in de winkel. Ik voelde me schuldig omdat ik me schaamde voor mijn vader en moeder, maar het idee dat mijn ouders hier eens zouden komen om kennis te maken met Léons ouders vervulde me met ongerustheid. Had Léon dan nog helemaal niets verteld over mijn achtergrond? Hulpzoekend keek ik hem aan, maar hij glimlachte alleen maar verliefd en streek af en toe liefkozend over mijn arm. Nou ja, ik moest straks toch maar de waarheid vertellen en op goed geluk afwachten wat ervan kwam. Ik was nu eenmaal de enige dochter van een kruidenier in Edam. Toen ik een hapje van het heerlijke petitfourtje nam, vergat ik even mijn zorgen. Het taartje was ronduit verrukkelijk.
Ik kwam niet aan vertellen toe, want de deur ging weer open en de vader van Léon stapte de serre in. Van dichtbij zag hij er veel jonger uit dan ik me had voorgesteld. Dat kwam waarschijnlijk door het grijze baardje en de donkere kleren die hij altijd droeg. Nu was hij gekleed in een beige pak. Hij glimlachte, maar de lach bereikte zijn ogen niet. Ik heb toch al wat ervaring opgedaan met klanten die aardig lijken, maar het niet zijn. Léons vader was niet blij, of was ik te gevoelig en verbeeldde ik het me maar?
Hij schudde mijn hand. 'Welkom in dit huis,' zei hij met een diepe stem. Ik moet toegeven: hij heeft een heel mooie stem, een soort bronzen klokgeluid, als je begrijpt wat ik bedoel. Meneer Irrgang vroeg Léon naar de zaken in Engeland en of hij al vorderingen maakte met de nieuwe bank. Af en toe mengde ook Léons moeder zich in het gesprek en ik luisterde alleen maar toe en keek ondertussen om me heen. Er was genoeg te zien: de zachtgele porseleinen wandlampen die tussen de ramen tegen de buitenmuur hingen. Maar mijn aandacht werd vooral getrokken door een beeldje van diep donkerbruin, bijna zwart, glanzend hout op een hoog tafeltje, zo sierlijk en mooi dat ik mijn ogen er niet vanaf kon houden. Het stelde een vrouwenfiguurtje voor met lang haar, de armen kruislings voor het lichaam gevouwen. Er ging iets ingetogens en tegelijk iets treurigs van uit. Ik werd zo in beslag genomen door het kunstwerk dat ik niet eens de plotselinge stilte opmerkte die in de oranjerie viel. Er verschoof een stoel. Ik schrok en keek op. Drie mensen keken mij aandachtig aan. Ik bloosde.
'Vind je het mooi?' vroeg Léons moeder.
'Prachtig,' antwoordde ik verlegen. 'Net de kleine zeemeermin van Andersen, maar dan rechtopstaand met benen.' Niemand lachte en daar was ik heel erg blij om. Toevallig ontmoette ik de ogen van Léons vader. Die ogen stonden even zonder terughoudendheid. 'Wat aardig,' zei hij. 'Precies dezelfde woorden gebruikte Rachel ook toen ik het beeldje voor haar kocht.' Hij keek zijn vrouw glimlachend aan. 'Nietwaar, liefste?'
Léons moeder knikte.
Mijn beduchtheid voor de vader van Léon verdween enigszins toen ik zijn reactie zag.
'Je blijft vanavond toch wel dineren?' vroeg de moeder van Léon.
Daar had ik eigenlijk niet op gerekend. Dineren? Dat klonk zo chic. Wat hield dat in?
'Natuurlijk blijft mijn kleine Beatrijs bij ons eten,' zei Léon liefkozend. Hij sloeg een arm om mijn schouders en trok me plagerig lachend naar zich toe.
'Maar mijn ouders rekenen op me,' protesteerde ik. 'Dan bel je ze maar op,' merkte Léon beslist op. 'En zeg ook maar dat ik je thuisbreng; dat je niet alleen door het donker naar huis gaat.'
Wat een geluk dat we tenminste wel telefoon hebben, anders leken we helemaal zo achterlijk in Edam. Toen ik opbelde, sputterde mama eerst nog wat tegen. 'Kind, ik heb net zo lekker gekookt,' maar ten slotte legde ze zich er toch bij neer dat ik langer in Amsterdam bleef, ook al omdat ik zei dat Léon me thuis zou brengen.
Toch wel wat zenuwachtig wachtte ik de avondmaaltijd af. In een speciale eetkamer was de tafel gedekt met een witdamasten tafelkleed en een prachtig servies (Rosenthal porselein naar later bleek). Midden op de tafel stonden wel vijf kaarsen in zilveren kandelaars en bij elk bord ook nog twee hoge, waarschijnlijk kristallen glazen, want als je op een bepaalde manier keek, zag je een regenboogglans verschijnen. Zouden ze wijn drinken? Ik had nog nooit wijn gedronken. Ik keek naar het uitgebreide bestek dat naast de borden lag. Met welke lepel, vork of mes moest ik beginnen? Ik zou Léon maar goed in de gaten houden en precies doen wat hij deed. Voordat we gingen eten, sprak meneer Irrgang een gebed uit, terwijl hij zijn handen een stukje omhooghield alsof hij het eten zegende. Ik vond de woorden prachtig en plechtig klinken. Léons moeder keek me na het 'amen' vriendelijk knikkend aan.
Twee dienstmeisjes in zwarte jurkjes en witkatoenen schortjes kwamen binnen met schalen. Het eerste gerecht was kippensoep. Bij ons thuis eten we eigenlijk alleen maar tomaten- en groentesoep en heel af en toe bloemkoolsoep, maar daar houd ik niet van. Daarna volgde het hoofdgerecht dat bestond uit geroosterd lamsvlees met aardbeiensaus, aardappelkoekjes en sperziebonen. Wist je dat die aardappelkoekjes in het Joods latkes heten en dat die aardbeiensaus geweldig smaakte bij het vlees? Dat had ik niet verwacht. Léon opende een fles wijn.
'Doe mij maar tot de helft, ik heb nog nooit wijn gedronken,' zei ik dodelijk verlegen toen hij mijn glas pakte. Meneer Irrgang keek me verbaasd aan en trok daarna zijn wenkbrauwen op. Hij vond me vast een dom schaap zonder opvoeding.
Ik wachtte tot iedereen zijn glas opnam. 'Lechajem,' klonk het toen. Dat betekent, denk ik, proost. Ik nam heel voorzichtig een slokje van de rode wijn en vond hem niet zo lekker. Dat komt natuurlijk omdat ik geen wijn gewend ben. Als dessert kregen we een appeltaart die aan de bovenkant bedekt was met een korstje van bitterkoekjes met amandelen, het leek wel wat op marsepein. Heerlijk! Léon pakte een fles witte wijn, maar met een beslist gebaar legde ik mijn hand op het tweede glas. Ik hoefde niet meer wijn. Trouwens, ik had de rode wijn nog niet eens opgedronken. Léons moeder begon te lachen, maar zijn vader keek afkeurend. Ik nam het laatste restje rode wijn en dronk het in één teug op. Een tijdje daarna voelde ik me zomaar wat losser worden. Zelfs de afkeurende blikken van meneer Irrgang deerden me niet meer.
Tijdens het nagerecht zei Léons moeder: 'Vertel eens wat meer over jezelf. Wij, Reuben en ik...' Ze knikte met haar hoofd even naar haar man.'... zijn zo benieuwd naar je, nietwaar, Reuben?'
Léons vader knikte heel kort. Eerlijk gezegd geloofde ik niet dat meneer Irrgang hoe dan ook geïnteresseerd was in mijn leven. Hij was waarschijnlijk teleurgesteld dat zijn zoon niet met een welgesteld, Joods meisje was thuisgekomen. Om moed te vatten, haalde ik diep adem. 'Mijn vader heeft een kruidenierswinkel in Edam, dat is een stadje dicht bij het IJsselmeer. We wonen aan de Lingerzijde. Mijn moeder helpt hem als het druk is in de winkel en met de bestellingen. Ik werk in de bruidswinkel La robe de mariée aan de overkant. Sinds verleden week ben ik daar de eerste verkoopster. Mijn voorgangster...' Ik zweeg plotseling. Eigenlijk wilde ik de naam vanFraulein Benedict hier niet noemen. Ik wilde niemand van streek maken, maar drie paar ogen keken mij vragend aan.
'Ik bedoel... Mevrouw Laméris heeft mijn voorgangster op staande voet ontslagen,' merkte ik ongemakkelijk op. 'En wat had die juffrouw dan uitgevoerd dat ze op staande voet werd ontslagen?' wilde Léons vader weten. 'Ze... ze bracht de Hitlergroet,' zei ik. Ik zag dat die mededeling een lichte schok teweegbracht.
'De Hitlergroet? Was ze dan een Duitse?' vroeg mevrouw Irrgang. Haar ogen hadden alle vrolijkheid verloren. Ik knikte. 'Juffrouw Benedict woonde al een paar jaar in Holland. Ze wilde het vak van coupeuse leren van mevrouw Laméris. Ze luisterde altijd naar de Duitse radio als mevrouw Laméris er niet was. Die wilde dat niet.'
'En omdat ze wel naar die radio luisterde, werd ze ontslagen?' vroeg meneer Irrgang.
'Ja, gelukkig wel, maar ik ben bang... Juffrouw Benedict zei...' Ik durfde mijn zin eigenlijk niet af te maken.
'Die vrouw zei...?' drong meneer Irrgang aan.
'Dat ze eens terug zou komen als zij de macht hadden. Ze bedoelde waarschijnlijk...'
'We weten wie en wat ze bedoelde,' merkte meneer Irrgang op.
'O, kunnen we het niet over iets anders hebben?' vroeg Léons moeder klagend. 'Al dat lekkere eten.'
'Ja, dat vind ik nu ook,' sprak Léon. 'Heb ik jullie verteld dat Beatrijs en ik verleden jaar naar die Breitnertentoonstelling zijn geweest? Mijn kleine Hollandse was weg van de schilderijen. Ze vond ze zelfs mooier dan de Nachtwacht, nietwaar, Beatrijs?' Hij keek me aan met zijn halfernstige lach. 'Vooral de kimonomeisjes vond ze geweldig.'
'Dan heb je natuurlijk ook ons kimonomeisje gezien,' merkte Léons moeder op.
'Ja, in de gang,' beaamde ik.
'Ik zal je straks het huis rondleiden langs de andere schilderijen. Je zult ze beslist mooi vinden,' stelde Léon voor. Na het diner leidde Léon me rond door het huis. Ik raakte nog dieper onder de indruk. Ze hebben een badkamer waarin een badkuip staat met een mahoniehouten omlijsting en goudkleurige kranen. En ook nog eens een goudkleurige douche, die aan de muur hangt maar die je ook als handdouche kunt gebruiken. Ik keek mijn ogen uit naar de schelpvormige porseleinen zeepbakjes met de verschillende soorten zeep die op het brede mahoniehouten plateau van het bad stonden; naar alle flacons, de bussen Engelse talkpoeder, de haarborstels en kammen en de potjes crème die op een porseleinen planchet vlak onder een grote spiegel stonden. Even dacht ik aan thuis. We hebben een badcel met een grijs granieten vloer en een grijs metalen douche die je alleen maar naar boven en naar beneden kunt draaien. En nergens flacons of potjes crème... Alleen maar drie tandenborstels in een beker, een tube Prodent en een stuk zeep die op de richel van de wasbak staan. En dan mogen we nog blij zijn, want er zijn mensen die niet eens een badcel hebben. Die moeten zich wassen bij de kraan in de keuken en om in bad te gaan, gebruiken ze een tobbe of ze gaan 's zaterdags naar het badhuis. Wat is het toch prettig om een beetje geld te bezitten. O Annabel, de slaapkamers en de keuken... Er wordt zelfs gekookt en gebakken in koperen pannen! Allemaal even gerieflijk. In veel kamers hingen schilderijen van beroemde schilders. Ik denk dat de familie Irrgang schat- en schatrijk moet zijn. Na de rondleiding gingen we naar de woonkamer (salon, zegt Léon) waar een zwartglanzende vleugel stond. 'Hè lieverd, wil je even iets voor ons spelen? Iets van Beethoven of Grieg? Of nee, ik weet het al, een stukje uit Kinderszenen van Schumann,' stelde mevrouw Irrgang voor aan Léon.
Léon ging achter de vleugel zitten en begon te spelen. Ik kreeg kippenvel op mijn rug van de langzame, weemoedige muziek, zo prachtig en zo ontroerend. Ik keek naar hem, mijn liefste Léon, zo knap, zo... zo geweldig. Hoe kon het dat hij uitgerekend mij, de dochter van een kleine kruidenier uit Edam, had uitgekozen om verliefd op te worden? Hij kon toch iedereen krijgen? Ik stond werkelijk voor een raadsel.
Het was al bijna donker toen Léon aankondigde dat de auto voorstond. Hadden ze dan een auto, vroeg ik me verbaasd af. Inderdaad, voor de deur stond een wijnrode Ford met chauffeur, maar Léon zei dat hij zelf reed. Ik nam afscheid en bedankte hartelijk voor de ontvangst en het diner. Toen stapte ik naast Léon in de wagen. Ik voelde me precies een prinses.
We reden door de invallende schemering naar de pont. Het leek bijna op een sprookje. Wat zouden mijn ouders wel niet zeggen: hun dochter thuisgebracht in een auto? Mijn moeder zou het de volgende dagen aan iedereen vertellen, dat wist ik heel zeker. Maar ik werd toch ook wel een beetje ongerust. Wat zou Léon van mijn ouders vinden en hoe zouden mijn ouders reageren op hem?
Léon was stil en daar was ik blij om, want ik voelde me soezerig. Kwam dat nu alleen maar door dat halve glaasje wijn? 'Beatrijs, ik ga niet met je mee naar binnen. Het is al laat en dan hoort het niet dat ik op kennismakingsbezoek kom. Dat wil ik voor een andere keer bewaren. Vind je dat goed?' Ik knikte, ik vond het prima. Dan hoefde ik me meteen geen zorgen meer te maken over de reactie van vooral mijn moeder. Die kon soms zo overdreven doen. We reden de Lingerzijde op, waar ik woon. Het was doodstil. Léon stopte vlak voor de deur. Hij draaide zich naar me toe en sloeg zijn armen om me heen. 'Welterusten, lieve Beatrijs. Ik sta morgenavond om zes uur weer bij de winkel. Dan praten we verder.' Hij kuste me en liet me toen los. Toen stapte hij uit, deed de deur aan mijn kant open en tilde me uit de auto. Even klemde hij me tegen zich aan. 'Ik houd zo ontzettend veel van je,' fluisterde hij. Hij zette me neer. Ik zag hoe het licht in de winkel aanging, maar Léon wachtte niet af tot de deur openging. Hij stapte weer in en reed weg. Mama opende de winkel. Ze zag nog net hoe de achterlichten in het donker verdwenen. 'Waarom kwam die jongen niet binnen?' vroeg ze een beetje gepikeerd.
'Dat vond hij niet gepast,' antwoordde ik. 'Hij wil zich officieel aan u voorstellen.' Waar haalde ik de woorden vandaan. 'Poeh,' zei mijn moeder en ze liep schokschouderend naar binnen.
Ze was verontwaardigd maar ook onder de indruk, merkte ik. Toen ik achter haar naar binnen liep, was ik het liefst regelrecht naar mijn eigen kamer gegaan, maar dat ging niet door. In de huiskamer zei mijn moeder bazig: 'En nu alles vertellen. Hoe waren zijn ouders en hoe zag het huis er vanbinnen uit en waaruit bestond de avondmaaltijd.'
'Waarmee moet ik beginnen?' vroeg ik. 'Vertel me eerst maar eens iets over zijn ouders. Waren ze aardig en hoe zagen ze eruit? Droeg die vader binnen ook een kapje op zijn hoofd?' Mama vuurde de vragen op me af. 'Zijn ouders zijn erg aardig,' begon ik. 'Zijn moeder is mooi. Ze heeft een vrolijk gezicht met donkerbruine ogen en grijs krulhaar dat in een wrong was opgestoken en ze is heel vriendelijk.'
'Wat voor jurk had ze aan?'
'Léons moeder droeg een grijze jurk van crêpe de Chine, heel deftig en mooi.'
'Toe maar, crêpe de Chine.' Er klonk een ondertoon van lichte jaloezie door in mijn moeders stem. 'Hoe oud is die moeder?'
Dat vind ik altijd zo moeilijk om iemands leeftijd te schatten. 'Ik dacht midden vijftig of zo,' antwoordde ik aarzelend. 'En die vader, hoe ziet die man eruit?'
'Lang, donkere ogen, een grijs baardje dat hem ouder doet lijken dan hij is. Hij is heel beleefd.'
'En het huis?'
'Groot, mooi, duur ingericht. Léon liet het me zien. Alle kamers hadden een bepaalde kleur: een groene kamer, een blauwe kamer... En de badkamer was echt geweldig. Met een bad en een goudkleurige douche en kranen.'
'Zo, die mensen zwemmen zeker in het geld, en wat moet ik me voorstellen bij een blauwe en groene kamer? Dat lijkt me nou helemaal niets, vooral niet de groene kamer,' vond mama en ze snoof afkeurend. Dat doet ze altijd als ze jaloers wordt. 'Die kamer was juist prachtig. De lambrisering was zachtgroen geschilderd, evenals de raam- en deurkozijnen en de deur had een iets donkerder kleur groen. De sprei, de kussens in de stoelen waren groen met crème en roze motieven en het crème vloerkleed had groene randen. Echt, heel mooi, mam,' zei ik op verdedigende toon. 'En overal hingen schilderijen van beroemde schilders. Léon noemde die mensen impressionisten. Ze schilderden...'
'Laat maar, lieverd, dat komt een andere keer wel,' merkte mama ongeduldig op. 'Het eten.'
Jammer, ik had zo graag nog willen vertellen over het prachtige schilderij met de balletdanseressen van Renoir dat ik had gezien in een van de logeerkamers. Maar als mijn moeder dat niet wilde horen, dan hield het op. Ik vertelde van de speciale eetkamer, de prachtig gedekte tafel met de kaarsen en de wijn.
'Wijn?' riep mijn vader uit. 'Kind!' Mijn vader is geheelonthouder, maar mijn moeder niet. Die lust graag een glaasje - zeg maar glas - advocaat of boerenjongens. 'Ik heb maar een half glas gedronken en ik vond het niet eens lekker,' zei ik snel, doodsbang dat papa begon te zeuren over de gevaren van wijn en sterkedrank. Ik zag dat hij zijn mond open wilde doen, maar mijn moeder was sneller en kapte hem af. Zij wilde alles weten over het voedsel dat was opgediend. 'Werd er vooraf nog gebeden?' vroeg mijn vader. Ik knikte.
'Zoals wij doen?' Papa keek me afwachtend aan.
Ik knikte weer.
'Gaan ze naar de kerk?'
'Hè Johan, alsjeblieft, begin nou niet over de godsdienst te praten. Dat komt later wel,' merkte mijn moeder geprikkeld op. 'Nou, Bee, wat aten ze?'
Gehoorzaam begon ik de gerechten op te noemen: 'We begonnen met kippensoep en daarna kregen we aardappelkoekjes...'
'Aardappelkoekjes? Je kunt van aardappels toch geen koekjes maken,' sneed mijn moeder dwars door mijn antwoord heen. 'Toch wel,' zei ik beslist. 'Heerlijk knapperig vanbuiten en stevig vanbinnen.'
'Zeker gebakken puree,' suggereerde mijn moeder.
'Nee, het leek wel of die aardappels nadat ze geschild waren geraspt werden.'
'Vraag volgende keer maar die moeder om het recept.'
'Maar Léons moeder kookt zelf niet. Ze hebben in dat huis een kokkin en drie dienstmeisjes en een tuinman die twee keer in de week langskomt.'
Mijn moeder slikte en keek me met grote ogen van verbazing aan. Wat een personeel, zag ik haar denken. Het was wel een beetje schrijnend dat papa en zij zich niet eens een winkelmeisje konden veroorloven, vond ik zelf. 'Bij die aardappelkoekjes kregen we geroosterd lamsvlees met aardbeiensaus en sperziebonen.' Lamsvlees en nog wel geroosterd, aardbeiensaus... 'In wat voor wereld leven die mensen?' vroeg mijn moeder zich hardop af.
Tja, een heel andere wereld. De wereld van rijke, deftige mensen zoals de burgemeester. Ik denk dat jij soms ook wel heel ander voedsel hebt gegeten dan ik, Annabel. Vast geen hutspot met klapstuk en zeker geen spruitjes. Ik haat spruitjes. Nadat ik alles uitvoerig had verteld, lieten mijn ouders mij gaan. Ik was doodmoe, maar toch wilde ik eerst de gebeurtenissen van deze dag opschrijven. Ik duizel nog steeds een beetje. Ik kan zeker niet tegen wijn, of komt het misschien ook door de spanning van de dag? Want spannend was het.
Liefs van je Beatrijs.
Tessa zuchtte terwijl ze de brief weer in de envelop deed. Wat had haar grootmoeder interessante mensen ontmoet in haar leven. Die hele familie Irrgang... En zoals oma Beatrijs het huis beschreef, zo beeldend. Tessa had als het ware de oranjerie, de eetkamer en de groene kamer voor zich kunnen zien. Wat moesten die ouders van Léon Irrgang superrijk zijn geweest: impressionisten aan de wand, stel je voor, een echte Matisse of Renoir... En dan het beeldje. Wat een geluk dat papa en zij bijtijds het ebbenhouten beeldje uit de handen van tante Hil hadden kunnen redden. Tessa stond op en pakte het beeldje dat ze in haar boekenkast op een stapel boeken had neergezet. Haar handen gleden strelend over het glanzende hout. Als dit beeldje kon vertellen door welke handen het was gegaan en wat het had meegemaakt: gesneden uit een stuk ebbenhout door een Duitse kunstenaar in de Jugendstilperiode, tenminste, daar ging Tessa van uit. Gekocht door Reuben Irrgang voor zijn vrouw en daarna in het bezit gekomen van grootmoeder Beatrijs. Hoe, dat was Tessa nog een raadsel, maar dat zou ze zeker nog ontdekken in een van de volgende brieven. Ze zette het beeldje weer terug. Nog één brief? Ze was zo ontzettend benieuwd naar de kennismaking van Léon Irrgang met haar overgrootouders. Haar handen strekten zich alweer uit naar de volgende stapel papierbladen met daarin de brieven. Ze opende de envelop, haalde de brief eruit, maar tegelijkertijd gleed er een kleine foto tussen het papier uit. Tessa raapte de foto op van de grond. Daar stonden haar grootmoeder en een man met donker krullend haar tegen de achtergrond van een gordijn. De foto was kennelijk genomen in een studio. Haar grootmoeder droeg een pothoedje, een gerende jas en om haar hals een sjaal van bont. Ze keek een beetje verlegen onder het hoedje vandaan. De man naast haar lachte half ernstig, half vrolijk, alsof hij zichzelf geen echte vrolijkheid durfde toe te staan. Deze man moest Léon Irrgang zijn, meende Tessa. Ze bekeek de foto van dichtbij. Een superknap stel. Oma die net tot de schouders reikte van de man. Tessa draaide de foto om. Er zat een stickertje op met de naam en het adres van de fotostudio in gouden sierlettertjes. Daarnaast stond in het handschrift van oma Beatrijs geschreven: Geluk kun je niet zoeken, bet valt je toe. En het werd u ook weer afgenomen, dacht Tessa. Ze legde de foto apart en begon te lezen.
Edam, 29 maart, 1938
Lieve Annabel,
Gelukkig, de kennismaking tussen mijn ouders en Léon is achter de rug. Ik had er vreselijk tegenop gezien, maar het viel gelukkig mee.
Léon haalde me om twaalf uur van mijn werk. Ik was nog niet klaar, maar dat hinderde niet. Hij vond het niet erg om te wachten. Sinds ik eerste verkoopster ben, moet ik wel meer doen. Ik keek snel over het matglazen etalagescherm naar de overkant van de gracht. Daar stond de wijnrode auto geparkeerd. Zou Léons vader die besteld hebben, of gingen wij met de wagen naar Edam? Dat laatste zou ik natuurlijk wel leuk vinden.
'We gaan met de auto, want vanavond moet ik naar een vergadering,' zei Léon, die mijn blikken wel had gezien. Voordat we instapten, gaf hij me een pakje.
'Waarom?' vroeg ik verbaasd. Ik was toch niet jarig en Valentijnsdag was ook al achter de rug.
'Moet er dan een reden zijn? Mag ik je niet zomaar iets geven?' Léon keek me glimlachend aan.
Ik maakte het pakje open. Er zat een zijden sjaal in bedrukt met slingerachtige motieven in blauwe, groene en zachtroze kleuren op een witte achtergrond. 'Maar dat is toch veel te mooi!' riep ik uit.
'Niets is te mooi voor mijn Beatrijs,' zei Léon. Ik kon geen woord meer uitbrengen. Drie kwartier later reden we over de grote weg naar Edam. Op de achterbank lag een grote bos bloemen. Dat vond ik zo aardig van Léon en ook slim. Maar ik werd ook onmiddellijk overvallen door een schuldgevoel. Had ik ook niet iets mee moeten nemen voor Léons ouders? Helaas, gedane zaken nemen geen keer. 'Houdt je vader van sigaren?' vroeg Léon. Ik knikte.
'Gelukkig, dan heb ik die doos niet voor niets gekocht.' Het was stralend weer, maar ik merkte er niet zo veel van. Ik maakte me druk om de ontmoeting. Als mama nu maar niet zo overdreven deed. Ze kan zich soms zo'n voornaam air aanmeten. Dat doet ze als ze bijvoorbeeld praat met mevrouw van de dokter of met die babbelachtige mevrouw Kooiman, de vrouw van de gemeentesecretaris. Mijn moeder praat dan heel geaffecteerd en spreekt de letter 'e' raar uit: lopan en rijdan in plaats van lopen en rijden. Als ze dat nu maar niet tegen Léon zou doen, want dan zou ik me zo schamen en dat voelt zo vervelend. Ik houd van mijn ouders en ik wil me niet voor hen schamen.
'Wat ben je stil, Beatrijsje, is er iets?' vroeg Léon. Ik schudde mijn hoofd. Ik kon toch moeilijk uitleggen waarvoor ik bang was.
We reden Edam binnen, over de Schepenmakersdijk, waar aan de overkant van het water twee witte theekoepeltjes staan, en via de ophaalbrug door de Doelensteeg naar de Lingerzijde. Mensen keken om. Zo vaak reed er geen dure, chique auto door de straten en over de grachtjes. Léon parkeerde de auto voor de winkel. Mijn moeder deed meteen de winkeldeur open. Ze had een kleur van zenuwachtigheid en was meteen ook diep onder de indruk van de mooie auto. Maar Léon was geweldig. Met de bos bloemen in zijn hand liep hij op haar toe, hij schudde haar hand en zei beleefd: 'Dag mevrouw Voordewind, ik ben Léon Irrgang. Ik vind het bijzonder prettig dat u mij wilt ontvangen. Alstublieft, een kleinigheid.' Hij glimlachte charmant, maar ik wist dat mijn moeder zich niet zomaar liet inpakken door een bos bloemen. 'Dank u... eh... je. Kom verder,' zei ze een beetje formeel, terwijl ze de bloemen aannam. Even keek ze de straat af of er wel mensen liepen die de opvallende auto zagen staan. Mijn vader was heel blij met de sigaren. Toen ik even met mijn moeder alleen in de keuken was en ik vroeg 'Hoe vindt u hem?', antwoordde ze bijna afkeurend: 'Hij is wel wat erg Joods, vind je niet?' Ik keek haar verbaasd aan. Wat bedoelde ze met die woorden?
'Nou, dat zwarte krulhaar en die donkere ogen... Best charmant, maar toch wel erg Joods.'
'Is daar iets mis mee?' vroeg ik scherp. 'Nou nee, maar ik zou het maar niet aan iedereen vertellen.'
'Wat bedoelt u nou?' Ik werd hoe langer hoe kribbiger. 'Hè Bee, helemaal niets. Maar, nou ja, je hoort die enge verhalen uit Duitsland. Zoveel Joden proberen te vluchten. Ik zeg het alleen maar uit liefde. Ik wil gewoon niet dat je in de problemen komt. Zeg gewoon maar niets, dat is veel veiliger. Je weet nooit in wat voor tijd we nog verzeild raken. Kom, we gaan weer naar binnen. Ik vind die jongen echt heel charmant, Bee.'
Ik zuchtte. Waarom had mijn moeder nou altijd zoveel kritiek?
's Middags wandelden we gearmd door Edam langs de grachtjes, door de kleine straatjes en de stegen. Ik liet Léon de Damstraat zien met de brede stenen brug waarop aan beide zijden donkerhouten bankjes staan met boogvormige gietijzeren leuningen. Daarna volgde de Kaasmarkt en natuurlijk de speeltoren, die sierlijk afstak tegen de helderblauwe lucht.
Léon vond alles even interessant. Nu wist iedereen ook dat Beatrijs Voordewind van de kruidenier verkering had met iemand uit Amsterdam, want dat zou zeker als een lopend vuurtje door Edam gaan. Mijn moeder zou eigenlijk wel trots zijn, maar ik wist ook heel zeker dat ze haar mond zou dichthouden over de Joodse afkomst van Léon. Ten slotte nam ik Léon mee naar de Zuidervesting, de lange wal die om het stadje ligt. Ik loop daar altijd graag. Het is er zo mooi met de oude bomen en het uitzicht over het water, de boerderijen en de weilanden. Ik houd zo van Noord-Holland. Léon had zijn arm om mijn schouders gelegd. Lachend en kussend - als er tenminste niemand in de buurt was - wandelden we over het pad. We liepen een bocht om en botsten bijna tegen iemand op. Het was Mathijs van Anrooy. Afschuwelijk. Hij was werkelijk de laatste persoon die ik wilde tegenkomen. Met een schok bleef ik staan en keek naar zijn gezicht. Een trek van schrik, verwarring en daarna verslagenheid verscheen op zijn gezicht. O Annabel, ik had hem deze ontmoeting zo willen besparen. Mathijs is echt een heel aardige jongen en als Léon niet in mijn leven was gekomen, had ik misschien wel verliefd op hem kunnen worden. We keken elkaar aan. Toen groette Mathijs en liep haastig voort.
'Wie was dat?' vroeg Léon nieuwsgierig. Hoorde ik het goed, lag er een ondertoon van jaloezie in zijn stem?
'Dat was Mathijs, een heel aardige jongen,' antwoordde ik wat ongemakkelijk.
'Alleen maar een aardige jongen? Het leek wel of hij verdrietig werd toen hij ons zo zag.' Léon nam mijn gezicht tussen zijn handen. 'Weet je dat ik nu al jaloers kan worden op alle mogelijke vrienden van jou?'
'Hij was niet mijn vriend. Ik heb nooit iets met hem gehad. Mijn moeder had graag gewild dat ik verkering zou krijgen met Mathijs, maar ik voel alleen maar vriendschap voor hem,' antwoordde ik naar waarheid.
'Dan is het goed.' Léon kuste me stevig op mijn mond, bijna alsof hij kwaad was. Heel vreemd.
Mijn moeder had zich uitgesloofd met het eten: groentesoep vooraf, daarna bloemkool met een sausje, een biefstukje en kruimige aardappels en als toetje een schaaltje vla met ingemaakte kersen. Ik vermoedde dat ze beslist niet wilde onderdoen voor de familie Irrgang. Ze had de tafel extra mooi gedekt, maar wel zonder kaarsen en bloemen. Gelukkig hoefden we niet de soepborden te gebruiken voor de hoofdmaaltijd, wat 's zondags wel vaak het geval was. Dat scheelt weer zoveel borden voor de afwas, vindt mama. Léon was heel onderhoudend en maakte met zijn grote algemene ontwikkeling diepe indruk op papa. Ik was trots op Léon, maar toch kon ik het ergens niet hebben dat papa zo tegen Léon opzag. Wat zit een mens toch vreemd in elkaar. Om zeven uur nam Léon afscheid, omdat hij om acht uur in Amsterdam moest zijn.
Na het bezoek zei mijn moeder: 'Dat is gelukkig erg meegevallen. Ik bedoel, deze man is tenminste iemand die helemaal niet neerkijkt op minder rijke mensen,' verduidelijkte ze toen ze mijn verbaasde gezicht zag. Ik kon uit haar woorden niet opmaken of ze hem nu aardig vond of niet. 'Een plezierig mens, Beatrijs, beslist een plezierig mens,' vond mijn vader. Hij knikte me vriendelijk toe. En ik ging naar bed, opgelucht dat de kennismaking van Léon met mijn ouders achter de rug was. Maar ergens haakt er iets. Net of Léon niet echt welkom was, of is het inbeelding van mij? Ik moet er maar niet verder over nadenken. In de verte hoor ik het carillon spelen. Het klokkengezang klinkt vertroostend en doet alle nare gedachten verdwijnen.
Liefs van je Beatrijs
Tessa stopte de brief terug in de envelop, maar de foto liet ze erbuiten. Voorzichtig schoof ze hem in het fotolijstje, waarin een foto van haar grootmoeder zat, en zette het in de boekenkast naast het ebbenhouten beeldje. De boekenplank leek wel een soort schrijn te worden, dacht ze. Zou die sjaal nog ergens zijn? Dat moest wel, want oma had altijd alle dingen die haar dierbaar waren, bewaard. Tessa wist niet zo goed wat ze van overgrootmoeder Nita moest denken. Het leek wel of ze een tikje antisemitisch was, of dacht iedereen zo in die dagen en was dat normaal?
Dit weekend zou Tessa naar huis gaan, omdat het huis van haar grootmoeder leeggehaald moest worden. Geen prettig vooruitzicht. Nog steeds leek het niet volledig tot haar doorgedrongen te zijn dat haar grootmoeder werkelijk was overleden.
Drie dagen geen brieven... Bijna onoverkomelijk! Het leek wel of ze verslaafd was. Om het af te leren, toch nog maar snel één brief.
Edam, 11 november, 1938
Lieve Annabel,
De afgelopen maanden waren vol vreugde en liefde, maar om dat elke keer te beschrijven, wordt zo eentonig. Ik kan toch niet alle cadeaus opnoemen die Léon me elke keer geeft als hij me ziet? We zijn naar concerten en toneelvoorstellingen geweest. Mijn vader was er niet zo blij mee, maar hij durfde geen bezwaar te maken. Hij heeft te veel respect voor Léon en is eigenlijk een beetje bang voor hem, heb ik zomaar het idee.
Thuis heb ik ook niet verteld dat meneer en mevrouw Irrgang naar de synagoge gaan, niet altijd maar wel op zon- en feestdagen. Léon geeft er niet zoveel om, maar hij gaat wel regelmatig mee. Dat vind ik een beetje vervelend. Ik ben niet joods. Luidt niet het gezegde: twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen? Maar ik houd zo veel van Léon. Ik wil hem echt niet kwijt. Hoe dat nu moet, ik weet het niet. Wel weet ik dat ik mijn ouders veel verdriet zou doen als ik naar een synagoge zou gaan, maar daar hoeven ze echt niet bang voor te zijn, want ik geloof in Jezus en met Hem hebben meneer en mevrouw Irrgang weer niet zo veel op. Dat heb ik opgemaakt uit hun opmerkingen over de kerk in Duitsland die achter Hitler staat (niet alle kerken, hoor). Ik kan ze dus wel begrijpen. Ik zou ook niet van een kruis houden als ik ermee werd geslagen. Léons familie viert elke week de sabbat. Vandaag is het vrijdag, het begin van de sabbat. Ik had met Léon afgesproken dat ik die avond bij zijn familie zou zijn, hoewel het Sint Maarten is. Ik houd zo van Sint Maarten. Kinderen die met lampions lopend en zingend langs de deuren trekken om snoepgoed op te halen: boterbabbelaars, ulevellen, toffees, griotjes en amandelbonen. Maar deze avond was er geen sprake van feest. O Annabel, er is iets verschrikkelijks gebeurd in Duitsland. In de nacht van 9 op 10 november hebben de nazi's Joden aangevallen uit wraak omdat een Joodse man, een zekere Herschel nog wat (ik heb die vreemde achternaam niet kunnen onthouden), een Duitse diplomaat in Parijs heeft doodgeschoten. Synagogen werden in brand gestoken, Joodse winkels gingen in vlammen op, Joodse scholen en begraafplaatsen werden verwoest en heel veel Joden werden zomaar vermoord. De hele familie Irrgang was in zak en as. We zaten in de eetkamer en zouden bijna aan de maaltijd beginnen die het naderende begin van de sabbat moest inluiden.
'En dat we nu helemaal niets voor hen kunnen doen,' zei Léons vader bitter. 'Weet je hoe de nazi's deze nacht noemen? KristalInacht. Alsof er alleen maar wat ramen van winkels, huizen, scholen en synagogen zijn ingegooid. Wat moet er van de Joden daar worden? Het lijkt wel of Hitler ze allemaal wil uitroeien.'
'Maar dat kan toch niet?' riep de moeder van Léon uit. 'Waarom protesteren de andere landen dan niet? Zien ze dan niet wat er in Duitsland gebeurt?'
'Ze willen het niet zien,' merkte meneer Irrgang bitter op. 'Want dat houdt in dat ze de Duitse Joden die willen vluchten, moeten opnemen in hun landen, en dat willen ze niet.' Ik voelde me schuldig worden. Ook ons land had niet geprotesteerd. Ik durfde amper van mijn bord op te kijken. Maar opeens legde Léon zijn hand op mijn arm en zei troostend. 'Liefje, daar kun jij helemaal niets aan doen. Voel je alsjeblieft niet schuldig.' O Annabel, hij kent me zo goed.
'Laten we maar beginnen,' stelde meneer Irrgang voor. Léons moeder ging moeizaam staan. Léon probeerde haar te helpen, maar ze weerde hem af. Mevrouw Irrgang wilde absoluut niet geholpen worden. Ze stak de sabbatskaarsen aan en ging weer zitten. Meneer Irrgang zegende daarna twee gevlochten broden en de wijn die op tafel stonden. Toen kon de echte maaltijd beginnen. Meestal is de sfeer warm, gezellig en vrolijk, maar nu heerste er droefheid en somberheid aan tafel. Zelf ben ik ook bang. Wat gebeurt er in de wereld? Waarom kan die afschuwelijke Hitler zomaar zijn gang gaan? Waarom houdt niemand hem tegen? Is iedereen dan zo bang voor hem? Ik heb gehoord dat Hitler vroeger een huisschilder was. Raar, hoor, een huisschilder als leider van een volk. Hij maakte ook schilderijen maar die waren om te huilen. Gewoon kitsch. De maaltijd eindigde als altijd met het lezen van Psalm 126. Die psalm gaat over de geweldige toekomst van het volk Israël. Op dit moment twijfel ik daar heel erg aan. De toekomst van het Joodse volk ziet er ronduit ellendig uit. Ik ben bang, heel bang dat er iets met Léon gebeurt, en wat dan? Ik kan echt niet zonder hem leven.
Intussen heeft mevrouw Laméris ook een nieuwe eerste verkoopster aangenomen. Ze heet Gina. Haar haren zijn blond en ze heeft blauwe ogen, net als FrauleinBenedict, maar ze is wat betreft karakter precies het tegenovergestelde van die akelige Duitse vrouw. Gina is bescheiden en heel vriendelijk en ze heeft prachtige handen: slanke, lange vingers met zachtroze nagels die aan de bovenkant ovaal toelopen. Ik denk zelfs dat mevrouw Laméris haar vooral om die handen heeft aangenomen. Heel even heb ik gedacht dat ik misschien de eerste verkoopster zou blijven, maar dat ging dus niet door. Diep in mijn hart vond ik het jammer, maar de teleurstelling duurde niet lang, omdat Gina zo aardig is.
Thuisgekomen ging ik regelrecht naar mijn slaapkamer. 'Ik voel me niet lekker,' zei ik tegen mijn ouders. Ze geloofden me direct, want ik zag er witjes uit. Dat zag ik later in de spiegel van mijn kamer.
Ik moet maar hard bidden dat God het Joodse volk beschermt, want er is niemand anders die het doet. Lieve Heer, wees met Léon.
Liefs van een bange Beatrijs
Tessa had tranen in haar ogen toen ze de brief gelezen had. Maar hadden ze dan helemaal geen voorgevoel gehad dat het mis zou lopen? De voortekenen waren toch duidelijk genoeg geweest? Waarom had die familie niet haar koffers gepakt en de boot naar Engeland of Amerika genomen? Plotseling herinnerde Tessa zich de St. Louis, het schip met meer dan negenhonderd Joodse vluchtelingen aan boord, dat van Hamburg vertrok naar Cuba maar geen toegang kreeg en veertig dagen op zee rondzwierf. En dat later weer terug moest naar Europa, omdat niemand in Amerika de Joden wilde hebben. Uiteindelijk kwam een deel van hen terecht in België, Nederland, Frankrijk en Engeland, waar de meesten later werden opgepakt door de nazi's. Hun vlucht was dus helemaal voor niets geweest. Maar dat was toch pas later toen de oorlog al uitgebroken was, of niet? Die arme familie Irrgang. En het ergste voor hen moest nog komen. Tessa stond op, deed haar computer aan en tikte de naam St. Louis op Google in. Wat ze daar las, deed haar huiveren. Dat een heel volk bijna helemaal ten onder was gegaan zonder dat iemand een hand had uitgestoken. Die nacht kon ze bijna niet in slaap komen.